Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:15674

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-07-2013
Datum publicatie
19-11-2013
Zaaknummer
12/4077
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Proceskostenveroordeling
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Wet Bpm. Immateriële schadevergoeding van € 1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn. De spanning en frustratie die aanleiding kunnen zijn voor immateriële schadevergoeding dienen zich voor te doen bij de belanghebbende. Omdat bij de uitspraak op bezwaar geheel is tegemoet gekomen en de gemachtigde procedeert op basis van no cure no pay, is daarvan in het voorliggende geval geen sprake. De termijn die is verstreken na de uitspraak op bezwaar wordt daarom buiten beschouwing gelaten. Verder wordt een deel van de termijnoverschrijding toegerekend aan eiser.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Algemene wet bestuursrecht 7:3
Algemene wet inzake rijksbelastingen 30f
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Besluit proceskosten bestuursrecht 3
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Besluit proceskosten bestuursrecht 2
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2644
V-N 2014/5.3.1
FutD 2013-2858
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 12/4077

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2013 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z], eiser
(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 23 april 2012 op het bezwaar van eiser tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) en de door hem op aangifte betaalde Bpm.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2013.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [B].

Ter zitting zijn tevens de beroepen behandeld die door de gemachtigde zijn ingediend met de zaaknummers: SGR 12/4728, SGR 12/5055, SGR 12/5071, SGR 12/5074, SGR 12/5077, SGR 12/5079, SGR 12/5417, SGR 12/5691, SGR 12/5698, SGR 12/5699, SGR 12/5899, SGR 12/5901, SGR 12/6178, SGR 12/8706, SGR 12/6180, SGR 12/6244, SGR 12/6247, SGR 12/7045, SGR 12/7062, SGR 12/7796, SGR 12/7797 en SGR 12/6638 tot en met
SGR 12/6714.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-stelt de te vergoeden heffingsrente vast op € 57 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 300, te betalen aan eiser;

-veroordeelt verweerder tot betaling van een schadevergoeding aan eiser ten bedrage van € 1.000;

-draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 156 aan eiser te vergoeden.

Overwegingen

1.

Eiser heeft in september 2010 aangifte Bpm (de aangifte) gedaan ter zake van de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een personenauto van het merk BMW, type Alpina B3 3.4 (de registratie) voor een bedrag van € 1.464.

2.

Met dagtekening 23 september 2010 heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag Bpm opgelegd ten bedrage van € 1.120 omdat volgens hem de ter zake van de registratie verschuldigde belasting € 2.584 bedraagt. Eiser heeft het bedrag van
€ 2.584 voldaan.

3.

Verweerder heeft bij de uitspraak op bezwaar een teruggaaf verleend van € 1.689. De totale voor de registratie verschuldigde belasting is daarmee vastgesteld op € 895
(€ 2.584 - € 1.689). Verweerder heeft daarbij geen heffingsrente berekend en een vergoeding voor de kosten van bezwaar toegekend van € 218.

4.

Eiser verzoekt in het beroepschrift de verschuldigde belasting vast te stellen op een bedrag van € 895. Nu dit reeds bij de uitspraak op bezwaar is gebeurd, is tussen partijen nog uitsluitend de hoogte van de heffingsrente en de hoogte van de kostenvergoeding die verweerder voor het bezwaar heeft toegekend in geschil. Verder stelt eiser dat wanneer ten tijde van onderhavige uitspraak de redelijke termijn is overschreden, verweerder moet worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade. Ook is eiser van mening dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord in bezwaar.

Hoorplicht

5.

Volgens artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht stelt een bestuursorgaan voordat het op bezwaar beslist belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord. Op grond van artikel 7:3, aanhef en letter d van de Awb (tekst 2012) kan van het horen worden afgezien wanneer volledig aan het bezwaar wordt tegemoet gekomen. Eiser heeft in bezwaar verzocht om een teruggaaf van € 1.689. Verweerder heeft deze teruggaaf verleend en is daarmee geheel aan dit bezwaar tegemoet gekomen. Hij heeft daarom mogen afzien van het horen van eiser. De ter zitting door eiser ingenomen stelling dat niet geheel aan het bezwaar is tegemoet gekomen omdat niet de werkelijke kosten van bezwaar zijn vergoed, volgt de rechtbank niet omdat de kostenvergoeding geen deel uitmaakt van het in bezwaar bestreden besluit.

Heffingsrente

6.

Volgens artikel 30f, derde lid, aanhef en onderdeel d, sub 2º, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) wordt bij een teruggaaf van Bpm heffingsrente vergoed over het tijdvak dat aanvangt drie maanden na het einde van het kalenderjaar waarop de teruggaaf betrekking heeft en eindigt op de dag van dagtekening van het afschrift van de uitspraak waaruit de teruggaaf blijkt. De teruggaaf heeft in het voorliggende geval betrekking op het jaar 2010 zodat over het tijdvak 1 april 2011 tot 23 april 2012 heffingsrente vergoed had moeten worden. Verweerder heeft ten onrechte geen heffingsrente vergoed, het beroep is daarom in zoverre gegrond verklaard. De rechtbank heeft aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, letter b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb, tekst 2013) zelf in de zaak te voorzien en de heffingsrente vast te stellen op € 57.

Kostenvergoeding in bezwaar

7.

Voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) is grond indien verweerder het verwijt treft dat hij een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in de daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (Hoge Raad 13 april 2007, nr. 41 235, LJN: BA2802, BNB 2007/260).

8.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2013, nr. 12/00400, LJN: BY1258, volgt dat verweerder de naheffingsaanslag heeft kunnen en mogen opleggen, zodat geen sprake is van een beschikking die in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden. Het arrest van de Hoge Raad van 2 maart 2012 is van later datum dan de naheffingsaanslag, zodat verweerder daarmee bij het opleggen van de naheffingsaanslag geen rekening heeft kunnen houden. Voor wat betreft de voldoening op aangifte geldt dat deze plaatsvindt op initiatief van de belanghebbende en dat daarbij geen sprake is van een besluit door verweerder. De stelling van eiser dat verweerder de werkelijke kosten van het bezwaar dient te vergoeden, treft daarom geen doel.

9.

Verweerder heeft overeenkomstig het bepaalde in het Besluit 1 punt toegekend voor het indienen van het bezwaar met een waarde per punt van € 218 en een wegingsfactor 1. Nu eiser in één geschrift bezwaar heeft gemaakt tegen zowel de naheffingsaanslag als tegen de voldoening op aangifte en er geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden, heeft verweerder de kostenvergoeding terecht beperkt tot 1 punt.

Proceskosten beroep

10.

Nu het beroep gegrond is verklaard, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten van het beroep. Naar het oordeel van de rechtbank is in ieder geval voor wat betreft de op deze zitting behandelde zaken sprake van samenhang als bedoeld in artikel 3 van het Besluit. Een strikte toepassing van het Besluit en de daarbij behorende bijlage zou echter in een zodanig lage proceskostenvergoeding resulteren dat geen recht wordt gedaan aan doel en strekking van artikel 8:75 van de Awb. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding daarom met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit vast op € 300.

Schadevergoeding

11.

Eiser heeft in zijn pleitnota aangevoerd dat het Europese recht meebrengt dat verweerder de schade moet vergoeden die ontstaat door met het Europese recht strijdige regelgeving en dat daarom een integrale kostenvergoeding moet worden toegekend. Andere schade dan de proceskosten heeft eiser daarbij niet vermeld. Aangezien de vergoeding van proceskosten uitputtend en exclusief is geregeld in artikel 8:75 van de Awb wordt aan het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb niet toegekomen. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding dan ook af.

Immateriële schadevergoeding

12.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 juni 2011, nr. 09/05112, LJN: BO5080, beslist dat ook in belastingzaken een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn kan worden toegekend. De Hoge Raad oordeelde dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld en dat artikel 8:73 van de Awb in die gevallen van overeenkomstige toepassing is. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37 984, LJN: AO9006. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd waarbij in beginsel voor de afdoening van het bezwaar wordt uitgegaan van een half jaar. De in aanmerking te nemen termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt.

13.

De spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade dient zich naar het oordeel van de rechtbank voor te doen bij de belanghebbende. Eiser heeft een gemachtigde ingeschakeld die zijn diensten verricht op basis van no cure no pay. Dat brengt mee dat eiser zelf geen vergoeding verschuldigd is aan gemachtigde, ook niet wanneer de kostenvergoeding op een lager bedrag wordt vastgesteld dan waarom in het bezwaar is gevraagd. Nu in de uitspraak op bezwaar geheel aan het bezwaar is tegemoet gekomen, verkeerde eiser vanaf dat moment derhalve niet langer in onzekerheid. De termijn die is verstreken na die uitspraak op bezwaar dient daarom voor de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden, buiten beschouwing te blijven.

14.

In het onderhavige geval heeft verweerder het (pro forma) bezwaarschrift op
5 oktober 2010 ontvangen. Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en de uitspraak op bezwaar is een periode van een jaar, zes maanden en ruim drie weken verstreken zodat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor de afdoening van het bezwaar met een jaar en drie weken. Naar het oordeel van de rechtbank dient een termijn van ongeveer twee en een halve maand aan eiser te worden toegerekend, zodat aanleiding is een schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn toe te kennen van
€ 1.000 (€ 500 per overschrijding van een half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, naar boven afgerond). De rechtbank heeft daartoe het volgende in overweging genomen.

15.

Eiser heeft het bezwaar op 3 november 2010 gemotiveerd, zodat een periode van een maand voor rekening van eiser dient te blijven. Voorts blijkt uit de stukken van het geding dat de gemachtigde met verweerder op 17 februari 2012 een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten waarin onder meer het volgende vermeld:

"Netcar, en alle belanghebbenden die op aangifte of op naheffingsaanslag bpm hebben betaald en die via Netcar partij zijn bij deze vaststellingsovereenkomst (voor alle namen (…), wordt verwezen naar de bijlage),

(...)

De nadere uitwerking van deze overeenkomst vindt plaats in de bijlage. Daarom wordt deze overeenkomst gesloten onder de ontbindende voorwaarde dat partijen uiterlijk 1 april 2012 elkaar over en weer duidelijkheid hebben verschaft over de elementen in die bijlage, zoals de namen en adressen van de klanten, de bezwaar- en beroepsprocedures en de bpm-bedragen in geschil. Daartoe dient deze bijlage uiterlijk 1 april 2012 door beide partijen voor akkoord ondertekend te zijn."

Verweerder heeft onweersproken gesteld dat de gemachtigde na 17 februari 2012 heeft geïnventariseerd welke klanten daadwerkelijk akkoord zouden gaan met de overeenkomst en dat die inventarisatie heeft geduurd tot 25 mei 2012. De gemachtigde heeft dus de gehele termijn die in de vaststellingsovereenkomst is afgesproken, te weten de periode tussen
17 februari 2012 en 1 april 2012, gebruikt. Ook deze periode van ruim zes weken dient naar het oordeel van de rechtbank voor rekening van eiser te komen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. van Duijvendijk, griffier. De beslissing is in het openbaaruitgesproken op 3 juli 2013.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep