Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:16093

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-11-2013
Datum publicatie
28-11-2013
Zaaknummer
AWB 13-27915 en AWB 13-27916 VK
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepen tegen afwijzing verzoek om opheffing van vrijheidsbeperkende maatregelen.

Uit het stelsel van de wet, waarin wordt gestreefd naar een adequate rechtsbescherming van vreemdelingen aan wie vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregelen worden opgelegd, volgt dat een besluit waarin het verzoek om opheffing van een vrijheidsbeperkende maatregel is afgewezen, een besluit is dat is genomen op grond van artikel 56 van de Vw.

Verweerder heeft eisers stellingen dat zij zouden kunnen afspreken bij vrienden of kennissen te verblijven, dat zij eerder hebben verbleven in een noodopvang en dat zij zich voor het opleggen van de maatregelen altijd hebben gemeld op het politiebureau in Almere voor gesprekken, niet weersproken, zodat aan die medewerking nu ook niet hoeft te worden getwijfeld. Verweerder heeft daarom onvoldoende gemotiveerd waarom in het geval van eisers geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de vrijheidsbeperking doeltreffend kunnen worden toegepast. Niet gebleken is dan ook dat de vrijheidsbeperkende maatregelen op dit moment noodzakelijk zijn gelet op het doel en strekking daarvan, te weten het door verweerder houden van toezicht en voeren van regie op het vertrektraject. De rechtbank verklaart de beroepen dan ook gegrond en draagt verweerder met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op de maatregelen met onmiddellijke ingang te beëindigen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:1
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 56
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 13/27915 en AWB 13/27916

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2013in de zaken tussen

[eiser], geboren op[1948], (eiser), en[eiseres], geboren op [1948], (eiseres),

naar gesteld staatloos, hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. C.G.J.M. Lucassen),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.M.H.W. van Heerebeek).

Procesverloop

Verweerder heeft op 19 juni 2012 besloten aan eisers een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) op te leggen. Hierbij zijn eisers verplicht met ingang van 6 juni 2012 in de gemeente Vlagtwedde te verblijven. De door eisers ingestelde beroepen tegen de oplegging van de maatregelen zijn bij uitspraak van deze rechtbank en deze nevenzittingsplaats van 21 oktober 2013 (AWB 13/25792 en AWB 13/25796) ongegrond verklaard.

Bij brief van 23 mei 2013 hebben eisers verweerder verzocht om opheffing van voornoemde vrijheidsbeperkende maatregelen. Bij besluit van 25 oktober 2013 heeft verweerder dit verzoek afgewezen (bestreden besluit). Hiertegen hebben eisers op 30 oktober 2013 beroep ingesteld. Daarbij hebben eisers verzocht om schadevergoeding, maar dit verzoek hebben zij ter zitting ingetrokken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2013. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Ingevolge artikel 56, eerste lid, van de Vw kan door verweerder overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te geven regels, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, de vrijheid van beweging worden beperkt van de vreemdeling die:

a. geen rechtmatig verblijf heeft;

b. rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, met uitzondering van de onderdelen b, d en e.

2.

Ingevolge artikel 5.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan de maatregel van beperking van vrijheid van beweging, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw, bestaan uit:

a. een verplichting zich bij verblijf in Nederland in een bepaald gedeelte van Nederland te bevinden, of

b. een verplichting zich te houden aan een verbod om zich in een bepaald gedeelte of bepaalde gedeelten van Nederland te bevinden.

3.

De rechtbank ziet zich eerst ambtshalve voor de vraag gesteld of tegen de afwijzing van het verzoek om opheffing van de vrijheidsbeperkende maatregelen rechtstreeks beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank.

4.

Eisers en verweerder hebben zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit een besluit is dat is genomen op grond van artikel 56 van de Vw, waartegen ingevolge artikel 7.1, aanhef en onder g, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), rechtstreeks beroep openstaat.

5.

Zoals de rechtbank in rechtsoverweging 12 van de hiervoor genoemde uitspraak van 21 oktober 2013 heeft geoordeeld, kan niet worden gesteld dat de wetgever heeft bedoeld - naast de bestaande mogelijkheid van het instellen van beroep bij de rechtbank tegen het besluit tot oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel - de mogelijkheid in het leven te roepen van een vervolgberoep tegen een vrijheidsbeperkende maatregel. Naar het oordeel van de rechtbank volgt evenwel uit het stelsel van de wet, waarin wordt gestreefd naar een adequate rechtsbescherming van vreemdelingen aan wie vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregelen worden opgelegd, dat een besluit waarin het verzoek om opheffing van een vrijheidsbeperkende maatregel is afgewezen, een besluit is dat is genomen op grond van artikel 56 van de Vw. Ingevolge artikel 7.1, aanhef en onder g, van de Awb, staat hiertegen rechtstreeks beroep open. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 20 maart 2012 (ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9384) en de uitspraak van deze rechtbank van 23 oktober 2012 (ECLI:NL:RBSGR:2012:30310). Het beroep is dan ook ontvankelijk.

6.

Volgens verweerders beleid verwoord in paragraaf A5/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) – voor zover hier van belang – legt de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V), de Korpschef of de commandant van de KMar de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 van de Vw – in combinatie met een toezichtmaatregel op grond van artikel 54, tweede lid, van de Vw – op, op grond van de openbare orde of de nationale veiligheid. De vreemdeling moet werken aan zijn vertrek uit Nederland waarbij de DT&V de regie heeft over het vertrektraject.
De vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 van de Vw in een vrijheidsbeperkende locatie wordt in beginsel twaalf weken opgelegd met model M102. Als de vrijheidsbeperkende maatregel langer dan twaalf weken moet worden voortgezet, mag de minister besluiten de vrijheidsbeperkende maatregel te laten voortduren of op een andere plaats op te leggen. Als de vrijheidsbeperkende maatregel op een andere plaats wordt opgelegd, wordt model M102 opnieuw opgemaakt.

Tot 1 april 2013 was het beleid over de vrijheidsbeperkende maatregel opgenomen in A6/4.3 van de Vc. Gelet op de toelichting bij het besluit van verweerder van 19 december 2012, nummer WBV 2012/25, houdende wijziging van de Vc (Staatscourant 2012, nr 26099), is het beleid op dit punt per 1 april 2013 niet inhoudelijk gewijzigd. Hieruit leidt de rechtbank af dat de maatregel alleen in uitzonderingsgevallen in het kader van de openbare orde of nationale veiligheid wordt opgelegd, waarbij de beginselen van proportionaliteit (doelmatigheid) en subsidiariteit (kan een lichter middel worden toegepast) in acht moeten worden genomen. Dit is ook door verweerder ter zitting bevestigd.

7.

Eisers hebben erop gewezen dat de maatregelen al bijna een jaar en vijf maanden voortduren. Volgens eisers is sprake van strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit en heeft verweerder het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Volgens eisers is een lichter middel voorhanden, namelijk een maatregel op grond van artikel 54 van de Vw waarbij zij zich periodiek moeten melden. Eisers hebben hierbij erop gewezen dat zij wellicht aanspraak kunnen maken op noodopvang en anders afgesproken zou kunnen worden dat zij bij vrienden of kennissen kunnen verblijven. Voordat zij in Ter Apel terecht kwamen hebben zij immers ook verbleven in een noodopvang en hebben zij zich telkens gemeld op het politiebureau in Almere voor gesprekken, zodat aan die medewerking nu ook niet hoeft te worden getwijfeld.

8.

In het bestreden besluit staat vermeld dat op verzoek van eisers aan hen op 19 juni 2012 wederom een maatregel is opgelegd op grond van artikel 56 van de Vw. Verder staat in het bestreden besluit, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Het door u genoemde lichtere middel, namelijk het opleggen van de maatregel ex artikel 54 Vw, waarbij het echtpaar zich periodiek dient te melden, houdt in dit kader geen stand nu aan betrokkenen geen recht op opvang hebben. Vanuit de illegaliteit is het niet mogelijk om artikel 54 Vw op te leggen daar adresregistratie ontbreekt. Al zouden betrokkenen al over een woonadres kunnen beschikken dan vormt de complexiteit van hun situatie een onoverkomelijke belemmering om intensief met betrokkenen aan hun vertrek uit Nederland te werken. Derhalve is het opleggen van artikel 54 Vw geen reële optie voor het treffen van lichtere maatregel.”

9.

Verweerder heeft ter zitting gesteld dat er nog steeds aanleiding is om, ondanks het feit dat de maatregel lang voortduurt, de maatregel te laten voortduren en niet op te heffen. Verweerder heeft hierbij erop gewezen dat de maatregel voorziet in onderdak en voorzieningen voor eisers en dat eisers ervoor kunnen kiezen om niet in de vrijheidsbeperkende locatie te verblijven, maar dan zullen zij op straat terecht komen. Bovendien hebben eisers niet hun volledige medewerking verleend en de DT&V doet er alles aan om ervoor te zorgen dat eisers Nederland kunnen verlaten. Er moeten nog inspanningen verricht worden waarin eisers een rol moeten spelen. Verder heeft verweerder in het kader van de beroepsgrond over een lichter middel toegelicht dat de situatie complex is. Dat blijkt volgens verweerder uit de inspanningen die door de DT&V zijn gedaan, uit de onderzoeken die zijn gedaan en uit de omstandigheid dat de medewerking van eisers is vereist. Volgens verweerder is nog steeds samenwerking tussen eisers en de DT&V nodig en is het daarbij van belang dat eisers “dichtbij zijn” en niet uit beeld verdwijnen. Dat aanspraak kan worden gemaakt op noodopvang is volgens verweerder niet gebleken en niet onderbouwd.

10.

De rechtbank overweegt, zoals ook in rechtsoverweging 6 van deze uitspraak is overwogen, dat volgens verweerders beleid de vrijheidsbeperkende maatregel alleen in uitzonderingsgevallen in het kader van de openbare orde of nationale veiligheid wordt opgelegd, waarbij de beginselen van proportionaliteit (doelmatigheid) en subsidiariteit (kan een lichter middel worden toegepast) in acht moeten worden genomen. De rechtbank stelt vast dat uit het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting naar voren komt dat aan de maatregelen mede ten grondslag is gelegd dat eisers zelf hebben verzocht om het opleggen van de maatregel, om zo verzekerd te zijn van opvang en bepaalde voorzieningen. Nu ingevolge artikel 56, eerste lid, van de Vw door verweerder de vrijheidsbeperkende maatregel alleen kan worden opgelegd indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, is duidelijk dat dit geen zelfstandige reden kan zijn om eisers in hun vrijheid te beperken, zodat dit reeds om die reden ook geen argument kan zijn voor het laten voortduren van de maatregelen. Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder eisers stellingen niet heeft weersproken dat zij zouden kunnen afspreken bij vrienden of kennissen te verblijven, dat zij eerder hebben verbleven in een noodopvang en dat zij zich voor het opleggen van de maatregelen altijd hebben gemeld op het politiebureau in Almere voor gesprekken, zodat aan die medewerking nu ook niet hoeft te worden getwijfeld. De rechtbank is in het licht hiervan van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in het geval van eisers geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de vrijheidsbeperking doeltreffend kunnen worden toegepast. Niet gebleken is dan ook dat de vrijheidsbeperkende maatregelen op dit moment noodzakelijk zijn gelet op het doel en strekking van de vrijheidsbeperkende maatregelen in deze zaak, te weten het door verweerder houden van toezicht en voeren van regie op het vertrektraject. De rechtbank verklaart de beroepen dan ook gegrond en draagt verweerder met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op de maatregelen met onmiddellijke ingang te beëindigen. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

11.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 944,- (1 punt voor het indienen van de samenhangende beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt
€ 472,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het besluit van 25 oktober 2013;

- draagt verweerder op de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen van 19 juni 2012 onmiddellijk op te heffen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 944,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Bongers, rechter, in aanwezigheid van
S.J. van Ravenhorst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

21 november 2013.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.