Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:15396

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-11-2013
Datum publicatie
26-11-2013
Zaaknummer
C-09-451367
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vorderingen strekkende tot intrekking arrestatiebevelen en het verbieden van medewerking aan kinderbeschermingsmaatregelen afgewezen, na eerder kort geding en eerdere bodemprocedure over dezelfde vorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/451367 / KG ZA 13-1093

Vonnis in kort geding van 7 november 2013

in de zaak van

1 [A],

2. [B],

beiden wonende te [woonplaats], Duitsland,

eisers,

advocaat mr. H.F.M. Struycken te Amsterdam,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden,

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M.M.C. van Graafeiland te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eisers’ en ‘de Staat’.

1 Het procesverloop

Eisers hebben de Staat op 2 oktober 2013 doen dagvaarden om op 31 oktober 2013 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. Bij brief van 17 oktober 2013 hebben eisers verzocht in afwachting van de zitting een spoedvoorziening te treffen. Dat verzoek is bij brief van 23 oktober 2013 afgewezen.

De zaak is op 31 oktober 2013 behandeld. Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 31 oktober 2013 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Eisers zijn de ouders van drie minderjarige kinderen (hierna: de kinderen). Bij beschikking van 25 november 2011 van de kinderrechter zijn de kinderen, op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, voorlopig onder toezicht gesteld en is een voorlopige machtiging tot uithuisplaatsing gegeven aan Bureau Jeugdzorg te Groningen. Eisers zijn in november 2011 met de kinderen geëmigreerd naar Duitsland.

2.2.

Op 6 december 2011 heeft Bureau Jeugdzorg aangifte gedaan van, kort gezegd, onttrekking door eisers van de kinderen aan het toezicht van Bureau Jeugdzorg.

2.3.

Bij beschikking van 14 december 2011 is de beschikking van 25 november 2011 bekrachtigd, zijn de kinderen definitief onder toezicht gesteld en is er een voorlopige machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling.

2.4.

De kinderen zijn op 23 december 2011 op grond van de beschikking van 14 december 2011 door het Duitse Jugendambt ondergebracht in een kindertehuis. Op 27 december 2011 zijn Europese arrestatiebevelen jegens eisers uitgevaardigd. Nadat de kinderen op dezelfde datum zijn overgedragen aan Bureau Jeugdzorg, zijn die arrestatiebevelen weer ingetrokken.

2.5.

Bij arrest van 1 maart 2012 is het hoger beroep van eisers tegen de voorlopige ondertoezichtstelling afgewezen en zijn de beschikkingen van 25 november en 14 december 2011 voor het overige bekrachtigd. Het Hof Leeuwarden heeft in daartoe onder meer overwogen dat de Nederlandse rechter bevoegd is (geweest) om over de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing te beslissen. Het cassatieberoep daartegen is door de Hoge Raad verworpen.

2.6.

Eisers hebben deze rechtbank bij verzoekschrift van 19 juni 2012 verzocht de beschikkingen van 25 november 2011, 14 december 2011 en 1 maart 2012 nietig te verklaren, de teruggeleiding van de kinderen naar Duitsland te gelasten en voor recht te verklaren dat de feitelijke uithuisplaatsing onrechtmatig is. Op 20 juli 2012 heeft deze rechtbank de verzoeken afgewezen en ten aanzien van de gevorderde verklaring voor recht bevolen dat de procedure wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure. De beschikking is in hoger beroep bekrachtigd en ook in cassatie hadden eisers geen succes. In genoemde dagvaardingsprocedure heeft deze rechtbank op 20 maart 2013 geoordeeld dat geen sprake is van onrechtmatig handelen of nalaten en evenmin van de schending van enige bepaling van internationaal recht. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat de beschikkingen tot (verlenging van de) uithuisplaatsing en ondertoezichtstelling niet behoefden te worden betekend. Eisers hebben hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis.

2.7.

Op 28 september 2012 hebben eisers de kinderen opnieuw meegenomen naar Duitsland. Bureau Jeugdzorg heeft daarvan diezelfde dag aangifte gedaan en daarbij te kennen gegeven dat de veiligheid van de kinderen (mogelijk) in gevaar is. Mede gelet op dit veiligheidsrisico heeft de officier van justitie vervolgens Europese arrestatiebevelen jegens eisers uitgevaardigd op grond van, kort gezegd, onttrekking aan het opzicht als bedoeld in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

2.8.

Eisers hebben het openbaar ministerie meermaals verzocht de opsporingsactiviteiten te staken, welke verzoeken zijn geweigerd. Vervolgens hebben eisers een kort geding aanhangig gemaakt bij de rechtbank Groningen. In die procedure vorderden eisers onder meer beëindiging van alle opsporingsactiviteiten en intrekking van de arrestatiebevelen. Die vorderingen zijn in eerste aanleg (op 14 december 2012) en in hoger beroep (op 4 juni 2013) afgewezen. In het cassatieberoep heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid.

2.9.

In maart 2013 zijn eisers en de kinderen uitgeschreven uit het bevolkingsregister van [woonplaats] in Duitsland.

2.10.

Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft bij beschikking van 27 juni 2013 de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing tot 25 februari 2014 verlengd.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen, zakelijk weergegeven:

I. de Staat te bevelen alle arrestatiebevelen jegens eisers in te trekken en opdracht te geven aan de Duitse en Nederlandse autoriteiten de opsporingsmaatregelen te beëindigen;

II. de Staat te verbieden medewerking te verlenen aan de tenuitvoerlegging van machtigingen tot uithuisplaatsing of andere kinderbeschermingsmaatregelen;

III. de Staat te bevelen de uitschrijving van eisers van het adres [woonplaats], [adres] ongedaan te maken;

alles op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.2.

Daartoe voeren eisers het volgende aan. Eisers worden door de arrestatiebevelen belemmerd in hun aanwezigheidsrecht bij de verschillende procedures die lopen. De arrestatiebevelen zijn volstrekt ten onrechte uitgevaardigd en dienen geen enkel gerechtvaardigd (strafvorderlijk) doel. Een strafvorderlijke bevoegdheid behoort te berusten op een redelijke verdenking dat eisers zich schuldig hebben gemaakt aan een strafbaar feit. Dat is niet aan de orde. Het gaat immers om de tenuitvoerlegging van een civielrechtelijke beschikking. Volgens de officier van justitie zijn de arrestatiebevelen uitsluitend uitgevaardigd in verband met de tenuitvoerlegging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De vrijheidsbeneming van eisers die beoogd wordt met de arrestatiebevelen heeft dus enkel het doel om eisers te dwingen de kinderen af te staan aan Bureau Jeugdzorg. Gelet daarop is sprake van misbruik van bevoegdheid. Daarbij komt dat de bevoegdheid tot uithuisplaatsing inmiddels is komen te vervallen. Nu de arrestatiebevelen strekken tot de tenuitvoerlegging van de beschikking waarin uithuisplaatsing is bevolen, is handhaving daarvan ook om die reden onrechtmatig.

Aanhouding van eisers is in strijd met het Kinderontvoeringsverdrag. Het weghalen van de kinderen uit Duitsland en het brengen van hen in de Nederlandse rechtssfeer, zoals dat eind 2011 is gebeurd, is onrechtmatig. De bevoegdheid van de betrokken juridische instanties voor het treffen van kinderbeschermingsmaatregelen wordt (steeds) gebaseerd op de grond dat de kinderen in Nederland hun gewone verblijfplaats hebben behouden, terwijl de kinderen al in Duitsland woonden. Nu de vraag of sprake is van een legitieme ondertoezichtstelling nog onder de rechter is en het zeer kwestieus is of het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging, kan er geen sprake zijn van een strafbaar feit gepleegd door eisers. De rechter die bevoegd is het feit te beoordelen, is de Duitse rechter. Het feit is en wordt immers begaan in Duitsland en de verdachten hebben daar hun woon- en verblijfplaats. Bureau Jeugdzorg heeft de termijn van een jaar ongebruikt laten verstrijken om de Duitse rechter te laten vaststellen dat er sprake is van kinderontvoering. Er is dan ook geen te respecteren belang meer voor de Nederlandse justitie om eisers nog voor kinderontvoering te vervolgen in Nederland.

Eisers hebben er een spoedeisend belang bij dat zij de kinderen ongestoord naar school kunnen laten gaan en voor de nodige veiligheid en hulpverlening voor de kinderen zorg kunnen dragen. Dat wordt belet door de Staat.

Bureau Jeugdzorg en de Staat hebben eisers en de kinderen in maart 2013 met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2012 laten uitschrijven uit het bevolkingsregister van [woonplaats] in Duitsland om hen in een ongunstige juridische positie te plaatsen. Eisers zijn dan immers zonder bekende woon- en/of verblijfplaats in Duitsland.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Eisers leggen aan hun vordering ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hen handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vorderingen gegeven.

intrekking arrestatiebevelen en beëindiging opsporingsmaatregelen

4.2.

In een kortgedingprocedure bij de rechtbank Groningen hebben eisers feitelijk hetzelfde gevorderd als het deel van hun vordering in deze procedure zoals hiervoor vermeld onder I. In het vonnis van 14 december 2012 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen dan ook reeds beoordeeld of de Staat bevoegd is het jegens eisers aangevangen strafrechtelijk onderzoek en de in dat kader verrichte opsporingsactiviteiten voort te zetten. Die beoordeling heeft geleid tot een negatieve uitkomst voor eisers en is bekrachtigd in hoger beroep. De thans gevorderde voorziening als genoemd onder I komt inhoudelijk neer op een herbeoordeling van hetzelfde feitencomplex. Dat hebben eisers op zichzelf ook niet bestreden.

4.3.

Een vonnis in kort geding bevat slechts voorlopige oordelen, waaraan partijen noch in een bodemprocedure, noch in een later kort geding zijn gebonden en heeft dan ook geen gezag van gewijsde. Dit neemt echter niet weg dat het opnieuw en op dezelfde gronden instellen van een vordering, althans het op dezelfde gronden voorleggen van (exact) dezelfde problematiek, wel kan leiden tot het oordeel dat sprake is van misbruik van procesrecht. Daarvoor is – gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen – reden te meer indien van het eerdere vonnis hoger beroep is ingesteld, mede omdat in appel in eerste aanleg gemaakte fouten kunnen worden hersteld en nieuwe c.q. aanvullende argumenten kunnen worden ingebracht ter ondersteuning van de in eerste aanleg aangevoerde grond(slag)en. Het staat een eisende partij echter wel vrij om in een nieuw kort geding aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag te leggen die bij een in een eerder kort geding gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen omdat zij zich eerst na de behandeling van dat kort geding hebben voorgedaan.

4.4.

De stelling van eisers dat de Staat zich voortdurend aan onrechtmatig handelen schuldig maakt, kan niet als een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid worden beschouwd als hiervoor bedoeld. De voorzieningenrechter te Groningen en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zijn immers beide niet tot de conclusie gekomen dat de Staat onrechtmatig jegens eisers handelt. Voornoemde stelling van eisers kan niet tot een andersluidend oordeel leiden.

4.5.

Eisers stellen voorts dat thans geen uitvoering meer kan worden gegeven aan de beschikking van 27 juni 2013 tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing omdat de termijn daarvoor is verstreken. Wat daar ook van zij, die omstandigheid kan – voor de beoordeling van de voorliggende vordering – enkel relevant zijn in het kader van de stelling van eisers dat de Europese arrestatiebevelen slechts de tenuitvoerlegging van civielrechtelijke beschikkingen tot doel hebben. Die stelling is evenwel uitdrukkelijk door de Staat betwist en mist een feitelijke grondslag. Uit de arrestatiebevelen volgt onmiskenbaar dat eisers worden verdacht van overtreding van artikel 279 Sr. Voorts is in de eerdere kortgedingprocedure reeds geoordeeld dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat in redelijkheid niet te begrijpen valt waarom opsporingsactiviteiten jegens eisers worden verricht. Niet valt in te zien dat daar thans anders over dient te worden geoordeeld. De stelling van eisers dat de officier van justitie heeft verklaard dat de arrestatiebevelen geen strafvorderlijk doel hebben, is niet met stukken onderbouwd en kan dan ook niet worden gevolgd.

4.6.

Eisers stellen tot slot dat, na afloop van de eerdere kortgedingprocedure, de termijn voor een procedure in Duitsland tot teruggeleiding van de kinderen is verstreken. Die stelling kan hoe dan ook niet tot toewijzing van het gevorderde leiden, nu de uitvaardiging van de arrestatiebevelen op zichzelf dient te worden beoordeeld en losstaat van de getroffen maatregelen ter bescherming van de kinderen. De vordering als genoemd onder I zal dan ook worden afgewezen.

tenuitvoerlegging kinderbeschermingsmaatregelen

4.7.

Eisers leggen aan hun vordering als genoemd onder II kennelijk ten grondslag dat de beslissingen tot het treffen van kinderbeschermingsmaatregelen niet door bevoegde instanties zijn genomen en dat aan de tenuitvoerlegging van die beslissingen gebreken kleven. Nog daargelaten dat die stellingen niet kunnen leiden tot een algemeen en verstrekkend verbod als gevraagd, mede in het licht van de wettelijke verplichting voor de Staat om de in de vordering bedoelde medewerking te verlenen, geldt het volgende.

4.8.

Uit de weergave van de feiten volgt dat in bodemprocedures reeds is komen vast te staan dat de Nederlandse rechter bevoegd is (geweest) om over de verzochte ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing te beslissen en dat geen gebreken kleven aan de tenuitvoerlegging van de beschikkingen tot ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing. De voorzieningenrechter dient zijn beslissing in beginsel op het oordeel van de bodemrechter af te stemmen. Slechts onder omstandigheden kan plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op dit beginsel, bijvoorbeeld indien het vonnis van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht, alsook indien sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter ingeval hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen (HR 7 januari 2011, NJ 2011, 304). Zodanige omstandigheden zijn gesteld noch gebleken, zodat voor een andersluidende beslissing in dit kort geding geen plaats is.

4.9.

Voor zover eisers aan hun vordering ten grondslag leggen dat de ondertoezichtstelling en de daarmee gepaard gaande uithuisplaatsing niet op goede gronden hebben plaatsgevonden, geldt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich verzet tegen een beoordeling van de voorzieningenrechter daarvan. Een en ander leidt ertoe dat de vordering als genoemd onder II zal worden afgewezen.

ongedaanmaking uitschrijving adres

4.10.

De Staat heeft betwist dat hij of het openbaar ministerie bemoeienis heeft gehad met het uitschrijven van eisers uit het bevolkingsregister. Tegenover die betwisting hebben eisers hun vermoeden dat dat wel het geval is geweest niet nader geconcretiseerd of onderbouwd. Nu een dergelijke bemoeienis van de Staat niet valt af te leiden uit de overgelegde stukken, zal de vordering als genoemd onder III eveneens worden afgewezen.

proceskosten

4.11.

Eisers zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt eisers in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.405,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 589,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2013.

hvd