Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:16261

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-11-2013
Datum publicatie
02-12-2013
Zaaknummer
13/5417
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

asiel, nareis, art 14 EVRM, art 9 lid 2, Ri 2003/86, arrest Hode-Abdi, onderscheid, objectieve rechtvaardiging.

In de praktijk, sinds de inwerkingtreding van de Gezinsherenigingsrichtlijn, wordt bij de toepassing van het nareisbeleid een onderscheid gemaakt, naar gelang de vergunning is verleend op de a-grond dan wel de b-, c- of d-grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000. Bij asielvergunningen die op de a-grond zijn verleend stelt verweerder ten aanzien van nareis namelijk niet de eis dat de gezinsband al in het land van herkomst moet hebben bestaan. Dit verschil in behandeling vloeit volgens verweerder voort uit artikel 9, tweede lid van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

In het licht van rechtsoverweging 55 van het arrest Hode en Abdi vormt het nakomen van internationale verplichtingen op zichzelf evenwel onvoldoende rechtvaardiging voor het onderscheid in behandeling. Verweerder heeft ter zitting in dit verband verder nog aangevoerd dat gezinsleden die achterblijven na vertrek van een vluchteling doorgaans gevaar lopen en vaak onder erbarmelijke omstandigheden verkeren na het vertrek van een vluchteling, die veelal ook kostwinner is. Nu evenwel niet valt in te zien dat dit niet in gelijke mate kan gelden voor personen aan wie een verblijfsvergunning asiel op de b-, c- of d-grond is verleend, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat voor het in de praktijk gemaakte onderscheid een objectieve rechtvaardiging bestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/5417

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum],

van Somalische nationaliteit,

V-nummer[nummer], eiser,

gemachtigde: mr. M.F. Kiers, advocaat te Deventer,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. R. Jonkman.13/5417

Procesverloop

Op 4 januari 2012 is door referent, [referent], een verzoek om advies ingediend om afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), zijnde een visum aan eiseres, met als doel ‘gezinshereniging in het kader van nareis’. Op 27 januari 2012 is negatief geadviseerd op voornoemde adviesaanvraag.

Op 10 mei 2012 heeft eiseres een aanvraag om verlening van een mvv, zijnde een visum, ingediend. Bij besluit van 19 juni 2012 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Bij besluit van 30 januari 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres daartegen ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2013. Eiseres is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van het nareisbeleid, omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten tijde van het vertrek van referent uit Somalië (het peilmoment) feitelijk tot het gezin van referent heeft behoord. Ervan uitgaande dat tussen eiseres en referent geen sprake was van een feitelijke gezinsband op het peilmoment heeft verweerder hetgeen in bezwaar ten aanzien van de tegenstrijdigheden omtrent de relatie en het huwelijk is aangevoerd buiten de beoordeling gelaten.

Eiseres bestrijdt niet dat zij eerst na het vertrek van referent uit Somalië met hem in het huwelijk is getreden en dat zij voorafgaand aan dit huwelijk geen deel uitmaakte van het gezin van referent, maar ziet hierin geen belemmering gelegen voor afgifte van een mvv.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

2.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling die als echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind feitelijk behoort tot het gezin van de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, die dezelfde nationaliteit heeft als die vreemdeling en gelijktijdig met deze vreemdeling Nederland is ingereisd, dan wel is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan deze vreemdeling, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, is verleend.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling die als partner of als meerderjarig kind zodanig afhankelijk is van de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, dat hij om die reden behoort tot het gezin van deze vreemdeling, die dezelfde nationaliteit heeft als deze vreemdeling en gelijktijdig met deze vreemdeling Nederland is ingereisd dan wel is nagereisd binnen drie maanden nadat aan deze vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel is verleend.

Volgens paragraaf C2/6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) (geldend ten tijde van het bestreden besluit en voor zover thans van belang), dienen de gezinsleden, om voor verblijf in aanmerking te komen, tot aan het vertrek van de hoofdpersoon uit het land van herkomst feitelijk hebben behoord tot diens gezin. De bewijslast omtrent het in het land van herkomst feitelijk tot het gezin hebben behoord, ligt bij de hoofdpersoon. Hiervan dient in beginsel - indicatief - bewijs te worden overgelegd. Indien dit niet mogelijk is, dienen hier aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen over te worden verstrekt. Onder minder- of meerderjarige kinderen dienen tevens te worden begrepen niet biologische (adoptie- of pleeg)kinderen die in het land van herkomst feitelijk tot het gezin behoorden.

3.

Vast staat dat het huwelijk dan wel de relatie tussen eiseres en referent niet al ten tijde van het vertrek van referent uit zijn land van herkomst, Somalië, bestond. Immers, referent heeft Somalië op 15 januari 2009 verlaten en stelt dat hij in april 2009 in een vluchtelingenkamp in Oeganda met eiseres is gehuwd, een maand nadat hij haar leerde kennen. Hiermee voldoet eiseres niet aan de voorwaarden die in de Vc 2000 zijn gesteld om in aanmerking te komen voor verblijf.

4.

Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 9, tweede lid, van de Richtlijn 2003/86/EG van de van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (Gezinsherenigingsrichtlijn) de eis dat het huwelijk in het land van herkomst moet zijn gesloten niet mag worden gesteld.

5.

Volgens artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Gezinshereningingsrichtlijn is deze niet van toepassing indien de gezinshereniger toestemming heeft in een lidstaat te verblijven uit hoofde van subsidiaire vormen van bescherming overeenkomstig internationale verplichtingen, nationale wetgevingen of in de lidstaten gebruikelijke praktijken. De rechtbank verwijst in dit verband naar onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:651). Nu referent in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 is de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing.

Het beroep van eiseres op het wetsvoorstel tot “Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het herschikken van de gronden voor asielverlening” (kamerstukken 33 293), waaruit blijkt dat het voornemen bestaat het nareisbeleid aan te passen in de zin dat het nareisbeleid ook geldt voor situaties dat de gezinsband in een derde land is gevormd, leidt niet tot een ander oordeel. De reikwijdte van artikel 9, tweede lid, van de Gezinshereningingsrichtlijn kan niet zonder nadere regelgeving worden uitgebreid voor andere gevallen dan waarop deze bepaling ziet. Een enkel voorstel van wet is daartoe ontoereikend.

6.

Het beroep van eiseres op artikel 8 van het (Europees) Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) slaagt evenmin. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, (onder meer de uitspraken van 19 oktober 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BO1555) en 13 januari 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BV7718), brengt het bijzondere karakter van de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Vw 2000 neergelegde toelatingsgrond en de inbreuk die daarmee op de algemene systematiek van de Vw 2000 is gemaakt, mee dat de reikwijdte van deze bepaling beperkt dient te worden opgevat, in die zin dat geen nadere afweging in het kader van artikel 8 van het EVRM dient plaats te vinden dan de afweging die reeds in deze bepaling ligt besloten.

7.

Eiseres heeft voorts gesteld dat voor verweerder aanleiding bestond om toepassing te geven aan de bevoegdheid om van het beleid af te wijken. Volgens eiseres doet zich een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor, nu referent eiseres in Oeganda heeft ontmoet, terwijl hij op dat moment zelf in afwachting was van een mvv-procedure. Nadat hij uiteindelijk is toegelaten tot Nederland op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw 2000, is de onderhavige aanvraag gedaan. De rechtbank overweegt dat van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb slechts sprake kan zijn indien het gaat om omstandigheden die niet reeds in de beleidsregels zijn verdisconteerd. De door eiseres als bijzonder aangevoerde omstandigheid moet worden geacht bij de vaststelling van het voormelde beleid te zijn betrokken en kan niet als bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 4:84 van de Awb worden aangemerkt.

8.

Ten slotte heeft eiseres gesteld dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 14 van het EVRM. Daarbij heeft zij gewezen op met name rechtsoverweging 55 van het arrest van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) van 6 november 2012 (22341/9) inzake Hode en Abdi tegen het Verenigd Koninkrijk.

9.

Het EHRM heeft in rechtsoverweging 55 van voornoemd arrest als volgt overwogen:

“Furthermore, the Court sees no justification for treating refugees who married post-flight differently from those who married pre-flight. The Court accepts that in permitting refugees to be joined by pre-flight spouses, the United Kingdom was honouring its international obligations. However, where a measure results in the different treatment of persons in analogous positions, the fact that it fulfilled the State’s international obligation will not it itself justify the difference in treatment.”

10.

Ofschoon het arrest Hode en Abdi op de (toenmalige) situatie in het Verenigd Koninkrijk ziet en de zaak die thans voorligt daarvan afwijkt, is de rechtbank van oordeel dat rechtsoverweging 55 een zodanige algemene strekking heeft dat betekenis voor de onderhavige zaak daaraan niet kan worden ontzegd. Uit rechtsoverweging 55 maakt de rechtbank op dat onderscheid tussen vergelijkbare gevallen mag worden gemaakt als daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat. Wanneer het nakomen van internationale verplichtingen tot een verschil in behandeling van vergelijkbare gevallen leidt, dan vormt het enkele feit dat een staat met een bepaalde maatregel zijn internationale verplichtingen naleeft, op zichzelf geen rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid, zo begrijpt de rechtbank het EHRM.

Verweerder heeft ter zitting naar voren gebracht dat de wetgever destijds, bij de totstandkoming van de Vw 2000, heeft gekozen voor één ongedeelde verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die weliswaar op uiteenlopende gronden als vervat in artikel 29 VW 2000 kan worden verleend, doch waaraan, ongeacht de grond waarop deze rust, dezelfde aanspraken kunnen worden ontleend. Desalniettemin wordt in de praktijk, sinds de inwerkingtreding van de Gezinsherenigingsrichtlijn, bij de toepassing van het nareisbeleid een onderscheid gemaakt, naar gelang de vergunning is verleend op de a-grond dan wel de b-, c- of d-grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000. Bij asielvergunningen die op de a-grond zijn verleend stelt verweerder ten aanzien van nareis namelijk niet de eis dat de gezinsband al in het land van herkomst moet hebben bestaan. Dit verschil in behandeling vloeit volgens verweerder voort uit artikel 9, tweede lid van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

In het licht van rechtsoverweging 55 van het arrest Hode en Abdi vormt het nakomen van internationale verplichtingen op zichzelf evenwel onvoldoende rechtvaardiging voor het onderscheid in behandeling. Verweerder heeft ter zitting in dit verband verder nog aangevoerd dat gezinsleden die achterblijven na vertrek van een vluchteling doorgaans gevaar lopen en vaak onder erbarmelijke omstandigheden verkeren na het vertrek van een vluchteling, die veelal ook kostwinner is. Nu evenwel niet valt in te zien dat dit niet in gelijke mate kan gelden voor personen aan wie een verblijfsvergunning asiel op de b-, c- of d-grond is verleend, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat voor het in de praktijk gemaakte onderscheid een objectieve rechtvaardiging bestaat.

11.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het bestreden besluit niet op een voldoende draagkrachtige motivering berust. Er is sprake van strijd met artikel 7:12 van de Awb. Het beroep is dan ook gegrond.

12.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat aanleiding. De kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 944,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 30 januari 2013;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

aak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten begroot op € 944,-- te voldoen aan de rechtsbijstandverlener van eiseres;

seres;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,-- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Tobé, voorzitter, en mr. W.P.M. Elderman en mr. W.R.H. Lutjes, leden, in aanwezigheid van mr. K.I. Legendal-Moesker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 november 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.