Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:16105

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-11-2013
Datum publicatie
28-11-2013
Zaaknummer
13/13869
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, asielverzoek, proces-verbaal, artikel 4 lid 2 Vo 343/2003

Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 20 maart 2012 (201007428/1/v4, www.raadvanstate.nl) en 13 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX2090) overweegt de rechtbank dat de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde p-v’s vergelijkbaar met de p-v’s waarvan in de hiervoor genoemde uitspraken sprake was. De rechtbank is gelet op de bovenstaande overwegingen van oordeel dat de p-v’s van 17 november 2012 en 21 november 2012 niet kunnen worden aangemerkt als een p-v in de zin van artikel 4, tweede lid, van de Vo 343/2003. Dat in het op 26 november 2012 opgemaakte en digitaal ondertekende standaardformulier om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek wordt verwezen naar een asielverzoek op 21 november 2012 doet hier niet aan af. Naar het oordeel van de rechtbank is met het door eisers ingediende formulier als bedoeld in artikel 3.38 van het VV 2000 eerst op 13 februari 2013 sprake van een asielverzoek in de zin van artikel 4, tweede lid, van de Vo 343/2003.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team vreemdelingenkamer

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 13/13869 en 13/13871 (beroep)

uitspraak van de rechtbank in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum 1],

IND dossiernummer [nummer 1]

[eiseres],

geboren op [geboortedatum 2],

IND dossiernummer [nummer 2]

beide van Pakistaanse nationaliteit, eisers,

gemachtigde mr. H. Postma, advocaat te Groningen;

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te Den Haag,

vertegenwoordigd door J.L.H. Eefting,

ambtenaar ten departemente, verweerder.

13/13869

Procesverloop

Op 13 februari 2013 hebben eisers een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij onderscheiden besluiten van 24 mei 2013 (bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen afgewezen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Bij brief van 28 mei 2013 is daartegen door beide eisers afzonderlijk beroep ingesteld. Eisers mogen de behandeling daarvan niet in Nederland afwachten. Bij verzoeken van 28 mei 2013 is verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot in beroep is beslist.

De beroepen zijn voorzien van gronden bij brief van 3 juli 2013.

Bij verzoeken van 22 augustus 2013 hebben eisers verzocht om met spoed een voorlopige voorziening te treffen in verband met de geplande uitzetting naar Frankrijk op

28 augustus 2013. Bij uitspraak van 26 augustus 2013 heeft de voorzieningenrechter (Awb 13/13870 en 13/13872) verweerder gelast uitzetting van eisers achterwege te laten totdat op de beroepen is beslist.

De beroepen zijn ter zitting van 5 september 2013 behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval is van toepassing Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (Vo 343/2003).

2.2 Eisers stellen zich primair op het standpunt dat verweerder niet overeenkomstig binnen de artikel 17, eerste lid, van de Vo 343/2003 bepaalde termijn van drie maanden om overname heeft verzocht. Blijkens onderscheiden processen-verbaal (p-v) van de Vreemdelingenpolitie (VP) van 21 november 2012 hebben eisers op 21 november 2012 hun asielaanvragen ingediend. Het overnameverzoek van 4 maart 2013 is te laat gedaan, zodat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen van eisers. Eisers ontkennen niet dat zij op

13 februari 2013 een formulier als bedoeld in artikel 3.38 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000) hebben ingediend. Dat de indieningsdatum echter niet 13 februari 2013 is maar

21 november 2012, wordt door verweerder bevestigd in het op 26 november 2012 opgemaakte en digitaal ondertekende standaardformulier om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek. Verweerder heeft daarin het volgende aangegeven: “The person concerned arrived in the Netherlands on 17 November 2012, together with his wife. He applied for asylum on 21 November 2012.” Eisers hebben vervolgens ter zitting het standpunt ingenomen dat gelet op het in het dossier opgenomen p-v betreffende een M117-C formulier ook 17 november 2012 als indieningsdatum van de asielaanvragen kan worden opgevat.

Voorts stellen eisers zich op het standpunt dat de bestreden besluiten een deugdelijke motivering ontberen. Eisers wijzen erop dat er een sterke onderlinge (emotionele) afhankelijkheid en verbondenheid bestaat tussen hen en hun in Nederland verblijvende zoon, schoondochter en kleinkinderen. Verweerder heeft nagelaten de familiebanden met hun zoon, schoondochter en kleinkinderen te betrekken in zijn besluitvorming. Vanwege gezamenlijke problemen zijn zij gevlucht uit Pakistan. Tot slot stellen eisers zich, verwijzend naar de medische stukken die zijn overgelegd, op het standpunt dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de medische problemen van eiseres. Eventuele uitzetting naar Frankrijk zou zeer schadelijk zijn voor het psychisch welzijn van alle familieleden.

3.1 Ingevolge artikel 2, aanhef en onder c, van de Vo 343/2003 wordt onder een

„asielverzoek” verstaan: een verzoek van een onderdaan van een derde land dat kan worden

opgevat als een verzoek om verlening van internationale bescherming door een lidstaat krachtens het Verdrag van Genève en wordt elk verzoek om internationale bescherming als een asielverzoek beschouwd, tenzij de onderdaan van een derde land uitdrukkelijk vraagt

om een andere vorm van bescherming waarvoor een afzonderlijk verzoek kan worden ingediend.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder g, van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming wordt onder een “verzoek om internationale bescherming verstaan: een verzoek van een onderdaan van een derde land of een staatloze om bescherming van een lidstaat die kennelijk de vluchtelingenstatus of de subsidiaire-beschermingsstatus wenst en niet uitdrukkelijk verzoekt om een andere, niet onder deze richtlijn vallende vorm van bescherming waarom afzonderlijk kan worden gevraagd.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Vo 343/2003 wordt een asielverzoek geacht te zijn ingediend vanaf het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een door de asielzoeker ingediend formulier of een door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal hebben ontvangen.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Vo 343/2003 kan een lidstaat waarbij een

asielverzoek is ingediend en die van mening is dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van dit verzoek, zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen drie maanden na de indiening van het verzoek in de zin van artikel 4, tweede lid, van de Vo 343/2003, om overname verzoeken. Indien er binnen drie maanden geen verzoek tot overname van de asielzoeker wordt ingediend, is de lidstaat waarbij het asielverzoek is ingediend verantwoordelijk voor de behandeling ervan.

Ingevolge artikel 3.38 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000) wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, gedaan door indiening van een formulier van het in bijlage 13 bij deze regeling met de letter i aangeduide model.

3.2 De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eisers met een Frans visum Nederland zijn binnengekomen, op basis waarvan verweerder op grond van artikel 9, vierde lid, van de Vo 343/2003 Frankrijk kon vragen eisers over te nemen. De rechtbank stelt vast dat verweerder dit overnameverzoek heeft gedaan op 4 maart 2013.

Tevens is niet in geschil dat eisers bij binnenkomst in Nederland op 17 november 2012 aan de Nederlandse autoriteiten om asiel hebben verzocht. De rechtbank stelt vast dat verweerder ten aanzien van eisers op 17 november 2012 onderscheiden op ambtseed en ondertekende p-v’s heeft opgemaakt met als opschrift Aanwijzing ingevolge artikel 55 van de Vreemdelingenwet op de aanmeldcentra. Op 21 november 2012 heeft verweerder op ambtseed en onderkende p-v’s opgesteld van de verhoren van eisers, waarin een asielverzoek in Nederland aan de orde komt. Tot slot is niet in geschil dat eisers op 13 februari 2013 een formulier hebben ingediend als bedoeld in artikel 3.38 van het VV 2000 en dat middels dit formulier een asielverzoek is ingediend in de zin van artikel 4, tweede lid, van de Vo 343/2003.

3.3 De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 december 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY7397), dat de door eisers op 17 november 2012 kenbaar gemaakte wens om asiel moet worden aangemerkt als een asielverzoek als bedoeld in de hiervoor vermelde bepalingen van de Richtlijn 2004/83/EG en de Vo 343/2003. Gelet op hetgeen eisers hebben aangevoerd, is de vraag waarover de rechtbank zich eerst moet buigen of het asielverzoek dat eisers op 17 november 2012 hebben gedaan moet worden opgevat als een ingediend asielverzoek in de zin van artikel 4, tweede lid, van de Vo 343/2003. Subsidiair is het de vraag of de p-v’s van 21 november 2012, waaruit volgens eisers volgt dat sprake is van een asielaanvraag, kan worden opgevat als een ingediend asielverzoek in de zin van artikel 4, tweede lid, van de Vo 343/2003.


Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 20 maart 2012 (201007428/1/v4, www.raadvanstate.nl) en 13 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX2090) volgt de rechtbank eisers niet en overweegt daartoe als volgt.

De Afdeling oordeelde in rechtsoverweging 2.4 van de eerstgenoemde uitspraak het volgende:

De doelstelling van de Verordening is het vaststellen van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten is ingediend. De Verordening ziet niet op de wijze van inrichting van de asielprocedures in de afzonderlijke lidstaten. In het licht hiervan en gelet op de tekst van deze bepaling, staat artikel 4, tweede lid, van de Verordening er niet aan in de weg dat een asielverzoek dient te worden ingediend door middel van een formulier. (…) Uit artikel 4, tweede lid, van de Verordening volgt dat een asielverzoek wat betreft de aanvang van de procedure voor de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat geacht wordt te zijn ingediend indien de vreemdeling gebruik heeft gemaakt van een formulier. Aldus maakt de Verordening een onderscheid tussen een asielverzoek en de (formele) indiening daarvan. Vaststaat dat de vreemdeling op 30 september 2009 het formulier bedoeld in artikel 3.38 van het VV 2000 heeft ingediend. Daarvan heeft de korpschef op diezelfde dag een proces-verbaal opgemaakt en aan de vreemdeling uitgereikt. (…)

In rechtsoverweging 2.7 van dezelfde uitspraak overwoog de Afdeling dat:

Het in deze zaak op 30 september 2009 opgestelde proces-verbaal bevestigt dat de vreemdeling reeds voor die tijd een formeel asielverzoek heeft ingediend door middel van het formulier bedoeld in artikel 3.38 van het VV 2000 en bevat voorts een aanwijzing voor de vreemdeling als bedoeld in artikel 55 van de Vw 2000. Aldus dient dit proces-verbaal niet ter formalisering van de door de vreemdeling kenbaar gemaakte wens om hem internationale bescherming te verlenen. Anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, kan het op 30 september 2009 opgestelde proces-verbaal derhalve niet als een proces-verbaal in de zin van artikel 4, tweede lid, van de Verordening worden aangemerkt, zodat deze bepaling hierop niet van toepassing is.

De Afdeling oordeelde in rechtsoverweging 2.2.3 van de uitspraak van 13 juli 2012, ten aanzien van de p-v’s van verhoren die zijn opgesteld door het regionaal politiekorps Groningen, het volgende:

De op 12 april 2011 opgestelde processen-verbaal bevatten een weergave van de verhoren die hebben plaatsgevonden om de identiteit van de vreemdelingen vast te stellen dan wel hen te confronteren met, en hun vragen te stellen over, de resultaten van het dactyloscopisch onderzoek. Deze processen-verbaal dienen aldus niet ter formalisering van de door de vreemdelingen kenbaar gemaakte wens om aan hen internationale bescherming te bieden.”

De rechtbank acht de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde p-v’s vergelijkbaar met de p-v’s waarvan in de hiervoor genoemde uitspraken sprake was. De rechtbank is gelet op de bovenstaande overwegingen van oordeel dat de p-v’s van 17 november 2012 en 21 november 2012 niet kunnen worden aangemerkt als een p-v in de zin van artikel 4, tweede lid, van de Vo 343/2003. Dat in het op 26 november 2012 opgemaakte en digitaal ondertekende standaardformulier om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek wordt verwezen naar een asielverzoek op 21 november 2012 doet hier niet aan af. Naar het oordeel van de rechtbank is met het door eisers ingediende formulier als bedoeld in artikel 3.38 van het VV 2000 eerst op 13 februari 2013 sprake van een asielverzoek in de zin van artikel 4, tweede lid, van de Vo 343/2003.

3.4 Ingevolge de in artikel 17, eerste lid, van de Vo 343/2003 bepaalde termijn betekent de indiening van het asielverzoek op 13 februari 2013 dat verweerder binnen drie maanden na die dag, dus uiterlijk 12 mei 2013 om overname had moeten verzoeken. Nu het overnameverzoek op 4 maart 2013 en dus binnen die termijn is verzonden en is gebleken dat Frankrijk daarmee op 5 april 2013 akkoord is gegaan, is Frankrijk verantwoordelijk geworden voor behandeling van het asielverzoek.

3.5 Eisers hebben zich beroepen op het bepaalde in artikel 3, tweede lid, juncto artikel 15 van de Vo 343/2003, alsmede artikel 11 van de Uitvoeringsbepalingen van de Vo 343/2003 en hebben gewezen op de sterke emotionele band met hun zoon, schoondochter en kleinkinderen. Eiseres is afhankelijk van haar in Nederland verblijvende zoon. Daarnaast is sprake van verknochtheid tussen de zaken van eisers en die van hun zoon en schoondochter.

Volgens paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 kan verweerder in individuele gevallen gebruik maken van de bevoegdheid van artikel 3, tweede lid, van de Vo 343/2003 indien de vreemdeling op basis van bijzondere, individuele omstandigheden aannemelijk maakt dat overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat in dit geval van een onevenredige hardheid getuigt.

3.6 Voor zover eisers beogen te stellen dat zij met hun zoon en schoondochter in gezinsverband hebben geleefd en als een gezin moeten worden beschouwd, overweegt de rechtbank dat eisers niet kunnen worden aangemerkt als gezinsleden als bedoeld in artikel 2, onder i, van de Vo 343/2003. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eisers niet met objectieve elementen aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen hen en hun zoon en schoondochter. De ter zitting gegeven toelichting dat haar zoon eiseres begeleidt bij afspraken bij de huisarts en het ziekenhuis acht de rechtbank daartoe niet voldoende. Hieruit volgt dat, hoewel verweerder hier in de bestreden besluiten niet expliciet op is ingegaan, de brief van de huisarts van 23 juli 2013 waarin staat vermeld dat het om medische redenen gewenst is dat eiseres bij haar zoon kan zijn, eisers niet kan baten. Ten aanzien van de verklaring van eisers - hetgeen ter zitting is benadrukt - dat hun cultuur voorschrijft dat zij bij zijn oudste zoon verblijven, heeft verweerder in het bestreden besluiten gemotiveerd overwogen dat hierin geen aanleiding wordt gezien om aan te nemen dat sprake is van een situatie van dusdanige afhankelijkheid die ertoe noopt de behandeling van de asielaanvragen aan zich te trekken. Uit het vorenstaande volgt dat de stelling van eisers, dat verweerder niet is gehouden hun asielverzoeken door de Franse autoriteiten te laten overnemen, niet kan slagen. Tot slot overweegt de rechtbank dat de Vo 343/2003, noch verweerders beleid aanknopingspunten bieden voor de stelling van eisers dat inhoudelijke verknochtheid van de zaken van familieleden meebrengt dat verweerder de asielverzoeken inhoudelijk dient te beoordelen.

Voor zover eisers hebben gesteld dat hun medische en psychische gesteldheid in de weg staat aan de overname van hun asielverzoeken door de Franse autoriteiten overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat eisers voor hun medische en psychische klachten in Frankrijk geen adequate zorg kunnen krijgen.

3.7 De beroepen zijn ongegrond.

3.8 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Bruggen, rechter, en door haar en mr. D. Beltman als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2013.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voorzover daarbij in de hoofdzaak is beslist, kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC Den Haag.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.