Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:15153

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
12-11-2013
Zaaknummer
13_2700
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een inrichting voor een aannemingsbedrijf in sloopwerkzaamheden.

De normen uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening met betrekking tot het maximale geluidniveau strekken tot bescherming van de belangen van de omwonenden bij een goed woon- en leefklimaat. De inrichting van eiseres is geen geluidgevoelig object en haar komt dan ook geen bescherming toe tegen geluidhinder. Nu de normen uit de Handreiking kennelijk niet strekken tot bescherming van de concurrentiebelangen van eiseres, kan zij zich niet met succes op deze normen beroepen. Gelet hierop kan het betoog van eiseres op dit punt, wat hier verder ook van zij, ingevolge artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot vernietiging van het besluit.

Ten aanzien van de overige beroepsgronden is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat deze betrekking hebben op normen die kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van eiseres. Daarbij is relevant dat zij stofhinder zou kunnen ondervinden van de nieuwe inrichting en dat eventuele bodemverontreiniging ook haar terrein zou kunnen treffen.

Volgt ongegrondverklaring beroep.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1, geldigheid: 2013-10-23
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 1.1, geldigheid: 2013-10-23
Besluit omgevingsrecht, geldigheid: 2013-10-23
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.22, geldigheid: 2013-10-23
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.14, geldigheid: 2013-10-23
Algemene wet bestuursrecht 8:69a, geldigheid: 2013-10-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2013/389 met annotatie van Van der Meijden

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 13/2700

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 oktober 2013 in de zaak tussen

[A] B.V., te [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. H.A. Pasveer),

tegen

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, verweerder

(gemachtigde: mr. ing. A.M.M. van der Wijst).

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder, na het doorlopen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, aan Aannemingsbedrijf Maarten [B] b.v. ([B]) een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een inrichting voor een aannemingsbedrijf in sloopwerkzaamheden aan [adres] te [plaats].

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 4 april 2013 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2013. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [C] en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en ing. A.J. Oudijk.

Overwegingen

1.

[B] heeft een aanvraag, gedateerd 30 januari 2012, ingediend om een vergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e juncto artikel 1.1, eerste en derde lid van de Wabo. De aanvraag betreft de oprichting van een inrichting bestemd voor de op- en overslag van diverse afvalstromen die vrijkomen bij sloopwerkzaamheden en het ten dele verwerken van deze afvalstromen. Voorts wordt in de inrichting puin gebroken met gebruikmaking van een mobiele puinbreker. De inrichting is gevestigd op een industrieterrein.

2.

De ontwerpbeschikking lag van 18 oktober 2012 tot en met 28 november 2012 ter inzage. Eiseres heeft zienswijzen daartegen ingediend.

2.1.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de omgevingsvergunning aan [B] verleend. De vergunning is op een zestal punten aangepast ten opzichte van het ontwerp naar aanleiding van de ingebrachte zienswijzen.

3.

Eiseres neemt bouw- en sloopafval in en bewerkt dat. Zij is naast de inrichting van [B] gevestigd. Gelet daarop is zij naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als belanghebbende bij het bestreden besluit.

3.1.

Ter zitting heeft eiseres te kennen gegeven dat de beroepsgronden zich beperken tot hetgeen is uitgewerkt in het beroepschrift.

4.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, voor zover hier van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het oprichten en in werking hebben van een inrichting.

4.1.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld met betrekking tot hetgeen wordt verstaan onder de in het eerste lid bedoelde activiteiten.

4.2.

Ter uitvoering hiervan zijn in Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht (Bor), voor zover hier van belang, vergunningplichtige inrichtingen aangewezen. Op onderhavige inrichting is categorie 28.4 uit bijlage 1, onderdeel C van de Bor van toepassing en daarnaast betreft het een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort. De inrichting is daarom vergunningplichtig.

4.3.

Ingevolge artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo, voor zover hier van belang, worden aan een omgevingsvergunning voorschriften verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20.

4.4.

Ingevolge artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder c, 10, van de Wabo neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende best beschikbare technieken moeten worden toegepast.

5.1.

Ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of een ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel van de Wab (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever ten aanzien van artikel 8:69a van de Awb heeft willen aansluiten bij artikel 1.9 van de Crisis- en herstelwet. Ook met artikel 8:69a van de Awb heeft de wetgever de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en de daadwerkelijke (of: achterliggende) reden om een besluit in rechte aan te vechten en dat de bestuursrechter een besluit niet moet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die niet strekt tot bescherming van een belang waarin de eisende partij feitelijk dreigt te worden geschaad.

5.2.

De normen uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening met betrekking tot het maximale geluidniveau strekken tot bescherming van de belangen van de omwonenden bij een goed woon- en leefklimaat. De inrichting van eiseres is geen geluidgevoelig object en haar komt dan ook geen bescherming toe tegen geluidhinder. De rechtbank leidt uit de door eiseres naar voren gebrachte gronden af dat zij in feite vreest voor een nadelige beïnvloeding van haar concurrentiepositie. Nu de normen uit de Handreiking kennelijk niet strekken tot bescherming van de concurrentiebelangen van eiseres, kan zij zich niet met succes op deze normen beroepen. Gelet hierop kan het betoog van eiseres op dit punt, wat hier verder ook van zij, ingevolge artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot vernietiging van het besluit.

5.3.

Ten aanzien van de overige beroepsgronden is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat deze betrekking hebben op normen die kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van eiseres. Daarbij is relevant dat zij stofhinder zou kunnen ondervinden van de inrichting van [B] en dat eventuele bodemverontreiniging ook haar terrein zou kunnen treffen.

6.

Eiseres betoogt dat ten onrechte geen vloeistofdichte vloer is voorgeschreven. In plaats daarvan wordt een vloeistofkerende vloer in combinatie met een overkapping toereikend geacht om tot een verwaarloosbaar bodemrisico te komen, terwijl de aanwezigheid van een overkapping niet zeker is gesteld. Op dit punt is de vergunning onduidelijk.

6.1.

Verweerder acht het aanbrengen van een vloeistofdichte vloer hier niet noodzakelijk. De opslag van bouw- en sloopafval vindt overdekt plaats in de sorteerhal op een naadloze vloeistofkerende vloer. Deel- en monostromen die mogelijk bodembedreigend zijn worden opgeslagen in vloeistofdichte containers of boven een vloeistofdichte voorziening. De opslag van het in de inrichting geproduceerde granulaat van de deelstroom puinfractie kan onbeperkt worden toegepast als niet vormgegeven bouwstof BBK en kan dus buiten worden opgeslagen.

6.2.

Aan de vergunning is ter bescherming van de bodem het volgende voorschrift verbonden.

1.4.1.

Het bodemrisico van de in de aanvraag genoemde beschreven bodembedreigende activiteiten:

- acceptatie van afvalstoffen;

- opslag en sorteren van (gemengd) bouw- en sloopafval;

- in gebruik hebben van puinbreker;

- opslag van bodembedreigende deelstromen afkomstig uit gemengd bouw- en sloopafval;

- onderhoudswerkzaamheden aan voertuigen;

- opslag van gevaarlijke stoffen in emballage;

moet door het treffen van doelmatige maatregelen en voorzieningen verwaarloosbaar zijn zoals gedefinieerd in de Nederlands Richtlijn Bodembescherming.

6.3.

De rechtbank overweegt dat bij de aanvraag een bodemrisicobeoordeling is gevoegd. In deze risicobeoordeling staan onder meer het op basis van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) benodigd beschermingsniveau en de te treffen voorzieningen. Zoals verweerder ter zitting nader heeft toegelicht is daarbij uitgegaan van de versie van 2003, die strenger is qua normstelling dan de huidige. Voor het onderdeel sorteren van gemengd bouw- en sloopafval is een naadloze vloeistofkerende vloer met overkapping vereist. Het gemengde afval zal in overeenstemming daarmee worden opgeslagen in de sorteerhal, die voorzien wordt van een naadloze vloeistofkerende vloer. De bodemrisicobeoordeling maakt onderdeel uit van de omgevingsvergunning. Naar het oordeel van de rechtbank is voorschrift 1.4.1, gelet daarop, toereikend om een verwaarloosbaar bodemrisico te realiseren.

6.4.

Gebleken is dat de tekening van het terrein de inrichting niet spoort met de bodemrisicobeoordeling wat betreft de opslag van gemengd afval, omdat daarop wordt aangegeven dat het gemengd afval niet in de sorteerhal wordt opgeslagen, maar buiten. Terecht heeft verweerder zich daarover op het standpunt gesteld dat voorschrift 1.4.1 voorgaat op de tekening. Dat dit voor een onduidelijkheid zorgt, als gevolg waarvan een niet handhaafbare situatie ontstaat, zoals door eiseres betoogt, volgt de rechtbank niet. Evenmin volgt de rechtbank het betoog van eiseres dat op het buitenterrein voor bodemverontreiniging moet worden gevreesd, omdat een vloeistofkerende vloer ontoereikend moet worden geacht. Ter zitting heeft verweerder draagkrachtig toegelicht dat het puin geen potentieel bodemrisico in zich draagt, aangezien dit puin reeds binnen is gesorteerd en alleen ‘schoon’ puin wordt gebroken. Het enige risico vormt de puinbreker zelf. Deze hoeft evenwel niet boven een vloeistofdichte vloer in werking te zijn. Een vloeistofkerende vloer, bestaande uit stelconplaten, is naar het oordeel van de rechtbank toereikend te achten vanuit het oogpunt van bodembescherming.

7.

Eiseres voert aan dat het bestreden besluit niet voldoet aan de Nederlandse emissie Richtlijnen (NeR). Voorschrift 1.3.1 is daartoe niet toereikend, omdat dit toestaat dat er tot een afstand van 2 meter van de bron visueel waarneembare stofverspreiding kan plaatsvinden zonder dat daarbij is gegarandeerd dat er geen stofverspreiding buiten de inrichting kan optreden. Eiseres beroept zich daarbij op de uitspraken van de Afdeling van 11 mei 2011, zaaknummer 201002353/1 en van 7 maart 2012, LJN: BV8081. Eiseres vreest bovendien aangesproken te kunnen worden op stofverspreiding, die eigenlijk van de inrichting van [B] afkomstig is.

7.1.

Verweerder wijst op paragraaf 3.8.4 van de NeR. Dit heeft als uitgangspunt dat er geen visueel waarneembare verspreiding van stof optreedt. Met de toepassing van de door vergunninghouder voorgestelde werkwijze is dit onder realistische omstandigheden haalbaar. In bijzondere omstandigheden zal het echter niet mogelijk zijn om hieraan te voldoen. In die gevallen is het uitgangspunt dat op een afstand van 2 meter van de bron geen visueel waarneembare stofverspreiding optreedt. Deze afstand is opgenomen in verband met de handhaafbaarheid.

7.2.

Ten aanzien van stofhinder is in voorschrift 1.3.1 vastgelegd dat het breken van steenachtig materiaal zodanig moet plaatsvinden, dat geen visueel waarneembare stofverspreiding over een afstand van meer dan 2 m van de bron naar de omgeving kan optreden.

7.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voorschrift 1.3.1. van de omgevingsvergunning toereikend mogen achten om stofhinder te voorkomen dan wel zo veel mogelijk te beperken. Ingevolge paragraaf 3.8.4. van de NeR geldt met betrekking tot de diffuse stofemissie als uitgangspunt voor het bepalen van de best beschikbare technieken dat binnen de inrichting geen visueel waarneembare stofverspreiding in de buitenlucht mag optreden. Onder bijzondere omstandigheden zal het echter niet mogelijk zijn om hieraan te voldoen. In die gevallen is het uitgangspunt dat op een afstand van 2 meter van de bron geen visueel waarneembare stofverspreiding optreedt. In voorschrift 1.3.1. van de omgevingsvergunning is bij die norm aangesloten.

7.4.

Dat in het voorschrift niet is vermeld dat dit alleen geldt onder bijzondere omstandigheden is onvoldoende om te oordelen dat dit voorschrift niet voldoet aan paragraaf 3.8.4 van de NeR. In paragraaf 3.8.4. van de NeR is overwogen dat vergunningvoorschriften waarin zonder verdere specificatie is opgenomen dat geen visueel waarneembare stofverspreiding mag optreden bij handhaving problemen kunnen opleveren, zodat het noodzakelijk is het uitgangspunt per situatie te vertalen naar handhaafbare voorschriften. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen, dat de afstand van 2 meter in voorschrift 1.3.1 nodig is vanwege de handhaafbaarheid. Voorts sluit voorschrift 1.3.1. aan bij artikel 3.32, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit, waarin is bepaald dat goederen in de buitenlucht zodanig worden op- of overgeslagen dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat stofverspreiding optreedt die op een afstand van meer dan 2 meter van de bron met het blote oog waarneembaar is. In voorschrift 2.4.7. van de omgevingsvergunning wordt dit artikel van het Activiteitenbesluit van toepassing verklaard op de opslag van onder meer metalen en reeds gebroken puin. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat voorschrift 1.3.1 toereikend is ter voorkoming van onaanvaardbare stofhinder.

7.5.

Uit de door eiseres aangehaalde uitspraken van de Afdeling volgt naar het oordeel van de rechtbank evenmin dat voorschrift 1.3.1 ontoereikend is. De uitspraak van 11 mei 2011 ziet op een andere situatie dan hier aan de orde. In dat geval was een voorschrift aan een vergunning verbonden waarin niet werd uitgegaan van de bron als meetpunt maar van de grens van de inrichting. In de uitspraak van 7 maart 2012 was een identiek voorschrift als hier aan de orde aan de vergunning verbonden. In tegenstelling tot hetgeen eiseres stelt, wordt dit voorschrift door de Afdeling toereikend en in overeenstemming met de NeR geacht. In dat kader overweegt de Afdeling dat met dit voorschrift wordt beoogd dat geen stofverspreiding buiten de inrichting plaatsvindt.

7.

Het beroep is ongegrond.

8.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, voorzitter, mrs. J.L. Verbeek en F. Arichi, leden, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2013.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.