Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:16104

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
19-12-2013
Zaaknummer
SGR AWB 13_3669
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PTSS. Militair invaliditeitspensioen. Vaststelling van de mate van invaliditeit met dienstverband.

Ten aanzien van het argument van eiser dat de BIR-adviezen niet zijn gepubliceerd en dat verweerder deze daarom niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mag leggen overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat de BIR adviezen niet zijn gepubliceerd, maar dat dat ook niet hoeft, omdat het gaat om intern uitvoeringsbeleid. De rechtbank overweegt dat de BIR-adviezen blijkens de overgelegde pagina’s behoren tot de Beleidsrichtlijnen Medisch-SMO. Deze beleidsrichtlijnen worden door artsen gehanteerd in het kader van hun medische beoordelingen en richten zich daarmee tot die doelgroep. Het gaat dus niet om tot verweerder gerichte richtlijnen. Onder deze omstandigheden brengt het feit dat deze richtlijnen niet zijn gepubliceerd niet mee dat het bestreden besluit om die reden niet in stand kan blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR AWB 13/3779

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. H.J.M.G.M. van der Meijden),

en

de Staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. P.J.A. Souren).

Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2012 is eisers militair invaliditeitspensioen met ingang van 1 november 2012 ingetrokken en is hem een garantiepensioen toegekend.

Hiertegen heeft eiser op 11 september 2012 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 10 april 2013 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Hiertegen heeft eiser bij brief van 8 mei 2013 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op het geding betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter zitting van 3 oktober 2013 behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1 Eiser is in 1992 als beroepsmilitair uitgezonden naar voormalig Joegoslavië.

1.2 Bij besluit van 11 november 2009 is eiser een militair invaliditeitspensioen toegekend met ingang van 13 januari 2008 vanwege PTSS met dienstverband. Het voorlopige invaliditeitspercentage is vastgesteld op 20. Er is geen sprake van een medische eindtoestand. In het besluit is opgenomen dat in 2011 de mate van invaliditeit opnieuw zal worden bekeken.

1.3 In 2012 heeft een ambtshalve herbeoordeling plaatsgevonden. In het MGO-rapport van 9 augustus 2012 is geconcludeerd dat sprake is van een mate van invaliditeit van minder dan 10%. De mate van invaliditeit van de psychische aandoening met dienstverband is vastgesteld op 5% (na afronding; op basis van de scores is het percentage 7,5). Tevens is geconcludeerd dat er nu wel sprake is van een eindtoestand.

1.4 Naar aanleiding hiervan heeft verweerder bij besluit van 15 augustus 2012 het militair invaliditeitspensioen van eiser met ingang van 1 november 2012 ingetrokken. Eiser heeft met ingang van dezelfde datum recht op een garantiepensioen.

1.5 In bezwaar heeft eiser een aantal scores betwist en op basis daarvan geconcludeerd dat de mate van invaliditeit met dienstverband boven de 10% dient uit te komen.

1.6 In het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard, onder verwijzing naar de reactie van de verzekeringsarts P.G. Verkerk van 7 maart 2013 op de bezwaargronden.

1.7 Verweerder heeft de beroepsgronden voorgelegd aan de adviserend verzekeringsarts. Deze heeft bij brief van 2 september 2013 gereageerd. Verweerder heeft zich aangesloten bij de reactie van de verzekeringsarts.

2.1 In beroep stelt eiser zich, kort gezegd, op het standpunt dat bij de sub-rubrieken 3 (slapen), 4 (seksuele functie), 6 (sociale activiteiten), 7 (communicatieve vaardigheden/activiteiten), 8 (structuur aanbrengen) en 9 (huishoudelijke activiteiten) van te lage scores is uitgegaan. Uitgaande van de scores die volgens eiser wel gerechtvaardigd zijn, komt eiser tot de conclusie dat sprake is van een aanmerkelijk hoger percentage dan 7,5 en in ieder geval meer dan 10, zodat het invaliditeitspensioen hervat dient te worden. Eiser heeft het standpunt ingenomen dat het systeem van de beoordelingslijst is gebaseerd op een beschrijvende vergelijking, te weten het noemen van feiten per sub-rubrieken en het plaatsen van deze feiten in een klasse. Eiser meent dat zijn raadsman en hij daarvoor geëquipeerd zijn.

Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat er een mate van invaliditeit met dienstverband van 7,5% is vastgesteld, die is afgerond naar 5%. Naar de mening van eiser dient de mate van invaliditeit op basis van de nieuwe afrondingsregels te worden afgerond tot 10%.

2.2 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.1 Tussen partijen zijn diverse scores behorende bij een aantal sub-rubrieken uit de Beoordelingslijst van het PTSS-Protocol in geschil. Eiser stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat bij die subcategorieën uitgegaan is van een te lage score.

3.2 De rechtbank stelt voorop dat het invullen van de Beoordelingslijst weliswaar niet is voorbehouden aan de verzekeringsarts, maar dat deze, zoals in het PTSS-Protocol is vermeld, dient te worden ingevuld door een terzake deskundige arts. De verzekeringsarts is gelet op zijn opleiding en ervaring bij uitstek geëquipeerd voor het invullen van de Beoordelingslijst. De stelling van eiser dat ook niet terzake deskundigen zoals eiser en zijn gemachtigde geëquipeerd zijn om de Beoordelingslijst in te vullen kan dan ook niet slagen. (zie onder andere de uitspraak van deze rechtbank van 28 november 2012, AWB 11/8637).

3.3 Ten aanzien van de sub-rubrieken 3 (slapen), 6 (sociale activiteiten), 8 (structuur aanbrengen) en 9 (huishoudelijke activiteiten) overweegt de rechtbank dat de adviserend verzekeringsarts Verkerk zowel in bezwaar (in zijn reactie van 7 maart 2013) als in beroep (in zijn reactie van 2 september 2013) in voldoende mate heeft gemotiveerd waarom de bezwaren van eiser niet tot een hogere score leiden. Daarbij weegt de rechtbank mee dat eiser zijn andersluidende standpunten ten aanzien van deze scores niet met oordelen van een ter zake deskundige arts heeft onderbouwd.
3.4 Ten aanzien van subrubriek 5 (basale communicatie) overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft toegelicht dat er sinds de invoering van het PTSS Protocol per 1 juli 2008 na multidisciplinair professioneel overleg aanvullende uitvoeringsrichtlijnen zijn opgesteld, de Beleids Incident Richtlijnen en Adviezen (BIR-adviezen). Uit het BIR-advies ten aanzien van basale communicatie blijkt dat in principe alleen beperkingen worden gescoord indien sprake is van dissociatieve stoornissen zoals deze plegen voor te komen bij psychotische toestandsbeelden of zeer ernstige andere psychische ziektebeelden (zoals schizofrenie), waarbij sprake is van psychische black-outs waardoor de communicatie moeizaam verloopt. Nu hiervan bij eiser geen sprake is, heeft verweerder in redelijkheid van een score 0 kunnen uitgaan. Ten aanzien van het argument van eiser dat de BIR-adviezen niet zijn gepubliceerd en dat verweerder deze daarom niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mag leggen overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat de BIR adviezen niet zijn gepubliceerd, maar dat dat ook niet hoeft, omdat het gaat om intern uitvoeringsbeleid. De rechtbank overweegt dat de BIR-adviezen blijkens de overgelegde pagina’s behoren tot de Beleidsrichtlijnen Medisch-SMO. Deze beleidsrichtlijnen worden door artsen gehanteerd in het kader van hun medische beoordelingen en richten zich daarmee tot die doelgroep. Het gaat dus niet om tot verweerder gerichte richtlijnen. Onder deze omstandigheden brengt het feit dat deze richtlijnen niet zijn gepubliceerd niet mee dat het bestreden besluit om die reden niet in stand kan blijven.

3.5 De rechtbank overweegt dat voorts blijkt dat de GAF score (Global Assessment of Functioning) blijkens het PDC rapport is gestegen van 60 naar 65. Deze GAF-score is weliswaar naar eiser terecht stelt geen juiste graadmeter voor het vaststellen van de mate van invaliditeit met dienstverband. Dat neemt echter niet weg dat de GAF-score wel een indicatie vormt voor de mate waarin een persoon is beperkt in zijn of haar psychisch, sociaal en beroepsmatig functioneren. Een hogere GAF-score kan dus een aanwijzing zijn voor beter functioneren dan wel minder beperkingen. Deze in het PDC-rapport toegekende hogere GAF-score ondersteunt derhalve de conclusie van verweerder dat er een verbetering in de beperkingen van eiser is opgetreden sinds het vorige onderzoek.

3.6 Ten aanzien van de stelling van eiser dat de seksuele functie te laag is gescoord overweegt de rechtbank als volgt. Zoals in de Beoordelingslijst (pagina 37) is vermeld geldt voor beperkingen in de seksuele functie dat het hier nauwelijks objectiveerbare gegevens betreft. De rechtbank heeft gelet daarop reeds in eerdere uitspraken het uitgangspunt dat slechts beperkingen dienen te worden aangenomen, indien uit eerdere verslaglegging blijkt dat voor dit probleem specifieke behandeling of hulp is gezocht bij een professioneel deskundige, redelijk geacht. In de onderhavige zaak staat vast dat voor de seksuele problematiek geen professionele hulp is gezocht. Verweerder heeft derhalve van een score 0 kunnen uitgaan. Eiser heeft in dit verband nog aangevoerd dat bij de vaststelling van het voorlopige invaliditeitspercentage is uitgegaan van een score 2, en dat er in de beperkingen van eiser op dit punt niets is gewijzigd. De gewijzigde score is volgens eiser enkel ingegeven door het feit dat het beleid sindsdien is aangescherpt. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat de eerdere score een kennelijke vergissing betrof die hersteld mag worden. De rechtbank is van oordeel dat, of het nu gaat om een vergissing of om een gewijzigde uitvoeringspraktijk, geldt dat nu de eerdere vaststelling een voorlopig invaliditeitspercentage betrof, verweerder bij de vaststelling van het definitieve percentage heeft mogen uitgaan van de op dat moment in de Beoordelingslijst neergelegde uitgangspunten.

3.7 Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van eiser, dat het percentage van 7,5 volgens de huidige afrondingsregels dient te worden afgerond naar 10, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder stelt sinds 1 september 2013 de mate van invaliditeit met dienstverband vast op het werkelijke aan de hand van de scores op de Beoordelingslijst berekende invaliditeitspercentage. Om systeemtechnische redenen wordt het invaliditeitspensioen – vooralsnog – evenwel uitbetaald naar het eerste hogere veelvoud van 1%. Deze afronding geldt dus alleen voor de uitbetaling, en niet voor de vaststelling van het invaliditeitspercentage. In casu gaat het om de vaststelling van het invaliditeitspercentage, zodat afronding niet aan de orde is.

De rechtbank overweegt dat het vaststellen van de mate van invaliditeit met dienstverband op het werkelijke aan de hand van de scores op de Beoordelingslijst berekende invaliditeitspercentage in lijn is met de jurisprudentie van deze rechtbank (zie onder andere de uitspraak van 22 augustus 2012, LJN: BX6878). Het invaliditeitspercentage van 7,5 is dus terecht niet afgerond naar 10, nog daargelaten dat afronding op basis van de huidige uitbetalingspraktijk zou leiden tot een percentage van 8 en niet tot het door eiser bepleite percentage van 10.

4

De rechtbank komt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

5

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Meijer, rechter, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2013.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.