Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:15616

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
19-11-2013
Zaaknummer
C/09/452983 KG ZA 13-1194 en C/09/452981 FA RK 13-8274
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:2345, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening en beroep tegen verlenging tijdelijk huisverbod. Uithuisgeplaatste en achterblijver hebben - volkomen buiten verweerder om - hun relatie voortgezet, maar wel binnen hun eigen netwerk afspraken gemaakt (onder andere met wijkagent en priester) om voortaan geweld binnen hun relatie te voorkomen. Hoewel het eerste huisverbod en de verlenging van het huisverbod volgens de rechtbank terecht zijn opgelegd, is het beroep tegen de verlenging gegrond verklaard waarbij een voorlopige voorziening is getroffen. Deze houdt in dat de werking van het huisverbod wordt geschorst onder de voorwaarde dat betrokkenen binnen drie dagen (voor het einde van de week) verschijnen op een gesprek met (vanuit verweerder geboden) hulpverlening om aldaar de binnen het eigen netwerk gemaakte afspraken te bespreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Voorzieningenrechter

Rekestnummers: KG ZA 13-1194 (voorlopige voorziening) en FA RK 13-8274 (hoofdzaak)

Zaaknummers: C/09/452983 (voorlopige voorziening) en C/09/452981 (hoofdzaak)

Proces-verbaal mondelinge uitspraak gedaan op 22 oktober 2013 naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening in het geding tussen:

[verzoeker],

verzoeker, tevens eiser,

wonende te [woonplaats],

gemachtigde: mr. E. Tamas

en

de burgemeester van de gemeente Den Haag,

verweerder,

in welke zaken belanghebbende is:

[de vrouw], de partner van verweerder (hierna: de vrouw),

wonende te[woonplaats].

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 22 oktober 2013 heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

I Procedure

Bij besluit van 1 oktober 2013 heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod ingevolge artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth) opgelegd, van 1 oktober 2013 (22:47 uur) tot 11 oktober 2013 (22:47 uur), ter zake van de woning aan de [adres], tevens inhoudend een contactverbod met zijn aldaar woonachtige vrouw en haar minderjarige dochter.

Bij besluit van 11 oktober 2013 heeft verweerder het huisverbod verlengd tot

29 oktober 2013 (22:47 uur).

Verzoeker heeft tegen beide besluiten (hierna: de bestreden besluiten) beroep ingesteld alsmede een verzoek om een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter ingediend.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2013. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.W. Vollebergh en G.J. de Ruiter. De vrouw is verschenen.

De minderjarige [de minderjarige] heeft in de raadkamer haar mening kenbaar gemaakt.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden daarvan luiden als volgt.

II Beoordeling

In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat dier aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met haar in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9.

Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Wth betrekt de rechter bij de beoordeling van het huisverbod tevens de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wth kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet. Artikel 6 is daarbij van overeenkomstige toepassing.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Ten aanzien van de oplegging van het huisverbod

Vast is komen te staan dat verzoeker, hoewel hij doordeweeks gewoonlijk in zijn woning in [woonplaats] overnachtte, meer dan incidenteel in de woning van de vrouw verbleef. Voorts is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gebleken dat er op het moment van het opleggen van het huisverbod sprake was van de omstandigheden als bedoeld in artikel 2 Wth, hetgeen door verzoeker ook niet is bestreden, zodat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot oplegging van het huisverbod. Om die reden zal de voorzieningenrechter het beroep tegen het besluit van 1 oktober 2013 ongegrond verklaren.

Ten aanzien van de verlenging van het huisverbod

Aangezien de situatie ten tijde van de verlenging van het bestreden besluit nog gespannen was, de vrouw nog langere tijd rust nodig had, de hulpverlening nog onvoldoende op gang was gekomen en er geen netwerkgesprek heeft plaatsgevonden en de veiligheid voor zowel de vrouw als haar dochter hierdoor nog niet was gegarandeerd, is het huisverbod verlengd (met 18 dagen).

De voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder terecht heeft aangenomen dat op het moment van verlenging van het huisverbod nog immer sprake was van dreiging van gevaar of het ernstige vermoeden daarvan, zodat een verdere afkoelingsperiode noodzakelijk was.

Ten aanzien van de ex-nunc toetsing als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Wth

De voorzieningenrechter ziet zich tenslotte voor de vraag gesteld of na het nemen van de bestreden besluiten sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die ertoe zouden moeten leiden dat het huisverbod wordt opgeheven.

Anders dan ten tijde van het nemen van het verlengingsbesluit en buiten het kader van de door verweerder geboden hulpverlening om, hebben verzoeker en de vrouw zich inmiddels verzoend en hebben zij besloten om hun relatie voort te zetten. Zij lijken met behulp van de priester, de wijkagent en de zoon van de vrouw afspraken te hebben gemaakt om nieuwe escalaties te voorkomen. De voorzieningenrechter overweegt dat zij deze afspraken op zichzelf niet voldoende acht om te komen tot een onmiddellijke opheffing van het huisverbod. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee de ernst van de gebeurtenissen op 1 oktober 2013 waarbij ook de dochter van de vrouw in de woning aanwezig was, het feit dat het huisverbod herhaaldelijk is overtreden en dat er geen netwerkgesprek heeft plaatsgevonden met de vanuit verweerder geboden hulpverlening waarbij afspraken ter waarborging van de veiligheid van de vrouw en de dochter zijn gemaakt.

Het voorgaande in ogenschouw genomen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding tot het treffen van de navolgende voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter schorst de werking van het besluit van 11 oktober 2013 vanaf het moment dat deze mondelinge uitspraak wordt gedaan, doch enkel en uitsluitend onder de voorwaarde dat verzoeker (met de vrouw) nog deze week zal verschijnen op een gesprek bij de vanuit verweerder betrokken hulpverlening. In dit gesprek zullen de gemaakte afspraken met de wijkagent, de priester en de zoon van de vrouw aan de orde komen en zal besproken worden of deze afspraken voldoende zijn om bij een eventuele volgende ruzie voldoende bescherming te bieden, ook en vooral voor de dochter van de vrouw. Dit gesprek dient uiterlijk vrijdag 25 oktober 2013 om 18.00 uur te hebben plaatsgevonden.

Het voorgaande houdt in dat verzoeker voorlopig weer contact met de vrouw en haar dochter mag hebben en dat hij weer in de woning mag komen, maar dat als het gesprek niet plaatsvindt omdat of verzoeker of de vrouw niet verschijnt, het huis- en contactverbod onmiddellijk weer zal gelden.

De voorzieningenrechter zal het beroep tegen het besluit van 11 oktober 2013 gegrond verklaren, met dien verstande dat de rechtsgevolgen tot het moment van de uitspraak in stand blijven. Gelet op het feit dat de onrechtmatigheid van het bestreden besluit van 11 oktober 2013 slechts gelegen is in een verder voortduren van de rechtsgevolgen vanaf het moment van de mondelinge uitspraak, waarin middels het treffen van een voorlopige voorziening – onder voorwaarden- een einde wordt gemaakt, bestaat geen aanleiding tot veroordeling van één der partijen in de kosten van het geding.

De voorzieningenrechter beslist als volgt.

III Beslissing

De voorzieningenrechter:

verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 1 oktober 2013 ongegrond;

verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 11 oktober 2013 gegrond;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 11 oktober 2013 tot het tijdstip van de uitspraak in stand blijven;

treft een voorlopige voorziening, inhoudende dat de werking van het besluit van 11 oktober 2013 vanaf het tijdstip van deze uitspraak wordt geschorst, onder de voorwaarde dat verzoeker en de vrouw zullen verschijnen op een gesprek met door de burgemeester aan te wijzen hulpverleners, welk gesprek vóór vrijdag 25 oktober 2013 18.00 uur dient plaats te vinden;

dat in het geval niet wordt voldaan aan voornoemde voorwaarde, de rechtsgevolgen van het besluit van 11 oktober 2013 met onmiddellijke ingang herleven;

wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af.

Aldus gegeven door mr. D.R. van der Meer, voorzieningenrechter, tevens kinderrechter, in aanwezigheid van mr. K. Beukhof als griffier en in het openbaar uitgesproken op

22 oktober 2013.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan – voor zover beslist in de hoofdzaak - binnen zes weken van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op: