Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:15270

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-09-2013
Datum publicatie
19-11-2013
Zaaknummer
AWB-13_3383
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Het verzoek om uitstel van de zitting in verband met een zitting bij het Hof van Justitie van de Europese Unie is afgewezen omdat gemachtigde niet aannemelijk heeft gemaak dat hij voor die zitting als gemachtigde was uitgenodigd. Daarbij was gemachtigde reeds bij brief van 27 mei 2013 op de hoogte gesteld van het feit dat, indien een zitting is gepland, rekening houdend met de verhinderdata van de gemachtigde, een verzoek om verdaging van de zitting in beginsel niet zal worden gehonoreerd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:58
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 7:3
Besluit Fiscaal Bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2577
V-N 2014/2.21.5
FutD 2013-2875
NTFR 2014/318 met annotatie van mr.dr. R.M.P.G. Niessen-Cobben
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 13/3381

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
19 september 2013 in de zaak tussen

[X], wonende te [Z], eiser
(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 18 april 2013 op het bezwaar van eiser tegen de voldoening op aangifte van belasting van personenauto’s en motorrijwielen.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2013.

Eiser is daar, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Eiser heeft bij faxbericht van 19 augustus 2013 verzocht de zitting uit te stellen omdat op deze dag ook een zitting is gepland bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) waarbij zijn gemachtigde aanwezig moet zijn. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.

Namens verweerder zijn verschenen [B] en [C].

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

Verzoek om uitstel van de zitting

1.

De rechtbank heeft bij brief van 11 juni 2013 de gemachtigde meegedeeld dat op 19 september 2013 een zitting is gepland en dat in een later stadium bekend zal worden gemaakt welke zaken op die zitting behandeld zullen worden. Bij het vaststellen van deze zittingsdatum is rekening gehouden met de door de gemachtigde in zijn brief van 4 juni 2013 opgegeven verhinderdata. Met dagtekening 15 augustus 2013 zijn de uitnodigingen voor de zitting verzonden.

2.

Bij het verzoek om uitstel van de zitting heeft de gemachtigde een afschrift gevoegd van een mailbericht met dagtekening 8 augustus 2013 gericht aan OJW Advocaten waarin het HvJ meedeelt dat geen uitstel wordt verleend voor de zitting. Gesteld noch gebleken is dat de gemachtigde werkzaam is bij het desbetreffende advocatenkantoor. De gemachtigde heeft evenmin stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij de gemachtigde is in (een van) de door het HvJ op die dag te behandelen zaken en als zodanig door het HvJ is uitgenodigd voor de zitting.

3.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het verzoek om uitstel van de zitting van de rechtbank te laat is ingediend. De gemachtigde was reeds sinds 11 juni 2013 op de hoogte van de zittingsdatum van de rechtbank en uit het hiervoor genoemde mailbericht blijkt dat kennelijk in ieder geval reeds op 22 juli 2013 de samenloop van de zittingsdata bekend was. Desalniettemin heeft de gemachtigde tot 19 augustus 2013 gewacht met het indienen van het verzoek om uitstel. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat in de brief van 27 mei 2013 van de rechtbank is meegedeeld dat wanneer een zitting is gepland rekening houdend met de verhinderdata van gemachtigde, een verzoek om verdaging van de zitting in beginsel niet zal worden gehonoreerd.

Gedingstukken

4.

Eiser heeft op 12 september 2013 een nader stuk ingediend. Dit stuk is niet ontvangen binnen de termijn van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft ter zitting verklaard dit stuk niet te kennen. De rechtbank heeft daarom besloten dit stuk niet tot de gedingstukken te rekenen en heeft het aan eiser retour gezonden. Nu eiser niet ter zitting is verschenen kan het stuk niet worden aangemerkt als pleitnota.

Inhoudelijk

5.

Het bezwaarschrift is niet binnen de daarvoor geldende termijn van artikel 6:7 van de Awb ingediend en verweerder heeft het bezwaar daarom niet-ontvankelijk verklaard. Eiser stelt dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is omdat op de aangifte en het betaalbericht geen rechtsmiddelverwijzing staat vermeld. Verder stelt eiser dat hij teveel belasting op aangifte heeft voldaan als gevolg van een met het Europees recht strijdige nationale bepaling en dat daarom de nationale regels over bezwaar en beroep niet mogen worden tegen geworpen.

6.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling en is van oordeel dat verweerder het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 9 januari 2013, zaaknummer SGR 12/7099 welke betrekking heeft op een eerder door de gemachtigde over deze problematiek ingediend beroepschrift (een afschrift daarvan is aan dit proces-verbaal gehecht).

7.

De stelling van eiser dat verweerder ten onrechte geen ambtshalve teruggaaf heeft verleend, treft evenmin doel. De rechtbank verwijst hiervoor naar de overwegingen 15 en 16 uit de hiervoor aangehaalde uitspraak van 9 januari 2013.

8.

Eiser stelt dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord op zijn bezwaar. Volgens artikel 7:3, onderdeel a, van de Awb kan echter worden afgezien van het horen indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Gezien het feit dat de termijn voor het indienen van het bezwaar ruimschoots is overschreden, dit is tussen partijen ook niet in geschil, en gezien het feit dat het standpunt van de gemachtigde en daarmee dat van eiser over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding verweerder reeds uit hoofde van andere bezwaar- en beroepsprocedures genoegzaam bekend was, heeft verweerder mogen afzien van het horen omdat het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is. Het bepaalde in paragraaf 12 van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht staat daaraan niet in de weg omdat verweerder ook op grond daarvan van horen mag afzien wanneer er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is of het bezwaar niet-ontvankelijk is.

9.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Scholte, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 september 2013.

chter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep