Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:15325

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-10-2013
Datum publicatie
14-11-2013
Zaaknummer
AWB 13/25187
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening hangende bezwaar. Visum voor kort verblijf. Verweerder heeft zich in redelijkheid niet op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker het doel van zijn reis niet aannemelijk heeft gemaakt en dat redelijke twijfel bestaat over zijn voornemen om tijdig terug te keren naar het land van herkomst. De voorzieningenrechter draagt verweerder op aan verzoeker, onder voorwaarden, een visum te verstrekken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/25187

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 oktober 2013 in de zaak tussen

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum], van Marokkaanse nationaliteit,

verzoeker,

(gemachtigde: mr. A. Duisterwinkel, advocaat te Amsterdam),

en

de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

(gemachtigde: mr. C.J. Tromp, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt primair verweerder te gelasten om binnen een week na de te wijzen uitspraak aan hem een visum te verstrekken en subsidiair verweerder te gelasten om binnen een week een beslissing te nemen op het bezwaarschrift van verzoeker.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2013. Verzoeker en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens zijn verschenen de vader, moeder en twee broers van verzoeker.

Overwegingen

1.

Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 810/2009 (de Visumcode) tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode wordt een visum geweigerd:

a. a) indien de aanvrager:

i. i) een vals, nagemaakt of vervalst reisdocument heeft overgelegd;

ii) het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond;

iii) niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor zijn terugreis naar het land van herkomst of verblijf, of voor doorreis naar een derde land waar hij met zekerheid zal worden toegelaten, of in de mogelijkheid te verkeren deze middelen legaal te verkrijgen;

iv) in de lopende periode van zes maanden reeds drie maanden op het grondgebied van de lidstaten heeft verbleven op grond van een eenvormig visum of een visum met territoriaal beperkte geldigheid;

v) ter fine van weigering van toegang in het SIS gesignaleerd staat;

vi) wordt beschouwd als een bedreiging van de openbare orde, de binnenlandse veiligheid, de volksgezondheid als omschreven in artikel 2, lid 19, van de Schengengrenscode, of de internationale betrekkingen van één van de lidstaten, en met name of hij om dezelfde redenen met het oog op weigering van toegang gesignaleerd staat in de nationale databanken van de lidstaten;

vii) in voorkomend geval, niet heeft aangetoond te beschikken over een toereikende en geldige medische reisverzekering,

of
b) indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.

3.

De voorzieningenrechter betrekt bij de beoordeling de volgende feiten en omstandigheden. Verzoeker heeft een visum aangevraagd voor de duur van drie weken (18 oktober tot 8 november 2013), om de bruiloft van zijn broer [naam] in Nederland bij te kunnen wonen op 31 oktober 2013. Zijn ouders, twee broers en twee zussen wonen allen in Nederland. Verzoeker heeft in het verleden twee aanvragen gedaan voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), met het doel verblijf bij vader. Deze aanvragen zijn afgewezen, bij besluiten van 18 september 1997, respectievelijk 29 december 1999. Verzoeker woont in Marokko met zijn echtgenote en dochtertje, geboren op 20 november 2011. Zij zullen niet met verzoeker meereizen naar Nederland. Verzoeker werkt in Marokko bij een café-patisserie, zijn echtgenote werkt niet. Zijn vader en broer hebben zich garant gesteld ten aanzien van de kosten die verzoeker zal maken om de reis en zijn verblijf in Nederland te bekostigen.

4.

Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker afgewezen op de volgende gronden. Verzoeker heeft niet aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken voor de duur van het voorgenomen verblijf in Nederland en voor de terugreis. Tevens bestaat het risico dat verzoeker niet vóór het verstrijken van de geldigheid van het visum het grondgebied van de lidstaten zal verlaten, omdat verzoeker niet heeft kunnen aantonen dat hij een voldoende sociale en/of economische band heeft met zijn land van herkomst.

4.1

Ter zitting heef verweerder verklaard dat niet langer aan verzoeker wordt tegengeworpen dat hij niet beschikt over voldoende middelen van bestaan voor de reis en zijn verblijf in Nederland, nu in elk geval het in bezwaar overgelegde bewijs van garantstelling door de broer van verzoeker daartoe voldoende is.
In aanvulling op de afwijzingsgronden in het primaire besluit acht verweerder thans het opgegeven doel voor het visum niet geloofwaardig, omdat verzoeker slechts een uitnodiging voor de bruiloft heeft overgelegd zonder nadere onderbouwing, zoals een bewijs van huur van de trouwlocatie.

5.

Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij het doel voor zijn voorgenomen verblijf aannemelijk heeft gemaakt, nu hij het huwelijk van zijn broer [naam] in Nederland op 31 oktober aanstaande wil bijwonen en hij de uitnodiging voor het huwelijk heeft overgelegd. Verzoeker zal in bezwaar bewijs kunnen overleggen van een huurovereenkomst voor de trouwlocatie.

5.1

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in redelijkheid niet aan verzoeker kan tegenwerpen dat hij het doel van zijn voorgenomen verblijf in Nederland niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Uit de aanvraag, de overgelegde garantstellingen en de uitnodigingskaart voor het huwelijk blijkt immers dat verzoeker op 31 oktober aanstaande het huwelijk van zijn broer [naam] in Zaandam wenst bij te wonen. Verweerder heeft bij het primaire besluit hierin kennelijk ook geen aanleiding gezien te twijfelen aan het doel van het voorgenomen verblijf, nu dit niet aan de afwijzing ten grondslag is gelegd. Er zijn in bezwaar geen veranderde omstandigheden gebleken op grond waarvan thans wel reden bestaat voor die twijfel. Uit de uitnodiging blijkt dat het huwelijk zal plaatsvinden in [adres]. Nu niet is gebleken van redenen tot twijfel aan de juistheid van die informatie, kan verweerder in redelijkheid niet van verzoeker nog een nadere onderbouwing verlangen door het overleggen van een huurcontract.
In dit verband acht de voorzieningenrechter tevens van betekenis dat verzoeker het visum heeft aangevraagd voor slechts een beperkte duur, namelijk drie weken, hetgeen aansluit bij het doel van zijn voorgenomen komst naar Nederland, namelijk het huwelijk van zijn broer dat binnen die periode van drie weken plaatsvindt.

6.

Verzoeker heeft voorts aangevoerd dat hij een economische en sociale band heeft met Marokko, op grond waarvan hij tijdig zal terugkeren naar Marokko. Verzoeker is in Marokko in dienst van een café-patisserie en heeft van zijn werkgever drie weken verlof gekregen om het huwelijk van zijn broer te kunnen bijwonen. Ter staving heeft verzoeker verklaringen van zijn werkgever overgelegd. Voorts zullen de echtgenote en jonge dochter van verzoeker in Marokko achterblijven. Het is van belang dat verzoeker weer terugkeert naar Marokko, aangezien hij kostwinner is. Voorts heeft verzoeker, om zijn terugkeer naar Marokko te verzekeren, zich bereid verklaard om een borgsom à €2.500,- aan verweerder te voldoen, een retourvliegticket op de ambassade over te leggen bij visumverstrekking, zich bij de vreemdelingenpolitie in Nederland te melden en na terugkeer bij de Nederlandse ambassade in Marokko.

6.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker weliswaar enige sociale binding met Marokko heeft aangetoond nu zijn echtgenote en dochter in Marokko achterblijven, maar dat daar tegenover staat dat de rest van zijn familie in Nederland woont. Voorts meent verweerder dat de economische band van verzoeker met Marokko zwak is, gezien de lage inkomsten die hij verwerft. Daarnaast heeft verzoeker in het verleden mvv-aanvragen ingediend en heeft hij, alvorens de onderhavige aanvraag in te dienen, op de Nederlandse ambassade in Marokko bij de baliemedewerkster geïnformeerd naar mogelijkheden om een verblijfsvergunning voor Nederland te krijgen. Er bestaat daarom een reëel vestigingsgevaar, aldus verweerder.

6.2

De voorzieningenrechter stelt vast dat sprake is van een sociale binding van verzoeker met Marokko, nu zijn echtgenote en dochtertje van bijna twee jaar oud in Marokko zullen achterblijven. Dat de ouders van verzoeker en zijn broers en zussen in Nederland wonen, betekent niet zonder meer dat verzoeker om die reden de band met zijn jonge gezin voor langere tijd zal willen verbreken. Aan het feit dat verzoeker in het verleden mvv-aanvragen heeft ingediend voor verblijf bij zijn vader, kan verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid niet de conclusie verbinden dat verzoeker thans de kennelijke bedoeling heeft om zich – illegaal – bij zijn familie in Nederland te vestigen. Het besluit waarbij de laatste mvv-aanvraag is afgewezen dateert inmiddels van bijna veertien jaar geleden. Daarnaast heeft verzoeker inmiddels in Marokko een eigen gezin. Verzoeker heeft sindsdien geen kenbare pogingen ondernomen om zich legaal, dan wel illegaal in Nederland te vestigen. Uit de enkele omstandigheid dat verzoeker bij de ambassade bij gelegenheid van zijn visumaanvraag heeft geïnformeerd naar de mogelijkheden om een verblijfsvergunning voor Nederland te krijgen, kan verweerder in redelijkheid niet de gerechtvaardigde vrees ontlenen dat verzoeker voornemens is om niet terug te keren naar Marokko na afloop van de geldigheidsduur van het visum. Integendeel, voor zover uit het gesprek van verzoeker bij de ambassade al kan worden afgeleid dat verzoeker plannen heeft om zich in Nederland te vestigen, dan heeft hij de kennelijke bedoeling om dat via de legale weg te gaan doen, middels het aanvragen van een mvv in het land van herkomst.

6.3

Niet in geschil is dat verzoeker tevens een economische binding heeft met zijn land van herkomst aangezien hij in Marokko in loondienst is en daarmee een duurzaam inkomen verwerft. Het feit dat het inkomen van verzoeker, ook naar Marokkaanse begrippen, niet hoog is, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter, in samenhang met hetgeen in het voorgaande is overwogen ten aanzien van de sociale binding van verzoeker met zijn land van herkomst en in aanmerking genomen dat het inkomen voldoende is gebleken om in het levensonderhoud van zijn gezin te voorzien, onvoldoende voor redelijke twijfel aan het voornemen van verzoeker om voor het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn visum terug te keren naar Marokko. Voorts blijkt uit de door verzoeker overgelegde verklaring van zijn werkgever dat verzoeker verlof heeft gekregen voor een periode van drie weken en dat hij op 8 november 2013 zal terugkeren op zijn werk, hetgeen aansluit bij de periode waarvoor verzoeker het visum heeft aangevraagd.

7.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid niet op het standpunt kan stellen dat verzoeker het doel van zijn voorgenomen bezoek aan Nederland niet aannemelijk heeft gemaakt en dat redelijke twijfel bestaat over het voornemen van verzoeker terug te keren naar Marokko vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het aangevraagde visum. In dit verband acht de voorzieningenrechter voorts van belang dat verzoeker ter zitting de bereidheid heeft getoond zich te zullen houden aan een meldplicht bij aankomst en terugkeer, een retourvliegticket over te leggen bij visumafgifte en een waarborgsom te voldoen aan verweerder. De voorzieningenrechter komt daarom tot het oordeel dat verweerder in de te nemen beslissing op bezwaar niet anders zal kunnen besluiten dan tot afgifte van het door verzoeker gevraagde visum voor kort verblijf.

7.1

De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening dan ook toewijzen, in die zin dat verweerder zal worden opgedragen om aan verzoeker een visum voor kort verblijf te (doen) verstrekken voor de duur van drie weken. Om nakoming van de namens verzoeker ter zitting gedane toezeggingen te verzekeren, zal de voorzieningenrechter daaraan tevens de voorwaarden verbinden dat verzoeker bij afgifte van het visum een retourticket voor zijn reis van Marokko naar Nederland zal tonen en dat verzoeker een waarborgsom zal storten ten bedrage van € 2.500,-. Aan de visumafgifte zal tevens een wekelijkse meldplicht worden verbonden bij een door verweerder aan te wijzen instantie in Nederland belast met het toezicht op vreemdelingen en een eenmalige meldplicht bij de Nederlandse ambassade in Marokko binnen 48 uur na terugkeer.

8.

De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de door verzoekster gemaakte kosten. De kosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht € 944,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

8.

Met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb gelast de voorzieningenrechter dat verweerder het betaalde griffierecht à € 160,- vergoedt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en draagt verweerder op binnen één week na heden verzoeker een visum voor kort verblijf te (doen) verstrekken, geldig voor de duur van drie weken en onder oplegging van een wekelijkse meldplicht aan verzoeker bij een door verweerder aan te wijzen instantie in Nederland belast met het toezicht op vreemdelingen en een eenmalige meldplicht bij de Nederlandse ambassade in Marokko binnen 48 uur na terugkeer en onder de voorwaarden dat verzoeker een waarborgsom stort ten bedrage van €2.500,- en een retourvliegticket overlegt voor zijn reis van Marokko naar Nederland;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 944,-, te betalen aan verzoeker;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,- aan verzoeker te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van der Kluit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Thelosen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.