Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:16244

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-11-2013
Datum publicatie
02-12-2013
Zaaknummer
AWB 13/21716
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vestigingsgevaar, artikel 32, eerste lid sub b, van de Verordening (EG) nr. 810/2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode).

Verweerder neemt tot uitgangspunt dat de economische – en sociale binding afzonderlijke wegingsfactoren zijn, waartussen samenhang bestaat, in die zin dat in zaken waarin sprake is van een sterke economische binding, minder gewicht kan worden toegekend aan het al of niet bestaan van een sociale binding. In een dergelijk geval kan reeds op grond van het bestaan van de economische binding worden aangenomen dat er geen vestigingsgevaar is. Uit het bestreden besluit noch uit de toelichting ter zitting blijkt dat verweerder heeft beoordeeld of er in dit geval aanleiding was om – bij het bestaan van een economische binding – minder gewicht toe te kennen aan de vaststelling dat er geen sociale binding meer met het land van herkomst bestaat. Het besteden besluit berust derhalve niet op een deugdelijke motivering. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/21716

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 29 november 2013in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Afghaanse nationaliteit,

eiser 1,

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Afghaanse nationaliteit,

eiser 2,

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Afghaanse nationaliteit,

eiser 3,

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Afghaanse nationaliteit,

eiseres 1,

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Afghaanse nationaliteit,

eiseres 2,

hierna gezamenlijk: eisers,

(gemachtigde: mr. D.G. Metselaar, advocaat te Amsterdam),

en

de minister van Buitenlandse Zaken,

verweerder,

(gemachtigde: mr. C. Prins, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2012 heeft verweerder de aanvraag van eisers tot het verlenen van een visum kort verblijf voor verblijf bij mevrouw [naam] (referente) afgewezen.

Bij besluit van 11 december 2012 heeft verweerder het op 23 oktober 2012 ingediende bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 mei 2013 heeft deze rechtbank en zittingsplaats (AWB 13/495) het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard. Het bestreden besluit is wegens strijdigheid met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vernietigd en verweerder is opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Bij besluit van 26 juli 2013 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 1 oktober 2013 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2013. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Referent is verschenen.



Overwegingen

1.

Ingevolge artikel 72, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een beschikking omtrent de afgifte van een visum voor de toepassing van hoofdstuk 7 “Rechtsmiddelen” van de Vw 2000 gelijkgesteld met een beschikking omtrent een verblijfsvergunning regulier gegeven krachtens deze wet.

2.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 810/2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (hierna: de Visumcode) wordt een visum geweigerd:

a. a) indien de aanvrager:

i. i) een vals, nagemaakt of vervalst reisdocument heeft overgelegd;

ii) het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond;

(…)

of

b) indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.

3.

De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Eiser 1 is gehuwd met eiseres 1 en zij hebben twee kinderen, eisers 2 en 3. Eiseres 2 is de moeder van eiser 1. Referente is een zus van eiser 1. Op 10 oktober 2012 heeft eiser 1 bij de Nederlandse vertegenwoordiging te New Delhi (India) verzocht om afgifte van een visum voor kort verblijf bij zijn zus en zwager. Eisers willen 3 weken in Nederland verblijven.

4.

Aan de weigering het visum te verstrekken heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eisers het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet hebben aangetoond en dat redelijke twijfel bestaat over hun voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.

5.

De rechtbank stelt voorop dat geen onderdeel van het partijdebat is dat eisers belang hebben bij de beoordeling van hun aanvragen, ondanks het feit dat de termijn waarvoor de visa zijn aangevraagd inmiddels is verstreken. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat, mocht het beroep van eisers gegrond worden verklaard en verweerder besluiten dat aan eisers alsnog visa verstrekt moeten worden, verweerder de visa zal verstrekken voor een nieuw te bepalen periode.

6.

Eisers voeren allereerst tegen het bestreden besluit aan dat verweerder hun ten onrechte heeft tegengeworpen dat het reisdoel onduidelijk is. Eisers bestrijden dat zij tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over hun reisdoel. Met de te vieren “anniversary”, die door eiser 1 in de aanvraag als reisdoel is gegeven, hebben eisers bedoeld aan te geven dat zij in Nederland met hun familie en vrienden feest willen vieren. Het woord “anniversary” is blijkbaar door de (niet beëdigd) vertaler in de aanvraag opgenomen. Daarnaast hebben eisers aangegeven referente in Nederland te willen bezoeken, die zij lange tijd niet hebben gezien. Ook anderszins hebben eisers geen onjuiste, ongeloofwaardige of inconsistente verklaringen afgelegd die ertoe leiden dat verweerder aan het gestelde reisdoel moet twijfelen. Ten aanzien van de temperatuur in New Delhi, waar eisers hebben moeten verblijven in verband met de aanvraag, zijn geen inconsistente verklaringen afgelegd, terwijl tussen de verklaringen over dit verblijf en de onderhavige aanvraag geen enkele relatie bestaat. Voorts is het in Afghanistan, zoals eisers hebben verklaard, niet ongebruikelijk dat een kind, dat vanaf de leeftijd van 6 jaar leerplichtig is, pas vanaf het zevende levensjaar naar school gaat. Referente heeft daaraan ter zitting toegevoegd dat eiser 2 dit najaar in Afghanistan naar school gaat. Voorts heeft eiser 1, anders dan verweerder betoogt, zijn inkomen aangetoond. Van inconsistenties dienaangaande in verklaringen van referent is geen sprake.

6.1

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de juistheid van het opgegeven reisdoel van eisers in twijfel wordt getrokken. Redengevend daartoe is allereerst dat onduidelijk en tegenstrijdig is verklaard over de in de aanvraag opgegeven “anniversary”, waarvoor eisers referente in Nederland wilden bezoeken. Ter toelichting stelt verweerder dat het tijdstip van de voorgenomen reis en de verjaardag of de trouwdag van referente niet met elkaar overeenkomen. Voorts heeft referente tijdens het gehoor verklaard dat zij eiser 1 heeft gezegd dat hij moest aangeven dat eisers het trouwfeest van referente kwamen vieren, omdat er altijd een reden van het bezoek wordt gevraagd. De inconsistenties in de verklaringen over de weersomstandigheden tijdens het verblijf van eisers in New Delhi, de verklaringen over de zoon, eiser 2, die op 7 jarige leeftijd nog niet naar school gaat, terwijl hij wel leerplichtig is, alsmede de inconsistentie in de verklaringen van referente over de aantoonbaarheid van de hoogte van het inkomen van eiser 1, brengen eveneens mee dat aan de juistheid van het opgegeven reisdoel wordt getwijfeld, aldus verweerder.

6.2

Hieromtrent wordt als volgt overwogen. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat niet consistent is verklaard over de als reisdoel opgegeven te vieren “anniversary”. De stelling die erop neer komt dat het woord “anniversary” op initiatief van de vertaler aan de aanvraag is toegevoegd, en dat slechts bedoeld is aan te geven dat eisers met familie en vrienden in Nederland feest wilden vieren omdat zij elkaar al lange tijd niet hebben gezien, is immers lastig te rijmen met de verklaring van referente tijdens het gehoor dat zij eiser 1 juist heeft gezegd haar trouwfeest als reisdoel op te geven, omdat er altijd een reden gegeven moet worden voor bezoek. Het voorgaande laat evenwel onverlet dat naast de “anniversary” in de verschillende stukken ten behoeve van de aanvraag ook steeds “familie-bezoek” als reisdoel is opgegeven. De rechtbank verwijst ter zake naar de in de Engelse taal opgestelde aanvraag van eiser 1 (“visiting our family and friends”) en een van de stukken deeluitmakende ingevulde vragenlijst (“visiting family and friends”), en op de verschillende door referente ingevulde vragenlijsten, waarin is aangegeven dat het reisdoel is “familiefeest en familiebezoek” (zie “Bewijs van garantstelling en/of particuliere logiesverstrekking”, ingevuld op 7 september 2012) , of “vakantie in Nederland bij zus en gezin” of “vakantie in Nederland bij tante en gezin” of “vakantie in Nederland bij schoonzus en gezin” of “familie bezoek bij dochter” (zie de “Vragenlijst Visumaanvraag” die referent ten behoeve eisers op 9 november 2012 heeft ingevuld). Voorts heeft referente ter zitting verklaard dat het reisdoel familiebezoek is, maar dat zij eiser 1 heeft gezegd haar trouwfeest als reisdoel op te geven, omdat zij dacht daarmee de aanvraag sterker te maken. Gelet op deze verklaring, waarvan verweerder de geloofwaardigheid niet heeft betwist, en de hiervoor weergegeven antwoorden in verschillende vragenlijsten, kan het standpunt dat het reisdoel niet voldoende duidelijk is aangetoond, niet worden gevolgd. Het standpunt voorts van verweerder dat de twijfel over de juistheid van het opgegeven reisdoel mede is ingegeven door inconsistente verklaringen over de weersomstandigheden in New Delhi, is, bij gebreke van enige relevante relatie, onbegrijpelijk. Hetzelfde geldt voor door verweerder geconstateerde inconsistente verklaringen over de school van eiser 2, alsmede de door verweerder gestelde inconsistentie tussen de door referente ingevulde vragenlijst en haar nadien afgelegde verklaring over de aantoonbaarheid van de hoogte van het inkomen van eisers 1. Dit leidt tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag op dit punt ondeugdelijk is gemotiveerd. Echter, voor de vraag of het beroep gegrond is, dient te worden beoordeeld of hetgeen verweerder overigens als afwijzingsgrond aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd dat besluit reeds kan dragen. Daarbij wordt het navolgende betrokken.

7.

Eisers voeren tegen de bestreden beschikking aan dat verweerder ten onrechte twijfelt aan hun voornemen tijdig naar Afghanistan terug te keren. Zij stellen zich op het standpunt dat zij een sociale binding hebben met Afghanistan. Eiseres 2 heeft, naast eiser 1 en referente, nog vijf kinderen, die allen in Afghanistan wonen, getrouwd zijn en kinderen hebben. Naast eiser 1 wonen één zoon en twee dochters met hun gezin in [plaats 1]. Eén dochter woont in [plaats 2] en één in [plaats 3]. De band tussen de broers en zussen is sterk en kan als sociale binding worden aangemerkt. Eiseres 2 woont met eiser 1 en een andere zoon in een groot familiehuis in [plaats 1]. De omstandigheid dat de broer van eiser 1 een stuk grond bij [plaats 1] heeft gekocht om daar te zijner tijd een huis op te bouwen, is onvoldoende om daaruit af te leiden dat eiseres 2 geen sociale binding heeft met Afghanistan. Deze broer blijft immers in Afghanistan wonen en zal voor eiseres 2 blijven zorgen. Dit blijkt volgens eisers uit een kopie van het paspoort van de broer dat op 17 juli 2013 per e-mail aan de Visadienst is verzonden, welk stuk ten onrechte niet is meegenomen in het bestreden besluit. Bovendien gaat de oudste zoon, eiser 2, in het najaar van 2013 naar school, aldus eisers.

7.1

Verweerder neemt het standpunt in dat, mede gelet op de omstandigheid dat eiser 1 met zijn hele gezin en zijn moeder - waarvoor het gezin zorg draagt - naar Nederland wil reizen, evident is dat eisers geen sociale binding meer met het land van herkomst hebben zodra zij naar Nederland afreizen. Het voorstel van verweerder dat het gezin gesplitst naar Nederland zou komen, is door referente afgewezen. Voor een zodanige sociale binding dat tijdige terugkeer is gewaarborgd meent verweerder dat onvoldoende is dat de familie van eiser 1 en eiseres 1 in [plaats 1] en in de buurt van [plaats 1] wonen. Het door eisers ingebrachte standpunt dat eiser 1 met zijn gezin en zijn broer in één huis wonen, staat voorts tegenover de later tijdens het gehoor ingenomen stelling dat deze broer een stuk land in [plaats 1] heeft gekocht om daar te gaan wonen. Voorts heeft verweerder bij zijn oordeel betrokken dat de vader van eiser 1 is overleden. Daarnaast is niet gebleken, aldus verweerder, dat eiser 1 de zorg heeft voor familieleden in Afghanistan of in staat zou zijn om hen te onderhouden, terwijl evenmin is gebleken van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiser 1 ertoe zouden nopen tijdig naar Afghanistan terug te keren.

7.2

Ingevolge artikel 14 van de Visumcode is het aan eisers om aannemelijk te maken dat hun terugkeer naar het land van herkomst gewaarborgd is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat hetgeen eisers naar voren hebben gebracht ten aanzien van hun sociale binding met Afghanistan, op zichzelf onvoldoende waarborg biedt voor een tijdige terugkeer. Vast is immers komen te staan dat eiser 1 met zijn voorgenomen reis naar Nederland geen gezinsleden in Afghanistan achterlaat, en dat ook zijn moeder, voor wie hij (mede) zorg draagt, meereist. De omstandigheid dat eiser 1 nog zussen en broers in Afghanistan heeft wonen, met één van wie hij zijn huis deelt, en eisers 2 nog vijf kinderen, doet daaraan niet af. Niet gesteld of gebleken is immers dat eiser 1 de zorg heeft voor anderen in Afghanistan dan zijn moeder. De zorg voor de moeder kan voorts, zo die al verdeeld is tussen de broers en zussen in Afghanistan, voortgezet worden door eiser 1 tijdens het verblijf in Nederland. Ook uit de omstandigheid dat eiser 2 dit najaar in Afghanistan naar school gaat, kan niet een zodanig sterke sociale verbondenheid voortvloeien dat daarom de terugkeer is gewaarborgd. Het feit voorts dat één van de broers van eiser 1, na een verblijf in Nederland, tijdig naar Afghanistan is teruggekeerd, heeft onvoldoende relatie met het voornemen van eiser 1 en diens gezin, met het gevolg dat verweerder daaraan terecht mocht voorbij gaan. De stelling van eisers tot slot dat uit het paspoort van laatstgenoemde broer volgt dat hij (alleen) de zorg over eiseres 2 heeft, kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden gevolgd. Uit het voorgaande volgt dat het standpunt van verweerder dat eisers bij een vertrek naar Nederland geen sociale binding meer met hun land van herkomst hebben, in beginsel juist is. Dit leidt de rechtbank evenwel nog niet tot de conclusie dat de door verweerder gehanteerde afwijzingsgrond dat redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eisers om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum, op een (voldoende) deugdelijke motivering berust.

8.

Eisers hebben ter zitting hun beroep nog nader toegelicht in die zin dat, verwijzend naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 8 oktober 2009 (ECLI:NL:RBSGR:2009:BK7095), in geval van een sterke economische binding, het bestaan van de sociale binding wordt verondersteld. Nu verweerder de economische binding niet langer tegenwerpt, dient reeds hieruit te worden geconcludeerd dat de terugkeer van eisers voldoende gewaarborgd is, aldus eisers.

8.1

Verweerder hanteert, zoals ter zitting toegelicht, het uitgangspunt dat de economische en sociale binding afzonderlijke wegingsfactoren zijn, maar dat in zaken waarin sprake is van een sterke economische binding, minder gewicht kan worden toegekend aan het al of niet bestaan van een sociale binding, omdat in zo’n geval reeds op grond van het bestaan van de economische binding wordt aangenomen dat er geen vestigingsgevaar is.

8.2

Niet langer in geschil is dat verweerder tot uitgangspunt neemt dat eiser 1 een economische binding heeft met het land van herkomst. De rechtbank volgt eisers niet in de stelling dat reeds uit de vaststelling van een economische binding volgt dat het ontbreken van een sociale binding niet langer kan worden tegengeworpen. Deze stelling miskent immers dat ten behoeve van een objectieve beoordeling van de vraag of tijdige terugkeer voldoende gewaarborgd kan worden geacht, rekening gehouden dient te worden met alle relevante factoren, in hun onderlinge verband bezien. Die factoren kunnen zowel zien op een economische als op een sociale gebondenheid met het land van herkomst. Dit neemt niet weg dat tussen de economische - en sociale binding, zoals volgt uit de toelichting van verweerder ter zitting, een zodanige samenhang bestaat dat, naar gelang de economische binding sterker wordt geacht, aan de mate van sociale binding minder gewicht kan worden toegekend. De rechtbank stelt vast dat uit het bestreden besluit, noch uit hetgeen verweerder ter toelichting daarop ter zitting heeft aangevoerd, blijkt dat verweerder heeft beoordeeld of er in dit geval aanleiding was om - bij het bestaan van een economische binding van eiser 1 met Afghanistan - minder gewicht toe te kennen aan de vaststelling dat bij het gezamenlijke vertrek van eisers uit Afghanistan geen sociale binding meer met dat land bestaat. Deze beoordeling had niet achterwege mogen blijven, nu verweerder zelf heeft aangegeven dat hij in voorkomende gevallen het bestaan van een sterke economische binding met het land van herkomst reeds voldoende acht om geen vestigingsgevaar aan te nemen. Het bestreden besluit berust in dit opzicht daarom in strijd met artikel 7:12 Awb evenmin op een deugdelijke motivering. De rechtbank zal het beroep hierom gegrond verklaren.

10.

De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

11.

Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb gelast de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

12.

De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eisers hebben gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 944,00 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op € 160,00 te betalen aan eisers als vergoeding voor het betaalde griffierecht;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 944,00 te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.O.P. Roché, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. Westermann-Smit, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 november 2013.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.