Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:15109

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
03-12-2013
Zaaknummer
AWB-13_4462
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat de redelijke (beslis)termijn, als bedoeld in artikel 4:13 van de Awb, in dit geval, waarin het gaat om een situatie waarin kinderen geen gebruik kunnen maken van het recht op onderwijs, korter is dan acht weken. Het verzoek van eiseres om binnen drie weken op de aanvraag te beslissen acht de rechtbank in zo’n situatie een redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:75a
Verdrag inzake de rechten van het kind 28
Algemene wet bestuursrecht 4:14
Algemene wet bestuursrecht 6:2
Algemene wet bestuursrecht 6:12
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 13/4462

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2013 op het verzoek om een proceskostenveroordeling in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. W. Punter).

Procesverloop

Bij brief van 18 april 2013 heeft eiseres om bijzondere bijstand verzocht.

Bij brief van 14 mei 2013 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld ten aanzien van het niet nemen van een beslissing op voormelde aanvraag.

Bij brief van 30 mei 2013 heeft eiseres bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van het nemen van een beslissing op de aanvraag.

Bij besluit van 31 mei 2013 heeft verweerder aangegeven dat de ingebrekestelling prematuur is, nu de beslistermijn voor het geven van een besluit op 13 juni 2013 afloopt.

Bij besluit van 4 juni 2013 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat eiseres een beroep kan doen op de (voorliggende) voorziening leerlingenvervoer.

Bij brief van 25 juni 2013 heeft eiseres het beroep ingetrokken. Bij dezelfde brief heeft eiseres verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten gemaakt in de onderhavige procedure.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2013. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Sprakel, kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder is niet verschenen.

Overwegingen

1.

Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, op verzoek van de indiener gedaan bij de intrekking van het beroep, het bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de kosten die de indiener in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

2.

Eiseres heeft bijzondere bijstand aangevraagd omdat zij niet in staat is de reiskosten te betalen, die zij dient te voldoen in verband met het openbaar vervoer van haar kinderen naar school en de peuterspeelzaal. Eiseres beroept zich op artikel 2 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (“EP”) en artikel 28 van het internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (“IVRK”), waarin is neergelegd dat ieder kind recht heeft op onderwijs. Dat de kinderen van eiseres geen gebruik kunnen maken van het recht op onderwijs brengt volgens eiseres met zich dat sprake is van een spoedeisende situatie, welke voldoende reden geeft af te wijken van de gangbare beslistermijn als bedoeld in artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gevraagd is om binnen drie weken op de aanvraag te beslissen. Hoewel verweerder inhoudelijk heeft beslist op de aanvraag is hij daar volgens eiseres niet tijdig toe overgegaan. Om die reden verzoekt eiseres om een veroordeling van verweerder in de proceskosten.

3.

Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat in het onderhavige geval een beslistermijn van acht weken (tot 13 juni 2013) geldt. Ten tijde van het ingediende beroepschrift was die beslistermijn nog niet verstreken, waarmee deze te vroeg is ingediend. Voor een proceskostenveroordeling is hier dan ook geen plaats.

4.

De rechtbank overweegt als volgt.

5.

De rechtbank stelt vast dat verweerder aan eiseres is tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb.

6.

Ter beoordeling ligt voor of verweerder in gebreke is geweest tijdig te beslissen op de aanvraag en om die reden moet worden veroordeeld in de proceskosten die door eiseres zijn gemaakt.

7.

Ingevolge artikel 4:13, eerste lid, van de Awb, dient een beschikking te worden gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. Ingevolge het tweede lid van voornoemd artikel is de in het eerste lid bedoelde redelijke termijn in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan.

8.

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van wettelijke voorschriften over beroep met een besluit gelijkgesteld. Een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

9.

Niet in geschil is dat de brief van 18 april 2013 als aanvraag ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) dient te worden gekwalificeerd. De Wwb bevat geen specifieke bepaling ten aanzien van de termijn waarbinnen een besluit op aanvraag om bijzondere bijstand moet worden genomen. Wat betreft de beslistermijn dient daarom in beginsel aansluiting te worden gezocht bij de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, zijnde een termijn van acht weken.

10.

In bijzondere gevallen bestaat aanleiding om van een kortere termijn dan de in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, bedoelde termijn van acht weken uit te gaan (vgl. de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011: BV0983). De situatie waarin kinderen verstoken blijven van een sociaal grondrecht, het recht op onderwijs, dient naar het oordeel van de rechtbank zo kort mogelijk te worden gehouden en is daarmee dermate spoedeisend dat een kortere beslistermijn door verweerder had moeten worden gehanteerd. Het verzoek van eiseres om binnen drie weken op de aanvraag te beslissen acht de rechtbank in zo’n situatie een redelijke termijn. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat het hier een aanvraag betreft waarvan het beoordelingskader om toe of af te wijzen eenvoudig is.

11.

Gelet op het voorgaande had verweerder uiterlijk 9 mei 2013 op de aanvraag om bijzondere bijstand dienen te beslissen. Nu verweerder pas op 4 juni 2013 een beslissing heeft genomen, was het beroep tegen het niet tijdig beslissen – nu verweerder daaraan voorafgaand op 14 mei 2013 in gebreke was gesteld – niet prematuur ingediend.


12. Het verzoek wordt toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, juncto artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb in de door eiseres noodzakelijk gemaakte proceskosten. De rechtbank kent hiervoor, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, twee punten toe (een punt voor het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting). Nu het hier een beroep tegen het uitblijven van een besluit betreft, waarbij geen beoordeling van het materiële geschil plaatsvindt, wordt bij deze zaak een wegingsfactor van 0,25 (‘zeer licht’) gehanteerd.

13.

De rechtbank bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 44,00 vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 236,00, welke kosten verweerder aan eiseres dient te betalen.

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Verbeek, in aanwezigheid van mr. L.B.J. Leunissen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2013.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.