Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:16606

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-12-2013
Datum publicatie
23-12-2013
Zaaknummer
09-852114-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Drie mannen van 18, 19 en 20 jaar oud krijgen van de rechtbank Den Haag gevangenisstraffen van , 36 maanden , waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van Drie mannen van 18, 19 en 20 jaar oud krijgen van de rechtbank Den Haag gevangenisstraffen van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Zij worden veroordeeld voor de gewelddadige overval op een juwelier in Gouda. Een minderjarige mededader (17) krijgt voor hetzelfde vergrijp een jaar onvoorwaardelijke jeugddetentie. Ook krijgt deze minderjarige een zogenaamde Gedrags Beinvloedende Maatregel opgelegd door de rechtbank.

Een 27 jarige verdachte die de anderen heeft getipt over deze juwelier krijgt van de rechtbank voor medeplichtigheid en voor wapenbezit een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, proeftijd 2 jaren.

De vier overvallers hebben op 21 mei 2013 in Gouda gezamenlijk een juwelier overvallen. Ze dreigden met geweld, hebben met een hamer ingeslagen op een vitrinekast met horloges en hebben de in de juwelierszaak aanwezige eigenaresse geslagen met het vuurwapen. Tijdens de overval heeft een van de mannen geschoten met hetzelfde vuurwapen. Een andere winkelier die aangeefster wilde helpen is door een van de overvallers geslagen met een ploertendoder.

De rechtbank kent 10,000 euro smartengeld toe aan de aangeefster voor het ontstane leed. Haar claim terzake van andere kostenposten werd door de rechtbank gedeeltelijk toegewezen voor dat deel kan zij nog wel naar de civiele rechter stappen om geld te eisen van hen.

Twee minderjarige medeplichtigen, die hielpen met voorbereiden dan wel het vuurwapen en de ploertendoder hebben geleverd, krijgen werkstraffen en voorwaardelijke jeugddetentie van de rechtbank. De derde minderjarige medeplichtige, de vriendin van een van de overvallers, is vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/852114-13

Datum uitspraak: 5 december 2013

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

adres: [adres]

thans preventief gedetineerd in [X]

[X]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 29 augustus 2013 en 21 november 2013.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. N. Coenen en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. W.J. Morra, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 21 mei 2013 te Gouda tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een juwelierszaak, gelegen op of aan de [adres] heeft weggenomen een hoeveelheid horloges/sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Juwelier [X] en/of [aangever 1] en/of [aangever 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever 2] en/of [aangever 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit

- het met bedekte gezichten en/of (een) vuurwapen(s) betreden van die juwelierszaak en/of

- door hun overwicht in aantal doen ontstaan van een dreigende situatie voor die [aangever 2] en/of

- het inslaan van een of meer vitrinekasten en/of

- het (met een vuurwapen/voorwerp) slaan op het hoofd en/of tegen de nek en/of op een hand, althans

op het lichaam, van die [aangever 2] en/of

- het (krachtig) duwen tegen het lichaam van die [aangever 2], tengevolge waarvan die [aangever 2] ten val is

gekomen en/of

- het schieten met dat vuurwapen en/of

- het met een (ploertendoder/gummiknuppel/voorwerp) slaan op het lichaam van die [aangever 3];

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 21 mei 2013 te Gouda tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie II en/of III, te weten een vuurwapen, en/of munitie van categorie II en/of III, te weten een of meer patro(on)en(en), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de bewijsvraag.

Op 21 mei 2013 vindt er in het winkelcentrum Bloemendaal te Gouda een gewelddadige overval plaats op juwelierszaak [X]. Deze zaak, gevestigd aan de[adres], is eigendom van de heer [aangever 1] en zijn echtgenote mevrouw [aangever 2] (verder: de aangeefster). Die ochtend verlaat de heer [aangever 1] rond 10.15 uur de zaak en blijft de aangeefster alleen achter. Zij bevindt zich in het atelier achterin de zaak.

Na ongeveer een kwartier komen twee in het zwart geklede personen met een bivakmuts over hun hoofd rennend de zaak binnen. Eén van hen slaat direct met een hamer een vitrine kapot, waarin de dure horloges liggen. De aangeefster loopt van het atelier naar de zaak en gilt om hulp. Zij wil de alarmknop - die zich achter de toonbank aan de rechterzijde van de zaak bevindt - indrukken, maar wordt meerdere malen door de tweede persoon, die opeens naast haar staat, op de rechterachterzijde van haar hoofd geslagen.

De aangeefster zit even later op de grond achter de toonbank, maar kan zich niet herinneren hoe zij op de grond terecht is gekomen.2

De heer [aangever 3], de eigenaar van de viswinkel, die zich recht tegenover de juwelierszaak bevindt, ziet twee personen de entree van het winkelcentrum binnenkomen, ondertussen een donkerkleurige bivakmuts over hun hoofd trekkend. Vervolgens ziet hij dat deze personen doelbewust in de richting van de ingang van de juwelierszaak lopen en naar binnen gaan.

Hij roept naar zijn medewerkster dat zij 112 moet bellen en loopt snel in de richting van de juwelierszaak. Onderweg naar de juwelierszaak wordt hij door een derde persoon tegengehouden en met een ploertendoder tweemaal in zijn buik geslagen. Deze persoon belet [aangever 3] om de juwelierszaak te betreden. [aangever 3] loopt achteruit en begint te roepen dat er een overval gaande is. De derde persoon roept iets naar binnen en de twee personen met de bivakmutsen komen naar buiten gerend en verlaten het winkelcentrum. [aangever 3] rent de juwelierszaak in en vindt de aangeefster gewond op de grond achter de balie. Het bloed gutst uit haar hoofd.3

[getuige 1], die op het moment van de overval in het winkelcentrum aanwezig is, loopt samen met [aangever 3] en haar dochter de juwelierszaak in. Zij ziet dat het glas van de vitrine en de toonbank kapot is en zij ziet dat aan de voorkant van de toonbank een zilverkleurige huls ligt.4 De aangeefster zit op de grond achter de toonbank en bloedt hevig. [getuige 1] helpt de aangeefster met doeken om het bloeden te stelpen. [getuige 1] ziet dat de middelvinger van de rechterhand van de aangeefster scheef staat en blauw is en dat er een straaltje bloed uit loopt.5

Op het moment dat de aangeefster doeken tegen haar bloedende hoofd houdt, voelt zij dat haar arm pijn doet en ziet zij dat haar hand kapot is.6 De aangeefster is op dat moment ook niet aanspreekbaar.7

De aangeefster wordt naar het ziekenhuis vervoerd. Zij heeft een scheurwond aan haar hoofdhuid, die gehecht is, een tweetal scheurwonden aan haar rechterhand en een botbreuk van de derde vinger aan haar rechterhand. Haar vinger is kort na de overval operatief gefixeerd en in het gips gezet. De geschatte genezingsduur van de fractuur is geschat op 8 weken, maar de rest- en herstelfunctie van de rechterhand laat zich niet inschatten.8

[getuige 2] ziet op 21 mei 2013 omstreeks 11.00 uur drie personen met bivakmutsen bij het winkelcentrum vandaan rennen. Hij fietst achter ze aan en schrijft het kenteken op van de grijze personenauto waarin zij wegrijden, te weten ZD-GS-89.9 [getuige 2] loopt vervolgens naar de juwelierszaak en geeft het kenteken van de auto door aan de dochter van [getuige 1], die op dat moment met 112 belt.10

[getuige 3] vindt op de openbare weg, op een plek waar hij vlak daarvoor mannen heeft zien rennen, een horloge. Hij raapt het op en geeft het in de juwelierszaak af.11

De politie slaat groot alarm en de auto, een grijze Peugeot 206, wordt vrij snel gespot en omsingeld door surveillanceauto’s. Om 11.14 uur wordt de bestuurder van de auto, de [medeverdachte 1], aangehouden.12 Eén voor één worden de andere drie inzittenden van de auto, te weten de verdachten [verdachte]13, [medeverdachte 2]14 en [medeverdachte 3]15, aangehouden.16

De auto wordt veilig gesteld17 en onderzocht.

In de auto wordt op het dashboard een ploertendoder aangetroffen18 alsook onder de bestuurdersstoel een bivakmuts en een zwart vuurwapen19 en in het opbergvak onder de bijrijdersstoel een koppel met tiewraps en een bivakmuts.20 Onder de bijrijdersstoel wordt voorts een slagwapen aangetroffen, achter de bijrijdersstoel in een grijze sporttas een hamer, een paar zwarte handschoenen, een bivakmuts, glasscherven en twee horloges, met daaraan nog de prijskaartjes. In een tas in de kofferbak van de auto worden tenslotte een bivakmuts en handschoenen aangetroffen.21

De aangeefster herkent de twee aangetroffen horloges van het merk Carucci Tourbilon en Jaques Lemans als zijnde eigendom van de zaak.22

Het wapen is een pistool van het merk Walther PPK, zijnde een vuurwapen vallend onder categorie III van de Wet wapens en munitie. Het wapen bevat voorts 6 scherpe patronen, eveneens vallend onder categorie III van de Wet wapens en munitie.23

Bij de uitgang van het winkelcentrum Bloemendaal wordt een busje CS gas aangetroffen.24

Dit busje CS gas is een wapen vallend onder categorie II van de Wet wapens en munitie.25

De overval is zorgvuldig gepland en voorbereid. De verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] kiezen er na een tip voor om de juwelier in Gouda te overvallen, omdat deze volgens de tip dicht bij de uitgang van het winkelcentrum ligt. Er worden twee voorverkenningen gedaan. Bij de eerste voorverkenning, een aantal weken voor de overval, is de tipgever aanwezig en wordt besproken hoe de overval het beste kan worden aangepakt en waar de auto het beste kan worden geparkeerd, namelijk in ieder geval uit het zicht van de camera’s. [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn erbij.262728 Bij de tweede voorverkenning, op de zaterdag voor de overval, zijnde 18 mei 2013, is ook medeverdachte [medeverdachte 4] aanwezig.

Zij en [medeverdachte 2] doen zich voor als een stelletje en bekijken de winkel. [medeverdachte 2] kijkt waar de dure horloges liggen. Ook wordt die dag de vluchtroute bekeken.29

Diezelfde avond wordt de rolverdeling nader besproken. [medeverdachte 1] zal de auto besturen, [medeverdachte 2] zal de vitrine inslaan en de dure horloges meenemen, [medeverdachte 3] zal het personeel onder controle houden met een vuurwapen en [verdachte] moet voorkomen dat anderen de juwelierszaak betreden.30

Eerder zijn er in Bergen op Zoom met het oog op de overval bivakmutsen gekocht.3132

Ook de verdeling van de buit is van tevoren besproken.

Op de dag van de overval heeft [medeverdachte 2] een hamer bij zich om de vitrine in te slaan en heeft hij voor de zekerheid pepperspray bij zich33, [medeverdachte 3] heeft een vuurwapen bij zich34 en [verdachte] heeft een ploertendoder in zijn hand.35

De verdachten [medeverdachte 1]36, [verdachte]37, [medeverdachte 2]38 en [medeverdachte 3]39 bekennen dat zij hebben meegedaan aan de overval op de juwelier. De verdachte alsook medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] handhaven ter terechtzitting, ieder voor zich, hun bekennende verklaring.40

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte feit 1 en feit 2 heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde feit, nu het aandeel van de verdachte de kwalificatie medeplegen niet kan rechtvaardigen en medeplichtigheid niet aan de verdachte is ten laste gelegd. Medeplegen dient, aldus de raadsman, in twee facetten te worden gewogen, zijnde het aandeel in de voorbereiding en het aandeel in de uitvoering. De verdachte heeft de minste betrokkenheid gehad in de voorbereiding. Hij is op een later moment bij de overval betrokken. De verdachte is niet betrokken geweest bij het kopen van de bivakmutsen, hij is niet aanwezig geweest bij de ontmoeting in de tuin van [medeverdachte 5] en niet bij de voorverkenning in Gouda. Ook zat de verdachte niet in de whatsapp-groep van alle verdachten en heeft hij met niemand telefonisch contact gehad.

De verdachte is gevraagd om op de uitkijk te staan vanwege zijn grote postuur. Dit is in beginsel een ondergeschikte rol, hoewel zijn handelen met de ploertendoder wel laakbaar is.

Aangegeven is voorts dat de verdachte niet wist dat er bij de overval een vuurwapen zou worden gebruikt.

De raadsman heeft zijn standpunt onderbouwd met jurisprudentie, zoals weergegeven in zijn pleitnota.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman vrijspraak bepleit, nu de verdachte er niet van op de hoogte was dat er bij de overval een vuurwapen zou worden gebruikt. Hij had ook geen beschikkingsmacht over het wapen. Medeplegen van het voorhanden hebben van een wapen is derhalve niet aan de orde.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank ziet allereerst gesteld voor de vraag of de rol van de verdachte zodanig is geweest dat er sprake is van medeplegen aan voornoemde overval.

De verdachte verklaart bij de politie en ook ter terechtzitting, zoals reeds in de inleiding is weergegeven, dat hij op de uitkijk heeft gestaan en dat hij daarvoor geld zou krijgen.

De ploertendoder, die de verdachte in de auto van [medeverdachte 1] heeft gekregen, zou hij gebruiken om mensen af te schrikken om te voorkomen dat zij de juwelierszaak binnen zouden gaan. Dit is ook wat de verdachte daadwerkelijk heeft gedaan. Hij heeft de eigenaar van de viswinkel met de ploertendoder geslagen en hem op deze manier belet om de juwelierszaak binnen te gaan en aldus het slachtoffer te hulp te schieten. Hierdoor hebben zijn medeverdachten de mogelijkheid gehad in de winkel hun gang te gaan.

De verdachte is bovendien degene geweest, die voor de overval bij de broodjeszaak tegenover de juwelier is gaan zitten en heeft gekeken of het niet te druk was om de juwelier te overvallen.

Hij is dus degene geweest die de overval had kunnen afblazen.

Hoewel de verdachte op een later moment bij de voorbereiding van de overval betrokken is geraakt, wist hij precies wat er ging gebeuren en heeft hij een wezenlijk deel van de uitvoering van het plan op zich genomen.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte, naar het oordeel van de rechtbank, een significante bijdrage geleverd aan de overval en kan aldus het medeplegen aan voornoemde gewelddadige overval wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat de verdachte niet voor het medeplegen van het voorhanden hebben van het vuurwapen en de munitie kan worden veroordeeld. Het vuurwapen is aanwezig geweest in de auto waarin alle verdachten van Oudenbosch naar Gouda zijn gereden. Aldus waren ze op weg naar de juwelierszaak die ze volgens plan met het vuurwapen ter hand zouden overvallen. Verder was de verdachte op moment van de aanhouding van alle verdachten op 21 mei 2013 aanwezig in de auto, waarin het geladen vuurwapen onder een stoel is gevonden. Aldus hadden alle verdachten op dat moment de beschikkingsmacht over het vuurwapen en de munitie en kan het medeplegen van het voorhanden hebben van het vuurwapen en de patronen, naar het oordeel van de rechtbank, bewezen worden verklaard.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

1.

hij op 21 mei 2013 te Gouda tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een juwelierszaak, gelegen op of aan de[adres]heeft weggenomen horloges, toebehorende aan Juwelier [X] en/of [aangever 1] en/of [aangever 2], diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [aangever 2] en [aangever 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit

- het met bedekte gezichten en een vuurwapen betreden van die juwelierszaak en

- door hun overwicht in aantal doen ontstaan van een dreigende situatie voor die [aangever 2] en

- het inslaan van vitrinekasten en

- het met een vuurwapen slaan op het hoofd en op een hand van die [aangever 2] en

- het schieten met dat vuurwapen en

- het met een ploertendoder slaan op het lichaam van die [aangever 3];

2.

hij op 21 mei 2013 te Gouda tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen, en munitie van categorie III, te weten patronen, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De straf/maatregel

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringstoezicht.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de strafmaat bepleit dat artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht moet worden toegepast. De raadsman stelt hiervoor steun te vinden in het Wetsvoorstel Adolescentenstrafrecht en een rapport van de RSJ uit 2011. Het specifieke risicogedrag van adolescenten tussen 15 en 23 jaar wordt mede veroorzaakt door de nog

onvoltooide ontwikkeling van bepaalde belangrijke hersenfuncties.

Ook de informatie van de psycholoog en de reclassering ondersteunen, aldus gesteld, toepassing van artikel 77c. De raadsman benadrukt dat uit deze rapporten blijk dat de ego-ontwikkeling van de verdachte achter loopt en zich bevindt op een niveau van een 14- tot 17-jarige alsook dat er sprake is van egozwakte en een onvoldoende adequate coping.

De raadsman ondersteunt zijn standpunt wederom met jurisprudentie, zoals weergegeven in zijn pleitnota.

Ten slotte vraagt de raadsman nog aandacht voor de omstandigheid dat de verdachte als gevolg van strafoplegging zijn verblijfsrecht kan kwijtraken.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een gewelddadige overval op een juwelierszaak in Gouda, alsmede aan het voorhanden hebben van een vuurwapen met patronen.

Deze overval is door de verdachte en zijn mededaders goed voorbereid en op redelijk professionele wijze uitgevoerd. Zij hebben een aantal voorverkenningen gedaan, hebben bivakmutsen aangeschaft, wapens geregeld en een rolverdeling besproken. Mededader [medeverdachte 1] was de enige die een rijbewijs had en was dan ook degene die zou rijden.

Op 21 mei 2013 is hij samen met de drie anderen op tijd van Oudenbosch naar Gouda gereden. De verdachte heeft die ochtend als eerste het winkelcentrum betreden en bij een broodjeszaak tegenover de juwelier plaatsgenomen, om de situatie ter plaatse te bekijken en de mededaders te berichten indien het te druk was.

De mededaders [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zijn volgens plan, geheel in het donker gekleed en voorzien van bivakmutsen, de juwelierszaak binnen gestormd. [medeverdachte 2] heeft direct na binnenkomst met een hamer een van de vitrines kapot geslagen en heeft een aantal kostbare horloges weggenomen. Op dat moment is het slachtoffer vanuit de werkplaats de winkel ingelopen, teneinde alarm te kunnen slaan. Echter voordat zij het zich kon realiseren heeft [medeverdachte 3] haar nietsontziend belaagd. Hij heeft het slachtoffer meermalen met de kolf van een vuurwapen op de achterzijde van haar hoofd geslagen, ten gevolge waarvan zij bewusteloos is geraakt en letsel aan haar hoofd en hand heeft opgelopen. Bovendien heeft [medeverdachte 3] bij het hanteren van het vuurwapen als slagwapen, het wapen ook eenmaal afgevuurd.

Tegelijkertijd met de gebeurtenissen in de juwelierszaak heeft de verdachte, die zich buiten op de uitkijk bevond, de heer [aangever 3] belemmerd in zijn poging het slachtoffer te hulp te schieten. De verdachte heeft de heer [aangever 3] hierbij tot tweemaal toe met een ploertendoder in de buikstreek geslagen.

Het door de verdachte en zijn mededaders gepleegde feit behoort tot een categorie strafbare feiten waardoor een ernstige inbreuk wordt gemaakt op de rechtsorde en die in de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaken. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het feit is gepleegd op klaarlichte dag in een drukbezocht winkelcentrum, zodat veel omstanders hier onwillekeurig getuige van zijn geweest.

Bovendien leert de ervaring dat slachtoffers van dergelijke overvallen veelal een langdurige en ernstige psychische nasleep van het gebeurde ondervinden.

Dit blijkt ook goed uit de verklaring van de slachtoffers, de heer [aangever 1] en mevrouw [aangever 2], welke laatstgenoemde zich tevens als benadeelde partij in deze strafzaak heeft gevoegd. In casu valt in de slachtofferverklaring van de juwelier te lezen dat de impact van de overval zo groot is geweest dat het slachtoffer sinds de overval niet meer in de winkel durft te staan. Zij voelt zich te kwetsbaar en heeft aldus op een abrupte wijze een einde zien komen aan haar werkzame leven. De kwetsuur aan de rechterhand (het slachtoffer is rechtshandig) maakt ook dat het slachtoffer het fijne juwelierswerk in het atelier en de overige werkzaamheden in de winkel -in ieder geval op dit moment- niet kan uitoefenen.

De verdachte heeft ter terechtzitting, net als zijn medeverdachten, verklaard dat het verkrijgen van geld aan de overval ten grondslag lag. De rechtbank vindt het schokkend dat de verdachte en zijn mededaders kennelijk bereid waren om voor ‘een paar honderd euro’ een dergelijk gewelddadig feit te plegen. [medeverdachte 3] is samen met [medeverdachte 2], zonder ook maar één moment na te denken over wat zij achter de voordeur van de juwelierszaak zou aantreffen, met een doorgeladen vuurwapen de juwelierszaak binnengegaan. Als deze zaak iets duidelijk maakt, dan is het wel dat men zich tegen dit soort onbesuisd en levensgevaarlijk handelen amper kan wapenen als eigenaar van een juwelierszaak, en dat het kennelijk niet meer mogelijk of veilig genoeg is dat de deur van de winkel gewoon open staat voor de klanten, omdat potentiele overvallers dan ook zó naar binnen kunnen stormen.

Voornoemde feiten zijn ernstige strafbare feiten waarvoor een langdurige gevangenisstraf in beginsel op zijn plaats is. De landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, zoals deze zijn overeengekomen in het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren (LOVS), stellen voor een overval op een winkel met ander geweld dan licht geweld een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar. Op het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie van categorie III staat ook minimaal 3 maanden gevangenisstraf.

De rechtbank weegt bij het bepalen van de strafmaat mee dat de verdachte zich niet eerder wegens het plegen van strafbare feiten voor de rechter heeft moeten verantwoorden.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport d.d. d.d. 8 oktober 2013 betreffende het psychologisch onderzoek van de verdachte, opgesteld en ondertekend door

drs. [A], GZ-psycholoog. Blijkens dit rapport is er bij de verdachte

geen sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en/of een gebrekkig ontwikkeling van de geestvermogens, ook niet ten tijde van het ten laste gelegde.

De verdachte kan volledig toerekeningsvatbaar worden geacht. Zijn naïviteit en zijn beïnvloedbaarheid zijn van belang voor de kans op recidive. Om de kans op recidive te verkleinen is begeleiding geïndiceerd. Binnen het reclasseringstoezicht, afdeling jongvolwassenen (JoVo), kan een COVA-training worden uitgevoerd in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een deels voorwaardelijk strafdeel.

De rechtbank neemt de conclusies ten aanzien van de mate van toerekeningsvatbaarheid en de kans op recidive uit voornoemd rapport over.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 17 juli 2013.

Geadviseerd wordt aan de verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen naast een onvoorwaardelijk strafdeel, met als bijzondere voorwaarden:

meldplicht, gedragsinterventie en schadevergoeding.

De rechtbank onderschrijft het strafadvies van de reclassering niet voor zover dit het opleggen van een geheel voorwaardelijke straf betreft.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende reactie vormt. De rechtbank ziet echter aanleiding een deel van deze gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, teneinde de verdachte in de toekomst van strafbare gedragingen te weerhouden en zijn begeleiding te waarborgen. Als bijzondere voorwaarden zijn verplicht reclasseringscontact, afdeling jong volwassenen (JoVo) en een gedragsinterventie, te weten een COVA-training, geïndiceerd.

De rechtbank zal bij de drie volwassen hoofdverdachten dezelfde straf opleggen.

Gelet op de ernst van het feit en de wijze waarop het misdrijf is uitgevoerd, ziet

de rechtbank geen aanleiding om jeugdstrafrecht van toepassing te verklaren.

De rechtbank zal er bij de strafoplegging wel rekening mee houden dat de verdachte een zogenaamde jongvolwassene is met de daarbij behorend gedrag en een wat achtergebleven ego-ontwikkeling.

De rechtbank ziet gelet op dit alles aanleiding de gevorderde straf enigszins te matigen.

De omstandigheid dat de verdachte als gevolg van strafoplegging zijn verblijfsrecht kan kwijtraken neemt de rechtbank niet in haar oordeel mee.

7 De vordering van de benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Mevrouw [aangever 2], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 37.873,33.

De vordering tot schadevergoeding bestaat uit immateriële schade voor een bedrag groot

€ 10.000,-, ziende op smartengeld en uit materiële schade voor een bedrag groot

€ 27.873,33, ziende op de volgende posten:

1. normbedrag ziekenhuisopname € 26,-

2. normbedrag huishoudelijke hulp:

26 wkn à 168,- € 4.368,-

52 wkn à 10,- € 5.200,-

3. reiskosten € 120,-

4. medische kosten:

eigen risico ziektekosten € 254,64

eigen bijdrage fysiotherapie € 602,-

kosten manueel therapeut € 770,-

5. diversen:

kledingschade € 300,-

aangepaste kleding € 222,44

parkeerkosten € 18,50

total loss horloge € 2.050,-

6. vervangen ruiten / vitrine € 132,75

7. stelpost schilderwerk € 150,-

8. extra kosten verwarming € 100,-

9. kosten porto en telefoon € 50,-

10. verlies van arbeidsvermogen € 13.535,00

11. wettelijke rente p.m.

7.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie concludeert tot hoofdelijke toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij.

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 37.873,33 ten behoeve van de benadeelde partij genaamd [aangever 2].

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de vordering benadeelde partij verweer gevoerd en aangegeven dat enkele posten onvoldoende zijn onderbouwd en nader onderzoek het strafproces onevenredig zou belasten. Post 2, 4 (kosten behandeling Pieneman), 8, 9 en 10 moeten, aldus de raadsman, worden afgewezen. Ten aanzien van de post smartengeld ontbreekt een diagnose van een terzake deskundige over de aard een ernst van de psychische schade. De mededeling van de benadeelde onder 4 a op de vordering dat er sprake is van nachtmerries, huilbuien en angstgevoelens is, aldus de raadsman, ontoereikend om als immateriële schade in de zin van artikel 6:106 lid 1 BW te worden erkend.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

Toewijzing

De rechtbank zal de vordering hoofdelijk toewijzen, voor wat betreft de posten:

1. normbedrag ziekenhuisopname € 26,-

3. reiskosten € 120,-

4. medische kosten:

eigen risico ziektekosten € 254,64

eigen bijdrage fysiotherapie € 602,-

5. diversen:

kledingschade € 300,-

aangepaste kleding € 222,44

parkeerkosten € 18,50

9. kosten porto en telefoon € 50,- (totaal € 1.593,58)

11. wettelijke rente p.m.

Deze schade is voldoende onderbouwd en als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde feit is aan te merken.

Voorts acht de rechtbank de vordering ad € 10.000,- als vergoeding van de immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar. De rechtbank heeft hierbij mede gekeken naar vergelijkbare gevallen in de Nederlandse rechtspraak.

Gedeeltelijke toewijzing

Voor wat betreft de gevorderde schade met betrekking tot de post ‘huishoudelijke hulp’ is de rechtbank van oordeel dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van

€ 2.118,- , bestaande uit:

3 mnd / 12 wkn zwaar beperkt 2-persoonshuishouden à € 168,- p/w: € 2.016,-

3 mnd / 12 wkn continuering mantelzorg à € 8,50 p/u, 10 uur per week: € 1.020,-

Deze bedragen zijn berekend conform de ‘Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp’ van de Letselschade Raad.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van deze schadepost

niet-ontvankelijk verklaren, nu dit toekomstige schade betreft en het voor de rechtbank niet duidelijk is of de gevorderde periode van 52 weken een reële periode betreft.

Niet-ontvankelijk

De rechtbank zal de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor de navolgende posten niet-ontvankelijk verklaren:

4. kosten manueel therapeut € 770,-

5. total loss horloge € 2.050,-

6. vervangen ruiten / vitrine € 132,75

7. stelpost schilderwerk € 150,-

8. extra kosten verwarming € 100,-

10. verlies van arbeidsvermogen € 13.535,00

Ten aanzien van post 4 het onderdeel ‘kosten behandelingen Pieneman’ merkt de rechtbank op dat deze niet zijn onderbouwd en aldus kan van deze schadepost geen goede beoordeling worden gemaakt.

Ten aanzien van de posten 5, 6 en 7 is de rechtbank van oordeel dat dit geen schade is die door mevrouw [aangever 2] als slachtoffer is geleden. Deze posten betreffen kosten die als schade voor rekening van de V.O.F. van [aangever 1] en [aangever 2] dient te worden aangemerkt. (De heer [aangever 1] heeft desgevraagd ter zitting bevestigd dat de bedrijfsvorm een VOF is.)

De vermogens van het slachtoffer en de V.O.F. zijn gescheiden vermogens. De benadeelde partij zal voor dit deel van de vordering dan ook niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

Ten aanzien van post 8 is de rechtbank van oordeel dat dit in een te ver verwijderd verband van het strafbare en bewezenverklaarde feit staat.

Ten aanzien van de post 10 is het voor de rechtbank niet mogelijk om op grond van de thans voorhanden zijn de informatie tot een vaststelling van het gevorderde bedrag te komen.

Totaal toegewezen

De rechtbank zal derhalve de vordering ten laste van de verdachte toewijzen tot een bedrag van € 14.629,58 (€ 1.593,58 + € 10.000,- + € 3.036,-).

De rechtbank zal voorts bepalen dat de vordering hoofdelijk wordt toegewezen.

Wettelijke rente

De rechtbank zal voorts de wettelijke rente toewijzen vanaf 21 mei 2013, zijnde de datum van het gepleegde strafbare feit.

Het voorgaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 14.629,58, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 mei 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 2].

[aangever 3] heeft een voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces ingediend, doch geen concreet bedrag aan geleden schade gevorderd.

Nu de benadeelde partij ook niet ter terechtzitting aanwezig was om zijn vordering aan te vullen, zal de rechtbank de vordering niet-ontvankelijk verklaren wegens onbepaaldheid van de vordering.

De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 De inbeslaggenomen goederen

8.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het op de lijst van in beslag genomen voorwerpen (beslaglijst, gedateerd 19 november 2013, die als bijlage A aan dit vonnis is gehecht) onder 12 genummerde voorwerp zal worden onttrokken aan het verkeer.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet specifiek over het in beslag genomen goed uitgelaten.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 12 genummerde voorwerp onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met behulp van dit voorwerp het onder 1 bewezenverklaarde feit is begaan en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 14d, 36b, 36c, 36f, 47, 57, 312 van het Wetboek van Strafrecht;

26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem bij dagvaarding onder

1. en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

1:

DIEFSTAL, VOORAFGEGAAN EN VERGEZELD VAN GEWELD EN BEDREIGING MET GEWELD, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN GEMAKKELIJK TE MAKEN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN

2:

MEDEPLEGEN VAN HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE EN HET FEIT BEGAAN MET BETREKKING TOT EEN WAPEN VAN CATEGORIE III

en

MEDEPLEGEN VAN HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE EN HET FEIT BEGAAN MET BETREKKING TOT MUNITIE VAN CATEGORIE III

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 6 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich zo spoedig mogelijk bij de Stichting Reclassering

Nederland (afdeling JoVo) in de regio waar hij woonachtig is zal melden en zich

gedurende de proeftijd zal blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit

noodzakelijk acht;

- dat de veroordeelde zal deelnemen aan de gedragsinterventie GI-RN Cognitieve

Vaardigheden, waarbij de veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen

zoals die gedurende deze gedragsinterventie aan de veroordeelde zullen worden

gegeven;

waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

ten aanzien van feit 1:

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe ten laste van de verdachte en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [aangever 2], een bedrag van € 14.629,58, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 mei 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in haar vordering en dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 14.629,58, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 21 mei 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 2];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 108 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededaders aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededaders opgelegde, betalingsverplichting aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

ten aanzien van feit 1:

bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [aangever 3] niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst onder 12 genummerde voorwerp.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. Koekman, voorzitter,

mrs. J.E.M.G. van Wezel en M. Dam, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 december 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1620 2013068902, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 1043.

2 Proces-verbaal van aangifte van [aangever 2], pagina 158/159.

3 Proces-verbaal van aangifte van [aangever 3], pagina 240/241.

4 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 182.

5 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1], pagina 219 en 220.

6 Proces-verbaal van aangifte van [aangever 2], pagina 160.

7 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 182.

8 Een geschrift, te weten medische informatie van [B], als Forensisch arts KNMG verbonden aan de GGD Hollands Midden, pagina 604.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], pagina 233.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], pagina 234.

11 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3], pagina 230.

12 Proces-verbaal van aanhouding verdachte [medeverdachte 1], pagina 25/26.

13 Proces-verbaal van aanhouding verdachte [verdachte], pagina 55/56.

14 Proces-verbaal van aanhouding verdachte [medeverdachte 2], pagina 85/86.

15 Proces-verbaal van aanhouding verdachte [medeverdachte 3], pagina 115/116.

16 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 172/173.

17 Proces-verbaal van bevindingen. pagina 191, onderaan.

18 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 175, onderaan.

19 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 191, onderaan.

20 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 586, onderaan.

21 Proces-verbaal van sporenonderzoek, pagina 752 e.v.

22 Proces-verbaal verhoor getuige, met bijlage, pagina 168/169.

23 Proces-verbaal van de Forensische Technische Opsporing, met bijlagen, pagina 800/806.

24 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 190, onderaan.

25 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 592/593.

26 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 3], pagina 349/350.

27 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 2], pagina 388.

28 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 1], pagina 308.

29 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 2], pagina 394.

30 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 3], pagina 353, onderaan.

31 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 3], pagina 359.

32 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 2], pagina 396, bovenaan.

33 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 2], pagina 396, bovenaan.

34 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 1], pagina 304, onderaan.

35 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte], pagina 318 onderaan.

36 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 1], pagina 39 e.v. en 295 e.v.

37 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte], pagina 67 e.v., 313 e.v. en 338 e.v.

38 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 2], pagina 98 e.v., 384 e.v. en 393 e.v.

39 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 3], pagina 129 e.v., 344 e.v., 358 e.v. en 379 e.v.

40 Proces-verbaal ter terechtzitting van 21 november 2013, eigen verklaringen van de verdachten [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2].