Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:15940

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-11-2013
Datum publicatie
03-12-2013
Zaaknummer
AWB-13_8644
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Militair gestationeerd op Aruba. Schorsing in het belang van de dienst, repatriëring en functietoewijzing. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de mededeling van een officiële opsporingsautoriteit dat verzoeker verdacht wordt van een drugsdelict een voldoende concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim.

Wetsverwijzingen
Algemeen militair ambtenarenreglement 34
Algemeen militair ambtenarenreglement 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 13/8644 en SGR 13/8785

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 september 2013 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker], te [plaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. S.M. Diekstra),

ten aanzien van de besluiten van:

  • -

    20 september 2013 van de Commandant MSKSAV, verweerder I, waarbij verzoeker, met onmiddellijke ingang, is geschorst in het belang van de dienst (hierna: besluit I) (SGR 13/8644);

  • -

    3 oktober 2013 van de Commandant Zeestrijdkrachten, verweerder II, waarbij verzoeker, met ingang van 23 september 2013, de functie van SCHTTR / INF GENIST RT3 RS2 is toegewezen met als verwachte einddatum 23 september 2016 (hierna: besluit II) (SGR 13/8785).

Tegen besluit I heeft verzoeker bij brief van 28 oktober 2013 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Tegen besluit II heeft verzoeker bij brief van 30 oktober 2013 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening met betrekking tot beide besluiten te treffen.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 12 november 2013 ter zitting behandeld.

Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Namens verweerders is mr. E.J. Stoel verschenen.

I Overwegingen

1.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.1 Verzoeker is sinds februari 2010 werkzaam voor het Korps Mariniers. Vanaf 10 januari 2013 is verzoeker als [functie] van de 32ste infanteriecompagnie op Aruba geplaatst, met als verwachte einddatum 17 januari 2014.

2.2 Op 7 september 2013 is een collega van verzoeker, [A], aangehouden ter zake van het aanwezig hebben van verdovende middelen. Naar aanleiding van deze aanhouding zijn onder andere [B] (hierna: [B]), eveneens een collega van verzoeker, en zijn vriendin [C] (hierna: [C]) als getuigen gehoord. Deze getuigen hebben verklaard dat verzoeker verdovende middelen gebruikt.

2.3 Op 19 september 2013 is verzoeker, als verdachte van het gebruik van verdovende middelen, door de Koninklijke Marechaussee gehoord.

2.4 Aan besluit I heeft verweerder I ten grondslag gelegd dat een strafrechtelijk onderzoek op basis van de Opiumwet ten aanzien van verzoeker is ingesteld.

2.5 Op 21 september 2013 is verzoeker gerepatrieerd.

2.6 Aan besluit II is geen motivering ten grondslag gelegd. Desgevraagd heeft verweerder bij e-mail van 1 november 2013 toegelicht dat besluit II een administratieve plaatsing bij een eenheid in Nederland betreft. De schorsing wordt door deze plaatsing niet opgeheven.

3

Verzoeker kan zich met besluiten I en II niet verenigen en voert daartoe het volgende aan. Verzoeker ontkent verdovende middelen te hebben gebruikt. Verzoeker heeft zich derhalve niet schuldig gemaakt aan (ernstig) plichtsverzuim. [B] en [C] hebben weliswaar verklaard dat zij hebben waargenomen dat verzoeker verdovende middelen heeft gebruikt, maar dit is op geen enkele wijze vastgesteld. Daarbij hebben [B] en [C] inmiddels nieuwe verklaringen afgelegd waarin zij zijn teruggekomen op hun eerdere verklaringen. Nu geen sprake (meer) is van een concrete verdenking en er zelfs ontlastend bewijs is stelt verzoeker zich op het standpunt dat er geen grond meer is voor een schorsing.

Met betrekking tot besluit II stelt verzoeker zich op het standpunt dat sprake is van een strafoverplaatsing middels een functietoewijzing. Er zijn geen feiten en omstandigheden die een strafoverplaatsing rechtvaardigen. Voorts is het besluit niet gemotiveerd, het besluit kan om die reden al geen stand houden. Maar nu verzoeker reeds geschorst is bij wijze van ordemaatregel kan hem niet eveneens een strafoverplaatsing worden opgelegd. Er is onmiskenbaar sprake van een schending van het verbod op détournement de pouvoir.

Ter zake van het spoedeisend belang stelt verzoeker zich op het standpunt dat de schorsing mogelijk spoedig onomkeerbare gevolgen heeft. Verzoekers functie op Aruba is nu vacant en verweerder zal deze functie spoedig vullen. Verzoeker kan derhalve (bij rehabilitatie) niet meer terug naar Aruba. Voorts heeft verzoeker als gevolg van de onmiddellijke repatriëring zijn persoonlijke zaken, zoals de huur van zijn woning, het inpakken van zijn spullen en het veiligstellen van zijn auto niet kunnen regelen. Ten slotte heeft verzoeker als gevolg van de gebeurtenissen fysieke klachten gekregen waarvoor hij onder behandeling is bij zijn huisarts.

4

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5.1

Ingevolge artikel 34, tweede lid, aanhef en onder c van het Algemeen militair ambtenarenreglement (hierna: AMAR) kan de militair in zijn ambt worden geschorst wanneer het belang van de dienst zulks vordert.

5.2

Ingevolge artikel 17, derde lid, van het AMAR is de militair gehouden de hem toegewezen functie te vervullen.

6

Met betrekking tot de schorsing gaat het hier om de bevoegdheid van een bestuursorgaan om een ordemaatregel te treffen. Naar vaste jurisprudentie (onder meer Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 19 oktober 2000, LJN: AA8869) vindt een bestuursorgaan in een hem bekend geworden concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim van een ambtenaar waardoor aan diens integriteit moet worden getwijfeld en waardoor het noodzakelijk in de ambtenaar te stellen vertrouwen zo is geschaad dat het niet aanvaardbaar is dat hij zijn werkzaamheden blijft verrichten, in het algemeen voldoende grond voor het treffen van een ordemaatregel.

Hierbij is niet beslissend of de juistheid van de gegevens die aanleiding vormen voor het treffen van die maatregel onbetwist vaststaat, maar of die gegevens – voor zover niet apert onjuist- van dien aard en ernst zijn dat daaraan redelijkerwijs de conclusie kan worden verbonden dat de militair niet kan worden gehandhaafd (vergelijk CRvB 8 maart 2007, LJN: BA1638).

7.1

Verzoeker is geschorst nadat verweerder I van de KMar en/of het Openbaar Ministerie (hierna: OM) heeft vernomen dat een strafrechtelijk onderzoek op basis van de Opiumwet ten aanzien van verzoeker is ingesteld. Dat een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld wordt niet betwist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder I in een dergelijke mededeling van een officiële opsporingsautoriteit een voldoende concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim heeft kunnen vinden. Zoals verweerder I in zijn verweerschrift en ter zitting nader heeft toegelicht is verzoeker met in achtneming van het zeer stringente sanctiebeleid dat verweerder ten aanzien van drugs voert (vastgelegd in de Aanwijzing SG A/925, van 28 maart 2007) gelijktijdig met de schorsing gerepatrieerd: “Nederlands militair personeel speelt een grote rol in de drugsbestrijding in het Caraïbisch gebied. Het aanzien van het militaire ambt – en daarmee de geloofwaardigheid van die drugsbestrijding – loopt ernstige schade op indien niet wordt opgetreden tegen personeel dat zich op enigerlei wijze inlaat met drugs. Voor Nederlands militair personeel geplaatst in het Caraïbisch gebied geldt dan ook dat wanneer voor de eerste maal wordt aangetoond dat het zich inlaat met softdrugs op een manier waarvoor normaliter een waarschuwing volgt, naast de schriftelijke waarschuwing ook de maatregel van repatriëring wordt opgelegd. (…)”. Nu het onderzoek door de KMar en/of het OM gaande is, is de rol van verweerder I lijdelijk. Ook de voorzieningenrechter kan niet vooruitlopen op de uitkomsten van het onderzoek van de KMar en/of het OM. Bij de te nemen beslissing op bezwaar dient verweerder I de uitkomsten van eigen onderzoek te betrekken en komt verweerder toe aan weging van de door [B] en [C] afgelegde verklaringen bij de KMar en de intrekking van die verklaringen bij hun eigen advocaat. Indien achteraf blijkt dat de schorsing onterecht aan verzoeker is opgelegd en hij ten onrechte is gerepatrieerd zal hij om schadevergoeding en eerherstel kunnen vragen.

7.2

Ter zake van besluit II waarbij verweerder II verzoeker administratief in Nederland heeft geplaatst, zonder dat de schorsing is opgelegd overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De voorzieningenrechter acht het standpunt van verweerder II dat het van belang is dat de functie die verzoeker in Aruba bekleedde vervuld blijft niet onaannemelijk. Evenmin is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van détournement de pouvoir. Door de schorsing en repatriëring dient verweerder II verzoeker op een functie in Nederland te plaatsen, omdat verzoeker anders zou gaan “zweven”. In de jurisprudentie is reeds geruime tijd bepaald dat “zweven” niet is toegestaan. Zoals verzoeker terecht stelt is besluit II niet gemotiveerd, dit gebrek kan verweerder echter in zijn beslissing op bezwaar herstellen.

8.1

Gelet op het voorgaande hebben verweerder I en II naar het oordeel van de voorzieningenrechter op goede gronden verzoeker kunnen schorsen, hem gerepatrieerd en hem een functie in Nederland toegewezen.

8.2

Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

9

Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de voorzieningenrechter niet gebleken.

II Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De uitspraak is gedaan door mr. B. Meijer, rechter, in aanwezigheid van mr.drs. C.M.A. Demetriadis, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2013.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.