Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:15323

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-10-2013
Datum publicatie
14-11-2013
Zaaknummer
AWB 13/11319
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel. Armenië. Beroep gegrond. De IND-werkinstructie nr. 2010/3 bevat kennelijk onredelijk beleid voor zover het de uiterste consequentie van afwijzing van een asielverzoek verbindt aan de omstandigheid dat een asielzoeker in zijn geheel niet gehoord kan worden in verband met medische klachten.

Eiseres heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning asiel. Eiseres heeft een eerste gehoor afgelegd, waarin uitsluitend enkele persoonsgegevens zijn opgenomen. Vanwege haar psychische klachten - een paniekstoornis met agorafobie, posttraumatische stressstoornis en een ernstige depressie met psychotische kenmerken - is zij niet in staat geweest om een nader gehoor af te leggen. Verweerder heeft niet betwist dat eiseres niet nader gehoord kan worden. Verweerder heeft vervolgens een besluit op de asielaanvraag van eiseres genomen op basis van alternatieve informatie. Op grond van die informatie is verweerder tot de conclusie gekomen dat niet kan worden afgeleid welke problemen eiseres in Armenië heeft ondervonden, zodat het onmogelijk is om de reden(en) van het vertrek van eiseres uit Armenië te toetsen en dus niet worden vastgesteld of gegronde vrees voor vervolging bestaat. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en heeft daarbij de IND-werkinstructie nr. 2010/13 toegepast. In deze werkinstructie is vermeld dat indien een asielzoeker vanwege medische klachten in zijn geheel niet gehoord kan worden over zijn asielmotieven en via andere bronnen ook geen informatie over de asielmotieven naar voren is gekomen, de uiterste consequentie zal zijn dat de asielaanvraag wordt afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder door deze werkinstructie te hanteren een onaanvaardbaar risico neemt op schending van het Vluchtelingenverdrag, dan wel schending van artikel 3 EVRM, dan wel schending van artikel 15 lid c van de Definitierichtlijn. De werkinstructie bevat dan ook kennelijk onredelijk beleid en kan in het geval van eiseres niet worden toegepast.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/11319

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 21 oktober 2013 in de zaak tussen

[eiseres],

geboren op [geboortedatum], van Armeense nationaliteit,

eiseres,

(gemachtigde: mr. U. Koopmans, advocaat te Haarlem),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. L. Kersten, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Tevens heeft verweerder ambtshalve vastgesteld dat geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt verleend.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2013. Eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde, is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Eiseres heeft op 3 mei 2010 een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiseres kon op die dag om medische redenen niet worden gehoord. Op 10 mei 2010 heeft een eerste gehoor plaatsgevonden, waarbij eiseres werd ondersteund door haar twee in Nederland verblijvende dochters. Tijdens dat gehoor zijn alleen de persoonsgegevens en de overgelegde documenten doorgenomen. Vervolgens is eiseres uitgenodigd voor een nader gehoor op 16 september 2010. Zij is aldaar verschenen, doch zij bleek geheel niet in staat om gehoord te worden. In september 2010 heeft de gemachtigde van eiseres aangegeven dat zij de intakefase bij Psyq heeft afgerond en de diagnose vermoedelijk een paniekstoornis met agorafobie en PTSS in combinatie met depressieve klachten is. In december 2010 heeft de dochter van eiseres aangegeven dat eiseres veelvuldig te maken heeft met paniek- en angstaanvallen en dat eiseres niet kan of durft te reizen. Vervolgens in november 2011 heeft de gemachtigde van eiseres laten weten dat de behandelaar van eiseres een gehoor een te grote stap vindt en heeft dit onderbouwd met een brief van Psyq van 3 november 2011. In maart 2012 heeft verweerder aan het Bureau Medische Advisering (BMA) gevraagd een medisch advies op te stellen in het kader van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dit advies is op 9 oktober 2012 uitgebracht. Gelet op de inhoud van het rapport, waarin is vermeld dat de diagnose van eiseres is gesteld op een paniekstoornis met agorafobie, PTSS en een ernstige depressie met psychotische kenmerken, heeft verweerder een nader gehoor op korte termijn niet opportuun geacht. Nu eiseres al op 3 mei 2010 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend, heeft verweerder besloten desondanks een besluit op de aanvraag te nemen. Hierbij heeft verweerder betrokken het eerste gehoor, het BMA-advies, de op schrift gestelde informatie over eiseres afkomstig van de dochter van eiseres, en informatie uit de dossiers van de echtgenoot en dochter van eiseres, die eerder vanuit Armenië naar Nederland zijn gekomen en inmiddels rechtmatig verblijf in Nederland hebben.

2.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, Vw. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de omtrent eiseres vergaarde informatie kan niet worden afgeleid welke problemen eiseres in Armenië heeft ondervonden en of zij al dan niet bescherming heeft gezocht bij de Armeense autoriteiten. Op grond van de beschikbare informatie is vooral een beeld naar voren gekomen omtrent hetgeen zich tot 2003 zou hebben afgespeeld in Armenië. Wat er tussen 2003 en 2010 zou zijn gebeurd is onvoldoende duidelijk geworden, zodat het onmogelijk is om de reden(en) van het vertrek van eiseres uit Armenië in 2010 te toetsen en dus kan ook niet worden vastgesteld of gegronde vrees voor vervolging bestaat. Het feit dat eiseres (ernstige) psychische klachten heeft, maakt niet dat daarom geconcludeerd moet worden dat de – onduidelijke – asielmotieven van eiseres voldoende zwaarwegend zijn. Verweerder is dan ook van mening dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt op grond van welke omstandigheden zij in aanmerking zou moeten komen voor een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a, b of c, Vw.

Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres ook in verband met haar psychische klachten niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Armenië. Uit het BMA-advies blijkt weliswaar dat bij uitblijven van behandeling een medische noodsituatie niet is uitgesloten, maar tevens dat eiseres onder voorwaarden kan reizen en dat de noodzakelijke behandeling in Armenië aanwezig is. Gezien het voorgaande is artikel 64 Vw volgens verweerder ook niet op eiseres van toepassing.

3.

In beroep heeft eiseres aangevoerd dat uit het standpunt van verweerder valt af te leiden dat hetgeen vóór 2003 is gebeurd voldoende duidelijk is en dat dan ook aannemelijk en geloofwaardig is dat eiseres voor de vlucht van haar echtgenoot is bedreigd en mishandeld, waarbij haar been is gebroken door personen die op zoek waren naar haar echtgenoot en dat deze bedreigingen en gewelddadigheden voortvloeiden uit de geloofsovertuiging en de religieuze activiteiten van haar echtgenoot, die Jehova-getuige is. Dat hetgeen zich tussen 2003 en 2010 heeft afgespeeld onvoldoende duidelijk is geworden, kan eiseres niet worden tegengeworpen, omdat dit direct te herleiden is tot de medische problematiek van eisers. Er bestaat dan ook, mede gelet op de werkinstructie 2010/13 van verweerder, geen grondslag voor het tegenwerpen dat onvoldoende duidelijk is wat zich tussen 2003 en 2010 heeft afgespeeld. Bovendien maakt dit gegeven volgens het beleidskader van verweerder deel uit van de geloofwaardigheidstoets en niet, zoals in het bestreden besluit is vermeld, van de toets of het relaas voldoende zwaarwegend is. Eiseres is dan ook van mening dat het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd.

3.1

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. Niet is geschil is dat eiseres reeds vanaf mei 2010 vanwege haar medische problematiek niet kon worden gehoord omtrent haar asielmotieven. Ook ter zitting heeft verweerder niet betwist dat eiseres nog steeds niet in staat is om gehoord te worden. Gelet hierop heeft verweerder bij de toetsing van de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning asiel gebruik gemaakt van alternatieve informatievergaring. Voorts is niet in geschil dat uit de beschikbare informatie geen informatie naar voren is gekomen omtrent de periode 2003 tot het moment dat eiseres in 2010 in Nederland is aangekomen.

3.2

Omtrent de behandeling van medisch advies-zaken heeft verweerder een werkinstructie opgesteld, te weten IND-werkinstructie nr. 2010/13. In deze werkinstructie is het volgende vermeld:

"Indien een asielzoeker in zijn geheel niet gehoord kan worden over zijn asielmotieven en via andere bronnen ook geen informatie over de asielmotieven naar voren is gekomen, zal het onmogelijk zijn deze motieven te toetsen. In dat geval kan dus niet worden vastgesteld of er gegronde vrees voor vervolging bestaat. De uiterste consequentie is dan dat een asielaanvraag wordt afgewezen. "

3.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met dit beleid een onaanvaardbaar risico op schending van het Vluchtelingenverdrag, dan wel schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dan wel schending van artikel 15 lid c van de Definitierichtlijn (richtlijn 2004/83/EG) neemt om vreemdelingen, die om medische redenen niet gehoord kunnen worden, uit te zetten naar het land van herkomst, zonder dat daarbij op inhoudelijke gronden is komen vast te staan dat zij niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, aanhef en onder a, b of c van de Vw. De rechtbank is dan ook van oordeel dat bovengenoemde beleid kennelijk onredelijk is en in het geval van eiseres niet heeft kunnen toepassen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat in onderhavige zaak onbetwist is komen vast te staan dat eiseres kampt met ernstige psychische klachten, waarbij niet is uitgesloten dat deze klachten verband houden met gebeurtenissen in het land van herkomst. Dit betekent dat uitzetting van eiseres naar het land van herkomst des te meer een onaanvaardbaar risico met zich brengt. Voorts acht de rechtbank van belang dat het beleid, zoals hiervoor vermeld, niet in de Vreemdelingenwet, het Vreemdelingenbesluit dan wel de Vreemdelingencirculaire is opgenomen, hetgeen betekent dat genoemd beleid noch het karakter heeft van een algemeen verbindend voorschrift noch door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie vastgesteld beleid is.

4.

Gelet op het bovenstaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit berust op een ondeugdelijke motivering en komt daarom wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank komt derhalve niet meer toe aan de beoordeling van de overige beroepsgronden.

5.

Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder ter hoogte van € 944,- (1 punt voor het bijwonen van de zitting en 1 punt voor het indienen van het beroepsschrift met een waarde per punt van € 472,00 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen;

  • -

    veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres tot een bedrag van € 944,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Fortuin, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Thelosen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2013.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.