Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:15364

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
21-11-2013
Zaaknummer
C-09-416172 - HA ZA 12-431
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijkheid, gedeeltelijk gebaseerd op het beginsel van gelijkheid voor de openbare lasten. Begroting van de schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/416172 / HA ZA 12-431

Vonnis van 13 november 2013

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J.T.A.M. van Mierlo te Zwolle,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

Ministerie van Economische zaken, Landbouw en Innovatie,

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. drs. S.M. Kingma te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 13 februari 2013 (hierna: het tussenvonnis);

  • -

    de akte tevens houdende wijziging van eis van [eiser] van 10 april 2013, met 22 producties;

  • -

    de akte van [eiser] van 3 juli 2013, met 5 producties;

  • -

    de antwoordakte van de Staat van 3 juli 2013.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank blijft bij hetgeen in het tussenvonnis is overwogen en beslist, met diens verstande dat de rechtbank heeft geconstateerd dat de daarin vermelde datum

29 november 2007 op een kennelijke vergissing berust en moet worden gelezen als 29 maart 2007, hetgeen hierbij wordt hersteld.

2.2.

Bij akte van 3 juli 2013 heeft [eiser] zijn eis gewijzigd, waartegen de Staat zich niet heeft verzet. [eiser] vordert thans veroordeling van de Staat:

I tot betaling van € 1.031.727,-, te vermeerderen met de wettelijke rente tot 1 januari 2011 ten bedrage van € 291.616,- en met de wettelijke rente over € 1.323.343,- vanaf 1 januari 2011 tot de dag van algehele voldoening.

II in de vermogensschade als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder b BW met betrekking tot de accountantskosten ten bedrage van € 5.293,60, inclusief BTW;

III in de kosten van de procedure.

2.3.

Uit het tussenvonnis vloeit voort dat de Staat aansprakelijk is voor eventuele door [eiser] geleden schade, doordat laatstgenoemde tengevolge van het daartoe door de Staat uitgevaardigde voederverbod in de periode van 20 maart 2003 tot 3 november 2005 en in de periode van 29 maart 2007 tot 24 december 2008 geen swill heeft mogen benutten voor zijn wormenkwekerij. Vergoeding van de schade impliceert dat [eiser] in de toestand wordt gebracht waarin hij zou verkeren hem wel zou zijn toegestaan swill te benutten, hetgeen een hypothetische situatie is. Dit brengt mee dat de schade in belangrijke mate zal moeten worden vastgesteld aan de hand van aannames. Een en ander kan ook meebrengen dat de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld doch moet worden geschat. Verder hanteert de rechtbank als uitgangspunt dat de aard van de aansprakelijkheid met betrekking tot de schadeperiode van 20 maart 2003 tot 29 maart 2007, namelijk rechtmatige overheidsdaad, meebrengt dat een nauwer verband aanwezig dient te zijn tussen schade en de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust dan bij onrechtmatige overheidsdaad teneinde schade aan de Staat toe te rekenen als bedoeld in artikel 6:98 BW. Deze beperking geldt niet voor de schadeperiode vanaf 29 maart 2007, nu de grondslag voor aansprakelijkheid daarvan onrechtmatige daad is.

2.4.

Met betrekking tot de vaststelling van de schade gaan partijen over en weer uit van verschillende uitgangspunten. Hierbij is het volgende aan de orde.

Inkomstenbronnen

2.5.

Vast staat dat de wormenkwekerij als inkomstenbronnen heeft i) de afkoop van swill, ii) de verkoop van wormen en iii) de verkoop van door de wormen geproduceerde humus. De Staat heeft reeds bij conclusie van antwoord aangevoerd (7.3 - 7.6) dat in het onderhavige geval uitsluitend met gemiste inkomsten aan swill rekening moet worden gehouden, omdat [eiser] in de periode 2003 - 2010 niet is overgestapt op ander voer voor de wormen dan swill, waardoor hij niet aan zijn schadebeperkingsplicht heeft voldaan.

2.6.

In reactie hierop heeft [eiser] aangevoerd dat het gebruik van ander voer dan swill zou hebben geleid tot een forse kostenstijging, waardoor de schade zou zijn toegenomen. Daarnaast zou dit alternatieve voer tot aanzienlijk minder goede (kweek)resultaten hebben geleid dan in het geval dat swill zou zijn vervoederd.

2.7.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser] niet, althans onvoldoende concreet, heeft onderbouwd, dat indien in de schadeperiode ander voer zou zijn gebruikt dan swill, dit uiteindelijk zou hebben geleid tot minder gunstige financiële resultaten van de wormenkwekerij dan de werkelijk behaalde resultaten. Om die reden dient bij de schadebegroting uitsluitend rekening te worden gehouden met gemiste inkomsten met betrekking tot de afkoop van swill.

Referentieperiode

2.8.

Om de omvang van de schade te kunnen bepalen, dient een vergelijking plaats te vinden met een periode waarin [eiser] wel inkomsten uit swill heeft genoten. Volgens [eiser] dient deze referentieperiode 1995 tot en met 2002 te zijn. De Staat acht een referentieperiode van acht jaar ongebruikelijk lang en stelt zich op het standpunt dat dient te worden vergeleken met de jaren 2000 tot en met 2002. [eiser] heeft daartegen ingebracht dat hij ten gevolge van de MKZ-crisis in 2001 pas na de zomer van dat jaar weer swill heeft kunnen ontvangen en dat dit grote gevolgen heeft gehad voor de opbrengst in 2002. Volgens de Staat vindt dit standpunt echter geen steun in de jaarstukken van [eiser].

2.9.

De rechtbank maakt uit de literatuur op dat in het kader van nadeelcompensatie over het algemeen een referentieperiode van 3 tot 5 jaar wordt gehanteerd. Gelet hierop en op de duur van de schadeperiode acht de rechtbank een referentieperiode van 5 jaar redelijk, in beginsel direct voorafgaande aan de schadeperiode. Uit de jaarstukken van [eiser] blijkt dat de inkomsten uit de verwerking van swill in 2000 NLG 76.257,- (€ 34.603,92) in 2001 NLG 116.400,- (€ 52.820,02) en in 2002 € 37.358,- hebben bedragen. Gegeven dit verloop acht de rechtbank de omzetdaling in 2002 ten opzichte van 2001 niet zo significant dat het jaar 2002 buiten beschouwing dient te blijven. Een en ander brengt mee dat de rechtbank als referentieperiode de jaren 1998 tot en met 2002 zal hanteren, waarvan het gemiddelde nettoresultaat zal worden vergeleken met de nettoresultaten in de schadeperiode.

2.10.

Uit het door [eiser] overgelegde overzicht (zijn productie 7) maakt de rechtbank op dat in de referentieperiode de omzet van de wormenkwekerij een beloop heeft van

€ 552.759,69 waarvan € 251.036,11 met betrekking tot de afkoop van swill. Dit betekent dat in de referentieperiode circa 45% van de omzet betrekking heeft op de afkoop van swill. Nu bij de schadebegroting uitsluitend rekening te worden gehouden met gemiste inkomsten met betrekking tot de afkoop van swill, zal de rechtbank een aftrek toepassen van 55% op de te berekenen winstderving van de wormenkwekerij in de schadeperiode.

Rekening houden met uitbreiding?

2.11.

[eiser] gaat in zijn schadebegroting ervan uit dat, indien hij ook vanaf 2003 swill had mogen blijven verwerken, hij de capaciteit van zijn wormenkwekerij zou hebben verdubbeld, waartoe zijn milieuvergunning de ruimte bood. In reactie hierop heeft de Staat onder meer betoogd dat een dergelijke uitbreiding niet aannemelijk is, aangezien er in de aan 2003 voorafgaande jaren al sprake was van een neerwaartse trend in de winst van de wormenkwekerij. [eiser] heeft vervolgens erop gewezen dat hij daadwerkelijk plannen heeft om de kwekerij uit te breiden en inmiddels een bedrijfsgebouw heeft gerealiseerd, dat in 2012 in gebruik is genomen en waarmee een investering van ruim € 300.000,- gemoeid is geweest. In reactie hierop is de Staat is bij zijn standpunt gebleven. Een investering van

€ 300.000,- zou volgens de Staat enorm op de resultaten van de wormenkwekerij hebben gedrukt. Daarnaast gaat het in deze zaak om nadeelcompensatie, waarbij een eventuele uitbreiding hoe dan ook niet wordt meegenomen en speelt daarbij ook de voorzienbaarheid van de schade een rol, omdat [eiser] wist dat de vervoedering van swill niet was toegestaan, aldus de Staat.

2.12.

Uit de stellingen van [eiser] kan niet worden afgeleid dat hij in de schadeperiode reeds concrete plannen had om de wormenkwekerij uit te breiden. Afgezien daarvan is het uitbreiden van de wormenkwekerij aan te merken als een eigen keuze van [eiser]. De eventuele met deze uitbreiding verband houdende schade staat in een te ver verwijderd verband met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust om deze aan de Staat toe te rekenen. Dit betekent dat bij de schadebegroting geen rekening wordt gehouden met de door [eiser] gestelde uitbreiding van de wormenkwekerij.

Inkomsten uit swill in de periode van 3 november 2005 tot 29 maart 2007?

2.13.

Op 3 november 2005 is [eiser] toestemming verleend om weer swill te vervoederen. [eiser] stelt dat hij desondanks tot en met 2006 praktisch geen swill heeft kunnen vervoederen, omdat hij pas medio november 2006 op de lijst stond van categorie III bedrijven, zodat de toestemming om swill te verwerken pas vanaf dat moment voor derden kenbaar was. Daarnaast acht [eiser] van belang dat leveranciers van swill vanwege de voor hen noodzakelijke investeringen in installaties langdurige contracten aangaan met verwerkers van swill. Hierdoor kon zijn voormalige leverancier Dusseldorp Inzameling en Recycling B.V. (hierna: Dusseldorp) begin 2006 niet meer opnieuw aan hem gaan leveren. Bovendien was volgens van [eiser] zijn goede naam onder leveranciers verpest door de eerdere noodgedwongen beëindiging van de aanvoer van swill.

2.14.

De Staat heeft daartegenover aangevoerd dat op hem op grond van Vo 1192/2006 eerst vanaf 1 juli 2007 de verplichting rust om de lijst erkende bedrijven op internet te publiceren. Bovendien is niet de publicatie, maar de toestemming tot vervoederen leidend, zodat het op de weg van [eiser] lag om zijn leveranciers van swill te informeren over de aan hem op 3 november 2005 verleende toestemming. Dat er sprake was van langdurende contracten met andere afnemers en dat derhalve geen toeleveranciers voor [eiser] beschikbaar waren acht de Staat onvoldoende onderbouwd, temeer nu [eiser] in de periode 2005 tot en met 2007 wel voor (bescheiden) bedragen swill heeft afgenomen, aldus de Staat.

2.15.

De rechtbank stelt met de Staat vast dat de verplichting tot publicatie van de lijst erkende bedrijven op internet ingevolge Vo 1192/2006 eerst per 1 juli 2007 bestaat, doch dat neemt niet weg dat deze lijst voordien reeds bestond. De rechtbank acht aannemelijk dat mogelijke leveranciers van swill zich mede hebben laten leiden door de omstandigheid dat [eiser] tot medio november 2006 niet op deze lijst vermeld stond en dat tevens van invloed is geweest dat [eiser] in 2003 het verwerken van swill heeft moeten staken. Gelet op dit een en ander acht de rechtbank aannemelijk dat [eiser] in de periode november 2005 tot en met 2006 geen vaste inkomsten heeft kunnen genereren uit

de verwerking van swill. Derhalve gaat de rechtbank bij de schadebegroting uit van de

door [eiser] in de periode van 3 november 2005 tot 29 maart 2007 daadwerkelijk behaalde resultaten.

Schadeperiode met betrekking tot besluit van 29 maart 2007

2.16.

Volgens [eiser] dient de schadeperiode door te lopen tot en met 2010. Hij acht onrealistisch dat begin 2009, na de uitspraak van de ABRvS van 24 december 2008, de aanvoer van swill onmiddellijk kon worden hervat.

2.17.

De Staat stelt zich, in aansluiting op het onder 2.14 weergegeven betoog, op het standpunt dat de schadeperiode eindigt op 24 december 2008.

2.18.

De rechtbank gaat bij de schadebegroting ervan uit dat [eiser] vanaf 2010 weer volledig heeft kunnen beschikken over leveranciers voor de aanvoer van swill, zodat daarmee de schadeperiode is geëindigd op 1 januari 2010. De rechtbank acht 24 december 2008 tot eind 2009 een redelijke overgangsperiode, gegeven enerzijds dat [eiser] tot tweemaal toe het vervoederen van swill heeft moeten staken en anderzijds dat met de uitspraak van 24 december 2008 definitief duidelijk werd dat [eiser] swill mocht vervoederen.

In mindering te brengen bedrijfskosten

2.19.

De Staat heeft bij conclusie van antwoord onder meer betwijfeld of het juist is om bij de berekening van de gederfde winst de bedrijfskosten over beide bedrijven van [eiser] gelijkelijk te verdelen, temeer nu de [eiser] de wormenkwekerij vanaf 2003 feitelijk niet heeft voortgezet. Hierdoor acht de Staat het onredelijk om ook in de schadeperiode alle investeringskosten in mindering te brengen op de opbrengsten.

In reactie hierop heeft [eiser] aangevoerd dat een gelijke kostenverdeling over de referentieperiode en de schadeperiode een getrouw beeld geeft van de geleden schade.

2.21.

De Staat heeft zich daarop op het standpunt gesteld dat hoogstens 24% van investeringskosten (rente op investeringen en afschrijvingen) in de schadeperiode aan de Staat dienen te worden toegerekend, omdat deze kosten in de periode 2003-2010 met 76% zijn gedaald ten opzichte van de periode 1999-2002.

2.22.

De Staat heeft in zijn productie 25 de in productie 11 van [eiser] vermelde verdeling van de directe en indirecte kosten tussen beide bedrijven overgenomen, zodat de rechtbank daarvan ook uitgaat. De door de Staat toegevoegde kostenposten “Onderhoud bedrijfsgebouwen/bedrijfsterreinen en “Niet aftrekbare gemengde kosten” heeft de Staat onvoldoende toegelicht, zodat de rechtbank deze posten niet meeneemt in de schadeberekening. Met betrekking tot de afschrijvingen en financieringslasten zijn de

verschillen tussen de door partijen genoemde bedragen in de meeste gevallen niet significant. Gelet hierop en aangezien de rechtbank uitgaat van een hogere aftrek (van 55%) wegens de buiten beschouwing te laten inkomsten (zie r.o. 2.10) dan de Staat (50%), acht de rechtbank het redelijk om met betrekking tot de afschrijvingen en financieringslasten de door [eiser] gehanteerde bedragen in de schadeberekening te betrekken.

Aftrek wegens normaal bedrijfsrisico?

2.23.

De rechtbank ziet, met de Staat, aanleiding om enige correctie toe te passen in verband met het normale bedrijfsrisico, voor zover de grondslag voor de aansprakelijkheid van de Staat is gebaseerd op het beginsel van gelijkheid voor de openbare lasten. Die aansprakelijkheidsgrond geldt voor de periode van 20 maart 2003 tot 29 maart 2007 (hierna: periode i), maar niet voor de periode van 29 maart 2007 tot ultimo 2009 (hierna: periode ii). De rechtbank acht het redelijk om met betrekking tot periode i) een aftrek wegens normaal bedrijfsrisico toe te passen van 10%.

Schadebegroting

2.24.

Toepassing van de hiervoor vastgestelde uitgangspunten leidt tot de volgende berekening. Uit productie 11 van [eiser] volgt dat de wormenkwekerij in de referentieperiode een gemiddeld resultaat heeft behaald van € 31.062,- berekend als volgt:

1998: € 56.143,-

1999: € 73.970,-

2000: € 16.606,-

2001: € 8.540,-

2002: € 51,-

totaal: € 155.310,- : 5 = € 31.062,-

2.25.

Uit productie 11 van [eiser] volgt dat de wormenkwekerij in schadeperiode de volgende verliezen heeft geleden:

2003: € 23.142,-

2004: € 30.872,-

2005: € 27.591,-

2006: € 38.384,-

2007: € 18.868,-

2008: € 39.448,-

2009: € 13.717,-

totaal: € 192.022,-

2.26.

Gelet op deze cijfers gaat de rechtbank over periode i) uit van een totaal verlies van
(¾ x € 23.142,- =) + € 30.872,- + € 27.591,- + € 38.384,- + (¼ x € 18.868,-) = € 118.920,50. Over periode ii) beloopt het verlies (¾ x € 18.868,-) + € 39.448,- + € 13.717 = € 67.316,-. Over periode i) beloopt het referentieresultaat (¾ x € 31.062,-) + (3x € 31.062,-) + (¼ x

€ 31.062,-) = € 124.248,05. Over periode ii) beloopt het referentieresultaat (¾ x € 31.062,-) + (2 x € 31.062,- =) € 85.420,50.

Een en ander leidt tot de volgende berekening:

periode i)

2003 (vanaf 20/3)

2004

2005

2006

2007 (tot 29/3)

totaal

negatief resultaat

€ 17.356,50

€ 30.872,00

€ 27.591,00

€ 38.384,00

€ 4.717,00

referentieresultaat

€ 23.296,50

€ 31.062,00

€ 31.062,00

€ 31.062,00

€ 7.765,55

schade

€ 40.653,00

€ 61.934,00

€ 58.653,00

€ 69.446,00

€ 12.482,55

na aftrek 55%

€ 18.293,85

€ 27.870,30

€ 26.393,85

€ 31.250,70

€ 5.617,15

na aftrek 10%

€ 16.464,47

€ 25.083,27

€ 23.754,47

€ 28.125,63

€ 5.055,43

€ 98.483,26

periode ii)

2007 (vanaf 29/3

2008

2009

negatief resultaat

€ 14.151,00

€ 39.448,00

€ 13.717,00

referentieresultaat

€ 23.296,50

€ 31.062,00

€ 31.062,00

schade

€ 37.447,50

€ 70.510,00

€ 44.779,00

na aftrek 55%

€ 16.851,38

€ 31.729,50

€ 20.150,55

€ 68.731,43

totaal

€ 167.214,69

2.27.

Het voorgaande leidt ertoe dat de door de Staat te vergoeden schade in hoofdsom wordt vastgesteld op € 167.214,69. Dit bedrag zal worden toegewezen. Over dit bedrag zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen als volgt: over € 16.464,47 vanaf

1 januari 2004, over € 25.083,27 1 januari 2005, over € 23.754,47 vanaf 1 januari 2006, over € 28.125,63 vanaf 1 januari 2007, over € 5.055,43 vanaf 29 maart 2007, over

€ 16.851,38 vanaf 1 januari 2008, over € 31.729,50 vanaf 1 januari 2009 en over

€ 20.150,55 vanaf 1 januari 2010, telkens tot de dag van algehele voldoening.

2.28.

Tegen de door [eiser] gevorderde vergoeding van accountantskosten heeft de Staat geen separaat verweer gevoerd. Het gevorderde bedrag zal worden toegewezen.

2.29.

Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank, anders dan in het tussenvonnis van

13 februari 2013 is overwogen, geen aanleiding ziet om wederom een comparitie te gelasten.

2.30.

Bij deze uitkomst past dat de Staat wordt veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde van [eiser] worden als volgt begroot:

- dagvaarding: € 90,64

- griffierecht: € 1.436,-

- salaris advocaat: € 3.552,50 ( 2 ½ punten à € 1.421,- volgens tarief V)

totaal: € 5.079,14

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

veroordeelt de Staat tot betaling aan [eiser] van € 167.214,69, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 16.464,47 vanaf 1 januari 2004, over € 25.083,27 1 januari 2005, over € 23.754,47 vanaf 1 januari 2006, over € 28.125,63 vanaf 1 januari 2007, over

€ 5.055,43 vanaf 29 maart 2007, over € 16.851,38 vanaf 1 januari 2008, over € 31.729,50 vanaf 1 januari 2009 en over € 20.150,55 vanaf 1 januari 2010, telkens tot de dag van algehele voldoening;

3.2.

veroordeelt de Staat tot betaling aan [eiser] van € 5.293,60 met betrekking tot de accountantskosten;

3.3.

veroordeelt de Staat in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 5.079,14;

3.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op

13 november 2013.1

1 type: 1554 coll: