Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:15459

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
15-11-2013
Zaaknummer
AWB 13/20309
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Turkse zelfstandige, Inreisverbod

Niet in geschil is dat Besluit 1/80 niet van toepassing is, aangezien verzoeker geen verblijf beoogt als werknemer, zodat daarin geen grond is gelegen tot opheffing van het inreisverbod. Uit artikel 6.5, tweede lid, aanhef en onder g, Vb in samenhang met artikel 6.5, derde lid, Vb volgt evenwel dat verweerder het inreisverbod tevens dient op te heffen indien uitzetting van de vreemdeling in strijd zou zijn met de Associatieovereenkomst of het Aanvullend Protocol. Het ter zitting door verweerder ingenomen standpunt dat deze bepaling in het onderhavige geval niet van toepassing is, omdat uitzetting van verzoeker op dit moment niet aan de orde is, volgt de voorzieningenrechter niet. De aanvraag van verzoeker is immers afgewezen. Op grond van artikel 27 Vw heeft dat besluit van rechtswege tot gevolg dat verzoeker kan worden uitgezet. Verweerder zal dus dienen te beoordelen of die uitzetting in strijd zou zijn met de Associatieovereenkomst of het Aanvullend Protocol.

De voorzieningenrechter volgt verweerder evenmin in zijn (subsidiaire) standpunt dat verzoeker geen rechten kan ontlenen aan de standstill-bepaling van artikel 41, eerste lid, Aanvullend Protocol, omdat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 20 september 2007 in de zaak C-16/05, Tum & Dari tegen Secretary of State for the Home Department (ECLI:NL:XX:2007:BB8030) volgt dat artikel 41, eerste lid, Aanvullend Protocol van toepassing is, ook al heeft de vreemdeling geen rechtmatig verblijf en is in die zin sprake van een eerste toelating (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 maart 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BC6595)).

De standstillbepaling van artikel 41, eerste lid, Aanvullend Protocol houdt in dat zij de invoering van nieuwe maatregelen verbiedt die tot doel of gevolg zouden hebben de vestiging van Turkse staatsburgers in een lidstaat te onderwerpen aan restrictievere voorwaarden dan die op 1 januari 1973 golden. Niet is gebleken dat op 1 januari 1973 reeds de mogelijkheid bestond een inreisverbod, of een soortgelijke maatregel, op te leggen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is daarom het in het bestreden besluit tegenwerpen van het aan verzoeker opgelegde inreisverbod, zonder onderzoek naar de vraag of aan de vereisten voor het verlenen van de door verzoeker gevraagde verblijfsvergunning wordt voldaan, in strijd met artikel 41, eerste lid, Aanvullend Protocol. Gelet op het bepaalde in artikel 6.5, tweede lid, aanhef en onder g, Vb in samenhang met artikel 6.5, derde lid, Vb zal verweerder derhalve inhoudelijk dienen te beoordelen of verzoeker in aanmerking komt voor de door hem gevraagde verblijfsvergunning en zal verweerder het inreisverbod dienen op te heffen indien dat het geval zou zijn.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/20309

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 november 2013 in de zaak tussen

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum], van Turkse nationaliteit,

verzoeker,

(gemachtigde: mr. J.P. Sanchez Montoto, advocaat te Wassenaar),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. C. Brand, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker van 16 november 2012 tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor het doel ‘arbeid als zelfstandig’ voor de onderneming [naam 1] B.V. afgewezen.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt verweerder te verbieden hem uit te zetten tot vier weken nadat verweerder op het bezwaar heeft beslist.

Verweerder heeft op 18 oktober 2013 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2013. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.

Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.

De voorzieningenrechter betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Verzoeker heeft eerder, op 29 maart 2012, een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘het verrichten van arbeid als zelfstandige’ voor de onderneming [naam 2]. De aanvraag is bij besluit van 4 september 2012 afgewezen, waarbij aan verzoeker tevens een inreisverbod is opgelegd als bedoeld in artikel 66a, zesde lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) voor de duur van twee jaren op (onder meer) de gronden dat meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning zijn afgewezen en verzoeker niet heeft voldaan aan de verplichting Nederland te verlaten. Verzoeker heeft tegen voornoemd besluit geen rechtsmiddelen aangewend zodat dit in rechte vaststaat. De voorliggende aanvraag met als doel ‘het verrichten van arbeid als zelfstandige’ voor de onderneming [naam 1] B.V. heeft verzoeker ingediend op 16 november 2012.

3.

Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker afgewezen en zich daartoe op het standpunt gesteld dat verzoeker, gelet op zijn inreisverbod van 4 september 2012, geen rechtmatig verblijf kan hebben. Verweerder heeft daarom de aanvraag niet inhoudelijk beoordeeld. Verzoeker beoogt verblijf onder een beperking verband houdend met een verblijfsdoel dat niet wordt genoemd in artikel 6.5, tweede lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Er bestaat daarom geen reden het inreisverbod op te heffen.

4.

Verzoeker heeft aangevoerd dat verweerder zijn aanvraag inhoudelijk had moeten beoordelen, omdat hij als Turkse zelfstandige een beroep kan doen op de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije van 12 september 1963, Trb. 1964, 217 (de Associatieovereenkomst) en het Aanvullend Protocol bij die overeenkomst van 23 november 1970, Trb. 1971, 70 (het Aanvullend Protocol). Verzoeker heeft zich beroepen op de standstill-bepaling van artikel 41, eerste lid, Aanvullend Protocol. Verweerder had zijn aanvraag dan ook inhoudelijk moeten beoordelen. Indien verzoeker voldoet aan de voorwaarden voor het verlenen van een verblijfsvergunning voor arbeid als zelfstandige, zal het inreisverbod dienen te worden opgeheven. Door alleen te verwijzen naar het inreisverbod heeft verweerder in strijd gehandeld met het associatierecht.

4.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van strijd met het associatierecht. Het inreisverbod jegens verzoeker blijft gehandhaafd, nu verzoeker geen verblijf beoogt op grond van Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie (Besluit 1/80), noch de overige verblijfsdoelen genoemd in artikel 6.5, tweede lid Vb aan de orde zijn. De standstill-bepalingen van het associatierecht staan niet in de weg aan het handhaven van het inreisverbod, nu die bepalingen niet zien op vreemdelingen die illegaal hier te lande verblijven.

4.2

Ingevolge artikel 6.5, tweede lid, aanhef en onder g, Vb wordt tegen een vreemdeling geen inreisverbod uitgevaardigd, indien deze in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van Besluit 1/80, of niet wordt uitgezet om reden dat diens uitzetting in strijd zou zijn met de Associatieovereenkomst, het Aanvullend Protocol of genoemd Besluit 1/80.
Ingevolge artikel 6.5, derde lid, Vb wordt het inreisverbod opgeheven, indien zich een van de gevallen, bedoeld in het tweede lid, voordoet.

4.3

Niet in geschil is dat Besluit 1/80 niet van toepassing is, aangezien verzoeker geen verblijf beoogt als werknemer, zodat daarin geen grond is gelegen tot opheffing van het inreisverbod. Uit artikel 6.5, tweede lid, aanhef en onder g, Vb in samenhang met artikel 6.5, derde lid, Vb volgt evenwel dat verweerder het inreisverbod tevens dient op te heffen indien uitzetting van de vreemdeling in strijd zou zijn met de Associatieovereenkomst of het Aanvullend Protocol. Het ter zitting door verweerder ingenomen standpunt dat deze bepaling in het onderhavige geval niet van toepassing is, omdat uitzetting van verzoeker op dit moment niet aan de orde is, volgt de voorzieningenrechter niet. De aanvraag van verzoeker is immers afgewezen. Op grond van artikel 27 Vw heeft dat besluit van rechtswege tot gevolg dat verzoeker kan worden uitgezet. Verweerder zal dus dienen te beoordelen of die uitzetting in strijd zou zijn met de Associatieovereenkomst of het Aanvullend Protocol.
De voorzieningenrechter volgt verweerder evenmin in zijn (subsidiaire) standpunt dat verzoeker geen rechten kan ontlenen aan de standstill-bepaling van artikel 41, eerste lid, Aanvullend Protocol, omdat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 20 september 2007 in de zaak C-16/05, Tum & Dari tegen Secretary of State for the Home Department (ECLI:NL:XX:2007:BB8030) volgt dat artikel 41, eerste lid, Aanvullend Protocol van toepassing is, ook al heeft de vreemdeling geen rechtmatig verblijf en is in die zin sprake van een eerste toelating (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 maart 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BC6595)).
De standstillbepaling van artikel 41, eerste lid, Aanvullend Protocol houdt in dat zij de invoering van nieuwe maatregelen verbiedt die tot doel of gevolg zouden hebben de vestiging van Turkse staatsburgers in een lidstaat te onderwerpen aan restrictievere voorwaarden dan die op 1 januari 1973 golden. Niet is gebleken dat op 1 januari 1973 reeds de mogelijkheid bestond een inreisverbod, of een soortgelijke maatregel, op te leggen op (onder meer) de gronden dat meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning zijn afgewezen en de vreemdeling niet heeft voldaan aan de verplichting Nederland te verlaten, met als rechtsgevolg dat reeds op die grond een (nieuwe) aanvraag kon worden afgewezen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is daarom het in het bestreden besluit tegenwerpen van het aan verzoeker opgelegde inreisverbod, zonder onderzoek naar de vraag of aan de vereisten voor het verlenen van de door verzoeker gevraagde verblijfsvergunning wordt voldaan, in strijd met artikel 41, eerste lid, Aanvullend Protocol. Gelet op het bepaalde in artikel 6.5, tweede lid, aanhef en onder g, Vb in samenhang met artikel 6.5, derde lid, Vb zal verweerder derhalve inhoudelijk dienen te beoordelen of verzoeker in aanmerking komt voor de door hem gevraagde verblijfsvergunning en zal verweerder het inreisverbod dienen op te heffen indien dat het geval zou zijn.

5.

Nu verweerder desgevraagd ter zitting geen (subsidiair) inhoudelijk standpunt heeft ingenomen over de door verzoeker ingediende aanvraag en verzoeker heeft verklaard in bezwaar nadere stukken te zullen indienen ter onderbouwing van zijn aanvraag, kan het bezwaar van verzoeker op voorhand een redelijke kans van slagen niet worden ontzegd. De voorzieningenrechter merkt in dit verband op dat verzoeker, zoals ter zitting besproken, in bezwaar nadere duidelijkheid zal verschaffen op welke onderneming zijn aanvraag betrekking heeft, nu de aanvraag, het door verzoeker overgelegde ondernemingsplan en de jaarrekeningen betrekking lijken te hebben op een andere onderneming ([naam 1] B.V.) dan blijkt uit het overgelegde uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en de akte tot levering van aandelen ([naam 3] B.V.).

6.

Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toewijzen.

7.

De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb verweerder opdragen het betaalde griffierecht te vergoeden.

8.

De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 944,- (1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- verbiedt verweerder verzoeker uit te zetten tot vier weken nadat verweerder op het bezwaar heeft beslist;

- draagt verweerder op € 160,- te betalen aan verzoeker als vergoeding voor het griffierecht;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 944,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I. Boland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.