Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:15245

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
09/852105-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Negen jaar cel voor poging moord

Een man krijgt van de rechtbank Den Haag negen jaar gevangenisstraf voor een poging tot moord met een vuurwapen en bedreiging van meerdere mensen. Hij heeft geprobeerd zijn zwager dood te schieten. Vervolgens heeft de man een groep mensen die hem achtervolgde, bedreigd door het vuurwapen op hen te richten en te dreigen hen te doden.

De rechtbank stelt vast dat de man op 8 mei 2013 in Gouda opzettelijk en na rustig overleg en kalm beraad met een vuurwapen van korte afstand een kogel heeft afgevuurd op de borst van zijn zwager. Deze werd in de borst en de lever geraakt, maar overleefde de schietpartij.

Na het neerschieten van zijn zwager richtte de man zijn vuurwapen op of in de richting van omstanders. Daarbij dreigde hij met "Wie probeert bij mij te komen zal ik ook neerschieten" of woorden van gelijke strekking. De rechtbank vindt daarom, naast de poging tot moord, ook bewezen dat hij gedreigd heeft andere mensen neer te schieten. Verder wordt hij veroordeeld voor wapenbezit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/852105-13

Datum uitspraak: 13 november 2013

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen verdachte:

[verdachte 1] ,

geboren op [geboortedag] 1970 te [geboorteplaats],

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [penitentiaire inrichting].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 21 augustus 2013 en 30 oktober 2013.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. F.A. Kuipers en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. M.D. Winter, advocaat te Den Haag, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 08 mei 2013 te Gouda ter uitvoering van het voorgenomen

misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade een persoon

genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, opzettelijk en al dan niet na

rustig overleg en kalm beraad met een vuurwapen (van korte afstand) een kogel

heeft afgevuurd op de borst, althans het bovenlichaam van die [slachtoffer 1],

welke kogel [slachtoffer 1] in de borst heeft geraakt en/of binnen het lichaam de

lever heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet

is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 08 mei 2013 te Gouda [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 6]

en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of een of meer anderen heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde perso(o)n(en) een

vuurwapen getoond en/of dat vuurwapen op of in de richting van deze

perso(o)n(en) gericht en/of (daarbij) dreigend de woorden toegevoegd :"Wie

probeert bij mij te komen zal ik ook neerschieten" en/of "Ik ga jullie

doodmaken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 08 mei 2013 te Gouda een vuurwapen van categorie III, te

weten een semi automatisch pistool van het merk/type Browning HP35, kaliber 9

millimeter en/of negen stuks munitie van categorie III, te weten patronen van

het kaliber 9 millimeter parabellum, voorhanden heeft gehad.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De volgende feiten en omstandigheden zijn niet in geschil en worden door de rechtbank vastgesteld.

Op 8 mei 2013 kwam er bij de politie een melding binnen van een schietpartij in Gouda. In de omgeving van het buurthuis ’t Wiel werd een man met een bebloed hoofd door twee mensen op de grond gehouden. Deze man bleek [verdachte 1], de verdachte, te zijn. Door omstanders werd verklaard dat deze man zojuist iemand had neergeschoten. In het buurthuis vonden de agenten een man die later [slachtoffer 1] bleek te zijn, de zwager van verdachte. Hij had een schotwond in de borst.

De verdenking betreft onder feit 1 poging moord dan wel doodslag op [slachtoffer 1], onder feit 2 bedreiging van de omstanders en onder feit 3 het bezit van een vuurwapen en munitie.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de onder 1 (in de variant poging moord), 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1, omdat hij geen opzet heeft gehad op het delict en er geen sprake is van voorbedachte rade.

Ook dient verdachte te worden vrijgesproken van feit 2 wegens het ontbreken van opzet bij verdachte, aldus de raadsman.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Feit 1

Over de gang van zaken in buurthuis ’t Wiel te Gouda op de avond van 8 mei 2013 zijn diverse getuigenverklaringen afgelegd.

Volgens getuige [getuige 1], die met [slachtoffer 1] aan tafel zat, is laatstgenoemde van ongeveer twee meter afstand in de borst geschoten door een man die na binnenkomst meteen op [slachtoffer 1] afliep, hem aankeek, een vuurwapen pakte en schoot.2 [getuige 2], die aan dezelfde tafel zat, verklaarde dat er een man kwam aanlopen, stopte en een pistool trok. Hij hoorde één schot.3

Tegen de politie verklaarde [slachtoffer 1] zelf dat hij was neergeschoten door zijn zwager.4 Verdachte tenslotte heeft bekend het slachtoffer te hebben neergeschoten.5 Tevens heeft hij verklaard het wapen op 8 mei 2013 in Rotterdam te hebben gekocht.6

[slachtoffer 1] heeft blijkens een letselbeschrijving een schotwond ter hoogte van zijn rechtertepel, een wond op de rug, een klaplong, een gescheurd middenrif en een slagaderlijke bloeding in de lever opgelopen.7

De rechtbank concludeert uit het vorenstaande, dat verdachte op 8 mei 2013 met een geladen wapen naar buurthuis ’t Wiel in Gouda is gegaan. Hij is naar binnen gegaan, hij is op zijn zwager afgelopen en heeft hem in de borst geschoten.

Tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden zal de rechtbank de volgende vragen beantwoorden:

- Was er sprake van opzettelijk handelen door verdachte en zo ja,

- Was er sprake van voorbedachte rade?

Opzet

De hiervoor besproken handelwijze van verdachte laat naar het oordeel van de rechtbank weinig ruimte voor twijfel aan zijn opzet op de op de dood van zijn zwager. Zoals al vermeld heeft verdachte volgens getuige [getuige 1] van korte afstand geschoten. [getuige 1] heeft bovendien verklaard dat hij zag dat verdachte nog een keer wilde schieten. Getuige [slachtoffer 6] heeft verklaard dat verdachte nadat hij had geschoten riep: ‘Laat mij nog een keer schieten, laat mij hem doodschieten8.’ Ook getuige [getuige 4] had de indruk dat verdachte een tweede keer wilde schieten.9 Volgens meerdere getuigen heeft verdachte op enig moment gezegd dat zijn zwager eerst hem had vermoord en dat hij nu zijn zwager had vermoord, of woorden van die strekking.10 De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemde gedragingen van verdachte volgt dat hij opzet had op de dood van aangever [slachtoffer 1].

Voorbedachte rade

Naar vaste rechtspraak moet voor een bewezenverklaring van dit bestanddeel komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter er niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat.

Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

De raadsman heeft in zijn pleidooi op het bestaan van dergelijke, volgens hem doorslaggevende contra-indicaties een uitdrukkelijk beroep gedaan. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank verwijst naar wat zij hiervoor ten aanzien van de gang van zaken en het bestaan van opzet op de dood van [slachtoffer 1] heeft geconcludeerd. Uit deze bewijsmiddelen volgt niet alleen de opzet, maar ook de voorbedachte raad. Verdachte is immers met een geladen wapen naar buurthuis ’t Wiel in Gouda gegaan en direct op aangever afgelopen. Geen van de personen die bij [slachtoffer 1] aan tafel zaten (de al genoemde [getuige 1] en [getuige 2] alsmede getuige [getuige 5]11), noch de getuige [slachtoffer 6]12, die naast de tafel stond toen het schot werd gelost, meldt dat verdachte tevoren iets heeft gezegd tegen het slachtoffer. Hij heeft direct geschoten. Twee getuigen hebben verklaard dat hij nog een keer wilde schieten en volgens een derde heeft hij na het schieten, toen hij door omstanders naar de deur werd gedirigeerd, geroepen: “Laat me nog een keer schieten!”

Uit deze feiten valt slechts af te leiden dat verdachte naar het buurthuis kwam met de bedoeling om zijn zwager van het leven te beroven en heeft getracht dit plan uit te voeren. Van het bestaan van enige relevante contra-indicatie voor het aannemen van voorbedachte raad is de rechtbank niet gebleken. Ook wanneer het handelen van verdachte, zoals de raadsman stelt en de rechtbank aannemelijk acht, moet worden bezien tegen de achtergrond van een langlopend zakelijk conflict tussen hem en aangever (en, naar ter zitting werd verklaard, in het licht van ernstige bedreigingen die door aangever richting verdachte en zijn familie zouden zijn geuit), betekent dat niet dat verdachte niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. Dat [slachtoffer 1] verdachte in het buurthuis tot op het bot heeft vernederd, zoals de verdediging heeft bepleit, is niet aannemelijk geworden.

De rechtbank is dus, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat verdachte voorbedachte raad heeft gehad op het doden van aangever. Verdachte zal daarom worden veroordeeld voor poging tot moord.

Feit 2

Nadat verdachte had geschoten, liep hij in de richting van de trap. Volgens getuige [slachtoffer 5] draaide verdachte zich naar hem om en richtte het wapen op hem.13 Getuige [slachtoffer 6] verklaarde dat hij samen met een ander voor verdachte ging staan om hem tegen te houden. Verdachte richtte vervolgens het pistool op [slachtoffer 6]. De getuige vond dit zo bedreigend dat hij verdachte heeft doorgelaten.14

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij verdachte uit het buurthuis zag komen en hem met een groep is gevolgd. Volgens [slachtoffer 3] hield verdachte diens wapen in zijn richting en richtte het later ook op de groep.15 Dit wordt bevestigd door [slachtoffer 4] die vanuit een theehuis op het rumoer afkwam. Hij beschreef dat verdachte zich meermalen omdraaide en het wapen richtte op de mensen die hem volgden en ook op getuige zelf.16 [slachtoffer 2] meldde dat hij kwam aanrijden met de auto en voor zich een groep mensen zag lopen. Toen hij naar rechts keek, zag hij een man met een pistool staan. Hij zag dat de man het pistool op de groep richtte en, toen verdachte de getuige zag, het pistool ook op hem richtte.17

Buurtbewoonster [getuige 6] heeft verklaard vanuit haar raam te hebben gezien dat er een groep mensen achter een man aanzat en dat die man een pistool in zijn hand had. Ze zag dat de man aan het zwaaien was met het pistool en dit op de groep richtte.18

Meerdere getuigen maakten melding van door verdachte uitgesproken dreigende teksten. Zo verklaarde [getuige 5] dat verdachte in het buurthuis tegen omstanders heeft gezegd: “Wie probeert bij mij te komen, zal ik ook neerschieten19.” Volgens [getuige 8] heeft verdachte toen gezegd: “Niemand komt naar mij, anders maak ik jullie dood.” Ook getuige [getuige 7] verklaarde dat hij verdachte heeft horen dreigen dat hij omstanders ging doden20.

Uit de hiervoor vermelde feiten volgt dat verdachte een vuurwapen heeft gericht op personen. Deze handeling is op zichzelf al zeer bedreigend van aard. Hij heeft daarbij ook dreigende teksten uitgesproken. Aangezien de betreffende personen wisten dat verdachte even daarvoor een man had neergeschoten, kon bij hen de gerechtvaardigde vrees bestaan dat verdachte in staat was deze bedreiging ten uitvoer te brengen.

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van dit feit bepleit, omdat verdachte geen opzet zou hebben gehad op de bedreiging. Dat hij het wapen op hen richtte, was te wijten aan de omstanders zelf.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Verdachtes opzet was kennelijk niet gericht op het realiseren van de bedreiging, het doden van omstanders, maar dat is ook niet vereist. Zij opzet was blijkens zijn gedrag wel gericht op het aanjagen van angst (en wel zodanig dat men hem zou laten gaan) en daarmee op bedreiging.

De rechtbank is daarom van oordeel dat feit 2 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Feit 3

Het aangetroffen wapen, waarvan verdachte heeft verklaard dat het door hem is gekocht in Rotterdam21 betreft een Browning HP 35 9 mm. Dit is een vuurwapen van categorie III. In het vuurwapen bevonden zich 7 patronen van het kaliber 9 millimeter parabellum.22 Bij de auto waar het wapen is aangetroffen zijn nog twee patronen aangetroffen.23

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte op 8 mei 2013 een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

1.

op 08 mei 2013 te Gouda ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, opzettelijk en na rustig overleg en kalm beraad met een vuurwapen van korte afstand een kogel heeft afgevuurd op de borst van die [slachtoffer 1], welke kogel [slachtoffer 1] in de borst heeft geraakt en de lever heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 08 mei 2013 te Gouda [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en anderen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk een vuurwapen op of in de richting van deze personen gericht en daarbij dreigend de woorden toegevoegd :"Wie probeert bij mij te komen zal ik ook neerschieten" of "Ik ga jullie doodmaken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

op 08 mei 2013 te Gouda een vuurwapen van categorie III, te

weten een semi automatisch pistool van het merk/type Browning HP35, kaliber 9

millimeter en negen stuks munitie van categorie III, te weten patronen van

het kaliber 9 millimeter parabellum, voorhanden heeft gehad.

4 De strafbaarheid van de feiten

4.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte voor feit 2 moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens noodweer. Tevens dient ontslag van alle rechtsvervolging te volgen voor feit 3 nu verdachte een gerechtvaardigd motief had voor het voorhanden hebben van een wapen.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van noodweer. Verdachte heeft eerst gedreigd en is daarna pas aangevallen. Ook is ontslag van alle rechtsvervolging voor feit 3 niet aan de orde, omdat wat de problemen ook zijn, de aanschaf van een wapen nooit een acceptabele oplossing is.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 2

Voor een geslaagd beroep op noodweer dient sprake te zijn van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Naar het oordeel van de rechtbank deed deze zich (in elk geval aanvankelijk) niet voor. Nadat verdachte in het buurthuis zijn zwager had neergeschoten is hij naar buiten gelopen, waarbij hij blijkens getuigenverklaringen twee mensen heeft bedreigd met het vuurwapen. Daarna is een groep personen achter verdachte aangegaan. De getuigen [getuige 7]24 en [slachtoffer 4]25 hebben verklaard, dat verdachte ook buiten zijn wapen op achtervolgers richtte toen die (alleen nog maar) achter hem aan liepen. Dit levert geen aanranding van verdachte op. Gelet daarop was dus geen sprake van een noodweersituatie voor verdachte. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

Feit 3

Voor verdachte was er geen gerechtvaardigd motief voor het voorhanden hebben van een vuurwapen, nu niet gebleken is dat hij voor het bezit daarvan een vergunning had. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Er zijn voorts geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van verdachte

5.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat er bij verdachte met betrekking tot feit 1 sprake was van psychische overmacht en dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het gevoerde verweer onvoldoende onderbouwd, mede gelet op het rapport van dr. Bullens die vermeldt dat verdachte goed met stress kan omgaan.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Psychische overmacht

Van psychische overmacht kan worden gesproken indien er sprake is van een van buiten komende dwang waartegen redelijkerwijs geen weerstand kan worden geboden en ook niet behoefde te worden geboden.

De verdediging heeft aangevoerd dat tussen verdachte en het slachtoffer een zakelijk conflict bestond, dat in één klap alle bestaansgrond onder verdachtes voeten lijkt te hebben weggeslagen (zoals dr. Bullens het formuleerde) en waarbij verdachte zou zijn bedreigd door het slachtoffer.

Dat verdachte bedreigd werd, is voor het eerst op zitting aangevoerd en op geen enkele manier onderbouwd. Verder heeft verdachte zelf voorzien van een geladen vuurwapen de confrontatie met het slachtoffer gezocht. Er is niets gezegd en verdachte heeft het slachtoffer onmiddellijk van korte afstand in de borst geschoten. Welke onweerstaanbare, van buiten komende dwang hem tot die daad zou hebben gebracht en waarom hij deze zelf gezochte confrontatie niet heeft kunnen vermijden, is de rechtbank niet duidelijk geworden. De feiten wijzen in de richting van vergelding.

Het verweer tot psychische overmacht wordt dan ook verworpen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaren met aftrek van het voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Hierbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft geprobeerd zijn zwager dood te schieten en heeft vervolgens een groep mensen die hem achtervolgde bedreigd door het vuurwapen op hen te richten en te dreigen te doden.

Het is een feit van algemene bekendheid dat van korte afstand schieten op een persoon eenvoudig tot de dood van deze persoon kan leiden.

De verdachte heeft geprobeerd het meest fundamentele recht van het slachtoffer, het recht om te leven, aan hem te ontnemen. 

Verdachtes handelen moet niet alleen voor het slachtoffer zeer beangstigend zijn geweest, maar ook voor de omstanders. Dit blijkt ook uit de verklaringen die de getuigen bij de politie hebben afgelegd. Zij zijn geconfronteerd met het door de verdachte begane disproportionele geweld. Door een delict als het onderhavige wordt de rechtsorde zeer ernstig geschokt. Het leidt vanwege het gewelddadig karakter tot maatschappelijke verontrusting en de algemeen bestaande gevoelens van onveiligheid in de samenleving worden hierdoor vergroot.

Het voorhanden hebben van een vuurwapen kan leiden tot ernstige geweldsincidenten, waar deze zaak een triest voorbeeld van is. Tegen het bezit van vuurwapens wordt daarom krachtig opgetreden.

De diepe impact die verdachtes handelen heeft gehad en nog heeft op het leven van aangever en zijn gezin is zeer nadrukkelijk naar voren gekomen in de schriftelijke slachtofferverklaring.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.

De rechtbank zal dit meewegen in de strafoplegging. Zij houdt ook rekening met het feit dat er een langdurig conflict tussen verdachte en het slachtoffer ten grondslag lag aan het incident.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia rapport d.d. 6 augustus 2013, opgesteld door dr. Bullens, psycholoog.

De heer Bullens rapporteert dat verdachte heeft aangegeven wel over zijn leefsituatie te willen praten, maar niet over het ten laste gelegde. Verdachte blijkt over gebrekkige ontwikkelde introspectieve/zelfreflectieve mogelijkheden te beschikken. Uit testresultaten blijkt dat hij zich emotioneel kalm voelt, zich bijna nooit zorgen maakt en weinig vatbaar is voor negatieve gevoelens. Uit het testpsychologisch onderzoek komt verder naar voren dat betrokkene over voldoende copingsvaardigheden zou beschikken.

Verder is er sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een lichte verstandelijke beperking. Er kan door Bullens geen uitspraak worden gedaan over de aanwezigheid van een ziekelijke stoornis ten tijde van het delict, omdat verdachte niet wilde praten over het delict.

Tot slot heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van de reclassering d.d. 6 augustus 2013 over verdachte. De reclassering schrijft dat er geen sprake is van een delictspatroon gelet op de justitiële documentatie van verdachte. Verdachte heeft aangegeven schulden te hebben die zijn ontstaan door toedoen van het slachtoffer. De problemen tussen verdachte en het slachtoffer zijn tot op heden nog niet opgelost en worden door de reclassering als een risicofactor gezien. Verdachte is kort en oppervlakkig in zijn antwoorden, ook bij doorvragen, daarom is er geen duidelijk beeld ontstaan van verdachte en kan er ook geen inschatting worden gemaakt van de kans op recidive.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is.

7 De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 33.794,31.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 21.912,53 en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in de gehele vordering. De vordering is volgens de raadsman te ingewikkeld voor het strafproces, omdat er onder andere sprake is van eigen schuld bij het slachtoffer.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Op dit moment is nog niet bekend is wat de medische eindtoestand van het slachtoffer is, terwijl dit voor de omvang van onder meer de post smartengeld maar ook van overige schadeposten wel van belang is. Andere posten, zoals de daggeldvergoeding, zijn betwist en overigens ook onvoldoende onderbouwd. Gelet hierop levert de behandeling van de vordering benadeelde partij thans een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

8 De in beslag genomen goederen

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de van 1 t/m 5 genummerde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan [slachtoffer 1].

De van 6 t/m 10 en 18 genummerde voorwerpen dienen te worden teruggegeven aan verdachte en de van 11 t/m 13 genummerde voorwerpen moeten worden onttrokken aan het verkeer.

Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat de voorwerpen onder 14 t/m 17 zullen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de sleutels, die op de beslaglijst onder nummer 18 staan, terug te geven aan verdachte.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan [slachtoffer 1] gelasten van de op de beslaglijst onder 1 tot en met 5 genummerde voorwerpen en de teruggave aan verdachte van de op de beslaglijst onder 6 tot en met 10 en 18 genummerde voorwerpen.

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 11 tot en met 13 genummerde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen het onder 3 bewezen verklaarde feit is voorbereid en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting kan met betrekking tot de op de beslaglijst onder 14 tot en met 17 genummerde voorwerpen geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt.

De rechtbank zal daarom de bewaring van deze voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 36 b, 36c, 45, 57, 285 en 289 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

1

poging tot moord;

2

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

3.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in zijn vordering en dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

gelast de teruggave aan [slachtoffer 1] van de op de beslaglijst onder 1 tot en met 5 genummerde voorwerpen, te weten:

- 1 stk kleding broek

- 1 stk kleding pantalon

- 1 paar schoenen Kl: wit

- 2 stk sok Kl: Zwart

- 1 stk kleding ondergoed;

gelast de teruggave aan verdachte van de op de beslaglijst onder 6 tot en met 10 en 18 genummerde voorwerpen, te weten:

- 1 paar schoenen Kl: blauw (sportschoen)

- 1 stk sok Kl: blauw (1 paar sportsokken)

- 1 stk broek Kl: grijs

- 1 stk shirt Kl: groen (MEW Roads)

- 1 stk kleding Kl: grijs (Grijs onderhemd)

- 1 stk sleutel (sleutelbos);

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 11 tot en met 13 genummerde voorwerpen, te weten:

- 2 stk munitie (Parabellum 9 mm)

- 6 stk patroon (Parabellum)

- 1 stk patroon (9mm);

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de op de beslaglijst onder 14 tot en met 17 genummerde voorwerpen, te weten:

- 1 stk steen Kl: grijs

- 1 stk steen Kl: wit

- 1 stk telefoontoestel Kl: wit (GSM wit lederen etui)

- 1 stk toiletartikel Kl: wit (aangebroken pakje zakdoekjes).

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Eisses, voorzitter,

mrs. H.M. Boone en R.G.C. Veneman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.E. van der Does en D. ‘s Gravendijk, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 november 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1620 2013062414, van de regiopolitie Hollands Midden, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 349).

2 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], p. 57.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], p. 132

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 32 en 33.

5 Proces-verbaal van inverzekeringstelling, p. 22 en verklaring verdachte ter terechtzitting van 30 oktober 2013.

6 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 30 oktober 2013.

7 Letselbeschrijving GGD Hollands Midden d.d. 18 oktober 2013.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 6], p. 65

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4], p 199

10 Processen-verbaal van verhoor van de getuigen [slachtoffer 5], p. 124, [slachtoffer 2], p. 141, H. Atar, p. 205

11 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5], p. 63

12 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 6] p. 65.

13 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 5], p. 124 en 125.

14 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 6], p. 65.

15 Proces-verbaal van bevindingen, p. 43.

16 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 4], p. 121 t/m 123.

17 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 2], p. 140 en 141.

18 Proces-verbaal van bevindingen, p. 187.

19 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5], p 63

20 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7], p. 61

21 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 30 oktober 2013.

22 Proces-verbaal forensisch technische recherche, p. 159-160

23 Proces-verbaal van bevindingen, p. 37

24 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7], p. 61ev

25 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4], p. 121 ev