Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:15870

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-11-2013
Datum publicatie
19-12-2013
Zaaknummer
09-852108-13
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte bij gewijzigde dagvaarding onder primair, subsidiair en meer subsidiair is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/852108-13

Datum uitspraak: 21 november 2013

(Verkort vonnis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans u.a.h. verblijvende in de P.I. Haaglanden te Zoetermeer.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 22 augustus 2013 en 7 november 2013.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. M.M. Kuyp, is verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie, mr. R. van Geloven, heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken en dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal laten begeleiden door Reclassering Nederland. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank zal bevelen dat voornoemde bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar zal zijn.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 3755,80 en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 3755,80, ten behoeve van de benadeelde partij genaamd [aangever].

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 mei 2013 te Teijlingen, gemeente Teylingen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om al dan niet na klam beraad en rustig overleg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [aangever] van het leven te beroven, met dat opzet

- die [aangever] (van achteren) heeft benaderd en/of

- een kussensloop, althans een stoffen zak/ voorwerp over het hoofd van die [aangever] heeft getrokken en/of

- die kussensloop, althans die stoffen zak/voorwerp stevig om de nek/hals heeft (aan)getrokken en/of (daardoor) die [aangever] heeft verwurgd en/of

- die [aangever] meermalen, althans een maal, op/tegen het hoofd en/of de schouder(s) en/of de nek en/of in/tegen het gezicht heeft geslagen/gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 mei 2013 te Teijlingen, gemeente Teylingen, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [aangever], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- die [aangever] (van achteren) heeft benaderd en/of

- een kussensloop, althans een stoffen zak/ voorwerp over het hoofd van die [aangever] heeft getrokken en/of

- die kussensloop, althans die stoffen zak/voorwerp stevig om de nek/hals heeft (aan)getrokken en/of (daardoor) die [aangever] heeft verwurgd en/of

- die [aangever] meermalen, althans een maal, op/tegen het hoofd en/of de schouder(s) en/of de nek en/of in/tegen het gezicht heeft geslagen/gestompt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 mei 2013 te Teijlingen, gemeente Teylingen, tezamen en in vereniging een persoon, (te weten: [aangever]),

- ( van achteren) heeft benaderd en/of

- Een kussensloop, althans een stoffen zak/ voorwerp stevig over het hoofd van die [aangever] heeft getrokken en/of

- Die kussensloop, althans die stoffen zak/voorwerp stevig om de nek/hals heeft (aan)getrokken en/of (daardoor) die [aangever] heeft verwugd en/of

- Die [aangever] meermalen, althans een maal, op/tegen het hoofd en/of de schouder(s) en/of de nek en/of in/tegen het gezicht heeft geslagen/gestompt,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte bij gewijzigde dagvaarding onder primair, subsidiair en meer subsidiair is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Op 11 mei 2013 verbleef de verdachte op groep De Schie in de jeugdinrichting Teylingereind, gelegen in de gemeente Teylingen. Eén van de groepsleiders van groep De Schie, [aangever] genaamd, werd die dag naar de kamer van groepsgenoot [medeverdachte] geroepen. Toen [aangever] naar de kamer van [medeverdachte] liep, zag hij op de gang vijf jongens staan, waaronder de verdachte. Eenmaal in de kamer van [medeverdachte] gekomen, ging [aangever] een gesprek aan met [medeverdachte]. Daarbij stond [aangever] met de rug naar de deur toe. Opeens zag [aangever] dat het gezicht van [medeverdachte] rood werd. Hieruit meende [aangever] te kunnen afleiden dat er achter hem iets aan de hand was. [aangever] draaide zich om en zag groepsgenoten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] staan. Vervolgens werd er een kussensloop over het hoofd van [aangever] gedaan, werd [aangever] naar achteren getrokken en werd de kussensloop stevig aangetrokken. [aangever] was niet in staat te zien wie dit deed of deden. [aangever] voelde dat werd geprobeerd om hem te wurgen. Hij werd stevig vastgehouden en werd tegen het hoofd, het gezicht, de nek en de schouders geslagen en gestompt. [aangever] wist uiteindelijk een hand vrij te krijgen om het alarm in te kunnen drukken. Degenen die [aangever] vast hadden lieten hem daarop los. [aangever], die in de worsteling op de gang was terechtgekomen, trok de kussensloop van zijn hoofd en zag dat de verdachte en groepsgenoot [medeverdachte 2] de ene kant op renden en dat groepsgenoten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] de andere kant op renden.

De vraag waarvoor de rechtbank zich geplaatst ziet is of de verdachte een aandeel heeft gehad in dit incident en hij zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan het hem onder primair, subsidiair dan wel meer subsidiair ten laste gelegde.

De rechtbank overweegt dat de verdachte zich ten tijde van het incident weliswaar in de omgeving van de aangever heeft bevonden, maar dat op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat de verdachte enige bijdrage heeft geleverd aan het geheel. Het enkele feit dat de verdachte aanwezig was op de gang voorafgaand aan het incident en dat aangever [aangever] hem heeft zien wegrennen na het incident, is onvoldoende om de voor een bewezenverklaring vereiste daadwerkelijke bijdrage te kunnen vaststellen. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het hem onder primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.

De vordering van de benadeelde partij.

[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 5950,80. Deze vordering is verdeeld over de posten immateriële schade ten bedrage van € 3000,- en materiële schade ten bedrage van € 2950,80. De post materiële schade is onderverdeeld in de volgende posten: niet door de verzekering vergoede kosten: € 872,86; reiskosten: € 242,94; verlies studiejaar (collegegeld): € 1835,-. Ter terechtzitting is deze vordering aangepast door mr. M.A.I. Witlox, advocaat van de benadeelde partij. Aangezien het collegegeld door de werkgever aan de benadeelde partij wordt vergoed, vervalt deze post. Primair heeft mr. Witlox de vordering dan ook gesteld op € 4115,80. Subsidiair heeft hij de vordering gesteld op € 3755,80 omdat de benadeelde partij ten aanzien van een bedrag van € 240,- aan gemaakte medische kosten geen bonnen kan overleggen en omdat ter terechtzitting is gebleken dat een bedrag van € 120,- aan gemaakte medische kosten reeds door de verzekering aan de benadeelde partij is vergoed.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien de verdachte ten aanzien van het hem onder primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde, waarop de vordering betrekking heeft, wordt vrijgesproken.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

Beslissing.

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P. de Haan, rechter, voorzitter,

mr. J.M. Ghrib, rechter,

en mr. J.M.E.G. van Wezel, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.I. Jansen, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 november 2013.