Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:16009

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-11-2013
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
AWB - 13 _ 5407
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2014:3074, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 13/5407, 13/5408 en 13/5410

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

19 november 2013 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [X], eiser
(gemachtigde: [A]),

en

[Z], verweerder.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van verweerder van 23 april 2013 op het bezwaar van eiser tegen de voor de jaren 2009 en 2010 opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de voor 2010 opgelegde aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2013.

Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen

[B]en [C].

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Overwegingen

1. In 2009 heeft eiser via een uitzendbureau € 28.086 aan looninkomsten genoten. Daarnaast hield eiser zich in de onderhavige jaren onder de naam Angels promotions/entertainment bezig met de groothandel in geluid- en beelddragers en was hij als manager actief voor diverse Surinaamse muziekbands, waaronder Q-qlusiv en 2 Famous squad.

2. Verweerder heeft bij brief van 27 februari 2010 eiser uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2009. Op 26 augustus 2010 heeft verweerder eiser een herinnering gestuurd en op 7 oktober 2010 heeft hij hem aangemaand om uiterlijk 21 oktober 2010 aangifte te doen.

3. Verweerder heeft bij brief van 28 februari 2011 eiser uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2010. Op 30 juni 2011 heeft verweerder eiser een herinnering gestuurd en op 2 september 2011 heeft hij hem aangemaand om uiterlijk 16 september 2011 aangifte te doen.

4. Bij brief van 11 september 2012 heeft verweerder aangekondigd een boekenonderzoek naar onder meer de inkomstenbelasting 2009 en 2010 in te stellen en eiser verzocht daartoe informatie en gegevensdragers te overleggen. Eiser heeft geen aangifte IB/PVV over 2009 en 2010 gedaan, noch informatie verstrekt.

5. Met dagtekening 3 oktober 2012 heeft verweerder de aanslag IB/PVV 2009 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.000 en met daarbij een verzuimboete van € 226.

6. Met dagtekening 10 oktober 2012 heeft verweerder de aanslag IB/PVV 2010 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.000 met daarbij een verzuimboete, welke bij uitspraak op bezwaar is verlaagd naar € 226. Tevens is de aanslag Zvw 2010 opgelegd naar het maximale bijdrage-inkomen van € 33.189.

7. In geschil is of verweerder de aanslagen juist heeft vastgesteld en of terecht verzuimboetes zijn opgelegd.

8. In artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is bepaald dat indien niet de vereiste aangifte is gedaan, de rechtbank het beroep ongegrond dient te verklaren tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast). Vaststaat dat eiser geen aangifte heeft gedaan over 2009 en 2010. Eiser heeft gesteld dat hij de uitnodigingen tot het doen van aangifte (en de herinneringen en de aanmaningen) niet heeft ontvangen. Voor zover eisers stelling aldus moet worden opgevat dat hij niet is uitgenodigd tot het doen van aangifte en daarom geen sprake kan zijn van omkering van de bewijslast wegens het niet doen van de vereiste aangifte (vgl. HR 21 oktober 1998, nr. 33716, ECLI:NL:HR:1998:AA2367), overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het overleggen van een kopie van de uitnodigingen met daarop het juiste adres en de onderzoeksrapporten van de afdeling Belastingdienst/Centrale administratie met betrekking tot de verzending van de aanmaningen aannemelijk gemaakt dat eiser is uitgenodigd tot het doen van aangifte. Met de enkele ontkenning van ontvangst van alle stukken aangaande het doen van aangifte heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden van ontvangst van de betreffende stukken niet ontzenuwd. De rechtbank acht bovendien niet aannemelijk dat eiser alle zes de brieven aangaande het doen van aangifte niet heeft ontvangen. Eiser heeft tevens gesteld dat hij over 2009 en 2010 geen aangifte kon doen omdat de aangiften niet in zijn persoonlijke domein stonden. Wat hier van zij, dit ontsloeg eiser niet van zijn plicht tot het doen van aangifte. Eisers had blijkens de brief van verweerder van 14 september 2012 via de Belastingtelefoon duplicaat aangiften kunnen verkrijgen.

9. Het voorgaande brengt mee dat eiser hoewel daartoe uitgenodigd, niet de vereiste aangifte heeft gedaan en overtuigend dient aan te tonen dat verweerder zijn inkomen te hoog heeft vastgesteld. Eiser heeft daartoe enkel balansen en de winst- en verliesrekeningen over de jaren 2009 en 2010 overgelegd. De winst- en verliesrekening 2009 vermeldt als omzet over 2009 een bedrag van € 15.483 en een resultaat voor belastingen van € 10.966. De winst- en verliesrekening 2010 vermeldt als omzet over 2009 echter een bedrag van € 11.733 en een resultaat voor belastingen van € 7.216. De verklaring ter zitting dat sprake

is van een fout in Excel acht de rechtbank onvoldoende om de winst- en verliesrekeningen als betrouwbaar en juist te aanvaarden. Met hetgeen eiser heeft aangevoerd, heeft hij niet aannemelijk gemaakt, laat staan overtuigend aangetoond, dat de door verweerder geschatte winsten hoog zijn.

10. De omkering van de bewijslast geeft verweerder echter niet de bevoegdheid de aanslag naar willekeur vast te stellen. De aanslag dient te berusten op een redelijke schatting. Verweerder heeft eiser meerdere malen om informatie verzocht en heeft ook ter zitting nog aangeboden een boekenonderzoek bij eiser te doen om concrete informatie te vergaren, maar eiser weigert zijn medewerking. Een zekere grofheid bij de schatting kan daarom niet worden vermeden.

11. Verweerder heeft voor het jaar 2009 het aan eiser door een uitzendbureau uitbetaalde loon van € 28.086 onder verrekening van een bedrag van € 7.920 aan ingehouden loonheffing in aanmerking genomen. Daarnaast heeft hij de winst voor 2009 berekend op € 21.914 en die van 2010 op € 50.000. Voor de berekening van de winst heeft verweerder acht geslagen op de uitkomsten van een derdenonderzoek in augustus 2013 bij Govinda Videocentre te Den Haag. Volgens dit onderzoek heeft eiser in 2009 in totaal 1.800 cd’s verkocht aan deze afnemer voor € 5.600. Uitgaande van productiekosten van € 1,50 per cd heeft verweerder de daarmee behaalde winst berekend op een bedrag van € 2.900. Verweerder heeft aangegeven dat eiser naast Govinda Videocentre nog zeven andere vergelijkbare afnemers heeft gehad. De winst uit cd-verkoop is berekend op € 23.200. Verweerder gaat er voorts vanuit dat gelet op de populariteit in met name Suriname, Guyana en Trinidad daar een vergelijkbare winst is behaald. De winst die eiser genoten heeft als manager van Q-qlusiv heeft verweerder berekend op € 15.000. Hierbij is verweerder, mede gelet op via internet bekende gegevens, uitgegaan van 30 optredens per jaar met een winst voor eiser van € 500 per optreden.

12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder is uitgegaan van een redelijke schatting. De rechtbank heeft er daarbij acht op geslagen dat eiser alleen een ander bedrag aan winst heeft genoemd maar geen van de punten van verweerders berekening heeft betwist, dan wel daar iets anders voor in de plaats heeft gesteld. Hij heeft enkel jaarstukken zoals hiervoor onder 9 vermeld overgelegd. Deze leiden de rechtbank mede gelet op het onder 9 geconstateerde gebrek niet tot een ander oordeel.

13. Wat betreft de verzuimboete oordeelt de rechtbank als volgt. Een verzuimboete wegens het niet tijdig doen van aangifte kan pas worden opgelegd nadat een belastingplichtige tot het doen van aangifte is aangemaand. Verweerder heeft met de door hem overgelegde kopieën en onderzoeksrapporten aannemelijk gemaakt dat de aanmaningen naar het juiste adres zijn verzonden. Dit rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van de aanmaningen op dat adres. Het is aan eiser om dit vermoeden te ontzenuwen. Hierin is eiser met zijn enkele ontkenning van ontvangst van de aanmaningen naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder eiser terecht verzuimboetes wegens het niet tijdig doen van aangifte heeft opgelegd. De rechtbank acht de boetes, gelet op de aard van de overtreding en de omstandigheden van het geval, passend en geboden en ziet geen reden voor een verdere matiging van de boetes.

14. Gelet op hetgeen hiervoor is overwegen, zijn de beroepen ongegrond verklaard.

15. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de door eiser verzochte schadevergoeding en proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van

mr. E.J.P. Nevens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

19 november 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.