Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:15265

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-10-2013
Datum publicatie
19-11-2013
Zaaknummer
AWB-13_4681
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Het bepaalde in artikel 10, zevende lid van de Wet Belastingen van personenauto's en motorrijwielen brengt mee dat een belastingplichtige niet nadat hij reeds aangifte heeft gedaan met inachtneming van een forfaitaire berekeningstabel, in bezwaar kan kiezen voor berekening van de verschuldigde belasting op voet van een eerst bij het bezwaar overgelegde koerslijst.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:58
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 10
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 8
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2564
V-N 2014/3.2.4
FutD 2013-2876
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 13/4681

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

3 oktober 2013 in de zaak tussen

[X], wonende te [Z], eiser
(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 7 mei 2013 op het bezwaar van eiser tegen de voldoening op aangifte van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2013.

Eiser is daar, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Eiser heeft bij faxbericht van 19 augustus 2013 verzocht de zitting uit te stellen omdat op deze dag ook een zitting is gepland bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) waarbij zijn gemachtigde aanwezig moet zijn. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.

Namens verweerder zijn verschenen [B] en [C].

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

Verzoek om uitstel van de zitting

1.

De rechtbank heeft bij brief van 11 juni 2013 de gemachtigde meegedeeld dat op 19 september 2013 een zitting is gepland en dat in een later stadium bekend zal worden gemaakt welke zaken op die zitting behandeld zullen worden. Bij het vaststellen van deze zittingsdatum is rekening gehouden met de door de gemachtigde in zijn brief van 4 juni 2013 opgegeven verhinderdata. Met dagtekening 15 augustus 2013 zijn de uitnodigingen voor de zitting verzonden.

2.

Bij het verzoek om uitstel van de zitting heeft de gemachtigde een afschrift gevoegd van een mailbericht met dagtekening 8 augustus 2013 gericht aan OJW Advocaten waarin het HvJ meedeelt dat geen uitstel wordt verleend voor de zitting. Gesteld noch gebleken is dat de gemachtigde werkzaam is bij het desbetreffende advocatenkantoor. De gemachtigde heeft evenmin stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij de gemachtigde is in (een van) de door het HvJ op die dag te behandelen zaken en als zodanig door het HvJ is uitgenodigd voor de zitting.

3.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het verzoek om uitstel van de zitting van de rechtbank te laat is ingediend. De gemachtigde was reeds sinds 11 juni 2013 op de hoogte van de zittingsdatum van de rechtbank en uit het hiervoor genoemde mailbericht blijkt dat kennelijk in ieder geval reeds op 22 juli 2013 de samenloop van de zittingsdata bekend was. Desalniettemin heeft de gemachtigde tot 19 augustus 2013 gewacht met het indienen van het verzoek om uitstel. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat in de brief van

27 mei 2013 van de rechtbank is meegedeeld dat wanneer een zitting is gepland rekening houdend met de verhinderdata van gemachtigde, een verzoek om verdaging van de zitting in beginsel niet zal worden gehonoreerd.

Gedingstukken

4.

Eiser heeft op 12 september 2013 een nader stuk ingediend. Dit stuk is niet ontvangen binnen de termijn van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft ter zitting verklaard dit stuk niet te kennen. De rechtbank heeft daarom besloten dit stuk niet tot de gedingstukken te rekenen en heeft het aan eiser retour gezonden. Nu eiser niet ter zitting is verschenen, kan het stuk niet worden aangemerkt als pleitnota.

Inhoudelijk

5.

Eiser heeft op 6 januari 2012 op aangifte een bedrag van € 8.470 aan Bpm voldaan terzake van de registratie in het Nederlandse kentekenregister van een personenauto van het merk Audi, type S5.

6.

Blijkens het formulier berekening Bpm dat bij de aangifte is gevoegd, heeft eiser de volgens hem verschuldigde Bpm berekend met toepassing van de afschrijvingstabel als bedoeld in artikel 10, zesde lid, van de Wet Belastingen van personenauto’s en motorrijwielen (de Wet), juncto artikel 8, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingen van personenauto’s en motorrijwielen (de Uitvoeringsregeling).

7.

In bezwaar heeft eiser een koerslijst overgelegd en de verschuldigde belasting aan de hand daarvan herberekend. Verder heeft hij aangevoerd dat de CO2-component uit de maatstaf van heffing moet worden geëlimineerd. Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard.

8.

Uit het beroepschrift volgt dat tussen partijen nog uitsluitend in geschil is of verweerder terecht op grond van het bepaalde in artikel 10, zevende lid, van de Wet de herberekening van de verschuldigde belasting aan de hand van de koerslijst heeft afgewezen. Tegen de beslissing inzake de CO2-component zijn geen gronden aangevoerd.

9.

Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Wet wordt voor gebruikte personenauto’s het belastingbedrag als bedoeld in artikel 9 van de Wet berekend met inachtneming van een vermindering.

10.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Wet is de vermindering bedoeld in het eerste lid, de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de inkoopwaarde in Nederland op het tijdstip waarop de personenauto voor het eerst in gebruik is genomen.

11.

Op grond van artikel 10, zesde lid, van de Wet kan de vermindering in afwijking van het tweede lid, worden vastgesteld aan de hand van een bij ministeriële regeling vast te stellen tabel, indien daarop in het aangiftebiljet een beroep wordt gedaan. Deze tabel is neergelegd in artikel 8, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling.

12.

Artikel 10, zevende lid, van de Wet bepaalt dat bij de aangifte opgaaf moet worden gedaan van de gegevens die daarbij zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving, bedoeld in het tweede lid, dan wel voor de toepassing van de tabel, bedoeld in het zesde lid.

Gegevens die niet bij de aangifte zijn gebruikt voor het vaststellen van de afschrijving, en evenmin op verzoek van de inspecteur zijn toegevoegd, kunnen niet op een later tijdstip alsnog worden gebruikt om de bij de aangifte toegepaste afschrijving te wijzigen.

13.

In de Memorie van Toelichting bij artikel 10, zevende lid, van de Wet (Wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2012) is onder meer het volgende vermeld:

“De Wet BPM 1992 biedt belastingplichtigen de ruimte om de afschrijving voor gebruikte auto’s op verschillende manieren vast te stellen. Dit kan gebeuren op basis van de individuele waarde, bijvoorbeeld aan de hand van een in de handel gebruikte koerslijst of een taxatierapport, maar de afschrijving kan desgewenst ook worden vastgesteld aan de hand van een forfaitaire tabel. Uitgangspunt van de regeling is, dat bij de aangifte een keus wordt gemaakt uit de verschillende opties om de afschrijving te onderbouwen. Deze keus bepaalt mede op welke wijze de aangifte wordt gecontroleerd. Om de juistheid van een aangifte op basis van de individuele afschrijving te kunnen beoordelen is het van belang, dat op het moment van de aangifte alle gegevens worden overgelegd waarop de aangifte is gebaseerd. De inspecteur kan zich aan de hand daarvan een oordeel vormen of een realistisch afschrijvingspercentage wordt gebruikt en eventueel besluiten de aangifte nader te controleren. Zo nodig kan hij op dat moment de auto ook fysiek laten opnemen of laten taxeren. De Belastingdienst wordt sinds kort echter regelmatig geconfronteerd met de situatie, dat bij de aangifte een realistisch afschrijvingspercentage wordt toegepast op basis van de forfaitaire tabel, een koerslijst of een solide taxatie, maar in de bezwaar- en beroepfase alsnog een hogere afschrijving wordt geclaimd aan de hand van gegevens die bij de oorspronkelijke aangifte niet zijn gebruikt. Binnen de opzet van de BPM-heffing is het niet mogelijk een dergelijke claim achteraf te beoordelen op juistheid. De auto is inmiddels in gebruik genomen en uit het zicht van de inspecteur. Bovendien zou schouwen van de auto geen zin meer hebben, omdat de afschrijving op het moment van registratie bepalend is en niet de afschrijving op een later tijdstip. Gezien het voorgaande wordt voorgesteld om in de wet op te nemen dat gegevens die niet bij de aangifte zijn gebruikt en ook niet op verzoek van de inspecteur zijn toegevoegd, door de belastingplichtige niet op een later tijdstip alsnog kunnen worden ingebracht om de bij de aangifte toegepaste afschrijving te wijzigen. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat dit ook geldt voor gegevens die bij de aangifte niet zijn gebruikt maar zich wellicht wel ergens in of tussen de overgelegde stukken bevonden. De inspecteur kan zich dus volledig richten op de controle van de aangifte en de daarbij gekozen wijze voor vaststelling van de afschrijving, en behoeft geen aandacht te besteden aan gegevens die wellicht van belang waren geweest als de belastingplichtige een andere keuze had gemaakt voor de wijze van vaststelling van de afschrijving. In het zevende lid van artikel 10 van de Wet BPM 1992 wordt nader bepaald dat de bij de aangifte te overleggen gegevens de gegevens betreft die zijn gebruikt bij de vaststelling van de in het tweede lid van artikel 10 van de Wet BPM 1992 bedoelde afschrijving, dan wel voor de toepassing van de in het zesde lid van dat artikel 10 bedoelde forfaitaire tabel. Daarnaast worden aan het zevende lid van dat artikel 10 twee volzinnen toegevoegd. De eerste volzin bepaalt dat op verzoek van de inspecteur ontbrekende gegevens worden toegevoegd die naar zijn oordeel van belang zijn voor de in het eerste lid van artikel 10 van de Wet BPM 1992 bedoelde vermindering. De tweede volzin bepaalt dat gegevens die niet zijn gebruikt bij vaststelling van de afschrijving en evenmin op verzoek van de inspecteur zijn toegevoegd, niet in een later stadium alsnog door de belastingplichtige kunnen worden gebruikt om de bij de aangifte toegepaste afschrijving te wijzigen.” (Kamerstukken II 2011/12, 33 004, nr. 6, p. 10-11).

14.

Uit hetgeen is overwogen bij 6 volgt dat eiser bij de aangifte expliciet heeft gekozen voor berekening van de belasting aan de hand van de forfaitaire berekeningstabel. Het bepaalde in artikel 10, zevende lid, van de Wet brengt dan mee dat eiser niet nadat hij de aangifte heeft gedaan, alsnog kan kiezen voor berekening van de verschuldigde belasting op de voet van artikel 10, tweede lid, van de Wet aan de hand van een, eerst bij het bezwaar overgelegde, koerslijst.

15.

De stelling van eiser dat hij als gevolg van het bepaalde in artikel 10, zevende lid, van de Wet niet de door hem berekende verschuldigde belasting in rechte kan bestrijden, volgt de rechtbank niet. Deze bepaling beperkt slechts de mogelijkheid om achteraf terug te komen op een keuze voor een specifieke berekeningsmethode die bij de aangifte is gemaakt. Zij maakt niet dat eiser de resultaten van de door hem gekozen berekeningsmethode niet meer kan aanvechten en geen gronden meer kan aanvoeren waarom de aldus berekende Bpm hoger is dan de Bpm die nog rust op vergelijkbare gebruikte auto’s die reeds in Nederland zijn geregistreerd. Van strijd met het antidiscriminatiebeginsel is dan ook geen sprake. Eiser heeft geen gronden aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat de door hem aan de hand van de forfaitaire berekeningstabel berekende Bpm hoger is dan de Bpm die nog rust op vergelijkbare auto’s die reeds in Nederland zijn geregistreerd.

16.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

17.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Scholte, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2013.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.