Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:15957

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-09-2013
Datum publicatie
25-11-2013
Zaaknummer
450773 KG ZA 13-1061
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Eiser niet-ontvankelijk in zijn vordering tot verbod overlevering aan Polen. Gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Verkapt hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/450773 / KG ZA 13-1061

Vonnis in kort geding van 26 september 2013

in de zaak van

[eiser],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [penitentiaire inrichting],

eiser,

advocaat mr. B.P.J.H. van de Luijtgaarden te Breda,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden,

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eiser’ en ‘de Staat’.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 18 september 2013 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

Bij Europees Arrestatiebevel (EAB) van 27 juli 2012 hebben de Poolse autoriteiten verzocht om de overlevering van eiser met het oog op zijn vervolging in Polen ter zake van de handel in verdovende middelen.

1.2.

De Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam heeft op vordering van de officier van justitie op 10 september 2013 de overlevering van eiser toelaatbaar verklaard.

2 Het geschil

2.1.

Eiser vordert, zakelijk weergegeven:

primair: de Staat te verbieden eiser over te leveren aan Polen;

subsidiair: de Staat te gebieden strafrechtelijke vervolging tegen eiser in stellen en eiser voorlopig niet over te leveren;

meer subsidiair: de Staat te verbieden eiser over te leveren aan Polen voordat onderzoek is gedaan naar de omstandigheden in het detentiecentrum waar eiser geplaatst zal worden na overlevering, althans de Staat te verbieden eiser over te leveren voordat dit vonnis onherroepelijk is geworden.

2.2.

Daartoe voert eiser het volgende aan. Overlevering van eiser moet verboden worden omdat de rechtbank Amsterdam en de Poolse autoriteiten inbreuk hebben gemaakt op de fundamentele beginselen van procesrecht van eiser. Eiser kan en moet in Nederland vervolgd worden omdat het EAB betrekking heeft op vermeende strafbare feiten die geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn begaan. Overlevering is niet toegestaan op grond van artikel 13 van de Overleveringswet. Eiser woont al langere tijd in Nederland. Zijn overlevering is aan te merken als discriminatie ten opzichte van een Nederlands staatsburger. Uit het EAB blijkt niet waar de Poolse autoriteiten hun beschuldigingen jegens eiser op baseren. Het heeft er alle schijn van dat eiser louter op grond van mondelinge valse verdachtmakingen van getuigen op de Europese opsporingslijst is geplaatst. In een dergelijk geval kan het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet worden toegepast.

Voorts is sprake van een schending van de artikelen 3 en 7 van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). De wet op grond waarvan eiser strafbaar zou zijn, is immers pas in werking getreden nadat de vermeende strafbare feiten zich hebben voorgedaan. Daarnaast is in een uitspraak van 22 oktober 2010 van de rechtbank Amsterdam vastgesteld dat eind 2009 ten aanzien van ongeveer 2,5% van de gedetineerden mogelijk sprake was van een onmenselijke of vernederende behandeling in Poolse gevangenissen. Uit een rapport van de Council of Europe van 12 juli 2011 blijkt weinig verbetering. In alle Poolse detentiecentra doet zich het probleem van overbevolking voor. Deze overbevolking levert een onmenselijke behandeling op. Daarnaast zijn er geen substantiële verbeteringen geconstateerd en is onduidelijk waar eiser na zijn overlevering terechtkomt. Om vast te stellen dat er geen schending van rechten zal plaatsvinden, wordt subsidiair verzocht om nader onderzoek in te stellen naar de omstandigheden in het detentiecentrum in Polen waar eiser mogelijk geplaatst zal worden.

2.3.

de Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

Eiser legt aan zijn vorderingen kennelijk ten grondslag dat de Staat jegens hem onrechtmatig handelt. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter, in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding, gegeven.

3.2.

Vooropgesteld wordt dat de overleveringsrechter als de bij uitstek deskundige rechter door de wetgever is aangewezen voor de behandeling van overleveringsverzoeken waarbij alle aspecten van de overlevering aan de orde (kunnen) komen. Eiser komt met zijn vorderingen op tegen de uitspraak van de overleveringsrechter van 10 september 2013 waarin zijn overlevering aan Polen zonder voorbehouden toelaatbaar is verklaard. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een partij die zich niet kan verenigen met een rechterlijke beslissing enkel tegen die beslissing kan opkomen met het aanwenden van een rechtsmiddel, tenzij die mogelijkheid in de wet is uitgesloten. Artikel 29 lid 2 van de Overleveringswet bepaalt dat geen rechtsmiddel openstaat tegen voornoemde uitspraak van de rechtbank Amsterdam, anders dan beroep in cassatie in het belang der wet. Doorbreking van het rechtsmiddelenverbod is slechts mogelijk in geval van bijvoorbeeld schending van fundamentele beginselen van procesrecht.

3.3.

Het instellen van een kortgedingprocedure op grond van argumenten die reeds in de procedure bij de rechtbank Amsterdam naar voren zijn gebracht en zijn meegewogen bij het nemen van de beslissing, komt in feite neer op een verkapt hoger beroep tegen die beslissing en dient om die reden niet te slagen. Eiser heeft de thans door hem aangevoerde redenen op grond waarvan hij meent dat vervolging niet, althans niet in Polen dient plaats te vinden reeds ter beoordeling voorgelegd aan de overleveringsrechter. Uit de uitspraak van 10 september 2013 volgt dat de overleveringsrechter die redenen heeft meegewogen bij de beoordeling en dat de overlevering desondanks doorgang mag hebben.

3.4.

Hoewel eiser stelt dat sprake is van een schending van fundamentele beginselen van procesrecht, heeft hij die stelling op geen enkele wijze concreet met feiten of omstandigheden onderbouwd. De argumenten van eiser hebben betrekking op de inhoudelijke behandeling van de zaak door de rechtbank Amsterdam, namelijk op de verwerping van zijn verweren. Niet is gebleken dat de rechtbank Amsterdam de beginselen die het recht op een eerlijk proces waarborgen heeft geschonden, nog daargelaten de vraag of in dat geval een kortgedingprocedure de aangewezen weg zou zijn om daartegen te ageren.

3.5.

Gelet op het voorgaande zal eiser niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn primaire en meer subsidiaire vorderingen. Met betrekking tot de subsidiaire vordering, strekkende tot een gebod tot strafrechtelijke vervolging van eiser in Nederland, heeft de Staat onweersproken aangevoerd dat die vordering geen voorlopige voorziening is en het in artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel daarmee wordt miskend. Gelet hierop zal die vordering worden afgewezen.

3.6.

Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn vorderingen strekkende tot de oplegging van een (voorwaardelijk) verbod aan de Staat om eiser over te leveren aan Polen;

- wijst het overige gevorderde af;

- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.405,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 589,-- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. van der Helm en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2013.

hvd