Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:15879

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-09-2013
Datum publicatie
22-11-2013
Zaaknummer
C-09-446052
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanbesteding. Inschrijven met, zoals eiseres heeft gedaan, enkel exemplaren met een gekopieerde handtekening is niet toegestaan. Een stuk waaronder een gekopieerde handtekening staat vermeld, kan immers hoe dan ook niet als origineel stuk worden beschouwd en vereist is dat één origineel, dat wil zeggen een oorspronkelijk stuk, wordt ingediend. Een dergelijk vereiste is niet in strijd met het proportionaliteitsbeginsel. Gedaagde had eiseres niet in de gelegenheid hoeven stellen haar inschrijving te herstellen.

Ook op inhoudelijke gronden had de inschrijving van eiseres niet voor gunning in aanmerking kunnen komen. De wijze waarop eiseres haar inschrijving heeft ingericht is immers in strijd met de eis dat de prijs per onderdeel realistisch en marktconform moet zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2013/210 met annotatie van mr. T.G. Zweers-te Raaij, mr. B.J.H. Blaisse-Verkooyen en mr. F. François
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/446052 / KG ZA 13-765

Vonnis in kort geding van 5 september 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] & Partners Facility Management Adviesbureau B.V.,

gevestigd te Veenendaal,

eiseres,

advocaat mr. J.J. Jaspers te Oisterwijk,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M.C. de Vries te Den Haag,

waarin is tussengekomen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B] Schoonmaakstrategen B.V.,

gevestigd te Lelystad,

advocaat mr. J.P. Groen te Hoorn.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[A]’, ‘de Staat’ en ‘[B]’.

1 Het incident tot tussenkomst

[B] heeft (primair) gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen [A] en de Staat. Ter zitting van 20 augustus 2013 hebben [A] en de Staat verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. [B] is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de toewijzing van de gevorderde tussenkomst in de weg staat aan de vereiste spoed bij dit kort geding en de goede procesorde in het algemeen.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 20 augustus 2013 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), onderdeel van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, heeft een aanbestedingsprocedure gevolgd voor de opdracht “EA Kwaliteitscontrole schoonmaakdienstverlening t.b.v. DJI”. In het Beschrijvend Document van 19 april 2013 heeft de DJI de opdracht, de te volgen procedure en de selectie- en gunningscriteria beschreven en toegelicht. In het Beschrijvend Document staat onder meer vermeld:

Begripbepalingen

(...)

Prijsstelling

De prijsstelling moet “all-in” zijn. De volgende kosten zijn hierbij in ieder geval inbegrepen: de salariskosten, de inventarisatiekosten, de overheadkosten, telefoonkosten/onlinekosten, de kosten voor ondersteunend werk, de kosten voor het gebruik van apparatuur, software, materialen, parkeer-, reisuren, reis-, kosten vergunningen en ontheffingen. Ook alle eventueel verdere bijkomende kosten moeten inbegrepen zijn. (...)

4.3

Vormvereisten Inschrijving & checklist

(...)

De Inschrijving en alle daarbij behorende stukken dient schriftelijk in tweevoud, in gesloten verpakking te worden aangeleverd. Eén origineel (met tabbladen) en één kopie (zonder tabbladen). De Inschrijving / het prijzenblad, de conformiteitenlijst eisen en de uitwerking van de wensen (per wens apart bestand) dienen tevens op Cd-rom, in éénvoud te worden aangeleverd.

(...)

4.6

Instemming

Inschrijver stemt door het doen van een Inschrijving in met de bepalingen van deze aanbestedingsprocedure. Daartoe dient het inschrijfformulier uit bijlage A te worden ondertekend.

4.7

Ondertekening

De Inschrijving en de te overleggen verklaringen dienen rechtsgeldig ondertekend te zijn.

(...)

Inschrijvingen voorzien van een gescande handtekening zijn niet toegestaan en deze worden derhalve ook terzijde gelegd.

(...)

7.5

Gunningscriteria

De overeenkomst wordt gegund op basis van de economisch meest voordelige Inschrijving.

De subcriteria zijn:

  1. Prijs;

  2. Kwaliteit.

(...)

Subgunningcriterium

Maximaal aantal punten weging

Kwaliteit 60%

(...)

(...)

Prijs 40%

Prijs voor gunning: totaalprijs Bijlage L (o.b.v. Prijs per kwaliteitscontrole inclusief rapportage en advisering per Locatie en opslag per extra gebouw, ingeval van meerdere gebouwen op een Locatie).

40

Maximale score

100

7.5.1

Prijs

(...)

Inschrijver dient bijlage L “Prijzenblad” geheel, zonder voorbehoud en in overeenstemming met de voorwaarden en eisen zoals genoemd in dit gehele beschrijvend document in te vullen. Een onvolledig en/of onder voorbehouden en/of in strijd met de voorwaarden en eisen zoals genoemd in dit beschrijvend document ingevuld prijzenblad leidt tot het terzijde leggen van de Inschrijving ter bepaling door DJI, de Inschrijver komt dan niet meer voor gunning in aanmerking.

(...)

Voorwaarden waaraan inschrijving dient te voldoen:

  • -

    Op alle onderdelen dient met marktconforme prijzen en realistisch te worden ingeschreven;

  • -

    Alle onderdelen moeten ook los van elkaar kunnen worden afgenomen voor de aangeboden prijs;

  • -

    Er mag niet met 0-tarieven, symbolische prijzen of negatieve prijzen worden ingeschreven.

2.2.

Zes partijen hebben een inschrijving ingediend, waaronder [A] en [B]. Bij brief van 18 juni 2013 heeft de DJI aan [A] bericht:

“De inschrijving van [B] Schoonmaakstrategen B.V. is als economisch meest voordelige inschrijving beoordeeld. DJI heeft daarom het voornemen de opdracht aan [B] Schoonmaakstrategen B.V. te gunnen.

Uw inschrijving is tijdens de beoordeling terzijde gelegd en komt niet voor gunning in aanmerking vanwege het volgende:

- Alle formulieren en verklaringen van de twee door u ingediende ingediende versies van uw inschrijving (‘origineel’ en kopie) zijn voorzien van gescande handtekeningen (inclusief inschrijfformulier en uniforme eigen verklaring).

In het beschrijvend document staat hieromtrent onder § 4.7 Ondertekening vermeld, Inschijvingen voorzien van een gescande handtekening zijn niet toegestaan en worden derhalve ook terzijde gelegd.”

2.3.

Nadat [A] haar bezwaar tegen de voorlopige gunningsbeslissing kenbaar had gemaakt, heeft de DJI op 28 juni 2013 aan haar bericht:

“Zoals gesteld (...) heeft uw cliënt twee versies van haar inschrijving bij DJI ingediend, een kleurenkopie en een zwartwit kopie. Beide ingediende exemplaren zijn aldus voorzien van gescande handtekeningen. Het feit dat de onderliggende tekst van het document onverkort leesbaar is, doet hier niets aan af.

Op basis van het gestelde onder § 4.7 Ondertekening (...) zie ik geen mogelijkheid de inschrijving van uw cliënt alsnog toe te laten tot de beoordeling. De op 18 juni 2013 aan u verstuurde gunningsbeslissing wordt dan ook niet ingetrokken.

(...)

Inmiddels heeft u mij medegedeeld dat u in verband met de terzijde legging reeds een datum voor kort geding heeft aangevraagd. Zonder afbreuk te doen aan het hierboven gestelde standpunt, heb ik in voorbereiding op dit mogelijke kort geding de projectgroep opdracht gegeven de inschrijving van uw cliënt mee te nemen in de beoordeling als zou deze zijn toegelaten tot de beoordelingsfase.

Op basis van de beoordeling is vast komen te staan dat mocht de inschrijving worden toegelaten tot de beoordeling, geconcludeerd zal worden dat deze ongeldig is vanwege onrechtmatig strategisch inschrijven.

(...)

De door uw cliënt aangeboden prijs op het onderdeel ‘prijs per kwaliteitscontrole inclusief rapportage en advisering per locatie’ wordt als niet marktconform en realistisch beoordeeld.”

3 Het geschil

3.1.

[A] vordert, zakelijk weergegeven:

primair:

de Staat te verbieden de opdracht te gunnen aan een ander dan [A], op straffe van verbeurte van een dwangsom;

subsidiair:

de Staat te gebieden de inschrijving van [A] in het kader van de gunning te beoordelen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

meer subsidiair:

de Staat te gebieden de aanbestedingsprocedure af te breken en over te gaan tot heraanbesteding, indien de Staat de opdracht nog wenst te verlenen.

3.2.

Daartoe stelt [A] het volgende. De DJI heeft de inschrijving van [A] ten onrechte terzijde gelegd. [A] heeft alle formulieren die zijn vereist voor inschrijving uitgeprint en ingevuld. Ondertekening heeft plaatsgevonden door de directeur van [A]. Vervolgens heeft zij alle formulieren tweemaal gekopieerd en in overeenstemming met het bepaalde in 4.3 van het Beschrijvend Document één origineel (met tabbladen) en één kopie (zonder tabbladen) bij de DJI ingediend. Het moederdocument met natte handtekening heeft [A] zelf gehouden. Nergens is de eis gesteld dat de inschrijving, zoals die wordt ingediend, dient te zijn voorzien van een natte handtekening. Daarmee staat ook vast dat [A] een originele inschrijving heeft ingediend (en een kopie) met daarop een handtekening die samen met het gehele document is gekopieerd. Er is geen sprake van een gescande handtekening. Er is geen twijfel over mogelijk dat [A] instaat voor de inhoud van de inschrijving en voor het volledige bedrag waartoe de inschrijving zal kunnen leiden. Als er al sprake is van een gebrek, is het een eenvoudig te herstellen gebrek. De DJI had [A] in dat geval om het moederdocument moeten verzoeken. De door de DJI gestelde eis van het verbod op een gescande handtekening is voorts in strijd met het proportionaliteitsbeginsel, omdat die eis niet tot doel heeft te komen tot een objectieve vergelijking van de inschrijvingen.

De inschrijving van [A] is inmiddels inhoudelijk beoordeeld. Daarbij stelt de DJI dat de door [A] aangeboden prijs niet marktconform en realistisch is. Dat is niet juist. Nu de begrippen marktconform en realistisch niet zijn gedefinieerd in de aanbestedingsstukken, kent het Beschrijvend Document feitelijk alleen een verbod om in te schrijven met 0-tarieven, symbolische prijzen en negatieve prijzen. [A] heeft ingeschreven met een reële prijs van € 60,-- per locatie en € 60,-- voor extra gebouwen die horen bij een locatie. [A] heeft een goede schatting kunnen maken van het aantal gebouwen op de locaties en daarmee de prijs kunnen aanbieden. Er is geen verbod op strategisch inschrijven en er is geen reden te veronderstellen dat afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteit van de inschrijving. Bovendien had het op de weg van de DJI gelegen om vragen te stellen aan [A] indien de dienst van mening was dat sprake is van onrechtmatig of manipulatief inschrijven. Dat is niet gebeurd. [A] heeft de hoogste score behaald en is dan ook de winnende inschrijver, zodat de opdracht aan haar moet worden gegund.

3.3.

De Staat en [B] voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3.4.

[B] vordert – zakelijk weergegeven – de Staat op straffe van verbeurte van een dwangsom te gebieden de opdracht (definitief) te gunnen aan haar, [B], en [A] te veroordelen in de proceskosten.

3.5.

Verkort weergegeven stelt [B] daartoe dat de inschrijving van [A] terecht als ongeldig terzijde is gelegd vanwege het ontbreken van de vereiste handtekening en onrechtmatig strategisch (manipulatief) inschrijvingsgedrag en dat [B] belang heeft bij het mogen en kunnen uitvoeren van de opdracht.

3.6.

Voor zover nodig zullen de standpunten van [A] en de Staat met betrekking tot de vorderingen van [B] hierna worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Allereerst dient beoordeeld te worden of [A] haar inschrijving op de in het Beschrijvend Document voorgeschreven wijze heeft ingediend. Het geschil van partijen spitst zich in dit kader toe op de vraag of het inschrijven met een gekopieerde handtekening is toegestaan.

4.2.

[A] stelt op zichzelf terecht dat nergens in het Beschrijvend Document expliciet staat vermeld dat het inschrijven met een gekopieerde handtekening niet is toegestaan, noch dat een natte handtekening op de inschrijving is vereist. Het Beschrijvend Document bepaalt weliswaar dat inschrijvingen voorzien van een gescande handtekening niet zijn toegestaan, maar uit die bepaling kan op zichzelf geen verbod op een gekopieerde handtekening, noch een gebod tot het inschrijven met een natte handtekening worden afgeleid. De begrippen “gescand” en “gekopieerd” kunnen immers niet als synoniemen worden beschouwd, aangezien scannen het digitaliseren van papieren gegevens is en kopiëren het maken van een (papieren) afschrift van papieren gegevens. Een en ander laat onverlet dat uit de combinatie van de bepalingen zoals vermeld onder 4.3 en 4.7 in het Beschrijvend Document voorvloeit dat inschrijving met enkel exemplaren met een gekopieerde handtekening niet is toegestaan. Vereist is immers dat één origineel, dat wil zeggen een oorspronkelijk stuk, wordt ingediend. Niet in geschil tussen partijen is dat de inschrijving dient te zijn ondertekend door een vertegenwoordigingsbevoegd persoon, zodat de handtekening van die persoon onderdeel is van het vereiste oorspronkelijke stuk. Een stuk waaronder een gekopieerde handtekening staat vermeld, kan hoe dan ook niet als origineel stuk worden beschouwd. Daar komt nog bij dat het onderscheid tussen enerzijds een gescande en vervolgens geprinte handtekening en anderzijds een gekopieerde handtekening in veel gevallen niet valt te zien. Inschrijvers kunnen dan ook niet volstaan met het indienen van exemplaren van hun inschrijving waaronder de handtekening is (mee)gekopieerd.

4.3.

Vaststaat dat [A] haar inschrijving in drievoud heeft ingediend; één kleurenkopie inclusief tabbladen, één zwart-witkopie zonder tabbladen en een op een CD‑rom geplaatste (digitale) kopie. [A] heeft verklaard dat zij het – door haar als “moederdocument” aangeduide – document heeft behouden dat door haar directeur is ondertekend. Zij miskent evenwel dat een kopie van het document waarop met de pen een handtekening is geplaatst geen origineel document is, ook niet nadat daaraan tabbladen zijn toegevoegd. Anders dan [A] heeft betoogd, kan voorts niet worden aangenomen dat de DJI heeft erkend dat [A] een originele inschrijving heeft ingediend. De zinsnede in de brief van de DJI van 18 juni 2013 “Alle formulieren en verklaringen van de twee door u ingediende ingediende versies van uw inschrijving (‘origineel’ en kopie) zijn voorzien van gescande handtekeningen” houdt naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen erkenning in dat een origineel exemplaar is ingediend. Het gebruik van aanhalingstekens bij het woord origineel duidt er veeleer op dat hiermee het document is bedoeld dat door [A] is aangemerkt als het origineel, zonder dat daarmee op grond van eigen waarneming wordt bevestigd dat het desbetreffende document werkelijk een oorspronkelijk stuk is.

4.4.

Het standpunt van [A] dat – ingeval het standpunt van de Staat ten aanzien van de ongeldigheid van haar inschrijving wordt gevolgd – geen van de inschrijvers rechtsgeldig kan hebben ingeschreven met het oog op de in te leveren exemplaren in kopie en op CD-rom, wordt gepasseerd. Dat standpunt gaat er immers aan voorbij dat de hiervoor besproken vereisten logischerwijs enkel gelden ten aanzien van het in te dienen originele exemplaar.

4.5.

De Staat heeft onweersproken aangevoerd dat het hem vrijstaat te kiezen voor vereisten die de hoogste betrouwbaarheidsgraad van de ondertekening van de inschrijvingen meebrengen. In de visie van de Staat wordt die hoogste betrouwbaarheidsgraad bereikt door het voorschrijven van een originele inschrijving en het verbieden van een gescande handtekening. Met de genoemde vereisten wordt geen objectieve beoordeling beoogd van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de persoon van wie de handtekening staat vermeld, maar de vereisten bieden de Staat de mogelijkheid te controleren of de inschrijving werkelijk door de onder de inschrijving genoemde persoon is ondertekend. Gelet op deze toelichting op de vereisten kan niet worden geconcludeerd dat het verbod op een gescande handtekening in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel.

4.6.

[A] heeft voorts betoogd dat de Staat haar de mogelijkheid had moeten bieden haar inschrijving te herstellen. Ook dat betoog slaagt niet. Het bieden van een herstelmogelijkheid aan een van de inschrijvers staat immers op gespannen voet met het in het aanbestedingsrecht leidende gelijkheidsbeginsel. Op grond van vaste rechtspraak kunnen (kleine) gebreken in een inschrijving enkel worden hersteld indien sprake is van een kennelijke omissie of een fout van geringe betekenis die zich leent voor eenvoudig herstel. De hiervoor beschreven ratio van de bepalingen ten aanzien van indiening en ondertekening rechtvaardigt de conclusie dat de indiening door [A] van enkel gekopieerde exemplaren van haar inschrijving een wezenlijk gebrek is dat zich niet voor herstel leent. Bovendien geldt dat de bepalingen als zogenoemde knock-outbepalingen zijn geformuleerd, waardoor geen ruimte wordt geboden voor herstel. Door het bieden van een herstelmogelijkheid aan een van de inschrijvers ten aanzien van een knock-outbepaling zou de knock-outbepaling feitelijk inhoudsloos zijn en zou de Staat in strijd handelen met het gelijkheidsbeginsel.

4.7.

Gelet op dit een en ander wordt geoordeeld dat de inschrijving van [A] terecht terzijde is gelegd. Ten overvloede wordt daaraan nog toegevoegd dat de voorzieningenrechter met de Staat van oordeel is dat de inschrijving van [A] ook los van het voorgaande – op andere gronden – niet voor gunning in aanmerking had kunnen komen. In het Beschrijvend Document is immers bepaald dat op alle onderdelen met marktconforme prijzen en realistisch dient te worden ingeschreven. Het betoog van [A] dat de begrippen “marktconform” en “realistisch” feitelijk inhoudsloos zijn omdat ze niet in de aanbestedingsstukken zijn gedefinieerd, wordt niet gevolgd. Het ontbreken van een definitie van de begrippen kan toetsing daaraan weliswaar bemoeilijken, maar brengt mee dat in beginsel van de in het normale taalgebruik gangbare betekenis moet worden uitgegaan. De prijzen waarmee [A] heeft ingeschreven moeten dan ook overeenkomen met de prijzen van andere aanbieders en gebaseerd zijn op de feitelijke toestand of mogelijkheden.

4.8.

Inschrijvers dienden een prijs op te geven voor twee onderdelen, namelijk een prijs per kwaliteitscontrole, inclusief rapportage en advisering per locatie, en een prijs voor de opslag per extra gebouw op een locatie. [A] heeft voor de reguliere prijs per controle dezelfde prijs geoffreerd als voor de opslag voor eventuele bijgebouwen. De Staat heeft onbetwist aangevoerd dat de kosten voor rapportage en advisering per locatie, onafhankelijk van de aanwezigheid van en het aantal bijgebouwen, gelijk blijven en (daarom) in de reguliere prijs dienen te zijn vervat. Die feitelijke omstandigheid verhoudt zich niet met een gelijk tarief op beide prijsonderdelen. Daarbij komt dat de Staat onweersproken heeft aangevoerd dat in alle inschrijvingen die niet terzijde zijn gelegd een aanzienlijk hogere reguliere prijs is geoffreerd. Een en ander brengt mee dat de reguliere prijs zoals door [A] is geoffreerd als niet realistisch en niet marktconform dient te worden beschouwd. [A] heeft ter zitting verklaard dat haar prijsopgave is gebaseerd op een eigen onderzoek naar het werkelijke aantal hoofd- en bijgebouwen waarop de opdracht zich richt en dat zij de opdracht voor de door haar opgegeven totale prijs kan uitvoeren zonder dat de kwaliteit van de werkzaamheden in het geding komt. Hoewel het [A] op zichzelf vrijstond een dergelijk zelfstandig onderzoek te verrichten, was het haar niet toegestaan de uitkomsten van dat onderzoek bepalend te laten zijn voor de hoogte van de afzonderlijke prijzen op de wijze waarop zij dat heeft gedaan. De wijze waarop [A] haar inschrijving heeft ingericht, waarbij zij kennelijk op basis van eigen onderzoek de kosten die betrekking hebben op locaties zonder bijgebouwen heeft verdisconteerd in de kosten voor opslag voor bijgebouwen, is immers in strijd met de eis dat de prijs per onderdeel realistisch en marktconform moet zijn.

4.9.

Een en ander leidt ertoe dat de primaire en de subsidiaire vordering van [A] zullen worden afgewezen. Er bestaat evenmin aanleiding voor een gebod strekkende tot heraanbesteding, zoals meer subsidiair gevorderd. [A] beroept zich met haar – overigens eerst ter zitting in tweede termijn geponeerde – stelling dat de aanbestedingsvoorwaarden dusdanig onduidelijk zijn dat heraanbesteding moet volgen kennelijk op het transparantiebeginsel. Dat beginsel impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in de aanbestedingsdocumenten worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze, opdat, enerzijds, alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier interpreteren, en, anderzijds, de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria die op de betrokken opdracht van toepassing zijn. Nu een nadere toelichting op de stelling van [A] ontbreekt, kan niet worden geconcludeerd dat de voorwaarden in deze aanbestedingsprocedure niet voldoen aan het transparantiebeginsel, nog daargelaten dat het in beginsel op de weg van [A] had gelegen in een eerder stadium tegen eventuele onduidelijkheden in de aanbestedingsstukken op te komen.

4.10.

Nu de Staat voornemens is de opdracht ook definitief aan [B] te gunnen, brengt de beslissing tot afwijzing van de vorderingen van [A] mee dat [B] geen belang (meer) heeft bij toewijzing van haar vordering, zodat deze wordt afgewezen. Aangezien zowel [B] als de Staat ter zitting heeft verklaard geen prijs te stellen op een kostenveroordeling in hun onderlinge verhouding, zal een dergelijke veroordeling achterwege worden gelaten. Ondanks de afwijzing van de vordering van [B] moet [A] in haar verhouding tot [B] worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van [B] was immers te voorkomen dat de opdracht aan [A] zou worden gegund, welk doel is bereikt. [A] zal – in hun onderlinge verhouding – dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van [B]. Voorts zal [A], als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Staat, alsmede (deels voorwaardelijk) in de nakosten.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen van [A] af;

- wijst de vordering van [B] af;

- veroordeelt [A] in de proceskosten, met uitzondering van de kosten die voortvloeien uit de door [B] jegens de Staat ingestelde vordering, welke proceskosten tot dusver worden begroot aan de zijde van zowel de Staat als [B] telkens op € 1.405,--, waarvan € 589,-- aan griffierecht en € 816,-- aan salaris advocaat;

- bepaalt dat [A] over de proceskostenveroordeling jegens de Staat wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na heden;

- veroordeelt [A] tevens in de nakosten van de Staat, forfaitair begroot op € 131,-- aan salaris advocaat;

- bepaalt dat, indien en voor zover [A] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan en het vonnis om die reden door de Staat aan [A] is betekend, de nakosten worden vermeerderd met een bedrag van € 68,-- aan salaris advocaat;

- verklaart de kostenveroordelingen jegens de Staat uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op 5 september 2013.

hvd