Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:16568

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
10-12-2013
Zaaknummer
09/993014-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim drie jaar schuldig gemaakt aan het meermalen plegen van valsheid in geschrifte en oplichting. Zij heeft zich, zonder daartoe gerechtigd te zijn, voorgedaan als erkende onderwijsinstelling en onbevoegd een groot aantal diploma’s uitgereikt waarop was vermeld dat academische graden waren behaald.

Geldboete van 50.000 euro. De helft van deze boete is voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van 3 jaar.

Omdat het lang heeft geduurd voordat de zaak aan de rechter is voorgelegd, is de boete gematigd met een bedrag van 10.000 euro.

De universiteit moet van de rechtbank aan een van de studentes een schadevergoeding betalen van 4.640 euro. Deze studente heeft dit bedrag betaald aan studiekosten, naar nu blijkt voor een diploma dat niets waard is. Tenslotte moet de universiteit op haar website een tekst in het Engels en in het Arabisch plaatsen dat zij niet bevoegd is academische graden te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/993014-13

Datum uitspraak: 3 december 2013

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

adres: [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 19 november 2013.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C.E.J. Backer en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. R.M. van der Zwan, advocaat te Den Haag, en door [voorzitter], voorzitter van de [verdachte], naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij

op een of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode van 1 april 2007 tot en met 31 juli 2010,

te 's-Gravenhage en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

112 diploma(s)

in elk geval een of meer diploma(s) en/of degree(s) van de [verdachte]

[verdachte], te weten (onder meer)

A)een diploma en/of degree ten name van [benadeelde 1] DOC 001-69 d.d.

juli 2008 en/of

B) een diploma en/of degree ten name van [benadeelde 2] DOC/001-70

d.d. april 2007 en/of

C) een diploma en/of degree ten name van [benadeelde 3]

DOC/001-74 d.d. juli 2010 en/of

D) een diploma en/of degree ten name van [benadeelde 4] DOC/001-67-01

d.d. juli 2010 en/of

E) een diploma en/of degree ten name van [benadeelde 5] DOC/013-07-01

d.d november 2009;

-(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst en/of valselijk heeft

doen opmaken en/of heeft doen vervalsen,

immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) valselijk,

ad A) in/op het diploma en/of degree opgenomen en/of vermeld dat [benadeelde 1]

[benadeelde 1] een degree of Bachelors of Arts in Political Sciences heeft behaald

en/of

ad B)in/op het diploma en/of degree opgenomen en/of vermeld dat [benadeelde 2]

[benadeelde 2] een degree of Master of Arts in Political Science (International

Law) heeft behaald en/of

ad C)in/op het diploma en/of degree opgenomen en/of vermeld dat [benadeelde 3]

[benadeelde 3] een degree of Doctor of Philosophy in Political Sciences

heeft behaald en/of

ad D) in/op het diploma en/of degree opgenomen en/of vermeld dat [benadeelde 4]

[benadeelde 4] een degree of Master of Islamic Studies heeft behaald en/of

ad E) in/op het diploma en/of degree opgenomen en/of vermeld dat [benadeelde 5]

[benadeelde 5] een degree of Bachelor of Arts in Psychology heeft behaald;

terwijl de [verdachte] en/of haar mededader(s) geen geaccrediteerde

opleiding(en) verzorg(t)(en) en hierdoor niet gerechtigd is/zijn om wettelijk

erkende graden te verstrekken,

(telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te

gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

zij

op een of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 1 maart 2009

te 's-Gravenhage en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen,

door het aannemen van een valse naam en/of door een valse hoedanigheid en/of

door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer],

heeft/hebben bewogen tot afgifte van een of meer geldbedragen, in elk geval

enig goed,

hebbende verdachte en/of haar (mede) dader(s) met vorenomschreven oogmerk -

zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in

strijd met de waarheid,

een diploma en/of degree met de vermelding dat zij "een degree of Master of

Arts in Politic Sciences heeft behaald" uitgereikt en/of verstrekt aan [slachtoffer]

[slachtoffer] na afronding van haar studie aan de [verdachte],

terwijl verdachte en/of haar (mede) dader(s) geen geaccrediteerde

opleiding(en) verzorg(t)(en) en hierdoor niet gerechtigd zijn om wettelijk

erkende graden te verstrekken,

waardoor voornoemde perso(o)n(en) (telkens) werd(en) bewogen tot

bovenomschreven afgifte;

art 326 Wetboek van Strafrecht.

3 Ten aanzien van de ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat het openbaar ministerie het recht tot vervolging heeft verspeeld door de verdachte te vervolgen wegens overtreding van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht terwijl er in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna te noemen: WHW) een lex specialis is neergelegd in artikel 15.6. Bovendien zo heeft de raadsman gesteld, is het gebruik van de benaming universiteit toegestaan en is in de WHW het afgeven van master- en bachelordiploma’s door niet-erkende universiteiten niet strafbaar gesteld. Dit moet eveneens leiden tot niet-ontvankelijkheid, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft betoogd dat zij wel degelijk kan worden ontvangen in de vervolging van verdachte wegens valsheid in geschrift. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de WHW enkel van toepassing is op erkende universiteiten. Nu verdachte een niet-erkende universiteit is kan zij zich niet beroepen op die wet en kan in dit geval van een in die wet opgenomen lex specialis geen sprake zijn.

De rechtbank overweegt als volgt.

De raadsman heeft zich beroepen op artikel 15.6 WHW, in welk artikel, kort gezegd, een verbod is neergelegd tot het onbevoegd afgeven van graden. Het in artikel 15.6 WHW neergelegde verbod is in artikel 15.7 WHW als overtreding strafbaar gesteld.

Artikel 1.2 WHW hield, ten tijde van de tenlastgegelegde feiten in:

“Deze wet heeft betrekking op:

a. de in artikel 1.8 bedoelde universiteiten, hogescholen, en de Open Universiteit,

b. universiteiten en hogescholen die krachtens artikel 6.9 zijn aangewezen.

c. de in artikel 1.13, eerste lid, bedoelde academische ziekenhuizen, en

d. de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam en de Koninklijke Bibliotheek te ’s-Gravenhage”

De memorie van Toelichting op het wetsvoorstel houdt ten aanzien van artikel 1.2. WHW in:

“Dit artikel regelt expliciet welke instellingen onder het bereik van de wet vallen. Dit zijn de instellingen waarmee de rijksoverheid bestuurlijke betrekkingen onderhoudt. De bekostigde universiteiten, hogescholen en de Open Universiteit worden in de in artikel 1.6 genoemde bijlage van de wet limitatief opgesomd.

(…) Met nadruk wordt er op gewezen dat deze wet zich niet uitstrekt tot onderwijs- of onderzoeksinstellingen die niet in de wet zelf of in de tot de wet behorende bijlage worden genoemd noch tot onderwijsinstellingen die geen aangewezen sector of sectoren omvatten. (TK 1988-1989, 21073, nr. 3, p. 110).

Verdachte was gedurende de tenlastegelegde feiten noch een in de WHW of in de tot de wet behorende bijlage genoemde instelling, noch een onderwijsinstelling die krachtens deze wet was aangewezen. Daarmee viel verdachte niet onder het toepassingsbereik van deze wet. Ook het bepaalde in artikel 15.6 en 15.7 WHW is dan niet van toepassing voor verdachte, zodat een beroep op het lex specialis beginsel niet kan slagen. Voorts staat het feit dat in de WHW niet is opgenomen dat het afgeven van master- en bachelordiploma’s door niet geaccrediteerde universiteiten, niet (expliciet) strafbaar is gesteld, niet aan vervolging op grond van artikel 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht in de weg. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding1



De in deze inleiding opgenomen feiten en omstandigheden kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvragen.

De [verdachte] (hierna: verdachte) is opgericht in 2005 en biedt onderwijs op afstand aan in het Arabisch. Verdachte heeft een vestiging in Den Haag, waar ook examens worden afgenomen.2

[A], werkzaam bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft verklaard dat verdachte in 2006 per brief heeft gevraagd uitleg te krijgen over de procedure om als onderwijsinstelling erkenning van OCW te verkrijgen. In een brief aan verdachte (ter attentie van [B], destijds voorzitter van verdachte; hierna genoemd als [B]), is door OCW deze procedure schriftelijk uiteengezet. Door verdachte is vervolgens geen aanvraag ingediend om als onderwijsinstelling erkend te worden.3

Bij brief van 4 december 2008 heeft [C], namens OCW aan verdachte geschreven dat haar Engelstalige website misleidende informatie bevatte, nu daarop was vermeld dat verdachte was opgenomen in het register van het Nederlandse ministerie van Onderwijs en een brief was opgenomen van OCW aan verdachte, met daarin informatie over de voorwaarden om geregistreerd te kunnen worden. Deze brief is gericht aan [B]. Verdachte werd verzocht de tekst en de brief van de website te verwijderen en erop gewezen dat het strafbaar is graden te verlenen zonder dat de opleiding geaccrediteerd is.4

Namens verdachte heeft [B] op voornoemde brief gereageerd door te schrijven dat de tekst en de brief door misverstand op de site zijn geplaatst en daarvan zijn verwijderd. Ook schreef hij dat het bestuur van verdachte wist dat zij geen graden mochten verlenen zonder dat de opleiding geaccrediteerd is. Deze brief is bij OCW op 14 januari 2009 ontvangen.5

Tijdens een doorzoeking bij verdachte op 24 augustus 2010 zijn 112 diploma’s aangetroffen.6 Op deze diploma’s is (in de Engels taal) vermeld dat door bestuursleden van verdachte aan de op de diploma’s genoemde personen de graad van Bachelor, Master of Doctor is verleend. Onder de aangetroffen diploma’s bevinden zich:

- een diploma gesteld op naam van [benadeelde 4], waarop is vermeld dat aan deze persoon de degree (graad) Master of Islamic Studies is verleend in juli 2010;7

- een diploma gesteld op naam van [benadeelde 1], waarop is vermeld dat aan deze persoon de degree Bachelor of Arts in Political Sciences is verleend in juli 20088;

- een diploma gesteld op naam van [benadeelde 2], waarop is vermeld dat aan deze persoon de degree Master of Arts in Political Science (International Law) is verleend in april 2007;9

- een diploma gesteld op naam van [benadeelde 3], waarop is vermeld dat aan deze persoon de graad Doctor of Philosophy in Political sciences is verleend in juli 2010;10

- een diploma gesteld op naam van [benadeelde 5], waarop is vermeld dat aan deze persoon de graad Bachelor of Arts in Psychology is verleend in november 2009.11

[slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) is in 2006 begonnen met een overgangsjaar bij verdachte en heeft aansluitend een tweejarige opleiding politicologie gevolgd, welke zij heeft afgesloten met een proefschrift dat zij heeft verdedigd bij een Iraakse professor in Brussel. Vervolgens heeft zij nog een jaar politicologie gestudeerd bij verdachte. Zij heeft in totaal een bedrag van € 4.850,00 aan collegegeld, € 500,00 voor het verdedigen van het proefschrift en € 200,00 voor het verkrijgen van het diploma.12 Na afronding van haar opleiding is aan haar een diploma uitgereikt waarop is vermeld dat aan haar de graad Master of Arts in Political sciences is verleend in februari 2009. Aan de achterzijde van dit diploma zijn diverse stempels geplaatst ter legalisatie van de handtekeningen van de heer [B] en een andere voormalig bestuurder van verdachte, [D].13

In deze zaak staat niet ter discussie dat verdachte in de tenlastgelegde periode geen op grond van de WHH geaccrediteerde instelling was en dat verdachte in de periode waarin de aangetroffen diploma’s zijn opgemaakt en uitgereikt, niet bevoegd was de graden Master, Bachelor en Doctor te verlenen.

De bewijsvraag die aan de rechtbank ten aanzien van feit 1 voorligt is of verdachte het oogmerk heeft gehad de uitgereikte diploma’s als echte diploma’s, in de zin van stukken die bedoeld zijn om aan te tonen dat een bevoegd verleende graad is behaald te gebruiken of te doen gebruiken.

Met betrekking tot feit 2 is de vraag of [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) door verdachte wederrechtelijk is bewogen tot de afgifte van geldbedragen en zo ja of verdachte daartoe het oogmerk heeft gehad.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Met betrekking tot feit 1 heeft zij aangevoerd dat het oogmerk de graden als echt te gebruiken en doen gebruik aanwezig was, gelet op het feit dat op de achterzijde van de diploma’s talrijke legalisatiestempels zijn opgenomen, die indrukwekkend zijn, zeker als men de Engelse of Nederlandse taal niet machtig is. Met betrekking tot feit 2 heeft zij gesteld dat [slachtoffer] niet wist dat verdachte niet bevoegd was wettelijke graden te verlenen maar door een samenweefsel van verdichtsels, zoals dat verdachte een erkende instelling zou zijn, ertoe is gebracht geld te betalen voor een door verdachte aangeboden opleiding en het behaalde diploma.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat het oogmerk om de geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of te doen gebruiken ontbreekt.

De studenten van verdachte wisten vanaf het begin van hun studie dat deze stichting diploma’s afgaf die niet geldig waren in Europa, Amerika, Irak en diverse andere landen in het Midden-Oosten. Het merendeel van de studenten was boven de 50 jaar en had ook helemaal niet de intentie om met het diploma bij een werkgever aan de slag te gaan. Deze groep studeerde aan de universiteit om een doel te hebben in het leven en te werken aan verdere ontplooiing van zichzelf. Nu het vereiste oogmerk tot misleiding ontbreekt, wordt niet voldaan aan de delictsomschrijving, zodat vrijspraak van dit feit dient te volgen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman naar voren gebracht dat ook hier niet wordt voldaan aan de delictsomschrijving. Verdachte had niet het opzet zich uit te geven voor iets anders en zich zo ten koste van [slachtoffer] wederrechtelijk te bevoordelen. Er bestond bij [slachtoffer], mede blijkens haar verhoor op 5 september 2011 ook geen enkele twijfel over dat de diploma’s of certificaten die de stichting verstrekte geen waarde hadden in de landen zoals in dat verhoor worden genoemd. Nu eveneens bij dit feit de wederrechtelijkheid van het handelen ontbreekt, dient vrijspraak van het als tweede tenlastegelegde feit te volgen, aldus de raadsman.

4.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank verwerpt het verweer dat verdachte niet het oogmerk had de door haar uitgereikte diploma’s als echt te gebruiken of te doen gebruiken. Daargelaten dat uit het dossier niet is af te leiden dat (alle) studenten van verdachte wisten dat verdachte geen bevoegdheid had tot het verlenen van graden, gaat het in dit verband om de vraag welke waarde de uitgereikte diploma’s, zowel in Nederland als daarbuiten, in het maatschappelijk verkeer hebben als bewijsstuk dat iemand een bepaalde academische titel heeft behaald. Met andere woorden om de waarde die door derden, die er niet van op de hoogte zijn dat verdachte geen bevoegdheid heeft tot het verlenen van die graden, daaraan redelijkerwijs mag worden toegekend.

Hierbij geldt ten eerste dat op de diploma’s steeds is vermeld dat (bestuurders) van verdachte, zijnde professoren, een graad aan iemand hebben verleend en dat nergens staat dat verdachte daartoe niet was bevoegd. Van deze professoren zijn voorts handtekeningen geplaatst. Ook door de op de achterzijde van de diploma’s geplaatste legalisatiestempels van een notaris, een rechtbankpresident en twee Nederlandse ministeries, maken dat de diploma’s voor derden zijn aan te merken als documenten waaraan voornoemde bewijswaarde kan worden toegedicht. Hoewel deze stempels officieel slechts zien op de juistheid van de handtekeningen, wordt daarmee op het eerste gezicht immers de indruk gewekt dat ook hetgeen verder is vermeld op het betreffende document, klopt. Ook indien dit plaatsen van stempels zou zijn gebeurd op verzoek van studenten, zoals door de verdediging is gesteld, maar verder niet uit het dossier blijkt, leidt dat niet tot een ander oordeel. Het is immers verdachte zelf geweest die aan het plaatsen van deze stempels en handtekeningen een actieve bijdrage heeft geleverd.

Nu, gelet op het voorgaande, de rechtbank het oogmerk tot gebruik van de valse diploma’s aanwezig acht, kan het onder feit 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend worden bewezen.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank begrijpt uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting dat het bij dit feit gaat om het betalen van inschrijfgelden, en overige studiekosten die door [slachtoffer] aan verdachte zijn betaald, waartoe [slachtoffer] is bewogen doordat verdachte zich jegens haar heeft voorgedaan als een onderwijsinstelling die bevoegd was wettelijk erkende academische graden te verlenen. In de tekst van de tenlastelegging is echter enkel het (onbevoegd) uitreiken van het diploma als oplichtingsmiddel opgenomen, terwijl dat feitelijk pas heeft plaatsgevonden ná het betalen van de genoemde geldbedragen. Nu het echter voor verdachte, mede gelet op het door haar gevoerde verweer, duidelijk is dat gaat het om het geheel van gedragingen voorafgaand aan het uitreiken van het diploma, zal de rechtbank de tekst van de tenlastelegging ruim uitleggen, in die zin dat deze ook ziet op die gedragingen.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit de getuigenverklaring van [slachtoffer] niet volgt dat zij steeds heeft geweten dat verdachte geen erkende onderwijsinstelling was. Weliswaar heeft [slachtoffer] verklaard dat zij ervan op de hoogte is dat verdachte in Europa en Irak niet erkend wordt, uit het vervolg van haar verklaring blijkt dat dit wetenschap betreft die zij nog niet had op het moment dat zij het inschrijfgeld en de overige studiekosten betaalde. Zij verklaart immers verderop: “Toen ik in Nederland begon met mijn opleiding aan de [verdachte], had ik het idee dat ik begon aan een (echte) geaccepteerde opleiding” en “Op een gegeven moment hoorde ik van mensen op straat, binnen de Iraakse gemeenschap in Nederland, dat mijn opleiding aan de [verdachte] niets waard is (…) Als ik op voorhand had geweten dat mijn opleiding die ik heb gevolgd aan de [verdachte] niets waard was in het economische verkeer, had ik die opleiding nooit gevolgd.”14

Het verweer dat [slachtoffer] niet wederrechtelijk tot betaling is bewogen omdat zij wist dat verdachte geen erkende onderwijsinstelling was, wordt door deze verklaring weerlegd. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Ook het verweer dat verdachte geen opzet had zich anders voor te doen ten opzichte van [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt dat bedoeld is dat er geen oogmerk bestond op wederrechtelijke bevoordeling) verwerpt de rechtbank. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij vertrouwen had in verdachte, vanwege het feit dat aan de universiteit bekende professoren uit Irak verbonden waren, het feit dat de universiteit in Nederland is gevestigd, en omdat zij aan de hand van informatie van de internetsite dacht dat het goed zat. Zij heeft voorts gewezen op het feit dat het te behalen diploma zou worden gestempeld door het ministerie van Justitie en Buitenlandse zaken en dat haar pas achteraf duidelijk werd dat deze stempels er alleen maar stonden voor het feit dat dat de handtekeningen correct waren, niet voor het feit dat het een erkende opleiding en een goed diploma was.15

Het dossier bevat geen, althans onvoldoende informatie waaruit kan worden afgeleid dat verdachte haar studenten, en meer het bijzonder [slachtoffer], juiste informatie heeft verstrekt over de status van de aangeboden opleidingen en verstrekte diploma’s en evenmin over de betekenis van de stempels op de achterzijde van het diploma. De verklaring van [student], eveneens student bij verdachte, dat hij wist dat het diploma van verdachte noch in Nederland noch in Irak geldig was, is onvoldoende om aan te nemen dat dit gebeurde. [student] verklaart immers dat hij zijn kennis over de geldigheid van het diploma in Nederland ontleent aan het gegeven dat het onderwijs in het Arabisch is. Voor wat betreft de geldigheid in Irak verklaart hij dat hij dit pas wist na een gesprek met [B], hoewel die hem daarover geen rechtstreeks antwoord had gegeven.

Gelet hierop en onder verwijzing naar hetgeen hiervoor over de stempels is overwogen, gaat de rechtbank ervan uit dat [slachtoffer] door verdachte doelbewust in de waan is gelaten dat zij bevoegd was de graad van Master te verlenen. Het oogmerk op wederrechtelijke bevoordeling kan daarom wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 1 april 2007 tot en met 31 juli 2010 te 's-Gravenhage

112 diploma’s, te weten (onder meer)

A) een diploma ten name van [benadeelde 1] DOC 001-69 d.d. juli 2008 en

B) een diploma ten name van [benadeelde 2] DOC/001-70 d.d. april 2007 en

C) een diploma ten name van [benadeelde 3] DOC/001-74 d.d. juli 2010 en

D) een diploma ten name van [benadeelde 4] DOC/001-67-01 d.d. juli 2010 en

E) een diploma ten name van [benadeelde 5] DOC/013-07-01 d.d november 2009;

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft zij, verdachte, valselijk,

ad A) op het diploma vermeld dat [benadeelde 1] een degree of Bachelors of Arts in Political Sciences heeft behaald en

ad B) op het diploma vermeld dat [benadeelde 2] een degree of Master of Arts in Political Science (International Law) heeft behaald en

ad C) op het diploma vermeld dat [benadeelde 3] een degree of Doctor of Philosophy in Political Sciences heeft behaald en

ad D) op het diploma vermeld dat [benadeelde 4] een degree of Master of Islamic Studies heeft behaald en

ad E) op het diploma vermeld dat [benadeelde 5] een degree of Bachelor of Arts in Psychology heeft behaald;

terwijl de [verdachte] niet gerechtigd was om wettelijk erkende graden te verstrekken, (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

in de periode van 1 januari 2006 tot en met 1 maart 2009 te ’s-Gravenhage, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen, [slachtoffer] heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk een diploma met de vermelding dat zij "een degree of Master of Arts in Politic Sciences heeft behaald" uitgereikt en verstrekt aan [slachtoffer] na afronding van haar studie aan de [verdachte], terwijl verdachte niet gerechtigd was om wettelijk erkende graden te verstrekken, waardoor voornoemde persoon werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

5 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feit uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 2 zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 70.000,00 waarvan € 20.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarde dat door de verdachte de volgende tekst in het Engels en in een Arabische vertaling op de homepage van de verdachte wordt geplaatst:

[verdachte] is not entitled and has no accreditation to grant a Master, Bachelor or Doctor degree of any kind, or to give out diplomas or certificates that state that they have granted such degrees”.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, bij een bewezenverklaring van een of beide feiten, bepleit rekening te houden met de financiële situatie van de verdachte. De rekening van de verdachte heeft op dit moment een batig saldo van € 3.000,00 zodat een boete van de omvang als door de officier van justitie is geëist niet op te brengen is, aldus de raadsman.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder wordt daarbij het volgende overwogen.

De verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim drie jaar schuldig gemaakt aan het meermalen plegen van valsheid in geschrifte en oplichting. Zij heeft zich, zonder daartoe gerechtigd te zijn, voorgedaan als erkende onderwijsinstelling en onbevoegd een groot aantal diploma’s uitgereikt waarop was vermeld dat academische graden waren behaald.

Met haar handelen heeft de verdachte schade toegebracht aan het vertrouwen dat in het maatschappelijke verkeer aan de juistheid van dit soort documenten moet kunnen worden gesteld. Nu het gaat om universitaire (internationale) titels is dat vertrouwen van groot belang, omdat ervan moet kunnen worden uitgegaan dat de bezitter van een dergelijk diploma onderwijs heeft gevolgd van een voldoende niveau en waarvan de kwaliteit is gewaarborgd. Door de diploma’s met vele stempels en handtekeningen op te tuigen heeft de verdachte de indruk willen wekken dat het om diploma’s van een officieel erkende, geaccrediteerde universiteit ging. De rechtbank acht dit gedrag zeer verwerpelijk, temeer omdat de verdachte met deze praktijk is doorgegaan, ook nadat zij in december 2008 per brief door het Ministerie van OCW was gewezen op de onjuistheid van haar handelen.

Bovendien heeft de verdachte individuele personen, waaronder [slachtoffer], ernstig benadeeld. Deze [slachtoffer] verkeerde in de veronderstelling dat zij een opleiding volgde bij een erkende universiteit en daarvan een diploma had behaald, maar naar later bleek heeft zij, afgezien van de inspanning die de studie haar heeft gekost, veel geld voor een waardeloos stuk papier betaald. Ook dit rekent de rechtbank verdachte aan.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank mede acht geslagen op het feit dat de verdachte geen justitiële documentatie heeft.

Voorts is van belang dat in deze zaak de redelijke termijn is aangevangen op het moment van de doorzoeking op 24 augustus 2010 in de woning van [voormalig bestuurslid], voormalig bestuurslid van verdachte. Dit betekent dat op de datum dat in deze zaak vonnis wordt gewezen deze termijn met ruim vijftien maanden is overschreden, terwijl die overschrijding verdachte op geen enkele wijze kan worden verweten.

Zonder deze overschrijding zou de rechtbank een geldboete van € 60.000,00 hebben opgelegd, in de overschrijding van de redelijke termijn ziet de rechtbank aanleiding dit bedrag te matigen tot € 50.000,00. De rechtbank ziet geen aanleiding dit bedrag verder te matigen in verband met de draagkracht van verdachte. Daargelaten dat de huidige financiële situatie door verdachte niet met stukken is onderbouwd, heeft de rechtbank begrepen dat in het recente verleden jaarlijks zo’n 400 studenten waren ingeschreven, die tussen de € 1000,-- en 1.200,-- per jaar betaalden, en veel bedragen contant werden betaald, zodat het gestelde batig saldo, geen reden tot matiging oplevert.

De helft van de op te leggen geldboete zal in voorwaardelijke vorm worden opgelegd, enerzijds om de verdachte, die nog altijd actief is als onderwijsinstelling, ervan te weerhouden in de toekomst dit soort feiten nogmaals te plegen, anderzijds om de bijzondere voorwaarde zoals de officier van justitie in haar eis heeft geformuleerd aan de straf te kunnen verbinden.

8 De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 4.640,00 en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 4.640,00 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer].

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen in verband met de bepleite vrijspraak van beide feiten.

Subsidiair heeft de raadsman, met uitzondering van de kosten van inschrijving van de jaren 2006 tot en met 2009, afwijzing van de vordering bepleit omdat deze niet met bewijsstukken is onderbouwd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 10.340,00.

De rechtbank acht de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de kosten van inschrijving van de jaren 2006 tot en met 2009, hoewel niet volledig met stukken onderbouwd, naar redelijkheid toewijsbaar. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal de vordering, voor zover deze betrekking heeft op kosten ten aanzien van de diploma-uitreiking, reiskosten en overige kosten, niet-ontvankelijk verklaren aangezien deze kosten niet met stukken zijn onderbouwd.
De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 4.640,00.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 4.640,00, behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer].

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14d, 23, 24, 36f, 57, 225, 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

oplichting;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een geldboete van € 50.000,00;

bepaalt dat een gedeelte van die geldboete, groot € 25.000,00, niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het eind van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit alsmede onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarde:

- dat door verdachte de volgende tekst in het Engels en in een Arabische vertaling daarvan op de homepage van de website van verdachte op een prominente plek en duidelijk leesbaar wordt geplaatst:

[verdachte] is not entitled and has no accreditation to grant a Master, Bachelor or Doctor degree of any kind, nor to give out diplomas or certificates that state that they have granted such degrees”;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan

[slachtoffer] een bedrag van € 4.640,00;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat zij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 4.640,00 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer];

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. van Veen, voorzitter,

mrs. S.L.M. Staals en A. Dantuma-Hieronymus, rechters,

in tegenwoordigheid van W.M.W. van Nuss, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 december 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL6640/2010/302-76, van de Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 217).

2 Een geschrift, te weken een uittreksel van de Kamer van Koophandel d,d. 15 december 2013, p. 26, proces-verbaal verhoor verdachte [D], p. 30 en 31.

3 Proces-verbaal verhoor getuige, d.d. 16 september 2010, p. 57.

4 Een geschrift, te weten een brief, document 017-01, p. 174.

5 Een geschrift, te weten een brief, document 017-01, p. 175.

6 Relaas proces-verbaal, p. 7-8.

7 Een geschrift, te weten een diploma, document 001-67-01, p. 73.

8 Een geschrift, te weten een diploma, document 001-69, p. 162.

9 Een geschrift, te weten een diploma, document 001-70, p. 164.

10 Een geschrift, te weten een diploma, document 001-74, p. 167.

11 Een geschrift, te weten een diploma, document 013-07-01, p. 97.

12 Proces-verbaal verhoor getuige, p. 59-60.

13 Een geschrift, te weten een diploma, document 001-1141 en 001-

14 Proces-verbaal verhoor getuige, p. 59.

15 Proces-verbaal verhoor getuige, p. 59.