Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:15894

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-10-2013
Datum publicatie
25-11-2013
Zaaknummer
AWB 12/28836
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Leges; voortgezet verblijf; Gezinsherenigingsrichtlijn

In het licht van de bij implementatie gemaakte keuze van de wetgever betreft de verblijfsvergunning met de beperking ‘voortgezet verblijf’, bedoeld in artikel 3.51 onder a, van het Vb 2000, de in artikel 15, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn bedoelde ‘autonome verblijfstitel’. Hieruit volgt dat deze richtlijn op eiser van toepassing is. Hetgeen de Afdeling bij uitspraak van 9 oktober 2012 (JV 2012, 470) ten aanzien van de hoogte van de leges voor de aanvraag van een mvv voor gezinshereniging heeft overwogen heeft ook betekenis voor de hoogte van de leges voor de aanvraag van de in artikel 15, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn bedoelde autonome verblijfstitel. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat artikel 15 van de Gezinsherenigingsrichtlijn, gelet op punt 15 van de considerans, de integratie van de gezinsleden beoogt te bevorderen en een legesheffing van € 950,- een belemmering kan vormen voor de uitoefening van dit door artikel 15, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn toegekende recht, waardoor het door de richtlijn nagestreefde doel wordt ondermijnd en het nuttig effect daaraan wordt ontnomen. Het voorgaande brengt mee dat artikel 3.34c, eerste lid, onder a van het VV 2000 in dit geval buiten toepassing had moeten worden gelaten. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 24
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.51
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team vreemdelingenkamer

Zittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 12/28836

Datum uitspraak: 29 oktober 2013

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[eiser],

geboren op [1990],

v-nummer [nummer],

van Marokkaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. W.J. Hendriks,

tegen

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder

(onder verweerder wordt tevens verstaan de rechtsvoorganger(s) van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie).

Het procesverloop

Bij besluit van 20 augustus 2007 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘gezinshereniging, verblijf bij ouder(s)’. Deze verblijfsvergunning is verleend met ingang van 22 juni 2007, met een geldigheidsduur tot 22 juni 2012.

Op 16 april 2012 heeft eiser een aanvraag ingediend om de beperking van de aan hem verleende verblijfsvergunning te wijzigen in de beperking ‘voortgezet verblijf'. Bij besluit van 11 mei 2012 heeft verweerder deze aanvraag ingewilligd.

Op 7 juni 2012 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Dit bezwaar richt zich tegen de hoogte van de ter zake van de afdoening van de aanvraag van 16 april 2012 betaalde leges (€ 950,-). Bij besluit van 3 september 2012 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 7 september 2012 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en bij brief van 31 januari 2013 te kennen gegeven geen verweerschrift te zullen indienen.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van

7 februari 2013. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.A.C.M. Prins.

Op 26 maart 2013 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en het beroep ter verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 20 juni 2013. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P. van Zijl.

De beoordeling

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit – de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen – te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

Verweerder heeft aan het besluit van 3 september 2012, samengevat weergegeven, ten grondslag gelegd dat in het kader van de door eiser ingediende aanvraag terecht een legesbedrag van € 950,- in rekening is gebracht, nu de hoogte van dit bedrag is vastgesteld op grond van een kostprijsberekening, en dat dit bedrag niet in strijd is met richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (hierna: de Gezinsherenigingrichtlijn).

Hiermee kan eiser zich niet verenigen. Op hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd zal in het navolgende, voor zover nodig, worden ingegaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 24, tweede lid, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, is de vreemdeling, in door de minister te bepalen gevallen en volgens door de minister te geven regels, leges verschuldigd ter zake van de afdoening van een aanvraag.

Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000, zoals dat luidde ten tijde van belang, wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen.
Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder u, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), zoals dat luidde ten tijde van belang, houden de in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 bedoelde beperkingen (onder meer) verband met voortgezet verblijf.

Ingevolge artikel 3.34c, eerste lid, aanhef en onder a, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: het VV 2000), zoals dat met ingang van 1 juli 2011 is komen te luiden en voor zover van belang, is de vreemdeling ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, een bedrag van € 600,- verschuldigd, met uitzondering van de vreemdeling indien hij een aanvraag indient tot het wijzigen van de verblijfsvergunning, in een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 voor een verblijfsdoel als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder u, van het Vb 2000, ter zake van de afdoening waarvan een bedrag van € 950,- is verschuldigd.

Eiser heeft betoogd dat het door verweerder op grond van artikel 3.34, eerste lid, onder a, van het VV 2000 geheven, en door eiser betaalde, legesbedrag van € 950,- strijd oplevert met (artikel 15 van) de Gezinsherenigingsrichtlijn. Gezien het arrest van

26 april 2012 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) in de zaak Commissie/Nederland (zaak nr. C-508/10) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 9 oktober 2012

(JV 2012, 470) ontneemt een legesheffing van € 950,- het nuttig effect aan de Gezinsherenigingsrichtlijn en is het in strijd met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.

Verweerder heeft ter zitting van de rechtbank – op 7 februari 2013 en op

20 juni 2013 – ter discussie gesteld of eiser, met de door hem ingediende aanvraag, onder de werkingssfeer van de Gezinsherenigingsrichtlijn valt. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, voor zover van belang, hebben meerderjarige kinderen uiterlijk na vijf jaar verblijf, en voorzover geen verblijfstitel is verleend om andere redenen dan gezinshereniging, recht op een autonome verblijfstitel, onafhankelijk van de gezinshereniger.

Bij besluit van 29 september 2004 (Stb. 2004, 496) is het Vb 2000 gewijzigd in verband met de implementatie van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Volgens de transponeringstabel in de nota van toelichting bij dit besluit moet artikel 15, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn worden geacht te zijn geïmplementeerd in artikel 3.50 tot en met 3.52 van het Vb 2000.

Ingevolge artikel 3.51, eerste lid, onder a, van het Vb 2000, zoals dit gold ten tijde van belang, kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking, verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die drie jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder de beperking verband houdend met gezinshereniging met een persoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht.

De rechtbank overweegt dat in het licht van voormelde bij implementatie gemaakte keuze van de wetgever de verblijfsvergunning met de beperking ‘voortgezet verblijf’, bedoeld in artikel 3.51 onder a, van het Vb 2000, de in artikel 15, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn bedoelde ‘autonome verblijfstitel’ betreft. Dat het recht op voortgezet verblijf ten tijde van belang reeds kon ontstaan na drie jaar in het bezit te zijn geweest van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier, terwijl in artikel 15, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn voor het verkrijgen van een autonome verblijfstitel een termijn van vijf jaar wordt genoemd, leidt niet tot een ander oordeel nu uit het gebruik van de term ‘uiterlijk’ in die bepaling volgt dat lidstaten de in die bepaling bedoelde autonome verblijfstitel eerder dan na vijf jaar verblijf kunnen toekennen.

Uit het voorgaande volgt dat de Gezinsherenigingsrichtlijn op eiser van toepassing is.

Bij arrest van 26 april 2012 heeft het Hof geoordeeld dat de door Nederland gevraagde leges voor een verblijfstitel op grond van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (Richtlijn langdurig ingezetenen) een belemmering kunnen vormen voor de uitoefening van de door deze richtlijn toegekende rechten, waardoor het door de richtlijn nagestreefde doel wordt ondermijnd en aan die richtlijn haar nuttig effect wordt ontnomen.

Bij uitspraak van 9 oktober 2012 heeft de Afdeling geoordeeld dat de overwegingen van het Hof in voormeld arrest van overeenkomstige toepassing zijn binnen de context van de Gezinsherenigingsrichtlijn, onder meer nu beide richtlijnen tot doel hebben de integratie van onderdanen van derde landen in de lidstaten te bevorderen en beide richtlijnen gemeen hebben dat zij geen bepalingen bevatten over legesheffing en de lidstaten op dit punt derhalve beoordelingsbevoegdheid laten. De Afdeling heeft geconcludeerd dat een legesheffing van € 830,- voor een aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) in het kader van gezinshereniging het nuttig effect aan de Gezinsherenigingsrichtlijn ontneemt en in strijd is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel.

De rechtbank overweegt dat hetgeen de Afdeling ten aanzien van de hoogte van de leges voor de aanvraag van een mvv voor gezinshereniging heeft overwogen ook heeft te gelden ten aanzien van de hoogte van de leges voor de aanvraag van de in artikel 15, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn bedoelde autonome verblijfstitel. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat artikel 15 van de Gezinsherenigingsrichtlijn, gelet op punt 15 van de considerans, de integratie van de gezinsleden beoogt te bevorderen en een legesheffing van € 950,- een belemmering kan vormen voor de uitoefening van dit door artikel 15, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn toegekende recht, waardoor het door de richtlijn nagestreefde doel wordt ondermijnd en het nuttig effect daaraan wordt ontnomen. Het voorgaande brengt mee dat artikel 3.34c, eerste lid, onder a van het VV 2000 in dit geval buiten toepassing had moeten worden gelaten. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het bestreden besluit.

De rechtbank ziet, gelet op de aard van het hiervoor geconstateerde gebrek, geen mogelijkheden om het geschil finaal te beslechten dan wel om toepassing te geven aan de bestuurlijke lus.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, acht de rechtbank termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het

Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1180,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde van € 472,- per punt en wegingsfactor 1). Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Op grond van artikel 8:74 van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht vergoedt.

De beslissing

De rechtbank:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van 3 september 2012;

III. veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, begroot op € 1180,-;

IV. bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 156,00 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, voorzitter, en mr. D.S.M. Bak en mr. G.A. van der Straaten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Barzilay, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2013.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).