Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:16019

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-11-2013
Datum publicatie
10-12-2013
Zaaknummer
AWB-12_10227
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard; de rechtbank wijst de zaken op verzoek van eiser en met instemming van verweerder terug naar verweerder. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een integrale proceskostenvergoeding.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Besluit proceskosten bestuursrecht 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2771
V-N 2014/9.19.23
FutD 2013-3044
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 12/10227 en SGR 12/10228

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 november 2013 in de zaken tussen

[X] BV, gevestigd te [Z], eiseres

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, [te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 31 december 2011 aan eiseres voor het jaar 2008 een aanslag vennootschapsbelasting (VPB) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 50.000. Bij gelijktijdig genomen beschikkingen heeft verweerder aan eiseres een verzuimboete opgelegd van € 567 en een bedrag van € 1.125 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft met dagtekening 7 januari 2012 aan eiseres voor het jaar 2009 een aanslag VPB opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 75.000. Bij gelijktijdig genomen beschikkingen heeft verweerder het verlies van het jaar 2009 vastgesteld op nihil, aan eiseres een verzuimboete opgelegd van € 2.460 en een bedrag van € 983 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 25 september 2012 de bezwaren van eiseres tegen de voornoemde aanslagen en beschikkingen niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2013 te Den Haag.

Namens eiseres is daar verschenen [B], bijgestaan door de gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [C], [D] en [E]. Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder. Verweerder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlage.

Overwegingen

Feiten

1.

Met dagtekening 31 december 2011 (2008) respectievelijk 7 januari 2012 (2009) heeft verweerder voor de jaren 2008 en 2009 aanslagen VPB opgelegd naar ambtshalve vastgestelde belastbare bedragen van € 50.000 (2008) respectievelijk € 75.000 (2009). Daarbij heeft verweerder verzuimboetes opgelegd van € 567 (2008) respectievelijk € 2.460 (2009).

2.

De voormalige gemachtigde van eiseres heeft bij brieven van 19 januari 2012, door verweerder ontvangen op 20 januari 2012, pro forma bezwaarschriften ingediend tegen de aan eiseres voor de jaren 2008 en 2009 opgelegde aanslagen VPB.

3.

Nadat tussen partijen op verscheidene momenten is gecorrespondeerd met betrekking tot de (ontbrekende) motivering van de bezwaren heeft eiseres bij brieven van 30 augustus 2012 de motivering van de bezwaren ingediend.

4.

Bij uitspraken op bezwaar van 25 september 2012 heeft verweerder de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard, vanwege het feit dat deze niet waren gemotiveerd.

Geschil

5.

In geschil is of eiseres recht heeft een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase en zo ja, of zij recht heeft op vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten. Niet in geschil is dat verweerder de bezwaren van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

6.

Eiseres neemt het standpunt in dat zij recht heeft vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten en concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, terugwijzing van de zaken naar verweerder en tot toekenning van een proceskostenvergoeding van € 3.176,25.

7.

Verweerder neemt het standpunt in dat eiseres geen recht heeft op een proceskostenvergoeding en concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, terugwijzing van de zaken naar verweerder en tot afwijzing van het verzoek van eiseres om een (integrale) proceskostenvergoeding.

8.

Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

9.

Vaststaat dat verweerder de bezwaren van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

10.

Indien verweerder de niet-ontvankelijkheid van een bezwaar heeft uitgesproken en de belastingrechter die uitspraak vernietigt, dient de rechter in de regel met toepassing van artikel 8:72, lid 4, van de Algemene wet bestuursrecht verweerder op te dragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Van die regel kan worden afgeweken indien daartoe goede grond bestaat, bijvoorbeeld indien partijen aandringen op een inhoudelijke beoordeling van het geschil door de rechter, of indien duidelijk is dat de belanghebbende niet wordt benadeeld doordat de rechter zelf in de zaak voorziet (zie ook HR 11 juli 2008, nr. 41953, ECLI:NL:HR:2008:BD6825). De rechtbank ziet in dit geval geen grond voor afwijking van voormelde regel, nu eiseres expliciet heeft verzocht om terugwijzing van de zaken naar verweerder en verweerder daarmee ter zitting heeft ingestemd. De rechtbank zal verweerder derhalve opdragen opnieuw op de bezwaren te beslissen. Dit betekent dat de beroepen gegrond dienen te worden verklaard.

Proceskosten

11.

Verweerder stelt dat het aan de handelwijze van eiseres is te wijten dat de bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. Daartoe wijst verweerder op het feit dat de motivering van de bezwaren was gevoegd bij een brief gericht aan een medewerker van verweerder, niet zijnde de bezwaarbehandelaar, terwijl eiseres wist dat de bezwaarbehandelaar een ander was. Gelet daarop heeft verweerder het standpunt ingenomen dat eiseres geen recht heeft op een proceskostenvergoeding.

12.

De rechtbank verwerpt dit standpunt van verweerder. Daarbij overweegt de rechtbank dat als hoofdregel geldt dat wanneer een belanghebbende in beroep geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, de door hem in beroep gemaakte kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Van deze regel mag worden afgeweken indien het uitsluitend aan de belanghebbende is te wijten, dat de procedure voor de rechter is gevoerd (vgl. HR 24 juli 2001, nr. 36.466, ECLI:NL:HR:2001:AB2785). Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in casu geen sprake. De motivering van de bezwaren is bij brieven van 30 augustus 2012 bij een medewerker van verweerder ingediend. De betreffende medewerker, niet zijnde de bezwaarbehandelaar, was eerder dat jaar (bij brief van 13 februari 2013) door verweerder als contactpersoon aangewezen voor de heer [B], bestuurder van eiseres. Gelet hierop is het niet uitsluitend aan eiseres te wijten dat zij de motivering van de bezwaren aan de contactpersoon heeft gezonden en niet aan de bezwaarbehandelaar. De omstandigheid dat de contactpersoon de motivering niet aan de bezwaarbehandelaar ter hand heeft gesteld vóórdat verweerder uitspraak op de bezwaren heeft gedaan, is evenmin een omstandigheid die (volledig) aan eiseres is te wijten. Dat de bewuste medewerker de brief met de bijgevoegde motivering heeft ontvangen tijdens zijn vakantie en in de veronderstelling verkeerde dat de motivering ook direct was toegezonden aan de bezwaarbehandelaar, maakt dit niet anders. Dit brengt mee dat de kosten van de procedures voor de rechtbank voor vergoeding in aanmerking komen.

13.

De rechtbank vindt derhalve aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) wordt het bedrag van deze kosten in beginsel forfaitair vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief. Artikel 2, derde lid, van het Besluit bevat de mogelijkheid van de forfaitaire kostenvaststelling af te wijken in het geval sprake is van bijzondere omstandigheden.

14.

Eiseres heeft verzocht verweerder te veroordelen tot een integrale vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten in beroep. Met betrekking tot dit verzoek overweegt de rechtbank als volgt.

15.

Voor toekenning van een (proces)kostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit is grond indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een (de) daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (‘tegen beter weten in procederen’) of indien verweerder het verwijt treft dat hij in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (vgl. HR 4 februari 2011, nr. 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975).

16.

Naar het oordeel van de rechtbank treft verweerder in het onderhavige geval niet één van de onder 15. genoemde verwijten. Dat verweerder uitspraken op bezwaar heeft gedaan ervan uitgaande dat de bezwaren nog niet waren gemotiveerd, terwijl die motivering wel al door de contactpersoon, niet zijnde de bezwaarbehandelaar, was ontvangen, acht de rechtbank niet dusdanig onzorgvuldig dat sprake is van een vorenbedoeld ‘in vergaande mate’ onzorgvuldig handelen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres eerder in de bezwaarfase direct correspondeerde met de bezwaarbehandelaar(s), en hiervan bij de toezending van de motivering van de bezwaren is afgeweken. Dat de medewerker aan wie zij de motivering heeft toegezonden eerder dat jaar is aangewezen als contactpersoon, maakt dit niet anders, reeds omdat – naar verweerder overtuigend heeft aangevoerd en ook uit de gedingstukken blijkt – daaraan door eiseres niet consequent uitvoering is gegeven.

Evenmin is naar het oordeel van de rechtbank sprake van ‘tegen beter weten in procederen’ door verweerder. Gelet op de met betrekking tot de (motivering van de) bezwaren gevoerde correspondentie tussen partijen heeft het verweerder, verkerende in de veronderstelling dat de bezwaren nog niet waren gemotiveerd, bij het doen van de uitspraken op de bezwaren naar het oordeel van de rechtbank niet duidelijk hoeven zijn dat die uitspraken in beroep geen stand zouden houden. De door eiseres in haar pleitnota genoemde jurisprudentie betreffende voor de motivering van bezwaren geldende vereisten brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

17.

De rechtbank vindt ook overigens in de feiten en omstandigheden van deze zaken geen aanleiding om af te wijken van de forfaitaire bedragen van het Besluit en stelt de voor vergoeding in aanmerking komende kosten op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472, een wegingsfactor 1 en een factor 1 wegens samenhang). Voor een hogere proceskostenvergoeding vindt de rechtbank geen aanleiding.

18.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient te worden beslist als hieronder is vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op om opnieuw uitspraak te doen op de bezwaarschriften van eiseres;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944, te betalen aan eiseres;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 310 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Dirks, voorzitter, en mr. I. Obbink-Reijngoud en mr. E.E. Schotte, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2013.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep