Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:16095

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-09-2013
Datum publicatie
20-01-2014
Zaaknummer
AWB-13_18549
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:2418, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 4:8 van de Awb en het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel in het kader van het gehoor voorafgaand aan het opleggen van een terugkeerbesluit/inreisverbod

De rechtbank is van oordeel dat eiser voorafgaand aan het gehoor aangaande het terugkeerbesluit over onvoldoende informatie beschikte om op een adequate wijze zijn zienswijze naar voren te kunnen brengen en te kunnen reageren op het voornemen van verweerder om aan hem een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van nul dagen op te leggen.

Voorafgaand aan het gehoor is aan eiser immers niet uitgelegd dat men voornemens was aan hem, in plaats van de standaard vertrektermijn van vier weken, een vertrektermijn van nul dagen te geven, omdat er volgens verweerder een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De omstandigheden waarop verweerder baseert dat er in eisers geval een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat, zijn voorafgaand aan het gehoor ook niet aan eiser kenbaar gemaakt.

Gelet op het voorgaande is het terugkeerbesluit genomen in strijd met artikel 4:8 van de Awb.

Uit de Europese jurisprudentie valt niet af te leiden dat er bij of voorafgaand aan het gehoor inzake het inreisverbod sprake is van een recht op aanwezigheid van een advocaat dan wel een consultatierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/18549

V-nr: [V-nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag] 1979, van Senegalese nationaliteit, eiser,

(gemachtigde: mr. S. de Schutter),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. J.M. Sidler).

Procesverloop

Op 9 juli 2013 heeft verweerder een terugkeerbesluit aan eiser uitgereikt, waarbij eiser is aangezegd dat hij de Europese Unie onmiddellijk diende te verlaten. Bij dit besluit heeft verweerder tevens een inreisverbod aan eiser opgelegd voor een periode van twee jaar.
Op 17 juli 2013 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen.


Het onderzoek ter zitting bij de enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft plaatsgevonden op 30 juli 2013. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, mr. H.D. Streef. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en heeft verweerder - naar aanleiding van hetgeen is besproken ter zitting - in de gelegenheid gesteld een nadere reactie in te dienen en heeft eiser in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.

Verweerder heeft bij faxbericht van 30 juli 2013 een nadere reactie ingediend bij de rechtbank. Eiser heeft hierop bij faxbericht van 31 juli 2013 gereageerd.

De rechtbank heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.


Op 21 augustus 2013 is het onderzoek ter zitting bij de meervoudige kamer van deze rechtbank voortgezet. Partijen hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen


1.1 De rechtbank gaat uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. Op 9 juli 2013 om 17:10 uur is aan eiser een terugkeerbesluit met een onmiddellijke vertrektermijn uitgereikt en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit en inreisverbod is eiser om 16:45 uur in het bijzijn van een tolk gehoord door een inspecteur van de politie. Eiser is op 9 juli 2013 om 17:35 uur in bewaring gesteld en is voorafgaand daaraan ook in dat kader gehoord door een inspecteur van de politie om 17.15 uur.

2.1 Eiser is van mening dat verweerder het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel, dat is vervat in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) heeft geschonden door de wijze waarop eiser voorafgaand aan het terugkeerbesluit en inreisverbod is gehoord.

2.2 Op 6 mei 2013 heeft het ‘Tribunal administratif de Pau’ in de zaak Khaled Boudjlida/Préfet des Pyrénées-Atlantiques (C-249/13) aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) prejudiciële vragen gesteld over de inhoud van het in artikel 41, tweede lid, van het Handvest neergelegde recht te worden gehoord als er een terugkeerbesluit wordt genomen jegens een illegaal verblijvende derdelander. Met name de vraag van de Franse rechter of dit recht mede omvat dat de vreemdeling bijstand van een raadsman naar zijn keuze krijgt alsmede de vraag in hoeverre een beperking van dit recht in het kader van een spoedige terugkeer is toegestaan, zijn voor de onderhavige zaak van belang. Bovendien heeft op 5 juli 2013 de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) aan het Hof prejudiciële vragen gesteld aangaande de rechtsgevolgen van een schending van het verdedigingsbeginsel door een bestuursorgaan. Hierbij speelt in het bijzonder een rol de vraag of een belangenafweging is toegestaan.

2.3 De rechtbank ziet aanleiding de zaak spoedig af te doen en niet aan te houden in afwachting van een antwoord op voornoemde prejudiciële vragen, omdat eiser in vreemdelingenbewaring zit. De rechtbank acht het van belang dat er een oordeel komt over de vraag of verweerder aan eiser een terugkeerbesluit heeft kunnen opleggen, nu de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit direct van belang is voor de vraag of de maatregel van bewaring rechtmatig is opgelegd. Partijen hebben ter zitting aangegeven zich hierin te kunnen vinden.

Ten aanzien van het terugkeerbesluit

3.1 De rechtbank is gehouden op basis van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgronden aan te vullen. De rechtbank vindt een dergelijke grond in artikel 4:8 van de Awb.

3.2 Op grond van artikel 4:8, eerste lid, van de Awb stelt een bestuursorgaan een belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen, voordat het een beschikking geeft waartegen de belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, indien:
a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en
b. die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.

3.3 Op grond van artikel 61, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 dient de vreemdeling die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, Nederland uit eigen beweging te verlaten binnen de in artikel 62 bepaalde termijn.

3.4 Op grond van artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000 - voor zover hier van belang -dient de vreemdeling nadat tegen hem of haar een terugkeerbesluit is uitgevaardigd Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten.

3.5 Op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 - voor zover hier van belang - kan verweerder de voor een vreemdeling geldende termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten, dan wel, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.

3.6 Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de vertrektermijn van het terugkeerbesluit heeft verkort tot nul dagen, omdat volgens verweerder uit de volgende omstandigheden blijkt dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken:

- eiser is Nederland niet op de voorgeschreven wijze binnengekomen en heeft zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen onttrokken;

- eiser heeft zich niet gehouden aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000;

- eiser heeft geen vaste woon- of verblijfplaats;

- eiser beschikt niet over voldoende middelen van bestaan;

- eiser heeft arbeid verricht in strijd met de Wet Arbeid Vreemdelingen.

3.7 De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van het gehoor aangaande het terugkeerbesluit en inreisverbod van 9 juli 2013 blijkt dat de politie-inspecteur eiser voorafgaand aan het gehoor heeft uitgelegd dat het terugkeerbesluit inhoudt dat eiser binnen een termijn van nul dagen dient te vertrekken uit de Europese Unie en dat hij daar tijdens het gehoor zijn zienswijze op kon geven. Voorafgaand aan het gehoor is aan eiser echter niet uitgelegd dat men voornemens was aan hem, in plaats van de standaard vertrektermijn van vier weken, een vertrektermijn van nul dagen te geven omdat er volgens verweerder een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De hiervoor in rechtsoverweging 3.6 genoemde omstandigheden, waarop verweerder baseert dat er in eisers geval een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat, zijn voorafgaand aan het gehoor ook niet aan eiser kenbaar gemaakt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiser voorafgaand aan het gehoor over onvoldoende informatie beschikte om op een adequate wijze zijn zienswijze naar voren te kunnen brengen en te kunnen reageren op het voornemen van verweerder om aan hem een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van nul dagen uit te vaardigen.

3.8 Verweerder heeft zich in dit kader ter zitting op het standpunt gesteld dat eiser niet in de gelegenheid had hoeven te worden gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, nu het terugkeerbesluit is gebaseerd op gegevens die eiser zelf heeft verstrekt, zoals bedoeld in artikel 4:8, eerste lid en onder b, van de Awb. Verweerder heeft in dit kader verwezen naar het gehoor dat is gehouden voorafgaand aan de inbewaringstelling van eiser. Dit gehoor is - anders dan vermeld staat op het proces-verbaal daarvan - volgens verweerder gehouden voorafgaand aan het moment waarop het terugkeerbesluit en inreisverbod zijn opgelegd. De gemachtigde van verweerder heeft hierover contact gehad met een medewerker van het regionaal politiekorps Gooi en Vechtstreek en hem is meegedeeld dat het gehoor aangaande de inbewaringstelling en het gehoor aangaande het terugkeerbesluit en inreisverbod doorgaans tegelijk worden gehouden en dat er dan op de aparte formulieren wordt aangegeven dat de gehoren na elkaar zijn afgenomen. Verweerder leidt uit dit gesprek af dat dit in de onderhavige zaak ook is gebeurd. Eiser heeft tijdens het gehoor aangaande de inbewaringstelling - en dus voorafgaand aan het moment waarop het terugkeerbesluit en inreisverbod zijn opgelegd - zelf aangegeven af en toe bij verschillende werkgevers te hebben gewerkt in Nederland, geen financiële middelen te hebben om een ticket te kopen naar Senegal en geen vaste woon- of verblijfplaats te hebben. Eiser heeft dus zelf de informatie verstrekt op basis waarvan verweerder heeft geconcludeerd dat er in zijn geval een risico bestaat op onttrekking aan het toezicht.

3.9 De rechtbank volgt het betoog van verweerder niet. Weliswaar heeft eiser de omstandigheden - waarop verweerder het risico op onttrekking aan het toezicht baseert - naar voren gebracht in het kader van het gehoor aangaande de bewaring, maar eiser heeft zelf niet naar voren gebracht dat er een risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken, terwijl dat wel de reden is waarop verweerder het terugkeerbesluit met een vertrektermijn van nul dagen heeft gebaseerd. Dit nog los van het punt dat eiser volgens het proces-verbaal in het kader van de bewaring is gehoord na het nemen van het terugkeerbesluit.



3.10 De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder alvorens eiser in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze in te dienen, onvoldoende informatie heeft verschaft over de reden van het terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrektermijn. Verweerder heeft eiser dan ook in strijd met artikel 4:8, eerste lid, van de Awb niet op adequate wijze in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Gelet hierop is het terugkeerbesluit genomen in strijd met artikel 4:8 van de Awb. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het terugkeerbesluit. De rechtbank komt niet meer toe aan de vraag of verweerder artikel 41 van het Handvest heeft geschonden door de wijze waarop eiser voorafgaand aan het terugkeerbesluit gehoord is.

4.1 Eiser heeft de rechtbank in de onderhavige procedure verzocht om de maatregel van bewaring op te heffen, nu hij vanwege het ontbreken van een rechtmatig terugkeerbesluit ten onrechte in vreemdelingenbewaring zit.

4.2 Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van
14 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6197) volgt dat een maatregel van bewaring, behoudens de in artikel 62a, eerste lid, van de Vw 2000 opgenomen uitzonderingen, uitsluitend mag worden opgelegd indien voorafgaand aan dan wel gelijktijdig met die maatregel een terugkeerbesluit is genomen. Vanwege het gesloten rechtsmiddelenstelsel van de Vw 2000 kan de rechter die over de maatregel van bewaring heeft te oordelen, eerst indien een terugkeerbesluit in de daartoe voorziene procedure onrechtmatig is gebleken, een oordeel geven over de vraag wat de gevolgen daarvan zijn voor de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring.
Indien, zoals in de onderhavige zaak, een terugkeerbesluit door de rechtbank onrechtmatig is geacht, is het vervolgens aan verweerder om de maatregel van bewaring op te heffen. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de bewaring in een dergelijk geval doorgaans wordt opgeheven. Indien dat in de onderhavige zaak niet het geval zal zijn, kan eiser de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring aan de orde stellen in een beroepsprocedure tegen de voortduring van de bewaringsmaatregel.


4.3 Eiser heeft voorts verzocht om toekenning van een schadevergoeding over de periode dat hij onrechtmatig in vreemdelingenbewaring heeft gezeten.

4.4 Op grond van artikel 8:73, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien zij het beroep gegrond verklaart, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die de partij lijdt.

4.5 Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van
14 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6197) volgt dat, in het geval de bewaringsrechter in een uitspraak die dateert van voor de vernietiging van het terugkeerbesluit de bewaring over deze periode reeds rechtmatig heeft bevonden, artikel 8:73, eerste lid, van de Awb de rechtbank een grondslag biedt om in geval van een gegrondverklaring van een beroep ingesteld tegen een terugkeerbesluit, op verzoek van de vreemdeling verweerder te veroordelen tot een schadevergoeding van de schade die de vreemdeling als gevolg van dat terugkeerbesluit heeft geleden. Het terugkeerbesluit - en niet de maatregel van bewaring - heeft in die situatie als het schadeveroorzakend besluit te gelden.

4.6 In de onderhavige zaak heeft de bewaringsrechter de bewaring van eiser rechtmatig bevonden over de periode van 9 juli 2013 tot en met 23 juli 2013. Nu er in de onderhavige procedure is vastgesteld dat de bewaring - vanwege het ontbreken van een rechtmatig terugkeerbesluit - in die periode onrechtmatig is geweest, acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder te veroordelen tot schadevergoeding over bedoelde periode, en wel tot een bedrag van € 105,-- per dag dat eiser op een politiebureau ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest (van 9 tot en met 10 juli 2013) en
€ 80,-- per dag dat eiser in het huis van bewaring ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest (van 11 tot en met 23 juli 2013), in totaal € 1250,--.


4.7 De rechtbank merkt in dit kader op dat zij ervan uitgaat, dat verweerder zich - indien de maatregel van bewaring naar aanleiding van de onderhavige uitspraak zal worden opgeheven - zal uitlaten over een schadevergoeding over de periode van 24 juli 2013 tot en met de dag dat de maatregel van bewaring wordt opgeheven. Eiser kan deze kwestie vervolgens al dan niet aan de orde stellen in een beroepsprocedure tegen de maatregel van bewaring.

Ten aanzien van het inreisverbod

5.1 De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verweerder in de onderhavige zaak ten aanzien van het aan eiser opgelegde inreisverbod heeft gehandeld in overeenstemming met artikel 4:8 van de Awb dan wel artikel 41 van het Handvest.

5.2 Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van
15 juni 2012 ECLI:NL:RVS:2012:BW9115 en ECLI:NL:RVS:2012:BW9112) vloeit uit artikel 4:8, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 11, tweede lid, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (de Terugkeerrichtlijn), voort dat de staatssecretaris de betrokken vreemdeling in de gelegenheid moet stellen om individuele omstandigheden, in verband waarmee volgens de betrokken vreemdeling aanleiding zou bestaan voor een verdere verkorting van de duur van het inreisverbod, aan te voeren.

5.3 De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van het gehoor aangaande het terugkeerbesluit en inreisverbod van 9 juli 2013 blijkt dat de politie-inspecteur eiser - in overeenstemming met voornoemde Afdelingsjurisprudentie - voorafgaand aan het gehoor heeft uitgelegd dat hij op grond van het inreisverbod na zijn vertrek uit de Europese Unie gedurende twee jaar niet naar de Europese Unie kan reizen. Daarnaast is eiser verteld dat op grond van bijzondere individuele omstandigheden van het opleggen van het inreisverbod kan worden afgezien of dat de duur daarvan kan worden verkort en dat het aan eiser is om deze omstandigheden aan te voeren. Eiser is vervolgens tijdens het gehoor in de gelegenheid gesteld deze omstandigheden naar voren te brengen.

5.4 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser wat betreft het inreisverbod voorafgaand aan het gehoor, anders dan in het geval van het terugkeerbesluit, wel over voldoende informatie beschikte om zijn zienswijze naar voren te kunnen brengen en te kunnen reageren op het voornemen van verweerder om aan hem een inreisverbod voor de duur van twee jaar op te leggen. Ten aanzien van het inreisverbod is eiser derhalve in overeenstemming met artikel 4:8, eerste lid, van de Awb op een adequate wijze in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.



6.1 Op grond van artikel 41, eerste lid, van het Handvest - voor zover hier van belang - heeft eenieder er recht op dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld.
Op grond van het tweede lid, aanhef en onder sub a, van dit artikel behelst dit recht met name het recht van eenieder te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelig individuele maatregel wordt genomen.


6.2 Uit de jurisprudentie van het Hof kan - samengevat weergegeven en voor zover hier van belang - het volgende worden afgeleid ten aanzien van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel. De eerbiediging van de rechten van de verdediging vormt volgens het Hof een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht dat van toepassing is wanneer de administratie voornemens is een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaald persoon vast te stellen. (Sopropé/ Fazenda Pública, 18 december 2008 [zaak C-349/07, rechtsoverweging 36]).

6.3 Het recht om in elke procedure te worden gehoord maakt integraal deel uit van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel en is thans vervat in artikel 41 van het Handvest, dat het recht op behoorlijk bestuur waarborgt. (Nederlandsche Banden Industrie Michelin/Commissie van 9 november 1983 [zaak 374/87, rechtsoverweging 7] en M./ Minister for Justice, Equality and Law Reform Ireland van 22 november 2012 [zaak C-277/11, rechtsoverweging 83]).

6.4 Het verdedigingsbeginsel vereist dat de adressanten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk raken, in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren. Zij dienen daartoe over een toereikende termijn te beschikken.

6.5 Deze verplichting rust op de administratieve overheden van de lidstaten wanneer zij besluiten nemen die binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht vallen, ook al voorziet de toepasselijke communautaire wetgeving niet uitdrukkelijk in een dergelijke formaliteit. Wat de tenuitvoerlegging van het verdedigingsbeginsel en de termijnen voor de uitoefening van de rechten van de verdediging betreft, dient te worden gepreciseerd dat deze, wanneer zij niet door het gemeenschapsrecht zijn vastgesteld, door het nationale recht worden bepaald, met dien verstande dat zij de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten van de verdediging in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken. (Sopropé, rechtsoverwegingen 37-38).

7.1 De rechtbank stelt gelet op voornoemde jurisprudentie allereerst vast dat artikel 41 van het Handvest in de onderhavige zaak van toepassing is. De bevoegdheid om een inreisverbod op te leggen vloeit immers voort uit artikel 66a van de Vw 2000, dat de uitwerking in het nationale recht is van artikel 11 van de Terugkeerrichtlijn, waaruit volgt dat verweerder in dit geval het recht van de Unie ten uitvoer heeft gelegd. Daarnaast is niet in geschil dat het inreisverbod een besluit is dat bezwarend is ten opzichte van eiser, nu hij op grond daarvan na zijn vertrek uit de Europese Unie gedurende twee jaar niet naar de Europese Unie kan reizen.

7.2 De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verweerder in de onderhavige zaak ten aanzien van het aan eiser opgelegde inreisverbod heeft gehandeld in overeenstemming met het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel, dat is vervat in artikel 41 van het Handvest.

8.1 Eiser heeft zich in het kader van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel ten eerste op het standpunt gesteld dat hem geen gelegenheid is geboden alle gegevens die hem voorafgaand aan het opleggen van het inreisverbod zijn tegengeworpen, te onderzoeken en een reactie te geven na een bedenktijd die ruim voldoende was. Het gehoor inclusief de uitreiking van het inreisverbod heeft immers slechts vijfentwintig minuten geduurd.

8.2 De rechtbank stelt vast dat uit voornoemde jurisprudentie van het Hof, noch uit andere arresten van het Hof, kan worden afgeleid wat een toereikende termijn is om een reactie te geven op een bezwarend besluit. Uit de jurisprudentie van het Hof blijkt dat deze termijn - wanneer deze, zoals in het onderhavige geval, niet door het gemeenschapsrecht is vastgesteld - wordt bepaald door het nationale recht van een lidstaat. De termijn mag niet zodanig zijn dat zij de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten van de verdediging in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maakt.

8.3 De rechtbank is van oordeel dat eiser, gelet op het feit dat vijfentwintig minuten zijn verstreken tussen de eerste mededeling dat aan hem een inreisverbod zou worden opgelegd en de uitreiking ervan, een toereikende termijn heeft gekregen om te reageren op het voornemen van verweerder om hem een inreisverbod op te leggen. Zoals hierboven reeds is overwogen in rechtsoverwegingen 5.1 tot en met 5.4 is aan eiser voorafgaand aan het gehoor ten aanzien van het inreisverbod uitgelegd wat daarvan de rechtsgevolgen zijn alsmede dat hij tijdens het gehoor omstandigheden naar voren kon brengen, die zouden kunnen leiden tot het afzien van het opleggen van een inreisverbod of het verkorten van de duur daarvan. Eiser had daarom voldoende informatie om direct te kunnen reageren op het voornemen om het inreisverbod op te leggen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de omstandigheden die eiser naar voren kon brengen tijdens het gehoor, (eenvoudige) feitelijke omstandigheden betroffen, waarvan verondersteld kan worden dat eiser daarvan zelf op de hoogte was. Daarnaast heeft verweerder gerichte vragen gesteld om te zien of er sprake was van dergelijke bijzondere omstandigheden. Zo is tijdens het gehoor gevraagd naar eventuele familieleden van eiser in Nederland of elders in Europa, gezondheidsproblemen en zakelijke belangen in Nederland of Europa. Gelet op het voorgaande valt niet in te zien dat aan eiser een langere termijn om te reageren had moeten worden verleend. De gemachtigde van eiser heeft overigens enkel gesteld dat de aan eiser verleende termijn om te reageren op het op te leggen inreisverbod te kort was en verder niet verduidelijkt waarom aan eiser een langere termijn had moeten worden verleend.

9.1 Eiser heeft zich in het kader van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel voorts op het standpunt gesteld dat hij voorafgaand aan het gehoor in de gelegenheid had moeten worden gesteld om een advocaat te raadplegen (hierna: het consultatierecht) en dat hem de gelegenheid had moeten worden geboden zich tijdens het gehoor te doen bijstaan door een rechtsbijstandverlener.

9.2 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt aangaande het consultatierecht en de aanwezigheid van een rechtsbijstandverlener bij het gehoor verwezen naar het arrest Hoechst A.G./Commissie van het Hof van 21 september 1989 (zaken 46/87 en 227/88). In dat arrest heeft het Hof in rechtsoverweging 15 overwogen dat de rechten van de verdediging moeten worden geëerbiedigd in administratieve procedures, die tot de oplegging van sancties kunnen leiden. In rechtsoverweging 16 komt het Hof tot de conclusie dat het recht op rechtsbijstand - in tegenstelling tot bepaalde andere rechten van de verdediging, die enkel aan de orde komen in procedures op tegenspraak - reeds in het voorafgaande onderzoek moet worden geëerbiedigd.

9.3 De rechtbank stelt vast dat het in de onderhavige zaak, anders dan in het arrest Hoechst, niet om een administratieve procedure gaat die heeft geleid tot het opleggen van een sanctie. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het inreisverbod door eiser als sanctie kan worden ervaren, is met het inreisverbod niet beoogd om eiser te bestraffen, maar gaat het om een administratieve maatregel met een Europese dimensie, teneinde immigratie en vreemdelingenverkeer te reguleren. In dat verband verwijst de rechtbank naar overweging 14 van de preambule van de Terugkeerrichtlijn. Nu de onderhavige zaak ziet op een administratieve maatregel, gaat hetgeen het Hof heeft overwogen in het arrest Hoechst aangaande het recht op rechtsbijstand in deze zaak niet op. Ook uit andere jurisprudentie van het Hof kan een dergelijk recht niet worden afgeleid.

9.4 Voorts heeft de rechtbank zich met partijen nog gebogen over de vraag of uit de zaak Salduz tegen Turkije van 27 november 2008 (ECLI:NL:XX:2008:BH0402) van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) kan worden afgeleid dat er in dit geval een consultatierecht bestond. Uit dit arrest vloeit voort dat een verdachte aan artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in beginsel een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen. Deze aanspraak op rechtsbijstand houdt volgens het EHRM in dat aan hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. Nu het in de onderhavige zaak niet gaat om een strafrechtelijke vervolging (“criminal charge”) maar om de administratieve maatregel van een inreisverbod en genoemd arrest expliciet zaken betreft waar het gaat om een criminal charge, kan ook uit dit arrest niet worden opgemaakt dat sprake is van een consultatierecht voor het gehoor inzake een inreisverbod. Voorts ziet de jurisprudentie met betrekking tot artikel 6 van het EVRM met name op de eerbiediging van het zogenaamde nemo tenetur beginsel, hetgeen in het onderhavige geval niet aan de orde is.

9.5 Nu uit Europese jurisprudentie niet valt af te leiden dat er in het onderhavige geval sprake is van een recht op aanwezigheid van een advocaat dan wel een consultatierecht bij of voorafgaand aan het gehoor inzake het inreisverbod, zal de rechtbank daarover zelf een oordeel geven.

9.6 De rechtbank is van oordeel dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel niet is geschonden, doordat eiser voorafgaand aan het gehoor niet in de gelegenheid is gesteld om een rechtsbijstandverlener te raadplegen en hem geen gelegenheid is geboden zich tijdens het gehoor te doen bijstaan door een rechtsbijstandverlener. Zoals reeds is overwogen in rechtsoverwegingen 5.3 en 8.3 heeft eiser voorafgaand aan het gehoor voldoende informatie gekregen om op adequate wijze te kunnen reageren op het voornemen om aan hem een inreisverbod op te leggen. Daarbij komt dat wat eiser bij het gehoor naar voren brengt in beginsel reparabel is. Zo kunnen stellingen in een later stadium worden aangevuld. In strafzaken ligt dit anders, aangezien de verdachte niet met vrucht in een later stadium alsnog zijn procespositie kan wijzigen door zich bijvoorbeeld alsnog op zijn zwijgrecht te beroepen terwijl hij bij de politie al een verklaring heeft afgelegd. Het afleggen van een verklaring is in beginsel onomkeerbaar. Daarom leidt schending van het consultatierecht tot uitsluiting van de door de verdachte afgelegde verklaring. Het inreisverbod heeft bovendien geen onmiddellijke consequenties zoals een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van nul dagen, nu een vreemdeling na het uitreiken van een dergelijk terugkeerbesluit direct in vreemdelingenbewaring kan worden gesteld.

9.7 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel (artikel 41 van het Handvest) is geschonden.

10

De rechtbank is desondanks van oordeel dat het inreisverbod moet worden vernietigd. Blijkens het bestreden besluit is aan eiser een inreisverbod opgelegd op grond van artikel 66a, eerste lid, van de Vw 2000, terwijl uit dit artikel volgt dat pas een inreisverbod wordt opgelegd, als aan dat inreisverbod een rechtmatig terugkeerbesluit ten grondslag ligt.
Nu de rechtbank het terugkeerbesluit zal vernietigen (zie 3.10) komt het inreisverbod ook voor vernietiging in aanmerking.

Ten aanzien van het terugkeerbesluit en het inreisverbod

11

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.180,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde van € 472,-- per punt en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder tot een schadevergoeding van € 1250,--, te betalen aan eiser;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.180,--, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T.H. Zimmerman, voorzitter, en mrs. M.J. van den Bergh en A.E.J.M. Gielen, rechters, in aanwezigheid van mr. A.V.A. Teggelaar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2013.

griffier bij afwezigheid van de

voorzitter wordt deze uitspraak

ondertekend door de oudste rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.:AT

Coll.:AEM

D:B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.