Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:15179

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-11-2013
Datum publicatie
19-11-2013
Zaaknummer
AWB 13_27957
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De stelling van verzoeker dat er, gelet op het inreisverbod van 10 jaar, anders dan de onderhavige procedure, geen effectief rechtsmiddel openstaat om zijn beroep op artikel 8 van het EVRM aan de rechter voor te leggen, wordt evenmin gevolgd. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat het inreisverbod niet meebrengt dat de verblijfsaanspraken die verzoeker stelt te hebben op grond van artikel 8 van het EVRM in het geheel niet ter toetsing aan de rechter kunnen worden voorgelegd. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 juli 2013 (201204559/1/V1 en 201207753/1/v1), waarin is overwogen dat de vraag of de vreemdeling voldoet aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning ten volle aan de orde kan worden gesteld in het kader van de toetsing van het inreisverbod. De gestelde verblijfsaanspraak kan gelet hierop aan de orde worden gesteld in de aanhangige procedure ten aanzien van de afwijzing van het verzoek om opheffing van het inreisverbod. Verzoeker heeft thans nog bezwaar openstaan tegen het besluit van verweerder tot afwijzing van het verzoek om opheffing van het inreisverbod. Nu de redenen om tot opheffing van een inreisverbod over te gaan gelegen kunnen zijn in feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, diende verzoeker om zijn beroep op artikel 8 van het EVRM aan de rechter voor te leggen onderhavig verzoek connex te verklaren aan het bezwaar in die procedure, en niet aan het bezwaar tegen de voorgenomen feitelijke uitzettingshandeling van 5 november 2013.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Algemene wet bestuursrecht 8:83
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/27957

uitspraak van 4 november 2013 in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker, V-nummer [nummer]

(gemachtigde: mr. E.M.M. Wantenaar).

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. T.J.W. Visser).

Procesverloop

Verzoeker bevindt zich in vreemdelingenbewaring. Op 15 oktober 2013 heeft verweerder verzoeker te kennen gegeven dat deze voornemens is verzoeker op 5 november 2013 uit te zetten naar Mogadishu. Tegen deze voorgenomen uitzettingshandeling heeft verzoeker op 30 oktober 2013 een bezwaarschrift ingediend, alsmede de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, in dier voege dat wordt verzocht de uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist.

Overwegingen

1.

De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker spoedeisend belang heeft als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu verweerder het voornemen heeft verzoeker op 5 november 2013 per vliegtuig uit Nederland te verwijderen.

2.

Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb, kan de voorzieningenrechter, indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder toepassing van het eerste lid. Daarvoor bestaat in dit geval aanleiding.

3.

Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift aangevoerd dat de voorgenomen uitzetting achterwege dient te worden gelaten vanwege, kort gezegd, de grote vraagtekens die gezet kunnen worden bij de gang van zaken rondom de uitzettingen naar Somalië de afgelopen maanden. Er is veel onduidelijkheid over de wijze waarop verweerder de uitzettingen ten uitvoer gaat brengen. Tot op heden is er slechts één geslaagde uitzetting naar Somalië geweest. Sinds 16 september 2013 zijn alle gepande uitzettingen naar Somalië geannuleerd in verband met ‘nadere evaluatie van operationele aspecten’, zo ook de eerder geplande uitzetting van verzoeker. Verzoeker meent dat er eerst duidelijkheid dient te komen over de precieze gang van zaken, alvorens hij kan worden uitgezet. Daarnaast stelt verzoeker dat de uitzetting in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verzoeker stelt dat er, gelet op het feit dat hij ongewenst is verklaard, welke ongewenstverklaring is omgezet in een inreisverbod van 10 jaar, geen effectief rechtsmiddel openstaat om zijn beroep op artikel 8 van het EVRM voor te leggen aan een rechter, anders dan in de onderhavige procedure. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de uitzetting in strijd is met zowel zijn gezins- als zijn privéleven. Verzoeker oefent gezinsleven uit met zijn moeder en zussen hier te lande. Daarnaast verblijft verzoeker al twintig jaar in Nederland. De uitzetting is dus ook in strijd met zijn recht op het uitoefen van privéleven in Nederland. Weliswaar is er sprake van criminele aspecten, er dient echter een fair balance te worden gevonden tussen de belangen van verzoeker en die van de Nederlandse staat. In dit geval dient die belangenafweging in het voordeel van verzoeker uit te vallen. Niet alleen is er sprake van een zeer lange verblijfsduur, ook speelt mee dat zijn gehele familie in Nederland en Zweden woont. Daarnaast is verzoeker ingeburgerd in Nederland en verwesterd. Zo spreekt hij de Nederlandse taal vloeiend, heeft hij zijn gehele opleiding in Nederland genoten en in Nederland een netwerk opgebouwd. Hiertegenover staat dat verzoeker in Somalië helemaal niets heeft. Hij spreekt de taal gebrekkig, kleedt zich westers, is niet gelovig en kan evenmin bogen op clanbescherming. Hierdoor zal het voor verzoeker onmogelijk zijn privéleven op te bouwen in Somalië. Onder deze omstandigheden dienen de belangen van verzoeker dan ook te prevaleren boven die van verweerder, aldus verzoeker.

4.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen beletselen bestaan die aan de voorgenomen uitzetting op 5 november 2013 in de weg staan. Weliswaar zijn uitzettingen naar Somalië op 16 september 2013 tot nader bericht opgeschort, deze opschorting was echter van tijdelijke aard. Er is een Memorandum of Understanding, en door de Somalische autoriteiten is bericht dat de uitzettingen weer opgepakt kunnen worden na de islamitische feestdagen. In de zaak van verzoeker is voorts op 4 november 2013 expliciet toestemming gegeven voor de uitzetting door zowel de Somalische immigratie autoriteiten als door het hoofd van de luchthaven te Mogadishu. Bij deze stand van zaken is er geen reden om op voorhand te veronderstellen dat de uitzetting niet kan slagen, aldus verweerder. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat verzoeker niet heeft aangetoond dat artikel 8 van het EVRM zich tegen de voorgenomen uitzetting verzet. Hiertoe stelt verweerder voorop dat verzoeker meerderjarig is, en dat gesteld noch anderszins is gebleken van ‘more than the normal emotional ties’ met zijn moeder en zussen. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat niet is aangetoond dat sprake is van ongerechtvaardigde inmenging in het privéleven van verzoeker, nu verzoeker niets heeft onderbouwd. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat, al zou het gezinsleven en privéleven wel aanwezig zijn, de belangenafweging sowieso in het voordeel van de Nederlandse staat dient uit te vallen vanwege de criminele antecedenten van verzoeker. Verzoeker is om die reden in 2004 ongewenst verklaard, en deze ongewenstverklaring is nu omgezet in een inreisverbod van 10 jaar. Het openbare orde belang van verweerder weegt in dit geval dan ook zwaarder, dan het belang van verzoeker om zijn gezins- en privéleven ongestoord te mogen uitoefenen, aldus verweerder.

5.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen reden is te veronderstellen dat de uitzetting geen doorgang kan vinden in verband met onduidelijkheden omtrent de wijze van uitzettingen naar Somalië in het algemeen. Met de mededeling van verweerder op 4 november 2013 dat de Somalische autoriteiten akkoord zijn met de specifieke uitzetting van verzoeker, acht de voorzieningenrechter de toegang tot Somalië gewaarborgd.

De stelling van verzoeker dat er, gelet op het inreisverbod van 10 jaar, anders dan de onderhavige procedure, geen effectief rechtsmiddel openstaat om zijn beroep op artikel 8 van het EVRM aan de rechter voor te leggen, wordt evenmin gevolgd. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat het inreisverbod niet meebrengt dat de verblijfsaanspraken die verzoeker stelt te hebben op grond van artikel 8 van het EVRM in het geheel niet ter toetsing aan de rechter kunnen worden voorgelegd. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van

9 juli 2013 (201204559/1/V1 en 201207753/1/v1), waarin is overwogen dat de vraag of de vreemdeling voldoet aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning ten volle aan de orde kan worden gesteld in het kader van de toetsing van het inreisverbod. De gestelde verblijfsaanspraak kan gelet hierop aan de orde worden gesteld in de aanhangige procedure ten aanzien van de afwijzing van het verzoek om opheffing van het inreisverbod. Verzoeker heeft thans nog bezwaar openstaan tegen het besluit van verweerder tot afwijzing van het verzoek om opheffing van het inreisverbod. Nu de redenen om tot opheffing van een inreisverbod over te gaan gelegen kunnen zijn in feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, diende verzoeker om zijn beroep op artikel 8 van het EVRM aan de rechter voor te leggen onderhavig verzoek connex te verklaren aan het bezwaar in die procedure, en niet aan het bezwaar tegen de voorgenomen feitelijke uitzettingshandeling van 5 november 2013. Wat hier verder ook van zij, de voorzieningenrechter ziet zich thans gehouden, gelet op de korte tijdspanne en de betrokken belangen, te beoordelen of artikel 8 van het EVRM zich tegen de uitzetting naar Somalië verzet. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 8 van het EVRM zich tegen de voorgenomen uitzettingshandeling verzet. De voorzieningenrechter stelt daarbij voorop dat verzoeker meerderjarig is, en dat niet is gebleken van “more than the normal emotional ties’ met zijn hier te lande verblijvende familieleden. Nu verzoeker ook verder geen onderbouwing heeft overgelegd ten aanzien van de aard en intensiteit van zijn gestelde gezinsleven, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aangetoond dat de openbare orde belangen van verweerder niet zwaarder mogen wegen dan het belang van verzoeker om zijn gezinsleven hier te lande uit te mogen uitoefenen. Ook de stelling dat de uitzetting in strijd is met het recht op privéleven wordt door de voorzieningenrechter als onvoldoende onderbouwd van de hand gewezen. Weliswaar kan ervan uit worden gegaan dat verzoeker gedurende de twintig jaar dat hij hier te lande heeft verbleven privéleven heeft opgebouwd, de enkele omstandigheid van langdurig verblijf is echter onvoldoende om een geslaagd beroep op artikel 8 van het EVRM te kunnen doen. Verzoeker heeft op geen enkele wijze de aard en intensiteit van het gestelde privéleven onderbouwd. Ook om deze reden is er geen reden te veronderstellen dat artikel 8 van het EVRM aan uitzetting in de weg staat. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, in het licht van het vorenstaande, en voor zover er wel sprake is van gezins- en privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, de belangenafweging gelet op het belang van de openbare orde in het voordeel van verweerder dient uit te vallen. Hiertoe acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoeker ongewenst is verklaard op 1 december 2004, welke op 7 mei 2012 is vervangen door een inreisverbod voor de duur van tien jaar, omdat hij sinds 2000 meermalen is veroordeeld tot geldboetes en gevangenisstraffen, waaronder een veroordeling van twaalf maanden, wegens het plegen van diverse misdrijven zoals diefstal, inbraak, oplichting, heling, straatroof en mishandeling.

6.

Het verzoek komt derhalve niet voor toewijzing in aanmerking.

7.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Meijer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het op nbaar uitgesproken op 4 november 2013.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.