Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:15460

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-11-2013
Datum publicatie
15-11-2013
Zaaknummer
09/842168-13; 09/655573-12 (ttz.gev); 09/655554-12 (ttz.gev)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hoofdverdachte van een groep jongeren uit Mariahoeve.

De groep van 7 jongeren uit Mariahoeve krijgt gevangenisstraf variërend van 30 dagen tot 30 maanden voor inbraken in de hele regio. De rechtbank Den Haag oordeelt dat de tientallen inbraken in enkele maanden tijd goed gepland waren. De daders lieten geen dna-, vingerafdrukken of andere sporen achter. Tijdens de inhoudelijke behandeling beriepen zij zich op hun zwijgrecht.

De jongvolwassenen die hielpen met het openbreken van een kluis na de inbraak krijgen 30 dagen gevangenisstraf opgelegd. De hoofdverdachte krijgt 30 maanden celstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk, hij werd ook veroordeeld voor een poging zware mishandeling. Alle verdachten zijn tussen de 18 en 21 jaar en afkomstig uit de Haagse wijk Mariahoeve.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/842168-13; 09/655573-12 (ttz.gev); 09/655554-12 (ttz.gev)

Datum uitspraak: 15 november 2013

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats],

adres: [adres 1] te [postcode] [woonplaats],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [penitentiaire inrichting].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 13 augustus 2013 en 1 november 2013.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. Sanders en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. M.G. Cantarella, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

ten aanzien van parketnummer 09/842168-13:

1.

hij in of omstreeks de periode van 22 tot en met 23 maart 2013 te Oosterbeek,

althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een

woning (gelegen aan de [adres 2], aldaar) heeft weggenomen sieraden en/of

autosleutels, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1]

en/of andere bewoner(s) van de woning, in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn

mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben

verschaft door middel van braak, verbreking en/of inklimming (te weten door

verbreking van een slaapkamerraam);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 22 tot en met 23 maart 2013 te Oosterbeek,

althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft

weggenomen een personenauto, merk Volvo Xc70, kenteken [kenteken 1], in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij

verdachte en/of zijn mededader(s) het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun

bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse (gestolen) sleutel;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 12 april 2013 in de gemeente Maassluis, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen

aan het [adres 3], aldaar) heeft weggenomen sieraden,

kentekenbewijzen en autosleutels, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of andere bewoner(s) van de woning, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft door middel van braak, verbreking en/of

inklimming (te weten door het openbreken van een tuindeur, garagedeur en/of

tussendeur);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 12 april 2013 in de gemeente Maassluis, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

personenauto, merk Volkswagen Golf, kenteken [kenteken 2], in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse (gestolen)

sleutel;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 17 april 2013 in de gemeente Hellevoetsluis, althans in

Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen

aan de [adres 4], aldaar) heeft weggenomen (een kluis met daarin) paspoorten,

sieraden, autosleutels, waardepapieren, een geldbedrag van EUR 800,00,

buitenlands geld en een gouden pen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of andere bewoner(s) van de woning, in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij

verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs

heeft/hebben verschaft door middel van braak, verbreking en/of inklimming

(verbreking van een ruit van een deur);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 8 maart 2013 in de gemeente Hellevoetsluis, althans in

Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen

aan de [adres 5], aldaar) heeft weggenomen een kluis (met daarin

onder meer kentekenbewijzen, waardepapieren, buitenlandse valuta, muntgeld en

computerbenodigdheden), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 5] en/of andere bewoner(s) van de woning, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft door middel van braak, verbreking en/of

inklimming (openbreken van een keukenraam);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

7.

hij op of omstreeks 9 maart 2013 in gemeente Oostvoorne, althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de

[adres 6], aldaar) heeft weggenomen sieraden, een tas, een portemonnee, een

rijbewijs, bankpassen, een geldbedrag van EUR 720,00 en horloges, in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 6] en/of andere bewoner(s) van de woning, in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of

zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben

verschaft door middel van braak, verbreking en/of inklimming (verbreking van

een ruit/raam);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

8.

hij op of omstreeks 29 maart 2013 te Nootdorp en/of 's-Gravenhage, althans

elders in Nederland, [slachtoffer 7] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het

leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte

opzettelijk dreigend die [slachtoffer 7] de woorden toegevoegd: "kogel door je hoofd"

en/of "jij krijgt kogel jij", althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ten aanzien van parketnummer 09/655573-12:

hij op of omstreeks 11 oktober 2012 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het

door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening

in/uit een woning aan het [adres 7] weg te nemen goederen en/of een

geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 8], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de

toegang tot voornoemde woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen

goederen en/of geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van een valse

sleutel, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen naar die woning is toegegaan en/of over de schutting van die woning is geklommen en/of de achterdeur van die woning heeft geopend en/of met een gekopieerde sleutel de achterdeur van voornoemde woning heeft geopend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ten aanzien van parketnummer 09/655554-12:

1.

hij op of omstreeks 01 september 2012 te 's-Gravenhage, in ieder geval in

Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan

een persoon genaamd [slachtoffer 8], (telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een mes,

althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 01 september 2012 te 's-Gravenhage, in ieder geval in

Nederland, opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer 8]), meermalen, althans

eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam

heeft gestoken, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 01 september 2012 te 's-Gravenhage, in ieder geval in

Nederland, [slachtoffer 8] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk

dreigend aan die [slachtoffer 8] een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp

getoond en/of een stekende beweging in de richting van die [slachtoffer 8] gemaakt

en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je af", althans

woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

In het jaar 2011 werd onder de naam ‘Shikra’ een politieonderzoek gestart naar aanleiding van een reeks woninginbraken die plaats hadden gevonden in de gemeenten Voorschoten, Leidschendam-Voorburg en Zoetermeer. Uit dit onderzoek is gebleken dat onder andere [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], beide lid van de harde kern van de criminele jeugdgroep “Mariahoeve”, betrokken waren bij een groot aantal woninginbraken. Hiervoor werden zij door de rechtbank Den Haag veroordeeld.

Ondanks deze veroordelingen bleef het vermoeden bestaan dat de voornoemde criminele jeugdgroep zich nog steeds met criminele activiteiten bezig hield, waaronder woninginbraken. Dit vermoeden werd bevestigd nadat een aantal verdachten uit de jeugdgroep, te weten [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5], op heterdaad werd aangehouden ter zake van een woninginbraak, gepleegd op 25 december 2012 in perceel [adres 14] te Voorschoten.

Naar aanleiding van de voormelde woninginbraak en in navolging van het politieonderzoek ‘Shikra’ werd in december 2012 opdracht gegeven een onderzoek te starten naar de criminele jeugdgroep “Mariahoeve”, onder de naam ATLAS. Een van de doelstellingen van het onderzoeksteam betrof het vergaren en verzamelen van voldoende bewijsmiddelen, teneinde de harde kernleden strafrechtelijk te kunnen vervolgen naar aanleiding van de door hen gepleegde feiten.

Gedurende het verloop van het onderzoek zijn er diverse taps afgesloten op de mobiele telefoonnummers van onder andere [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6]. Voorts heeft de politie op diverse momenten een observatieteam ingezet.

Gedurende het verloop van het onderzoek zijn er wekelijks zoekslagen gemaakt in het voor de politie beschikbare informaties systeem Blueview, teneinde te bezien of er controles dan wel incidenten hadden plaatsgevonden alwaar leden van de ‘Mariahoeve’ groep bij betrokken waren. Deze incidenten, dan wel controles geven een beeld omtrent de omgang, afspraken die zij maken en alwaar zij zich naar toe verplaatsen en op welke wijze.

Uit de aangiften, tapgesprekken en observaties is op te maken dat bij de inbraken telkens dezelfde modus operandi wordt gebruikt. Men verschaft zich toegang middels het verbreken van een raam aan de achterzijde van de woning, waarna zij de gehele woning doorzoeken. Tevens is gebleken uit de tapgesprekken dat de verdachten voordat zij gaan inbreken met elkaar afspreken en elkaar vervolgens ophalen. Dit zijn zoals het onderzoek uitwijst, constant dezelfde verdachten. Uit de mastgegevens en observaties is gebleken dat zij gedurende het plegen van deze strafbare feiten bij elkaar waren, dan wel tijdens en nadien telefonisch contact met elkaar hadden. Zij lijken middels een vast patroon te werk gaan en een eenduidige werkwijze te hebben.

De verdachte en zijn medeverdachten hebben zich gedurende het proces ten aanzien van voor hen belastende feiten en/of omstandigheden op hun zwijgrecht beroepen. Dit betekent dat zij voor deze feiten en/of omstandigheden geen alternatieve verklaring hebben kunnen of willen geven.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de hem bij dagvaarding met parketnummer 09/842168-13 onder 6 en bij dagvaarding met parketnummer 09/655554-12 onder 2 ten laste gelegde feiten wordt vrijgesproken.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de:

  • -

    bij dagvaarding met parketnummer 09/842168-13 onder 1, 2, 3, 4, 5, 7 en 8 ten laste gelegde feiten;

  • -

    bij dagvaarding met parketnummer 09/655573-12 ten laste gelegde feit;

  • -

    bij dagvaarding met parketnummer 09/655554-12 onder 1 ten laste gelegde feit;

wordt veroordeeld.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten, nu de betrokkenheid van verdachte bij deze feiten niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Ten aanzien van parketnummer 09/842168-13, feiten 3 en 4:

In deze zaak kan worden vastgesteld dat er op 12 april 2013 tussen 15.30 en 22.30 uur is ingebroken in de woning aan het [adres 3] te Maassluis, waarbij de garagedeur die toegang gaf tot de woning is opengebroken met een breekvoorwerp. Uit de woning zijn kentekenbewijzen, autosleutels en sieraden weggenomen. Ook is de Volkswagen Golf met het kenteken [kenteken 2] die op de oprit geparkeerd stond weggenomen.2 De rechtbank oordeelt dat de tenlastelegging in zoverre wettig en overtuigend is bewezen en grondt dat oordeel op de redengevende inhoud van de bewijsmiddelen waarnaar in de voetnoten wordt verwezen.

De zaak draait in essentie om de vraag of de verdachte zich al dan niet tezamen en in vereniging met (een van) de medeverdachten heeft schuldig gemaakt aan die inbraak en het wegnemen van de auto.

De rechtbank overweegt het volgende.

Op 12 april 2013 heeft een observatieteam van de politie waargenomen dat [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 6] in een auto met kenteken [kenteken 3] onderweg zijn. Om 21.30 uur rijdt de auto het [adres 3] te Maassluis op. Kort hierna keert de auto en stopt ter hoogte van het [adres 3]. De auto blijft met ontstoken verlichting op de openbare weg staan. Na enige seconden vertrekt er vanaf de oprit van het [adres 3] een personenauto van het merk Volkswagen, type Golf, kleur blauw en voorzien van het kenteken [kenteken 2]. Ook de auto met kenteken [kenteken 3] vertrekt en beide auto’s rijden achter elkaar aan. Waargenomen wordt dat [medeverdachte 2] de bestuurder en enige inzittende is van de auto met kenteken [kenteken 3].

Om 22.05 uur rijden de auto’s de [adres 15] te Voorburg op. [verdachte] en [medeverdachte 6] staan vervolgens naast de auto met kenteken [kenteken 2] en stappen kort hierop in de auto met kenteken [kenteken 3].

Het observatieteam heeft voorts waargenomen dat op de [adres 15] te Voorburg een Volvo XC70 voorzien van kenteken [kenteken 1] staat geparkeerd.3 De rechtbank stelt vast dat dit de gestolen Volvo, zoals ten laste gelegd onder feit 2, is.

De rechtbank is gelet op het bovenstaande – in onderling verband en samenhang bezien – van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte, tezamen en in vereniging met zijn medeverdachten ten tijde van de inbraak bij de woning aan het [adres 3] te Maassluis is geweest en zich tezamen met de medeverdachten ook schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde woninginbraak en het wegnemen van de auto. Een andere verklaring hoe de verdachten aan de weggenomen Golf met kenteken [kenteken 2] hebben kunnen komen is niet gegeven. Dat het observatieteam de rolverdeling tijdens de inbraak niet heeft kunnen waarnemen doet daar niets aan af.

Ten aanzien van parketnummer 09/842168-13, feiten 1 en 2:

Tussen 22 maart 2013 om 14.00 uur en 23 maart 2013 om 08.35 uur heeft een woninginbraak plaatsgevonden op de [adres 2] te Oosterbeek. De bewoner, de heer [slachtoffer 1], is op 22 maart 2013 omstreeks 14.00 uur op vakantie gegaan. Hij is door de taxi opgehaald en heeft zijn eigen auto, een Volvo XC70 voorzien van kenteken [kenteken 1], op de oprit laten staan. Op 23 maart 2013 omstreeks 08.35 uur heeft de buurvrouw de inbraak ontdekt. Nadat de heer [slachtoffer 1] thuiskwam ontdekte hij dat zijn slaapkamerraam opengebroken was. Uit de woning zijn autosleutels en meerdere sieraden ter waarde van ongeveer € 7.500 – € 10.000 weggenomen. Ook is de Volvo die op de oprit geparkeerd stond weggenomen.4

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich met de medeverdachten aan deze inbraak en diefstal heeft schuldig gemaakt en overweegt hiertoe als volgt.

In het kader van het onderzoek “Atlas” heeft de politie de opgenomen telefoongesprekken van [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] uitgeluisterd en in een proces-verbaal gerelateerd wat in die gesprekken gezegd werd:

- Op 22 maart 2013 te 14.08 uur belt [verdachte] met [medeverdachte 6].

[verdachte] zegt dat hij met [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 6] gaat.

- op 22 maart 2013 te 14.32 uur belt [verdachte] met [medeverdachte 6].

[verdachte] zegt dat zij er zijn.

- Op 22 maart 2013 te 16.33 uur belt [medeverdachte 2] met [verdachte].

[verdachte] zegt dat hij over een kwartiertje bij [medeverdachte 2] is.

Gelet op deze bevindingen concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 2], [verdachte], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] op 22 maart 2013 omstreeks 16.50 uur samen waren.

Op 22 maart 2013 te 20.03 uur belt [medeverdachte 6] naar een onbekend nummer. Op dat moment straalt de telefoon van [medeverdachte 6] een zendmast aan in de directe omgeving van de [adres 2] te Oosterbeek.

Gelet op het feit dat [medeverdachte 2], [verdachte], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] die middag omstreeks 16.30 uur met elkaar hadden afgesproken om samen te komen in Den Haag en de telefoon van één van hen ongeveer 3,5 uur later in Oosterbeek was, concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 2], [verdachte], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] zich op 22 maart 2013 omstreeks 20.03 uur samen bevonden in de directe omgeving van de [adres 2] te Oosterbeek gedurende bovenstaande inbraak.5

Op 22 maart 2013 te 20.50 uur heeft [medeverdachte 2] gebeld naar [verdachte]. In het gesprek is onder andere het volgende gezegd:


[medeverdachte 2]: plankt die of niet?

[verdachte]: hij gaat niet zo hard man.

[medeverdachte 2]: hoe hard dan?

[verdachte]: misschien barkie 50.

[medeverdachte 2]: zeg ik zweer.

[verdachte]: ja man is poep auto man, poep dingetje joh.

[medeverdachte 2]: automaat of niet?

[verdachte] ja of sga.6

De rechtbank is van oordeel dat uit dit gesprek opgemaakt kan worden dat [verdachte], omstreeks voornoemde woninginbraak, in een voor hem onbekende auto rijdt.

Op 5 en 9 april 2013 werden de taplijnen van [verdachte] en [medeverdachte 2] uitgeluisterd. In een proces-verbaal is gerelateerd wat in die gesprekken gezegd werd:

- Op 5 april 2013 te 18.56 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 9].

[medeverdachte 9] zegt dat hij iemand had voor die waggie.

  • -

    Op 5 april 2013 te 19.03 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 9]. [medeverdachte 9] vraagt of die waggie uit de buurt kwam. [verdachte] zegt dat hij niet uit de buurt kwam, dat het een automaat is, een diesel is en leren bekleding heeft.

  • -

    Op 9 april 2013 te 13.25 uur wordt [medeverdachte 2] gebeld door [medeverdachte 6]. [medeverdachte 6] zegt dat ‘[bijnaam 4]’ die waggie, die Volvo, mogelijk heeft geregeld. Hij zou er een klantje voor hebben.

Het is de relaterende verbalisant bekend dat ‘[bijnaam 4]’ de mogelijke bijnaam van [verdachte] is.

Tijdens de woninginbraak op de [adres 2] is onder andere een grijze Volvo XC70, met automaat en die op diesel rijdt, weggenomen. Dit komt overeen met hetgeen [verdachte] op 5 april 2013 met [medeverdachte 9] over de telefoon heeft besproken.7

Uit de analyse van de data van de mobiele telefoon van [verdachte] is naar voren gekomen dat hij veelvuldig gebruik maakt van de ping-applicatie op zijn BlackBerry. [verdachte] heeft onder andere contact gehad met de gebruiker: “Go Fucking Hard Or Stay Home.” Uit analyse van de berichten is af te leiden dat [verdachte] deze gebruiker op 11 april 2013 vraagt om een Volvo ‘te koop’ te zetten.

Er volgt daarna een “reclame”bericht waarin een Volvo XC70 te koop aangeboden wordt.8

De rechtbank is van oordeel dat aan de telefoongesprekken en ping-berichten tussen de verdachten in redelijkheid geen andere uitleg kan worden gegeven dan dat deze gesprekken te maken hebben met onder andere de snelheid (“misschien barkie 50”) en de verkoop van de Volvo XC70, die gestolen is vanaf de oprit aan de [adres 2] te Oosterbeek.

De rechtbank overweegt in dit verband voorts dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de bij de feiten 1, 2, 3 en 4 genoemde redengevende feiten en omstandigheden.

De verdachte heeft echter alle betrokkenheid bij de feiten ontkend en zich voor het overige ter terechtzitting evenals bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen. De verdachte heeft de rechtbank aldus geen antwoord gegeven op de prangende vraag, hoe het kan dat de feiten en omstandigheden alle in de richting wijzen van de hiervoor geschetste scenario’s, waarvan alle elementen passend en sluitend zijn. Deze geschetste feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, terwijl een plausibele ontzenuwende verklaring ontbreekt.

De rechtbank is op grond van vorenstaande bewijsmiddelen van oordeel dat [verdachte], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] op 22 maart 2013 gezamenlijk naar Oosterbeek zijn gereden en daar een woninginbraak hebben gepleegd op de [adres 2]. Bij die woninginbraak zijn goederen weggenomen, waaronder ook de autosleutels van een Volvo XC70 voorzien van kenteken [kenteken 1], die op de oprit van de woning geparkeerd stond. Vervolgens is ook die auto door de verdachten weggenomen en heeft [verdachte] geprobeerd de Volvo te verkopen. De rechtbank neemt daarbij in overweging dat deze werkwijze overeenkomt met de manier waarop verdachten en zijn medeverdachten te werk zijn gegaan bij de hiervoor besproken inbraak en diefstal van een auto te Maassluis én dat de bij deze inbraken gestolen auto’s op dezelfde parkeerplaats -[adres 15] te Voorburg- zijn teruggevonden.

Ten aanzien van parketnummer, 09/842168-13 feit 5:

Op 17 april 2013 tussen 19.30 uur en 23.44 uur heeft een woninginbraak plaatsgevonden op de [adres 4] te Hellevoetsluis. Omstreeks 23.44 uur kwam mevrouw [slachtoffer 4] terug bij haar woning en hoorde vrouwenstemmen uit de richting van haar achtertuin komen. Mevrouw [slachtoffer 4] is toen naar een vriend gereden en heeft de politie gebeld, omdat ze bang was geworden. Op het moment dat mevrouw [slachtoffer 4] samen met de politie weer bij haar huis kwam zag zij dat de ruit in de deur aan de zijkant van de woning geheel vernield was. Uit de woning is weggenomen een kluis met daarin paspoorten, sieraden, autosleutels, waardepapieren, en geldbedrag van € 800,-, buitenlands geld en een gouden pen.9

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich met de medeverdachten aan deze inbraak heeft schuldig gemaakt en overweegt hiertoe als volgt.

In het kader van het onderzoek “Atlas” heeft de politie de opgenomen telefoongesprekken van [verdachte] en [medeverdachte 2] uitgeluisterd en in een proces-verbaal gerelateerd wat in die gesprekken gezegd werd:

- op 17 april 2013 te 18.19 uur belt [medeverdachte 2] met [verdachte].

[medeverdachte 2] zegt dat hij er over tien minuten is.

- op 17 april 2013 te 18.54 uur belt [medeverdachte 2] met [medeverdachte 6].

[medeverdachte 2] zegt dat [medeverdachte 6] moet komen.

Gelet op deze bevindingen concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 6] op 17 april 2013 omstreeks 18.55 uur samen waren.

Op 17 april 2013 te 21.28 uur is [verdachte] gebeld op zijn mobiele telefoon en is vastgesteld dat zijn telefoon op dat moment een zendmast aanstraalde in de directe omgeving van de [adres 4] te Hellevoetsluis.10

Gelet op het feit dat [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 6] die avond omstreeks 18.55 uur met elkaar hadden afgesproken en de telefoon van één van hen ongeveer 2,5 uur later in Hellevoetsluis was, concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 6] zich op 17 april 2013 omstreeks 21.28 uur samen bevonden in de directe omgeving van de [adres 4] te Hellevoetsluis gedurende bovenstaande inbraak.

Bij afzonderlijke vonnissen van heden heeft de rechtbank wettig en overtuigend bewezen geacht dat de medeverdachten [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] zich schuldig hebben gemaakt aan opzetheling van de bij de inbraak in Hellevoetsluis gestolen kluis. In dit verband is voor de aan verdachte tenlastegelegde woninginbraak het volgende van belang.

Op 17 april 2013 om 22.16 uur is met het telefoonnummer van [medeverdachte 6] een gesprek gevoerd met het telefoonnummer vanVerbaas. De verbalisant die het gesprek uitluisterde herkende de stem van [medeverdachte 2] als de gebruiker van de telefoon van [medeverdachte 6]. De rechtbank concludeert derhalve dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] zich op dat moment nog bij elkaar bevonden. [medeverdachte 2] vroeg in het gesprek aan [medeverdachte 7] of hij thuis was en of hij langs kon komen, omdat hij een cadeautje voor hem had.

De telefoon van [medeverdachte 6] straalde op dat moment een zendmast aan bij de A13 nabij Delft.11

Gelet op vorenstaande bevindingen concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 6] komende vanaf Hellevoetsluis onderweg naar Den Haag aan [medeverdachte 7] mededelen dat zij een cadeautje voor hem hadden.  De rechtbank gaat er vanuit dat hiermee kennelijk de gestolen kluis uit de woning aan de [adres 4] te Hellevoetsluis wordt bedoeld en overweegt daartoe als volgt.

Op 18 april 2013 om 17.28 uur heeft [medeverdachte 2] gebeld naar [medeverdachte 6]. [medeverdachte 2] zei dat hij een meier aan “[bijnaam 1]” had gegeven en dat ze nog een meier aan ‘die Hollander’ moesten geven.

De politie heeft in een proces-verbaal gerelateerd dat met ‘die Hollander’ waarschijnlijk [medeverdachte 7] wordt bedoeld en met ‘[bijnaam 1]’ waarschijnlijk [medeverdachte 8].

Op 18 april 2013 om 21.52 uur heeft [medeverdachte 2] gebeld met [medeverdachte 7]. [medeverdachte 2] zei dat hij [medeverdachte 7] een meier wilde geven. [medeverdachte 7] zei dat een hoop spullen kapot waren gegaan en dat ze toch met zijn drieën waren. [medeverdachte 2] zei hierop ‘ja’. Verdachte [medeverdachte 2] bevestigt aldus dat de inbraak door drie personen is gepleegd. Dat de inbraak door drie personen is gepleegd valt ook op te maken uit een telefoongesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], waarin wordt gesproken over de vergoeding die [bijnaam 3] ([medeverdachte 7]) zou moeten krijgen en [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 2] zegt dat zij toch met zijn drieën waren.12

Op 1 mei 2013 is de woning van [medeverdachte 7] doorzocht. Er werd tijdens de doorzoeking een mapje aangetroffen met daarin een verzameling van Nederlandse munten. Voorts werden in de kelderbox van [medeverdachte 7] een slijptol en een tweetal breekijzers aangetroffen.13 Aangeefster, mevrouw [slachtoffer 4], heeft bij de politie verklaard dat de map met munten, aangetroffen in de woning van [medeverdachte 7], in de kluis zat die uit haar woning is gestolen.14

Op 20 april 2013 werden de taplijnen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 7] uitgeluisterd. In een proces-verbaal is gerelateerd wat in die gesprekken gezegd werd:

- Op 20 april 2013 te 22.53 uur werd [medeverdachte 2] gebeld door [medeverdachte 7].

[medeverdachte 7] zei dat [medeverdachte 2] dat ding vanavond moest weghalen.

- Op 20 april 2013 te 23.40 uur heeft [medeverdachte 2] gebeld naar [medeverdachte 7].

[medeverdachte 2] zei dat hij alleen ‘dat’ weg ging halen.

- Op 21 april 2013 te 00.18 uur heeft [medeverdachte 2] gebeld naar [medeverdachte 7].

[medeverdachte 2] zei dat hij er was. [medeverdachte 7] vroeg [medeverdachte 2] of hij handschoenen had. [medeverdachte 2] zei dat hij deze had. [medeverdachte 7] zei dat hij [medeverdachte 2] over twee tellen zou zien.

- Op 21 april 2013 te 00.34 uur heef [medeverdachte 2] gebeld met [medeverdachte 7].

[medeverdachte 2] zei dat [medeverdachte 7] naar beneden moest komen om dat ding te geven.15

Op zondag 21 april 2013, omstreeks 00.40 uur dus circa vijf minuten na het laatste telefoongesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 7], is door mevrouw [getuige 1] gezien dat op de [adres 8] te Den Haag een personenauto parkeerde voorzien van kenteken [kenteken 4]. Het is bekend dat [medeverdachte 2], [medeverdachte 6] en [verdachte] gebruik maken van een personenauto voorzien van het kenteken [kenteken 4].

[getuige 1]zag dat uit de auto twee mannen stapten en zij uit de kofferbak van de auto een zwaar wit voorwerp tilden. [getuige 1]zag dat de twee mannen met het voorwerp richting het water liepen. Enkele ogenblikken later, hoorde zij een harde plons. [getuige 1]heeft gelet op vorenstaande een melding bij de politie gemaakt en zij zijn bij het water gaan kijken. De politie heeft vervolgens, met behulp van de brandweer, een kluis van het merk Lips uit het water gehaald. Van de aangetroffen kluis zijn foto’s gemaakt. De foto’s zijn getoond aan aangeefster en zij gaf aan dat de kluis op de foto haar kluis betreft.16

De rechtbank overweegt ook hier dat de verdachte bij de politie en ter terechtzitting een beroep op zijn zwijgrecht heeft gedaan en geen redengevende verklaring heeft willen of kunnen geven voor de belastende bewijsmiddelen jegens hem.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 2], [verdachte] en Eesiadi op 17 april 2013 samen naar Hellevoetsluis zijn gereden en daar hebben ingebroken in de woning aan de [adres 4]. Uit de woning hebben zij een kluis met inhoud weggenomen en hebben deze vervolgens naar [medeverdachte 7] gebracht. [medeverdachte 7] heeft samen met een ander de kluis opengebroken en zij hebben hiervoor een beloning ontvangen. Vervolgens hebben [medeverdachte 7] en [medeverdachte 2] de kluis op 21 april 2013 in het water gegooid.

Ten aanzien van parketnummer 09/842168-13 feit 6:

Op 8 maart 2013 tussen 19.30 uur 20.29 uur heeft een woninginbraak plaatsgevonden op de [adres 5] te Hellevoetsluis.

Op 8 maart 2013, omstreeks 19.30 uur is de woning in goede orde en afgesloten achtergelaten. Omstreeks 20.30 uur werd de bewoner [slachtoffer 5] door zijn buurman gebeld, omdat er in zijn woning was ingebroken. Toen Molenaar thuis kwam zag hij dat het keukenraam aan de voorzijde van de woning was opengebroken. Uit de woning is weggenomen een kluis met daarin kentekenbewijzen, waardepapieren, buitenlandse valuta, muntgeld en computerbenodigdheden.17

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich aan deze inbraak heeft schuldig gemaakt en overweegt hiertoe als volgt.

Op 8 maart 2013 liepen twee getuigen ter hoogte van de [adres 5]. Zij zagen dat het voorraam op de eerste etage wijd openstond. Uit het raam kwamen twee mannen die een kluis aan het tillen waren. Op het moment dat de getuigen dat zagen kwam er een man op hen afrennen die zei: “loop door, dit is niet jullie huis, we gaan met jullie vechten.” De getuigen omschreven deze man als volgt: tussen de 16 en 20 jaar oud, tussen de 175 en 180 centimeter lang, bol gezicht, zwart opgeschoren haar en een blauw trainingsjack met het logo van de voetbalclub Madrid.

Voorts zagen de getuigen dat een zwarte Kia Rio vanaf het parkeerterrein schuin tegenover de [adres 5] aan kwam rijden. De middelste combinatie van het kenteken van de auto begon volgens de getuigen met een T.

Vervolgens zagen de getuigen dat de kluis door de twee mannen in de auto werd gezet, waarna ze weg zijn gereden.18

De politie heeft in het door de getuigen gegeven signalement ambtshalve [verdachte] herkend. Volgens de verbalisanten is het genoemde trainingsjack een kenmerk van [verdachte], omdat hij bijzonder vaak in dit kledingstuk door de wijk loopt. Tevens is het de politie bekend dat [verdachte] gebruik maakt van een zwarte Kia Rio voorzien van het kenteken [kenteken 5]. [verdachte] is meerdere malen in en bij genoemde auto gecontroleerd.19

Uit historische telefoongegevens is gebleken dat onder meer op 8 maart 2013 omstreeks 19.43 uur en om 20.14 uur het telefoonnummer [telefoonnummer 1], in gebruik bij [verdachte], een telefoonpaal aanstraalde op de [adres 9] te Hellevoetsluis. De afstand tussen de [adres 9] te Hellevoetsluis en de [adres 5] te Hellevoetsluis is ongeveer één kilometer.20

Op 10 maart 2013 is de kluis uit voornoemde woninginbraak gevonden in een water achter het [adres 10] te Den Haag.21 De rechtbank stelt vast dat verdachte feitelijk verblijft bij zijn moeder die woonachtig is aan het [adres 10] te Den Haag.

De rechtbank overweegt ook hier dat de verdachte bij de politie en ter terechtzitting geen redengevende verklaring over voornoemde bevindingen heeft willen of kunnen geven. Het enkele feit dat verdachte ter zitting stelt dat hij zijn telefoon wel eens uitleent en dat hij geen Real Madrid trainingspak heeft acht de rechtbank onvoldoende en zelfs onaannemelijk. De rechtbank neemt hierbij verder nog in overweging dat deze inbraak overeenkomsten vertoond met de hiervoor besproken inbraken, met name de inbraak te Hellevoetsluis waar eveneens een kluis is weggenomen die in een water in de wijk Mariahoeve is teruggevonden.

Gelet op al het bovenstaande – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich tezamen en in vereniging schuldig heeft gemaakt aan de inbraak in de woning aan de [adres 5] te Hellevoetsluis.

Ten aanzien van parketnummer 09/842168-13, feit 7:

Op 9 maart 2013 tussen 17.40 uur en 20.50 uur heeft een woninginbraak plaatsgevonden op de [adres 6] te Oostvoorne.

Op 9 maar 2013, omstreeks 20.50 uur ontdekte de eigenaar van de woning, de heer [slachtoffer 6], dat er was ingebroken. De daders zijn de woning binnengekomen door een raam in te gooien/te slaan. De heer [slachtoffer 6]heeft de daders gezien terwijl zij bezig waren met de diefstal. Hij zag dat de daders vanaf de achterzijde van de woning kwamen en door de tuin renden. Zij zijn vervolgens in een auto gestapt, die geparkeerd stond aan de [adres 6], en zijn weggereden. Uit de woning zijn weggenomen sieraden, een tas, een portemonnee, een rijbewijs, bankpassen, een geldbedrag van € 720,- en horloges.22

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich aan deze inbraak heeft schuldig gemaakt en overweegt daartoe als volgt.

Op 9 maart 2013 heeft mevrouw [getuige 2] gezien dat de inbrekers in een zwarte auto, voorzien van kenteken [kenteken 6] zijn gestapt. Het model auto is lijkende op een Kia Rio, Honda Civic of een Peugeot 306.23

Het is de politie ambtshalve bekend dat [verdachte] gebruik maakt van een personenauto van het merk Kia, type Rio, kleur zwart en voorzien van het kenteken [kenteken 7], derhalve één cijfer afwijkend van de waarneming van de aangeefster.

Uit historische telefoongegevens is gebleken dat onder meer op 9 maart 2013 omstreeks 19.33 uur, 19.58 uur en 20.00 uur het telefoonnummer [telefoonnummer 1], in gebruik bij [verdachte], een telefoonpaal aanstraalde op respectievelijk [adres 11]/[adres 12] te Brielle en de [adres 13] te Oostvoorne. De afstand tussen de [adres 13] te Oostvoorne en de [adres 6] te Oostvoorne is ongeveer één kilometer.24

De verdachte heeft hiervoor bij de politie en ter terechtzitting geen redengevende verklaring kunnen geven anders dan dat hij zijn telefoon wel eens uitleent.

Uit de waarneming van de aangeefster in combinatie met het aanstralen van verdachtes telefoon concludeert de rechtbank dat hij zich aan de inbraak aan de [adres 6] te Oostvoorne heeft schuldig gemaakt. Hierbij overweegt de rechtbank dat verdachte zich veelvuldig schuldig heeft gemaakt aan het plegen van inbraken op een wijze die overeenkomsten vertoont met de manier waarop deze inbraak is gepleegd.

Ten aanzien van parketnummer 09/842168-13, feit 8:

In het Atlas-onderzoek zijn telefoongesprekken van het getapte mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 1] uitgeluisterd en woordelijk uitgewerkt. Voornoemd telefoonnummer is gedurende het hele onderzoek in gebruik geweest bij verdachte.

Op 29 maart 2013 tussen 00.59 uur en 01.16 uur werden er gesprekken gevoerd tussen verdachte en de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2]. In deze gesprekken werd tegen de gebelde onder andere gezegd dat hij een kogel in zijn hoofd zou krijgen.

De relaterende verbalisant heeft in de uitgeluisterde gesprekken de stem van verdachte herkend. Volgens de verbalisant en zoals ter terechtzitting in het afgespeelde fragment van het telefoongesprek te horen is geweest, sprak degene die de bedreigingen uitte met een ‘hoge stem’.

De politie heeft vervolgens gebeld met het nummer [telefoonnummer 2]. De telefoon werd opgenomen door een persoon die verklaarde te zijn: [slachtoffer 7]. Hij bevestigde dat hij eind maart 2013 via de telefoon bedreigd werd door een persoon die zijn stem had verdraaid.

De verdachte heeft ter terechtzitting de ten laste gelegde bedreiging ontkend.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte degene is die de bedreigende woorden via de telefoon heeft geuit. De rechtbank acht de herkenning van de vervormde stem door één verbalisant onvoldoende om vast te kunnen stellen dat het de verdachte was die op dat moment gebruik maakte van zijn telefoon. Dat met het telefoonnummer van verdachte is gebeld maakt dit niet anders. Op het ter terechtzitting afgespeelde fragment van het telefoongesprek zijn immers andere personen op de achtergrond te horen, zodat niet uitgesloten kan worden dat een ander dan de verdachte op dat moment gebruik maakte van zijn telefoon.

De rechtbank zal de verdachte derhalve vrijspreken van de ten laste gelegde bedreiging.

Ten aanzien van parketnummer 09/655573-12: 25

Op 11 oktober 2012 om 11.09 heeft een poging tot woningbraak plaatsgevonden op het [adres 7] te Den Haag. Omstreeks 11.10 uur ontdekte een politieagent, die aanwezig was in de straat, de inbraak omdat het alarm van de woning afging. Ook werd de buurman gealarmeerd en hij heeft 112 gebeld.26

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich aan deze poging tot inbraak heeft schuldig gemaakt en overweegt hiertoe als volgt.

Op 11 oktober 2012 omstreeks 11.06 uur hoorde[getuige 3] het alarm van de buren afgaan. Hij keek in de achtertuin van nummer [adres 7] gelegen aan de [adres 7] en zag dat er buiten de tuin en in de tuin twee personen stonden. Voorts kwam er een derde persoon vanaf de achterdeur van de woning met nummer [adres 7] aangelopen. Vervolgens zijn de drie personen weggerend. [getuige 3] heeft aan de politie een omschrijving gegeven van de drie personen.27

Op 11 oktober 2012 hoorde ook een surveillerende politieagent en een gemeentelijk opsporingsambtenaar een alarm afgaan komende vanuit de percelen gelegen aan de [adres 7]. Zij zagen twee jongens in de tuin van nummer [adres 7] die over de schutting klommen en een derde jongen die buiten de tuin stond. Het signalement van de drie jongens is via de portofoon doorgegeven aan de centrale meldkamer van de politie Haaglanden.28

Kort hierop heeft de politie een stopteken gegeven aan een voorbijrijdende auto met daarin vier inzittenden. Drie van hen voldeden aan het gegeven signalement van eerder genoemde jongens. De vier personen in de auto ([verdachte], [medeverdachte 9], [medeverdachte 10], [medeverdachte 11]) zijn vervolgens aangehouden op verdenking van woninginbraak.29

Medeverdachte [medeverdachte 10] heeft bij de politie verklaard dat zijn moeder als hulp in de huishouding werkzaam is geweest in een erg mooi huis, met huisnummer [adres 7].

De moeder van [medeverdachte 10] is gestopt met haar werk in die woning en vroeg daarom of hij de sleutel kon terugbrengen. [medeverdachte 10] heeft verklaard dat hij de sleutel, voordat hij die afgaf aan de eigenaren, heeft gedupliceerd bij de schoenenboer in winkelcentrum Leidschenveen.

Voorts heeft [medeverdachte 10] verklaard dat hij samen met [medeverdachte 9] en [verdachte] had afgesproken om naar de woning te gaan waar hij de huissleutel van had gedupliceerd. Bij de woning aangekomen zagen zij dat er een alarm op het huis zat. Ze hebben toen besloten om iemand te bellen met een auto, zodat ze snel even de woning in konden gaan om daarna met een auto weg te rijden. [verdachte] heeft toen een vriend, Ryan, gebeld die over een auto beschikt. [verdachte] heeft deze jongen verteld wat zij van plan waren en waarvoor de auto nodig was. Vervolgens zijn [verdachte] en [medeverdachte 9] naar de achterzijde van de woning gelopen en zijn over de schutting van de woning geklommen. Ryan zat in de auto en [medeverdachte 10] stond aan de achterzijde van de woning op de uitkijk. [medeverdachte 10] weet niet meer of hij de sleutel aan [verdachte] of [medeverdachte 9] had gegeven. Eén van hen heeft de deur van de woning geopend. Meteen ging een luid alarm af. [verdachte] en [medeverdachte 9] zijn meteen weggevlucht. Ze zijn niet in de woning geweest. Met zijn drieën zijn ze naar de auto gerend, zijn ingestapt en weggereden richting Stompwijk.30

Gelet op al het bovenstaande – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich tezamen en in vereniging schuldig heeft gemaakt aan de inbraak in de woning aan de [adres 7] te Den Haag, met een valse sleutel.

Ten aanzien van parketnummer 09/655554-12, feiten 1 en 2: 31

Feit 1:

Op 1 september 2012 heeft [slachtoffer 8] aangifte gedaan van een poging tot zware mishandeling. [slachtoffer 8] heeft bij de politie verklaard dat hij op 1 september 2013 omstreeks 17.30 en 18.00 uur aan het werk was in zijn zaak, restaurant [restaurant 1] De verdachte was in de buurt van de zaak. Plotseling hoorde [slachtoffer 8] de verdachte gillen en zag hij dat de verdachte een mes in zijn handen had. [slachtoffer 8] is toen het restaurant [restaurant 2] binnen gerend en heeft daar een stoel gepakt om zich te beschermen. Personeel is tussen de verdachte en [slachtoffer 8] in gaan staan. De verdachte is hierop uit het restaurant weggegaan en naar de overkant van het terras gelopen. Toen [slachtoffer 8] uit het restaurant kwam zag hij dat de verdachte op hem kwam afrennen. [slachtoffer 8] is vervolgens over het terras gaan rennen zodat de verdachte niet in zijn buurt kon komen. Op een gegeven moment kwam de verdachte zo dichtbij dat het hem gelukt is om [slachtoffer 8] te steken met het mes dat hij in zijn handen had. [slachtoffer 8] voelde de wond direct branden en zag dat het T-shirt dat hij droeg gescheurd was.32

Op 1 september 2012 tussen 18.00 en 19.00 uur zag [slachtoffer 9] dat een jongen genaamd [bijnaam 2], in de richting van haar vader, [slachtoffer 8], rende. Zij zag dat [bijnaam 2] in één van zijn handen een mes vasthield en haar vader het Griekse restaurant binnen rende. Voorts zag [slachtoffer 9] dat haar vader uit het Griekse restaurant kwam en een stoel in zijn hand had om zich te beschermen tegen [bijnaam 2]. [slachtoffer 8] rende vervolgens zijn eigen restaurant en [slachtoffer 9] zag dat [bijnaam 2] weer achter haar vader aanrende en nog steeds een mes in zijn handen had.33

Op 1 september 2012 tussen 18.00 en 19.00 uur was [getuige 4] in restaurant [restaurant 1] Hij hoorde geschreeuw en zag dat een man met een mes in zijn handen in de richting van [slachtoffer 8] liep. Voorts heeft [getuige 4] gezien dat de man een stekende beweging maakte naar [slachtoffer 8].34

De rechtbank acht bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 8], zoals onder 1 primair ten laste gelegd. Vaststaat dat verdachte met een mes in de richting van [slachtoffer 8] heeft gestoken en hem daarbij in de buikstreek heeft geraakt. Door aldus te handelen heeft de verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 8] daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Derhalve acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.

Feit 2:

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende wettig bewijs voorhanden is waaruit volgt dat verdachte zich aan dit feit heeft schuldig gemaakt, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

ten aanzien van parketnummer 09/842168-13:

1.

hij op 22 maart 2013 te Oosterbeek, tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning (gelegen aan de [adres 2], aldaar) heeft weggenomen sieraden en autosleutels, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of andere bewoners van de woning, waarbij verdachte en zijn

mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak (te weten door verbreking van een slaapkamerraam).

2.

hij op 22 maart 2013 te Oosterbeek, tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto, merk Volvo Xc70, kenteken [kenteken 1], toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij verdachte en zijn mededaders het weg te nemen goed onder hun

bereik hebben gebracht door middel van een valse (gestolen) sleutel.

3.

hij op 12 april 2013 in de gemeente Maassluis, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning (gelegen

aan het [adres 3], aldaar) heeft weggenomen sieraden,

kentekenbewijzen en autosleutels, toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of andere bewoners van de woning, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak (te weten door het openbreken van een tuindeur, garagedeur en tussendeur).

4.

hij op 12 april 2013 in de gemeente Maassluis, tezamen en in vereniging met een anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

personenauto, merk Volkswagen Golf, kenteken [kenteken 2], toebehorende aan [slachtoffer 3], waarbij verdachte en zijn mededaders het weg te nemen goed onder

hun bereik hebben gebracht door middel van een valse (gestolen) sleutel.

5.

hij op 17 april 2013 in de gemeente Hellevoetsluis, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning (gelegen

aan de [adres 4], aldaar) heeft weggenomen (een kluis met daarin) paspoorten,

sieraden, autosleutels, waardepapieren, een geldbedrag van EUR 800,00,

buitenlands geld en een gouden pen, toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of andere bewoners van de woning, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak (verbreking van een ruit van een deur).

6.

hij op 8 maart 2013 in de gemeente Hellevoetsluis, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning (gelegen

aan de [adres 5], aldaar) heeft weggenomen een kluis (met daarin

kentekenbewijzen, waardepapieren, buitenlandse valuta, muntgeld en computerbenodigdheden), toebehorende aan [slachtoffer 5] en/of andere bewoners van de woning, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak (openbreken van een keukenraam).

7.

hij op 9 maart 2013 in gemeente Oostvoorne, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning (gelegen aan de [adres 6], aldaar) heeft weggenomen sieraden, een tas, een portemonnee, een rijbewijs, bankpassen, een geldbedrag van EUR 720,00 en horloges, toebehorende aan [slachtoffer 6] en/of andere bewoners van de woning, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak (verbreking van een ruit/raam).

ten aanzien van parketnummer 09/655573-12:

hij op 11 oktober 2012 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning aan het [adres 7] weg te nemen goederen en/of een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer 8], en zich daarbij de

toegang tot voornoemde woning te verschaffen door middel van een valse

sleutel, met zijn mededaders, met een gekopieerde sleutel de achterdeur van voornoemde woning heeft geopend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

ten aanzien van parketnummer 09/655554-12:

1.

hij op 01 september 2012 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 8], opzettelijk zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, in het lichaam van die [slachtoffer 8] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank heeft in de bewezenverklaring de in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten verbeterd, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, een meldplicht, een contactverbod met de medeverdachten, een locatiegebod nader te bepalen door de reclassering en het volgen van behandeling bij de Waag.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten komt heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het feit dat hij nog zeer jong is en hij een blanco strafblad heeft. Voorts heeft de raadsman verzocht om bij strafoplegging aansluiting te zoeken bij het advies van de reclassering. Verdachte staat daarnaast open voor een werkstraf en zal eventuele bijzondere voorwaarden accepteren. Tot slot heeft de raadsman opgemerkt dat een langere onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, dan al doorgebracht in voorlopige hechtenis, het leven van verdachte zwaar onder druk zal zetten.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en/of maatregel is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft zich in een betrekkelijk korte periode meerdere malen, alleen of met anderen, schuldig gemaakt aan woninginbraken. De inbraken vonden, structureel en goed gepland, plaats op het moment dat de bewoners niet thuis waren. Daarbij zijn steeds waardevolle goederen weggenomen, zoals sieraden, geld en waardepapieren.

Ook heeft de verdachte samen met anderen uit een tweetal woningen autosleutels gestolen om daarna de op de oprit geparkeerde auto weg te nemen.

Kennelijk heeft de verdachte enkel gehandeld uit eigen financieel gewin, zonder zich rekenschap te geven van de gevolgen van zijn handelswijze.

Woninginbraken zijn ernstige feiten en veroorzaken niet alleen de nodige materiële en emotionele schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de slachtoffers. Het is voor hen bijzonder onaangenaam om te leven met de wetenschap dat vreemden in de woning zijn geweest en hun persoonlijke bezittingen hebben doorzocht en weggenomen. Dergelijke feiten vergroten voorts in het algemeen de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Hij heeft met een mes richting de buikstreek van aangever gestoken en heeft hem daarbij eenmaal geraakt, met als gevolg een kapot T-shirt en een schram op de buik van aangever. Verdachte is op een ongecontroleerde wijze met zijn agressie omgegaan en heeft door zijn handelen er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de lichamelijke integriteit van anderen. Dergelijke feiten leiden voorts tot gevoelens van onrust in de samenleving en in het bijzonder bij de slachtoffers en bij de mensen die getuige zijn geweest van het geweld.

De rechtbank heeft acht geslagen op het advies, d.d. 20 juni 2013 van de Reclassering Nederland, onder meer inhoudend, verkort en zakelijk weergegeven:

De verdachte beroept zich op zijn zwijgrecht, waardoor het voor de rapporteur niet mogelijk is om delictgedrag vast te stellen. Wel kan vastgesteld worden dat er zorgen op verschillende leefgebieden zijn. De verdachte heeft geen inkomen, geen diploma en geen werkervaring. Zijn vrienden hebben veelal contact met justitie en hij lijkt de vaardigheden om problemen op te lossen en zijn agressie onder controle te houden onvoldoende te beheersen. Daarnaast lijkt de verdachte zich weinig te kunnen verplaatsen in de slachtoffers. Het recidiverisico wordt als ‘hoog’ geschat. De Reclassering adviseert een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met een groot voorwaardelijk strafdeel. Hierbij worden de volgende bijzondere voorwaarden geadviseerd: meldplicht, behandelverplichting en een locatiegebod.

De rechtbank heeft in haar oordeel over de strafmaat tevens betrokken dat de verdachte zowel bij de politie als ter terechtzitting geen openheid van zaken heeft willen geven, ondanks dat er veel belastend bewijs tegen hem was. Hij heeft daardoor geen enkel teken van berouw voor zijn daden gegeven of verantwoordelijkheid daarvoor willen nemen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden een passende reactie is op het gedrag van de verdachte.

Als extra waarborg om de verdachte te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten zal de rechtbank een gedeelte van de gevangenisstraf, te weten 6 maanden, voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van drie jaren. Tevens zal de verdachte zich gedurende die proeftijd moeten gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens Reclassering Nederland, ook als dit inhoudt het volgen van een behandeling bij De Waag. Daarnaast zal de verdachte zich gedurende één jaar moeten houden aan een locatiegebod en een contactverbod met de medeverdachten.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 5.514,66.

[slachtoffer 4] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 42.992,35.

[slachtoffer 6] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 13.675,56.

[slachtoffer 8] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 574,14.

7.1

De vordering van de officier van justitie

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1]:

De officier van justitie heeft gerequireerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 4]:

De officier van justitie heeft gerequireerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 6]:

De officier van justitie heeft gerequireerd tot gedeeltelijke en hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € € 490,- en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 8]:

De officier van justitie heeft gerequireerd tot gedeeltelijke en hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 248,83 (€ 98,83 in verband met materiële schade en € 150,- in verband met immateriële schade) en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1]:

De raadsman heeft primair verzocht om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman niet-ontvankelijkheid van de vordering bepleit, vanwege een onevenredige belasting van het strafgeding. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering af te wijzen, vanwege het feit dat er twijfel bestaat over de hoogte van de gevorderde bedragen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 4]:

De raadsman heeft primair verzocht om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman niet-ontvankelijkheid van de vordering bepleit, vanwege een onevenredige belasting van het strafgeding. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering af te wijzen, vanwege het feit dat er twijfel bestaat over de hoogte van de gevorderde bedragen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 6]:

De raadsman heeft primair verzocht om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman niet-ontvankelijkheid van de vordering bepleit, vanwege een onevenredige belasting van het strafgeding. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering af te wijzen, vanwege het feit dat er twijfel bestaat over de hoogte van de gevorderde bedragen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 8]:

De raadsman heeft primair verzocht om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de vordering af te wijzen. De raadsman heeft aangevoerd dat niet is aangetoond dat vervanging van de sloten noodzakelijk was en het aanschaffen van een nieuwe kluis is geen rechtstreekse schade van de poging tot woninginbraak. De raadsman heeft eveneens verzocht de gevorderde materiële schade af te wijzen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1]:

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op post 3 (sieraden

€ 8999,-), de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De verzekeringsmaatschappij heeft, zo maakt de rechtbank op uit de ingediende vordering, een bedrag van € 6000,- voor de sieraden uitgekeerd. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd waarom het resterende bedrag toegewezen dient te worden. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten 4 (taxatiekosten juwelier) en 6 (braakschade), de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien uit de vordering blijkt dat de benadeelde partij deze schade vergoed heeft gekregen van de verzekering.

De vordering ten aanzien van posten 1, 2, 5 en 10 is, hoewel namens de verdachte betwist, voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Daarnaast is uit het onderzoek ter terechtzitting vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bij dagvaarding met parketnummer 09/842168-13 onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten. Deze posten zijn daarom voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank zal het reeds door de verzekering uitgekeerde bedrag (reisverzekering, totaal € 3.234,48) in mindering brengen.

De rechtbank zal derhalve de vordering gedeeltelijk en hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 2.515,66.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bij dagvaarding met parketnummer 09/842168-13 onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot (hoofdelijke) betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.515,66, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1].

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 4]:

De rechtbank zal het deel van de vordering, groot € 48.000, dat betrekking heeft op de sieraden onder post 1 (materiële schade) niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank acht bewezen dat de kluis van mevrouw [slachtoffer 4] uit haar woning is weggenomen. In die kluis zaten waardevolle sieraden. In 1991 is een deel van die sieraden getaxeerd op 44.500 gulden. Dat de waarde van die sieraden nu

€ 40.000 is, acht de rechtbank enkel op een mondelinge omschrijving door aangeefster tegenover haar verzekeraar, voor behandeling tijdens het strafproces onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank acht de overige posten, die betrekking hebben op de materiële schade, voor toewijzing vatbaar. Hoewel deze schade namens de verdachte is betwist, acht de rechtbank dit deel van de vordering, gelet op de omvang van de gevorderde kosten aannemelijk en voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Daarnaast is uit het onderzoek ter terechtzitting vast komen te staan dat de benadeelde partij deze schade rechtstreeks heeft geleden als gevolg van het bij dagvaarding met parketnummer 09/842168-13 onder 5 bewezenverklaarde feit.

Ter zake van de gevorderde immateriële schade, gelet op hetgeen de benadeelde partij ter toelichting in haar vordering heeft aangevoerd, zal de rechtbank naar billijkheid een bedrag van € 150,- toewijzen.

De rechtbank zal derhalve de vordering gedeeltelijk en hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 3.049,94 .

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bij dagvaarding met parketnummer 09/842168-13 onder 5 bewezenverklaarde feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling (hoofdelijke) aan de Staat van een bedrag groot € 3.049,94, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 4].

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 6]:

De rechtbank zal een deel van de vordering, groot € 490,-, dat betrekking heeft op de sieraden onder post 4 (kettingen en horloges) toewijzen. Hoewel deze schade namens de verdachte is betwist, acht de rechtbank dit deel van de vordering, gelet op de omvang van de gevorderde kosten aannemelijk en voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Daarnaast is uit het onderzoek ter terechtzitting vast komen te staan dat de benadeelde partij deze schade rechtstreeks heeft geleden als gevolg van het bij dagvaarding met parketnummer 09/842168-13 onder 7 bewezenverklaarde feit. Het overige bedrag van deze post zal de rechtbank niet-ontvankelijk verklaren, omdat de benadeelde dat deel door de verzekering vergoed zal krijgen.

De rechtbank zal de vordering voor de overige posten niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat thans niet bekend is welk bedrag de verzekeringsmaatschappij aan de benadeelde partij gaat of reeds heeft uitgekeerd.

De rechtbank zal derhalve de vordering gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van

€ 490,- en het overige niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bij dagvaarding met parketnummer 09/842168-13 onder 7 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 490,-, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 6].

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 8]:

De vordering ten aanzien van post 1 (sloten) is, hoewel namens de verdachte betwist, voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Daarnaast is uit het onderzoek ter terechtzitting vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit. Eén van de verdachten heeft immers de huissleutel gedupliceerd en vervanging van de sloten is derhalve noodzakelijk. Deze post is daarom voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank zal de vordering ten aanzien van post 2 (kluis) afwijzen, aangezien aan de benadeelde partij op dit punt niet rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank acht de gevorderde immateriële schade (post 3), groot € 150,-, naar billijkheid toewijsbaar.

De rechtbank zal het reeds door de verzekering uitgekeerde bedrag aan de benadeelde (€ 413,95) in mindering brengen.

De rechtbank zal derhalve de vordering gedeeltelijk en hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 248,83 en het overige niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bij dagvaarding met parketnummer 09/655573-12 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 248,83, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 8].

8 De inbeslaggenomen goederen

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 1 genummerde voorwerp zal worden onttrokken aan het verkeer.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over het in beslag genomen goed.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien

dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 14d, 36b, 36d, 36f, 45, 57, 302, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding met parketnummer 09/842168-13 onder 8 en bij dagvaarding met parketnummer 09/655554-12 onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding met parketnummer onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en bij dagvaarding met parketnummer 09/655573-12 onder 1 en bij dagvaarding met parketnummer 09/655554-12 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

dagvaarding met parketnummer 09/842168-13:

ten aanzien van feiten 1, 3, 5, 6:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feiten 2 en 4:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 7:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

dagvaarding met parketnummer 09/6555573-12:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;

dagvaarding met parketnummer 09/655554-12:

poging tot zware mishandeling;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 6 maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd bij Reclassering Nederland te Bezuidenhoudseweg 179 te ’s-Gravenhage zal melden, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen bij (Forensiche) psychiatrie – Top Team De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- dat de veroordeelde gedurende het eerste jaar van de proeftijd op een nader door de reclassering te bepalen locatie aanwezig zal zijn, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- dat de veroordeelde gedurende het eerste jaar van de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect en ook niet digitaal – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [medeverdachte 6], [medeverdachte 2], [medeverdachte 7], [medeverdachte 5], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 8];

waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1]:

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk en hoofdelijk toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1], een bedrag van € 2.515,66;

met bepaling dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededaders aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededaders opgelegde, verplichting tot betaling aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat zij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.515,66 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 4]:

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk en hoofdelijk toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 4], een bedrag van € 3.049,94;

met bepaling dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededaders aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededaders opgelegde, verplichting tot betaling aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat zij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 3.049,94 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 4];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 6]:

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan

[slachtoffer 6], een bedrag van € 490,-;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat hij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 490,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 6];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 9 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 8]:

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan

[slachtoffer 8], een bedrag van € 248,83;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van post 2, groot € 325,31, af;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 248,83 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 8];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 4 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten: een huls.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A. van Steen, voorzitter,

mrs. M. Kramer en M. Dam, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.H. van Limpt, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 november 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1521 2013013128, van de regiopolitie Haaglanden, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 1711).

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 10], 13 april 2013, p. 228-229; proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer 2] met bijlage, 16 april 2013, p. 241-242.

3 Proces-verbaal van observeren op 12 april 2013, 24 april 2013, p. 363-364.

4 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1], 25 maart 2013, p. 221-222.

5 Proces-verbaal van bevindingen, 27 maart 2013, p. 304-305.

6 Proces-verbaal van bevindingen, 30 maart 2013, p. 315-316.

7 Proces-verbaal van bevindingen, 9 april 2013, p. 328-329

8 Proces-verbaal van bevindingen, met bijlage, 15 april 2013, p. 410-412.

9 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 4], 17 april 2013, p. 244; proces-verbaal verhoor aangeefster [slachtoffer 4] met bijlage, 23 april 2013, p. 248-254.

10 Proces-verbaal van bevindingen, 22 april 2013, p. 413.

11 Proces-verbaal van bevindingen, 30 april 2013, p. 433.

12 Proces-verbaal van bevindingen, met bijlage, 10 mei 2013, p. 601-602 en 615.

13 Proces-verbaal van bevindingen, 2 mei 2013, p. 478-479.

14 Proces-verbaal verhoor aangeefster [slachtoffer 4], 10 mei 2013, p. 567.

15 Proces-verbaal van bevindingen, 23 april 2013, p. 416.

16 Proces-verbaal van bevindingen 23 april 2013, p. 414; proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], 22 april 2013, p. 485.

17 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 5], 8 maart 2013, p. 879-883.

18 Proces-verbaal van bevindingen 17 april 2013, p. 1030.

19 Proces-verbaal van bevindingen 10 maart 2013, p. 1036; proces-verbaal van bevindingen 5 mei 2013, p. 1040-1041.

20 Proces-verbaal van bevindingen 5 mei 2013, p. 1041.

21 Proces-verbaal van bevindingen, 10 maart 2013, p. 1032.

22 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 6], 9 maart 2013, p. 1488-1495.

23 Proces-verbaal verhoor aangever [getuige 2], 25 maart 2013, p. 1498.

24 Proces-verbaal van bevindingen 18 april 2013, p. 1500-1501.

25 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1535 2012217830-22, van de regiopolitie Haaglanden, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 199).

26 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 8], 11 oktober 2012, p. 67-77.

27 Proces-verbaal verhoor getuige[getuige 3], 11 oktober 2012, p. 71-72

28 Proces-verbaal van bevindingen, 11 oktober 2012, p. 78-79; proces-verbaal gemeente Den Haag Dienst Stadsbeheer 11 oktober 2012, p. 80-81.

29 Proces-verbaal van bevindingen 11oktober 2012, p. 83-84.

30 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 10], 11 oktober 2012, p. 109-110.

31 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1535 2012186475, van de regiopolitie Haaglanden, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 46).

32 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 8], 1 september 2012, p. 16; proces-verbaal verhoor aangever [slachtoffer 8], met bijlage, 8 september 2012, p. 21 en 24-25;

33 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 9], 13 september 2013, p. 28-29.

34 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 4], 21 september 2012, p. 30-31.