Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:15941

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
10-12-2013
Zaaknummer
AWB-13_4424
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:1667, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft omgevingsvergunning (art. 2.1, eerste lid, onder a en c, Wabo) verleend voor de bouw van 7 appartementen en 7 maisonnettes, waarop de Crisis- en herstelwet van toepassing is. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de door de gemeenteraad vastgesteld categorie van gevallen, geen verklaring van geen bedenkingen (art. 6.5, eerste lid, Bor) is vereist, omdat in dit geval geen sprake is van omzetting van functies. Voorts heeft verweerder bij het bepalen van de parkeerbehoefte van de te slopen bebouwing in redelijkheid gebruik kunnen maken van de parkeernormering uit de ASVV 2004. Voorts is verweerder voor de berekening van de parkeerbehoefte terecht uitgegaan van de norm voor woningen in het schil/overloopgebied. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat de door verweerder voor het bouwplan berekende benodigde aantal parkeerplaatsen onjuist is. Volgt ongegrondverklaring van het beroep.

Wetsverwijzingen
Crisis- en herstelwet 1.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.10
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.12
Besluit omgevingsrecht 6.5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 13/4424

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 november 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser,

(gemachtigde: mr. J. Bouwman-Treffers),

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder,

(gemachtigde: H. Kartal).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: R en T B.V., te Poeldijk, vergunninghoudster,

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder, na toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van zeven appartementen en zeven maisonnettes en het aanleggen van een uitrit op het perceel [a-straat] [huisnummer] te Honselersdijk.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. Z.M. Nasir, kantoorgenoot van mr. Bouwman.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Kartal en R.A.C. van Soldt. Namens vergunninghoudster is verschenen [A].

Overwegingen

1.

Ingevolge artikel 1.1 van de Crisis- en herstelwet (CHW) is op deze procedure het bepaalde in afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de CHW van toepassing.

2.

In artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is bepaald dat een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van een van de daar gegeven weigeringsgronden.

2.1.

Ingevolge het bepaalde onder c dient de omgevingsvergunning te worden geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.


2.2. Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

2.3.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3o, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

3.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Kern Honselersdijk”. Niet in geschil is dat het bouwplan hiermee in strijd is.

4.

Eiser betoogt dat de ruimtelijke onderbouwing geen onderdeel uitmaakt van de stukken die zijn toegezonden op 18 april 2013 en hij eerst met toezending van het procesdossier door de rechtbank de ruimtelijke onderbouwing heeft ontvangen. Hij stelt dat bij de ruimtelijke onderbouwing behorende bijlagen ontbreken en eiser niet in staat is geweest daarvan kennis te nemen.

4.1.

De rechtbank overweegt dat in Bijlage B bij het bestreden besluit wordt verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing. Deze wordt ook genoemd in bijlage II van de gewaarmerkte stukken die onderdeel uit maken van het besluit. Verder heeft eiser de stelling van verweerder dat de ruimtelijke onderbouwing gedurende de termijn van terinzagelegging ter inzage heeft gelegen niet weersproken, toen hem dit ter zitting werd voorgelegd. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat eiser de mogelijkheid heeft gehad tijdens de terinzagelegging kennis te nemen van de ruimtelijke onderbouwing. Eiser had bovendien de mogelijkheid om na toezending van het bestreden besluit bij het ontbreken van de ruimtelijke onderbouwing zich tot verweerder te wenden en alsnog toezending te verzoeken van de ruimtelijke onderbouwing en daarbij behorende bijlagen. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt onrechtmatig moet worden geacht. Dit betoog van eiser slaagt niet.


5. Eiser bestrijdt het standpunt van verweerder in het bestreden besluit dat het ingediende project valt binnen de door de gemeenteraad overeenkomstig artikel 6.5, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) aangewezen categorie gevallen waarin een verklaring niet is vereist. Eiser is van mening dat het project ten onrechte niet is voorgelegd aan de gemeenteraad voor een beoordeling van de aanvaardbaarheid daarvan.

5.1.

In het verweerschrift betoogt verweerder dat het onderhavige project valt binnen de door de gemeenteraad op 15 februari 2011 vastgestelde “Aanwijzing categoriën gevallen waarin een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist”. Alleen is in het bestreden besluit per abuis aangegeven dat het een geval betreft als genoemd in Bijlage I onder E2, terwijl sprake is van een geval als bedoeld in Bijlage I onder B1.

5.2.

In Bijlage I, aanhef en onder B1 bij genoemde aanwijzing is bepaald dat een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist voor het bouwen ten behoeve van de woonfunctie, voor zover het geen omzetting betreft van bestaande functies in andere functies. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een omzetting van functies nu het bouwplan ligt binnen de zogenoemde rode contour, binnen de bebouwde kom en op de betreffende gronden in het geldende bestemmingsplan de bestemming “Wonen” rust. Voor zover het bouwplan in strijd is met de doeleindenomschrijving van de bestemmingen “tuin” en “verkeer”, dit betreft slechts een klein deel van de gronden waarop het bouwplan is geprojecteerd, geldt dat deze bestemmingen niet dusdanig anders zijn dat gesproken kan worden van een andere functie. Een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, van het Bor, is dus niet vereist.

Hetgeen eiser in het beroepschrift heeft aangevoerd omtrent de toepassing van Bijlage I onder E2 behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking.

6.

Eiser voert voorts aan dat er in het gebied sprake is van een groot parkeerprobleem en dat de realisering van dit bouwplan de parkeerdruk op de openbare ruimte nog zal vergroten. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte zeven parkeerplaatsen toegerekend aan de woning en het hoveniersbedrijf, en hanteert hij een onjuiste parkeernormering. Verweerder heeft in de beantwoording van de zienswijze niet toegelicht dat en hoe de normering van de ASVV 1996 (aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom) is toegepast. Volgens eiser zouden zesentwintig parkeerplaatsen moeten worden aangelegd waarvan er vier openbaar en dus uitwisselbaar zijn. Eiser is voorts van mening dat een ondergrondse parkeergarage had moeten worden aangelegd en dat ten onrechte niet de verplichting is opgelegd om de zeventien te realiseren parkeerplaatsen op eigen terrein aan te leggen op een zodanige manier dat deze alleen door de bewoners en bezoekers van het appartementencomplex kunnen worden aangewend.
Ter zitting heeft eiser aanvullend betoogd dat het projectgebied ligt in een gebied dat in het Westlands Verkeer en Vervoer Plan is aangeduid als “rest van de bebouwde kom” en niet in een “schil/overloopgebied” zoals verweerder stelt . Voor dat gebied geldt een hogere parkeernorm, zowel voor woningen in de dure prijsklasse als in de middenklasse, zodat dient te worden voorzien in negenentwintig respectievelijk zevenentwintig parkeerplaatsen. Eiser betwist dat kan worden uitgegaan van middeldure meergezinswoningen. Bij het niet meer voor handen zijn van de ASVV 1996, zoals verweerder heeft aangevoerd, had verweerder gebruik moeten maken van de ASVV 2012 en niet van de ASVV 2004. Voor de berekening van het aantal parkeerplaatsen mag volgens eiser alleen de bruto vloeroppervlakte van het ter plaatse nog aanwezige hoofdgebouw worden meegenomen.

6.1.

Verweerder stelt dat voor het bouwplan vierentwintig parkeerplaatsen benodigd zijn waarvan zeven parkeerplaatsen kunnen worden toegerekend aan de op het perceel aanwezige woning en het voormalige hoveniersbedrijf. Op de aangeleverde situatietekening zijn aan de zijde van het [a-straat] elf langsparkeervakken ingetekend maar vier daarvan betreffen volgens verweerder niet bestaande parkeervakken die niet noodzakelijk zijn voor het voldoen aan de gestelde parkeernorm en ook niet zullen worden aangelegd.

Bij de berekening van de benodigde parkeergelegenheid heeft verweerder toepassing gegeven aan de “Parkeernormering gemeente Westland”, dat onderdeel is van het “Westlands Verkeer en Vervoerplan”. In dit beleid wordt aangehaakt bij de ASVV van 1996. Aangezien deze echter niet meer voorhanden is, wordt tegenwoordig uitgegaan de normering uit de ASVV van 2004, welke normering overigens strenger is dan die van 1996.

6.2.

De rechtbank stelt voorop dat, zoals ook verweerder heeft opgemerkt, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verwezen is naar de uitspraak van 28 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN2599) bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening dient te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de realisering van het bouwplan. Voorts geldt dat verweerder dient te beslissen op de aanvraag om omgevingsvergunning zoals deze is ingediend en hij vergunninghoudster niet de verplichting op kan leggen een parkeergarage dan wel een afsluitbaar parkeerterrein aan te leggen.

6.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij het bepalen van de parkeerbehoefte van de te slopen bebouwing in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de parkeernormering uit de ASVV 2004 vanwege het niet meer voor handen zijn van de voorgeschreven ASVV 1996. Het standpunt van verweerder dat de parkeernormering in de ASVV 2004 zwaarder is dan die in de ASVV 1996 is door eiser niet gemotiveerd betwist. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder voor de berekening van de aan de te slopen bebouwing toe te rekenen parkeerplaatsen van een lager bruto vloeroppervlakte had moeten uitgaan, zoals eiser stelt.

6.4.

De rechtbank stelt vast dat verweerder, gelet op de bij de “Parkeernormering gemeente Westland” gevoegde kaart van de bebouwde kom van Honselersdijk, voor de berekening van de parkeerbehoefte terecht is uitgegaan van de norm voor woningen in het schil/overloopgebied. Niet valt in te zien waarom verweerder daarbij geen gebruik had mogen maken van de door het Stadsgewest Haaglanden geïndexeerde koopprijsgrenzen woningbouw per 1 januari 2013 en de door vergunninghoudster op 9 april 2013 verstrekte opgave van de verkoopprijzen van de op te richten appartementen en maisonnettes.
De rechtbank ziet gelet op het vorenstaande dan ook geen grond voor het oordeel dat het door verweerder voor het bouwplan berekende benodigde aantal parkeerplaatsen onjuist is. Ook dit betoog van eiser slaagt niet.


7. Het betoog van eiser dat in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte geen rekening is gehouden met de feitelijke situatie ter plaatse, meer in het bijzonder met de omstandigheid dat het projectgebied direct grenst aan een enorm glastuinbouwgebied, is eerst ter zitting naar voren gebracht en is niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank deze verder buiten beschouwing laat.

8.

Eiser heeft aangevoerd dat de ontsluiting via de [b-straat] ongewenst is, omdat daardoor de verkeersbewegingen en de parkeerproblematiek op de [b-straat] zullen toenemen. Eiser staat in plaats daarvan een ontsluiting voor op het [a-straat]. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het aanleggen van een nieuwe uitrit op het [a-straat], welke weg als gebiedsontsluitingsweg fungeert, onwenselijk is vanwege de conflicterende bewegingen van de in- en uit rijdende voertuigen, zodat de verkeersveiligheid daarmee niet is gediend. Ook deze grond slaagt niet.

9.

Gezien het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid van zijn bevoegdheid toestemming te verlenen voor handelen in strijd met het bestemmingsplan gebruik heeft kunnen maken. Met het verlenen van deze toestemming is de strijd met het bestemmingsplan opgeheven.

Aangezien geen van de andere in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo genoemde weigeringsgronden zich voordoet, heeft verweerder, gelet op dit artikel, terecht de gevraagde omgevingsvergunning verleend.

10.

Het beroep is ongegrond.

11.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Voskamp, voorzitter, mr. D.A.J. Overdijk en mr. J.C. Gerritse, leden, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2013.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing.

Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na genoemde zes weken geen gronden meer worden aangevoerd.