Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:16022

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
05-12-2013
Zaaknummer
AWB-13_4231
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zambrano-criterium. De rechtbank komt tot het oordeel dat als sprake is van een situatie als bedoeld in het arrest Ruiz Zambrano, de betreffende burger uit een derde land en ouder van het kind met de Nederlandse nationaliteit, in beginsel recht op bijstand heeft. In deze zaak is echter geen sprake van een Zambrano-situatie.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 11
Wet werk en bijstand 16
Wet werk en bijstand 20
Wet werk en bijstand 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 13/4231 en SGR 13/7322

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 november 2013 in de zaken van

1.

[eiseres], mede in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [A] en [B], te [plaats]

2.

[B] wettelijk vertegenwoordigd door haar moeder [eiseres], te [plaats].

(gemachtigde: mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Catakli).

Procesverloop

SGR 13/4231

Bij besluit van 28 augustus 2012 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan [B] met ingang van 12 juli 2012 een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand (Wwb) toegekend naar de norm van een alleenstaande van 18, 19 of 20 jaar.

Bij besluit van 15 april 2013 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het door eiseres namens [B] gemaakte bezwaar tegen het primaire besluit I deels
niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.

SGR 13/7322

Bij besluit van 27 maart 2013 (het primaire besluit II) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een uitkering krachtens de Wwb afgewezen.

Bij besluit van 19 augustus 2013 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit II ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen beide bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft in beide zaken gelijktijdig plaatsgevonden op 14 oktober 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Eiseres, geboren op [datum] 1980, heeft de Nicaraguaanse nationaliteit. Zij verblijft sinds 2002 in Nederland. Eiseres heeft twee dochters, [B], geboren op [datum] 2008, en [A], geboren op [datum] 2009. [B] heeft de Nederlandse nationaliteit. [A] heeft de Nicaraguaanse nationaliteit.

1.2

Eiseres heeft op 22 juli 2010 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier ingediend. De afwijzing van deze aanvraag is in beroep bevestigd bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Middelburg van 12 januari 2012 (AWB 10/44614, ECLI:NL:RBSGR:2012:BV2011). De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft deze uitspraak bij uitspraak van 28 mei 2013 (201201536/1/V1) bevestigd. Desgevraagd ter zitting heeft eiseres aangegeven dat zij nog geen nieuwe aanvraag inzake recht op verblijf heeft ingediend, maar dat het wel de bedoeling is dit opnieuw te doen.

1.3

Eiseres verblijft thans met haar dochters op een bungalowpark in het kader van een voorziening krachtens de Wet maatschappelijke opvang (Wmo).

1.4

Eiseres heeft op 12 juli 2012 bijstand aangevraagd voor haar dochter [B].

1.5

Bij het primaire besluit I heeft verweerder aan [B] met ingang van 12 juli 2012 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm van een alleenstaande van 18, 19 of 20 jaar.

1.6

Bij het bestreden besluit I heeft verweerder, voor zover hier van belang, het bezwaar van [B] gericht tegen de hoogte van de aan [B] toegekende bijstand, ongegrond verklaard.

1.7

Bij faxbericht gedateerd 18 maart 2013 heeft eiseres bijstand aangevraagd naar de norm van een alleenstaande ouder met bijbehorende toeslagen. Daarbij is aangegeven dat het niet uitmaakt op welke manier de bijstand aan het gezin wordt toegekend. Deze aanvraag is bij het primaire besluit II afgewezen. Bij het bestreden besluit II is het door eiseres gemaakte bezwaar hiertegen ongegrond verklaard.

standpunten partijen

2.

Eiseres heeft aangevoerd dat [B] gelet op artikel 20 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) alsmede artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) recht heeft om bij haar moeder te verblijven. Door het onthouden van het toekennen van bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder aan eiseres en aan [B] alsmede het gezin als geheel, is sprake van een schending van voornoemde artikelen. Eiseres heeft in dit verband gewezen op de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 juli 2012 (ECLI:NL:RBARN:2012:BX3418) en het arrest Ruiz Zambrano van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) inzake de uitleg van artikel 20 VWEU. Volgens eiseres volgt uit het arrest Ruiz Zambrano dat aan haar of aan haar dochter [B] of het gezin tezamen een bijstanduitkering moet worden verstrekt naar de norm van een alleenstaande ouder, omdat alleen dan het effectieve genot van het Unieburgerschap van [B] wordt geëffectueerd. Eiseres heeft voorts betoogd dat de vader van [B] niet kan worden aangesproken op zijn onderhoudsplicht. Ten slotte heeft eiseres erop gewezen dat inzake de aanvraag van 18 maart 2013 door verweerder alleen is gekeken naar de positie van eiseres zelf. Er is niet gekeken naar de positie van [B] of het gezin als geheel.

3.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gehanteerde norm bij de aan [B] verstrekte bijstand is afgestemd op haar individuele situatie en voorts in overeenstemming is met het beleid zoals neergelegd in het Handboek Werk en Inkomen van de gemeente Den Haag. Het beroep van eiseres op artikel 20 VWEU in samenhang met het arrest Ruiz Zambrano en de uitleg die de rechtbank Arnhem in het kader van bijstandverlening in haar uitspraak van 10 juli 2012 hieraan heeft gegeven, slaagt volgens verweerder niet. Verweerder beroept zich op de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 december 2012 (ECLI:NL:RBUTR:2012:BY7769) en stelt dat het op de weg van eiseres ligt om zich tot het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) en/of een van de (centrum)gemeenten te wenden met het verzoek om in het licht van artikel 20 VWEU en het Unieburgerschap van [B], aan haar en [B] hulp op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva), respectievelijk de Wmo te verlenen. Verweerder heeft hieraan in zijn verweerschrift toegevoegd dat aan eiseres opvang wordt geboden en er geen dreiging is van uitzetting uit Nederland, zodat geen sprake is van een situatie waarbij [B] de haar aan artikel 20 VWEU ontleende rechten worden ontzegd. Ook heeft verweerder in zijn verweerschrift aangegeven waarom volgens hem geen bijstand kan worden verstrekt op grond van artikel 8 van het EVRM en de artikelen 3 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).

4.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

SGR 13/7322: afwijzing aanvraag bijstand

4.1

De rechtbank stelt vast dat de hier aan de orde zijnde aanvraag om bijstand dateert van 18 maart 2013. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bestrijkt de te beoordelen periode in een dergelijk geval de periode met ingang waarvan de bijstand is aangevraagd tot en met de datum van het primaire besluit. Dat betekent dat de te beoordelen periode in deze zaak loopt van 18 maart 2013 tot en met 27 maart 2013.

4.2

Het betoog van eiseres dat door verweerder in deze procedure alleen is gekeken naar haar positie en is verzuimd om te kijken naar de positie van [B] als Nederlands kind en het gezin als geheel, treft geen doel. Nu verweerder over het recht op bijstand van [B] reeds had beslist – en over de hoogte van deze bijstand ten tijde van de onderhavige aanvraag nog een bezwaarprocedure aanhangig was – en eiseres bij de aanvraag om bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder het aan verweerder heeft overgelaten om te bezien aan wie deze bijstand kan worden verstrekt, acht de rechtbank niet onjuist dat verweerder deze aanvraag primair heeft beoordeeld vanuit de positie van eiseres. Uit het bestreden besluit II alsmede het verweerschrift komt voorts afdoende naar voren dat verweerder bij die beoordeling ook de positie van [B] en het gezin als geheel heeft betrokken.

4.3

Voor zover eiseres heeft betoogd dat het arrest Ruiz Zambrano meebrengt dat aan haar een bijstandsuitkering moet worden verstrekt, overweegt de rechtbank het volgende.

4.3.1

Ingevolge artikel 20, eerste lid, van het VWEU wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, van artikel 20 van het VWEU genieten de burgers van de Unie de rechten en hebben zij de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald en hebben zij, onder andere, het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven.

4.3.2

In het arrest Ruiz Zambrano (Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 maart 2011, Ruiz Zambrano, C-34/09, te raadplegen op www.curia.europa.eu) heeft het Hof in de punten 40 tot en met 44 overwogen dat artikel 20 van het VWEU aan eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit, de status van burger van de Unie verleent. De hoedanigheid van burger van de Unie moet de primaire hoedanigheid zijn van de onderdanen van de lidstaten. Artikel 20 van het VWEU verzet zich tegen nationale maatregelen die tot gevolg hebben dat burgers van de Unie het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten. Een dergelijke situatie ontstaat, volgens het Hof, wanneer een staatsburger van een derde staat het recht wordt ontzegd te verblijven in de lidstaat waar zijn kinderen van jonge leeftijd, staatsburgers van die lidstaat en te zijnen laste, verblijven, en wordt geweigerd hem een arbeidsvergunning af te geven. Er is namelijk van uit te gaan dat een dergelijke weigering ertoe zal leiden dat deze kinderen, burgers van de Unie, zullen worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten om hun ouders te volgen. Tevens loopt de betrokken persoon, indien hem geen arbeidsvergunning wordt afgegeven, het risico niet over voldoende bestaansmiddelen te beschikken om te voorzien in zijn eigen onderhoud en in dat van zijn gezin, wat er eveneens toe zou leiden dat zijn kinderen, burgers van de Unie, zouden worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten.

4.3.3

In het nadien gewezen arrest Dereci (Hof van Justitie 15 november 2011, Dereci e.a., C-256/11, te raadplegen op www.curia.europa.eu) heeft het Hof een nadere uitleg gegeven van het arrest Ruiz Zambrano. In dit arrest heeft het Hof geoordeeld dat het criterium van de ontzegging van het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten, betrekking heeft op gevallen die erdoor gekenmerkt worden dat de burger van de Unie feitelijk wordt verplicht om het grondgebied van niet alleen de lidstaat waarvan hij staatsburger is, maar ook dat van de Unie als geheel te verlaten. Dit is volgens het Hof een criterium van zeer bijzondere aard dat ziet op gevallen waarin, ondanks dat het secondaire recht inzake het verblijfsrecht van staatsburgers van derde landen niet van toepassing is, uitzonderlijk geen verblijfsrecht kan worden ontzegd aan een staatsburger van een derde land die lid is van de familie van een staatsburger van een lidstaat, omdat anders de nuttige werking zou worden ontnomen aan het burgerschap van de Unie dat deze laatste staatsburger toekomt.

4.3.4

In zijn uitspraak van 17 december 2012 (ECLI:CRVB:2012:BY6418) heeft de CRvB overwogen dat uit voornoemde arresten volgt dat uit artikel 20 VWEU voor de derdelander ouder een rechtstreeks verblijfsrecht voortvloeit, afgeleid van het verblijfsrecht van het kind dat Unieburger is, indien het kind zich bevindt in een situatie zoals die zich voordeed in genoemde arresten. Bij de beoordeling of er sprake is van uitkeringsrechten dient het betrokken bestuursorgaan allereerst te onderzoeken of er zodanige omstandigheden zijn dat het kind feitelijk moet worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de derdelander ouder een verblijfsrecht wordt ontzegd. Bij dit onderzoek dient de uitkeringsinstantie, in overleg met de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, genoegzaam te onderzoeken of de ouder aan artikel 20 VWEU een verblijfsrecht hier te lande kan ontlenen. In het licht van het arrest Ruiz Zambrano brengt het nuttig effect van de status van Burger van de Unie met zich mee dat de ouder die het verblijfsrecht toekomt, ook over voldoende bestaansmiddelen moet kunnen beschikken om te voorzien in zijn eigen onderhoud en dat van zijn gezin, aldus de CRvB. Tegen deze uitspraak van de CRvB hebben beide betrokken partijen cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft in deze zaak nog geen arrest gewezen.

4.3.5

De Afdeling heeft vervolgens in haar uitspraak van 9 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:725), waarbij expliciet is verwezen naar de hiervoor onder 4.3.4 bedoelde uitspraak van de CRvB, overwogen dat, het recht van burgers van derde landen om onder de in de arresten Ruiz Zambrano en Dereci bedoelde omstandigheden bij hun kinderen van jonge leeftijd, burgers van de Unie, te verblijven op het grondgebied van de lidstaten rechtstreeks voortvloeit uit artikel 20 VWEU en dat de betreffende burger van een derde land in een dergelijk geval rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000.

4.3.6

Gelet op het bepaalde in artikel 11, tweede lid, van de Wwb, geeft een verblijfsrecht als hiervoor door de Afdeling bedoeld een vreemdeling - indien ook aan de overige voorwaarden voor het recht op bijstand is voldaan - recht op een Wwb-uitkering.

4.3.7

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hij sinds de uitspraak van de Afdeling van 9 augustus 2013, in gevallen waarin is vastgesteld dat aan het Zambrano-criterium een verblijfsrecht wordt ontleend, aan de betrokken vreemdelingen bijstand verstrekt. Volgens verweerder betekent dit echter niet dat eiseres recht op bijstand heeft. Verweerder heeft zich daartoe, onder verwijzing naar de onder 1.2 genoemde uitspraak van de rechtbank van 12 januari 2012 en de bevestiging daarvan door de Afdeling op 28 mei 2013, op het standpunt gesteld dat in geval van eiseres in rechte vast staat dat voor de hier van belang zijnde periode geen sprake is van een situatie als bedoeld in de arresten Ruiz Zambrano en Dereci.

4.3.8

De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder niet te volgen in voornoemd standpunt - dat door eiseres op zichzelf ook niet is betwist - nu de rechtbank in de onder 1.2 bedoelde uitspraak expliciet heeft geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat het ontzeggen van verblijf aan eiseres ertoe zal leiden dat [B] feitelijk wordt verplicht om het grondgebied van de Unie te verlaten. Gelet hierop kan het beroep van eiseres op het arrest Ruiz Zambrano, voor wat betreft de hier ter beoordeling staande periode, niet slagen. Verweerder behoefde in dit geval dan ook niet te onderzoeken of eiseres aan artikel 20 VWEU een verblijfsrecht hier te lande kan ontlenen.

4.4

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat eiseres in de te beoordelen periode geen vreemdeling was in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de Wwb. Als gevolg hiervan valt eiseres onder artikel 16, tweede lid, van de Wwb, en kan aan haar zelfs uit hoofde van dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 16 van de Wwb, geen uitkering op grond van de Wwb worden toegekend. Het betoog dat artikel 16, eerste lid van de Wwb moet worden uitgelegd in het licht van artikel 3 en artikel 27 van het IVRK stuit hier op af. Uit het voorgaande volgt ook dat het beroep van eiseres op artikel 8 EVRM niet kan slagen. Het is immers vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 13 november 2012 en 22 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2012:BY3139 en ECLI:NL:CRVB:2011:BU6844) dat indien ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de Wwb een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van het EVRM, dit niet met toepassing van de Wwb gestalte kan worden gegeven. De vraag of eiseres is aan te merken als kwetsbaar persoon die op grond van artikel 8 van het EVRM bijzondere bescherming geniet, kan daarom in het kader van de Wwb in het midden worden gelaten.

4.5

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder gehouden was de aanvraag om bijstand van eiseres af te wijzen.

SGR 13/423: de hoogte van de aan [B] toegekende bijstand

4.6

Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wwb bepaalt dat degene die jonger is dan 18 jaar geen recht op bijstand heeft. Uit vaste jurisprudentie volgt dat het bij wijze van uitzondering mogelijk is bijstand te verlenen aan een minderjarige, namelijk wanneer sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Wwb.

4.7

Aan [B] is bijstand toegekend, zodat niet ter discussie staat dat sprake is van zeer dringende redenen. In geschil is het bedrag aan bijstand dat ten behoeve van [B] moet worden verleend.

4.8

Verweerder heeft ten aanzien van de hoogte van de bijstand besloten om [B] een bijstanduitkering naar de norm van een alleenstaande van 18, 19 of 20 jaar toe te kennen. Deze handelwijze is in overeenstemming met zijn beleid, zoals weergegeven in het Handboek. De hoogte van deze norm bedraagt gelet op artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a van de Wwb € 230,91.

4.9

Namens [B] is aangevoerd dat haar noodzakelijke kosten van het bestaan (berekend op € 505,- per maand) uitgaan boven de aan haar toegekende bijstandsnorm. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat dit standpunt niet met nadere gegevens is onderbouwd, zodat niet is aangetoond dat de gestelde kosten zich daadwerkelijk voordoen en geheel voor rekening van [B] komen. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder de bijstand onvoldoende heeft afgestemd op de situatie van [B], waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat in dit geval in opvang is voorzien.

4.10

De verwijzing van eiseres naar besluitvorming van andere gemeenten, waarbij aan het Nederlandse kind wel een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder wordt toegekend, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dat een andere gemeente aan het Nederlandse kind wel bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder verstrekt, betekent niet dat verweerder de verplichting heeft om in het onderhavige geval eveneens tot toekenning van bijstand naar deze norm over te gaan. De Wwb voorziet in een decentrale uitvoering. De mogelijkheid van een verschillende uitvoering per gemeente is daarmee gegeven.

4.11

Voor zover is betoogd dat aan [B] bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder moet worden toegekend vanwege het arrest Ruiz Zambrano, stuit dit af op hetgeen de rechtbank heeft overwogen in 4.3.1 tot en met 4.3.8. Indien sprake zou zijn van een situatie als in het arrest Ruiz Zambrano bedoeld, zou het recht op bijstand in beginsel aan de moeder van [B] toekomen. De rechtbank heeft echter in voornoemde overwegingen geoordeeld dat die situatie zich hier niet voordoet.

Conclusie

5.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de beroepen ongegrond zijn.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T. Aalbers, voorzitter, mr. L. Koper en mr. G.F. van der Linden-Burgers, leden, in aanwezigheid van mr. D. Tieleman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2013.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.