Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:15069

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
11-11-2013
Zaaknummer
C-09-390943 - HA ZA 11-1026_eindvonnis
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis in verzekeringszaak. Eiser vordert jegens zijn (toenmalige) assurantietussenpersoon en diens beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar een verklaring voor recht dat zijn assurantietussenpersoon in 2003 beroepsfouten heeft gemaakt bij het afsluiten voor eiser van een opstalverzekering en een AVP-verzekering waardoor eiser in 2009 schade heeft geleden. Voorts vordert eiser een verklaring voor recht de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van de assurantietussenpersoon de schade ten gevolge van deze beroepsfouten aan eiser moet uitkeren. Eiser is geslaagd in bewijs dat de vordering van de tussenpersoon op de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar rechtsgeldig aan eiser is gecedeerd. De rechtbank verwerpt het verweer van de verzekeraar dat geen dekking onder de polis bestaat omdat de verzekering is ontbonden wegens premieachterstand vanaf het moment van de premievervaldatum. Ontbinding is niet mogelijk voor het verleden wanneer een schadevoorval in de betreffende periode is voorgevallen. Bovendien heeft de verzekeraar bij het ontbinden van de verzekering niet voldaan aan de dwingendrechtelijke vereisten van artikel 9:734 BW, zodat ook om die reden geen sprake kan zijn van ontbinding. Daarnaast verwerpt de rechtbank het verweer van de verzekeraar dat er geen dekking onder de polis bestaat omdat de verzekerde (assurantietussenpersoon) onvoldoende medewerking heeft verleend. De verzekerde heeft wel degelijk medewerking verleend en dat contact met de verzekerde moeizaam te leggen is, is geen reden tot verval van het recht op dekking.

Beroepsaansprakelijkheid van de verzekerde is naar het oordeel van de rechtbank ten dele aan de orde nu de tussenpersoon niet voor een adequate opstalverzekering heeft gezorgd. Er is geen beroepsfout gemaakt door voor een AVP- en niet voor AVB-verzekering te zorgen. Voorts is geen beroepsfout gemaakt in verband met de aan de orde zijnde onderverzekering: daartoe heeft eiser onvoldoende gesteld. Het beroep van de verzekeraar op eigen schuld van eiser met betrekking tot de door de tussenpersoon gemaakte beroepsfout in het kader van de opstalverzekering heeft de rechtbank verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/390943 / HA ZA 11-1026

Vonnis van 9 oktober 2013

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. W.P. den Hertog te Den Haag,

tegen

1. de naamloze vennootschap

VERENIGDE ASSURANTIEBEDRIJVEN NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Rijswijk,

gedaagde,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

2. [A] (ZBWOV), voorheen handelend onder de naam QUADRAET FINANCIËLE PARTNERS,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna wederom [eiser], BAVAM en Quadraet/[A] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 10 april 2013 en de daarin genoemde gedingstukken;

  • -

    het proces-verbaal van de enquête aan de zijde van [eiser] van 24 juni 2013, met bijlagen.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank volhardt bij hetgeen in de tussenvonnissen van 28 maart 2012 en 10 april 2013 is overwogen en beslist.

2.2.

De rechtbank stelt voorop dat dit vonnis – evenals de voorgaande tussenvonnissen – ingevolge artikel 140 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ook jegens Quadraet heeft te gelden als een vonnis op tegenspraak.

Ten aanzien van BAVAM

Rechtsgeldige cessie?

2.3.

In de onderhavige zaak ligt allereerst ter beoordeling voor of Quadraet in de persoon van [A] zijn vorderingen op BAVAM uit een eventuele beroepsfout jegens [eiser] rechtsgeldig aan [eiser] heeft gecedeerd.

2.4.

Tijdens het getuigenverhoor is in enquête [B], advocaat van [eiser] (hierna: [B]), gehoord. [B] heeft, voor zover hier van belang, als volgt verklaard:

“Ik heb in eerste instantie overleg gevoerd met Haverkamp & Partners ([D] en [E]). Zij waren op dat moment in overleg met [A] in verband met de overname van zijn verzekeringsportefeuille. Van [D] heb ik vervolgens een e-mailadres, een Surinaams telefoonnummer en een Nederland mobiel nummer ( zie de aan dit proces-verbaal gehechte email van 30 juni 2009) gekregen. Het mobiele telefoonnummer bleek niet te werken. Op 30 juni 2009 is vervolgens een email verstuurd naar [A] ( zie de aan dit proces-verbaal gehechte email van mr. [C] van 30 juni 2009). Diezelfde dag ontving ons kantoor een e-mailreactie van de heer [A], die berichtte om contact op te nemen met Haverkamp & Partners (zie de aan dit proces-verbaal gehechte email van [A] van 30 juni 2009). (…) Vervolgens is over een oplossing nagedacht en besloten om de rechten van [A] te laten cederen aan [eiser]. Met dat voorstel is contact opgenomen met [A]. Na een rappel heeft [A] op 24 augustus 2009 zelf telefonisch contact opgenomen met mij. Ik heb toen met hem de mogelijkheid van een cessie, volmacht en lastgeving besproken en hij gaf aan daartoe bereid te zijn. Er is vervolgens een akte opgesteld, die bij email van 26 augustus 2009 aan [A] is toegestuurd (zie de aan dit proces-verbaal gehechte email van mij van 26 augustus 2009). [A] heeft de akte diezelfde dag ondertekend retour gezonden (zie de aan dit proces-verbaal gehechte email van [A] aan mij van 26 augustus 2009).

(…) [A] sr. heeft op 22 november 2010 telefonisch contact met mij opgenomen en mij het nieuwe e-mailadres van [A] verstrekt ( zie de aan dit proces-verbaal gehechte telefoonnotie van 22 november 2010). Diezelfde dag heb ik per email contact opgenomen met [A] over de polisvoorwaarden (zie de aan dit proces-verbaal gehechte email van mij van 22 november 2010). [A] heeft vervolgens telefonisch contact met mij opgenomen en ik heb met hem afgesproken dat ik een schriftelijke verklaring in concept aan hem zou toesturen (zie de aan dit proces-verbaal gehechte email van mij van 24 november 2010). [A] heeft vervolgens het toegestuurde concept getekend teruggestuurd (zie de aan dit proces-verbaal gehechte email van [A] van 6 december 2010, met als bijlage de getekende verklaring). Vervolgens heb ik de verklaring nogmaals (ditmaal zonder de vermelding concept) aan hem gezonden en deze heeft hij getekend geretourneerd.

Vervolgens is er een hele tijd geen contact geweest tot het moment dat het bewijs van de handtekening geleverd moest worden. Ik heb toen contact opgenomen met [A] omdat er originele handtekeningen nodig waren. Ik heb vervolgens een verklaring opgesteld en [A] gevraagd deze tweemaal te ondertekenen en samen met een kopie van zijn identiteitsbewijs terug te sturen. Vervolgens vroeg de handtekeningdeskundige om 10 originele handtekeningen en 10 originele parafen en referentiemateriaal. Ik heb toen weer telefonisch contact gehad met [A]. Hij toonde zich toen bereid om bij de notaris de nodige handelingen daartoe te verrichten, Ik heb toen gezocht naar een Surinaamse notaris die in ieder geval een eigen website had en heb toen een notaris bereid gevonden. [A] is vervolgens naar die notaris gegaan en op het moment dat [A] bij de notaris was is er nog telefonisch contact geweest tussen mij en mevrouw Pinas van het notariskantoor. De notariële akte is vervolgens naar mij toegezonden per post.

Op de vraag van mr. Theunissen antwoord ik als volgt:

De persoon die ik telefonisch heb gesproken in verband met de ondertekening van de cessieovereenkomst en de persoon die ik telefonisch heb gesproken in verband met het passeren van de notariële akte ongeveer 2 jaar later, is dezelfde. Ik weet dat omdat de contacten logisch op elkaar volgde. De persoon bleek bekend met de eerdere (schriftelijke contacten) die er via de eerder genoemde e-mailadressen en telefoonnummers waren geweest. Bovendien gaf de persoon in het tweede gesprek over de notariële akte aan verbaasd te zijn dat wij met de zaak nog niet verder waren dan een discussie over de handtekening.”

2.5.

Gezien de weergegeven verklaring acht de rechtbank [eiser] geslaagd in het aan hem opgedragen bewijs. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [B] – gezien zijn getuigenverklaring – bij voortduring contact heeft gehad met [A], hetzij telefonisch, hetzij per e-mail, waarna hij – onder meer – de akte van cessie door [A] ondertekend retour heeft ontvangen. Dat daarbij aan de identiteit van [A] getwijfeld dient te worden, zoals BAVAM bij akte na deskundigenbericht van 13 maart 2013 heeft geopperd, verwerpt de rechtbank. [B] verklaart dat hij steeds dezelfde persoon heeft gesproken en dat hij dat weet omdat de contacten ter zake logisch op elkaar volgden. Daarbij heeft [A] zich op verzoek van [B] bij het door [B] ingeschakelde Surinaamse notariskantoor vervoegd en zich met zijn rijbewijs geïdentificeerd. Daarmee staat de identiteit van [A] naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam vast en is [eiser] geslaagd in het hem opgedragen bewijs dat de handtekening onder de akte van cessie die van [A] is. Dat betekent dat [A] met deze akte de vorderingen van Quadraet op BAVAM rechtsgeldig aan [eiser] heeft gecedeerd.

Kosten deskundigenbericht en getuigenverhoor

2.6.

Nu [eiser] geslaagd is in zijn bewijsopdracht met betrekking tot de rechtsgeldigheid van de cessie, zal BAVAM in de kosten worden veroordeeld ter zake van het deskundigenbericht en het getuigenverhoor. Met betrekking tot het door [eiser] betaalde deskundigenbericht stelt de rechtbank het volgende vast.

[eiser] heeft aan voorschot voor het deskundigenbericht van R. ter Kuile-Haller € 1.800,- inclusief BTW betaald. De deskundige heeft een bedrag van € 1.695,- inclusief BTW gefactureerd. Het verschil van € 105,- is door de rechtbank aan [eiser] terugbetaald. Het bedrag van € 1.695,- dient BAVAM aan [eiser] te voldoen.

Dekking onder de beroepsaansprakelijkheidsverzekering van Quadraet?

2.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat op de beroepsaansprakelijkheidsverzekering van Quadraet de Algemene Voorwaarden CM2006, clausule 163 en (in verband met clausule 163 en het feit dat de eventuele beroepsfout in 2003 is gemaakt) de Algemene Voorwaarden 1992.3 van toepassing zijn.

2.8.

In de Algemene Voorwaarden 1992.3 is – onder meer – opgenomen:

II Dekkingsbepalingen

(…)

Artikel 3 Omvang van de dekking

1 Algemeen:

Deze verzekering dekt de aansprakelijkheid van de verzekerden jegens cliënten of derden voor schade door tijdens de duur van deze verzekering (…) begane fouten, mits de schade zich tijdens de looptijd van de verzekeringsovereenkomst heeft geopenbaard (…).
Tenzij uitdrukkelijk anders overeengekomen vervalt bij de beëindiging van deze verzekeringsovereenkomst iedere aansprakelijkheid van de verzekeraar voor fouten, na deze beëindiging ontdekt.
Deze verzekering dekt ook na beëindiging daarvan de aansprakelijkheid voor fouten tijdens de duur van de verzekering (…) begaan in geval van:

- opzegging van de verzekering door de verzekeraar, anders dan bij wanbetaling door de verzekeringnemer (…);”

2.9.

BAVAM erkent dat is voldaan aan de voorwaarde dat Quadraet de door [eiser] gestelde beroepsfout in 2003 heeft begaan tijdens de looptijd van de verzekering. BAVAM betoogt echter dat er geen dekking bestaat omdat niet is voldaan aan de (tweede) voorwaarde dat de schade ten gevolge van de gestelde fout zich heeft geopenbaard tijdens de looptijd van de verzekering. BAVAM stelt dat zij op 21 juli 2009 de verzekeringsovereenkomst met ingang van 1 januari 2009 rechtsgeldig heeft ontbonden, wegens het niet betalen door Quadraet van de vervolgpremie voor het verzekeringsjaar 2009. Dientengevolge zijn partijen bevrijdt van de door de ontbinding getroffen verbintenissen, zodat BAVAM met ingang van 1 januari 2009 niet langer gehouden is dekking te bieden voor het beroepsaansprakelijkheidsrisico van Quadraet. Nu [eiser] Quadraet pas op 2 maart 2009 aansprakelijk heeft gesteld, deze aansprakelijkstelling per mail van 5 maart 2009 aan BAVAM is doorgestuurd en BAVAM de ontvangst bij brief van 6 maart 2009 heeft bevestigd, staat vast dat de schade zich pas na en niet tijdens de looptijd van de verzekering heeft geopenbaard, aldus nog steeds BAVAM.

2.10.

[eiser] stelt terecht dat in de door BAVAM op 21 juli 2009 toegezonden mededeling is opgenomen dat de polis “is beëindigd” en dat de verzekering wordt “opgezegd op grond van wanbetaling”. Uit die brief volgt derhalve niet dat BAVAM de verzekeringsovereenkomst heeft ontbonden, maar verwijst zij veeleer naar tussentijdse opzegging op grond van de polisvoorwaarden.

Wat daar ook van zij, de rechtbank is van oordeel dat – zelfs wanneer de op 21 juli 2009 gedateerde mededeling van BAVAM als een ontbinding dient te worden gekwalificeerd – de tekortkoming van de zijde van verzekeringnemer [A], te weten het niet betalen van premie over de periode vanaf 1 januari 2009 zodanig (gering) is dat deze onder de gegeven omstandigheden geen ontbinding rechtvaardigt. In dit verband is van belang dat BAVAM tot ontbinding is overgegaan nadat de schade bij haar was gemeld, zodat reeds op grond van de regel van het Benzol-arrest (HR 16 januari 1959, NJ 1960, 49) ontbinding in het onderhavige geval niet is toegestaan (wanneer naar het oordeel van de Hoge Raad in geval van fraude na schade ontbinding niet is toegestaan, geldt zulks zeker wanneer, zoals in het onderhavige geval, slechts sprake is van (geringe) premieachterstand).

2.11.

Bovendien is ingeval van ontbinding op grond van niet (tijdige) betaling van de vervolgpremie – zoals BAVAM ook heeft onderkend – artikel 7:934 BW van toepassing. De rechtbank constateert dat BAVAM niet heeft voldaan aan de in dit artikel opgenomen vereisten, in tegenstelling tot hetgeen zij zelf betoogt. Volgens voornoemd artikel kan de verzekering pas worden ontbonden wanneer de vervolgpremie niet wordt voldaan, nadat de verzekeraar de schuldenaar onder vermelding van de gevolgen van het uitblijven van betaling vruchteloos heeft aangemaand tot betaling binnen een termijn van 14 dagen, aanvangende de dag na de aanmaning. Op 27 januari 2009 heeft BAVAM aan Quadraet een betalingsherinnering gestuurd, waarin slechts wordt gewezen op schorsing van de dekking wanneer de premie niet binnen veertien dagen wordt betaald, maar niet op het mogelijke gevolg van ontbinding van de verzekering. Daarnaast heeft BAVAM op 8 mei 2009 aan Quadraet een bericht gestuurd dat de dekking is opgeschort. Ook in deze brief wordt niet gewezen op de sanctie van ontbinding van de verzekering. Nu niet aan de wettelijke vereisten van artikel 7:934 BW is voldaan, kan van ontbinding van de verzekeringsovereenkomst met ingang van 1 januari 2009 geen sprake zijn.

2.12.

Nu uit het voorgaande volgt dat de verzekeringsovereenkomst niet is ontbonden of beëindigd met ingang van 1 januari 2009 en de verzekeringsovereenkomst op zijn vroegst vanaf 21 juli 2009 is beëindigd c.q. ontbonden, staat vast dat de door [eiser] geleden schade ten gevolge van de door Quadraet gemaakte beroepsfout zich tijdens de looptijd van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering van Quadraet heeft geopenbaard, nu BAVAM op 6 maart 2009 bekend is geworden met de aansprakelijkstelling van [eiser] en de schade zich op dat moment in ieder geval had geopenbaard als bedoeld in artikel 3 van de Algemene Voorwaarden 1992.3.

Verval van dekking wegens schending medewerkingsplicht door Quadraet?

2.13.

BAVAM betoogt vervolgens dat de verzekering in het onderhavige geval geen dekking biedt omdat sprake is van belangenschending in de zin van artikel 6 van de Algemene Voorwaarden 1992.3. In artikel 6 is – onder meer – opgenomen:

Artikel 6 Verplichtingen na schade

Zodra een verzekerde kennis draagt van een gebeurtenis die voor de verzekeraar tot een verplichting tot uitkering kan leiden, is hij verplicht de verzekeraar:

  • -

    zo spoedig mogelijk die gebeurtenis te melden;

  • -

    zo spoedig mogelijk alle gegevens en bescheiden te verstrekken.

Medewerking:

- desverlangd een schriftelijke en door hemzelf ondertekende verklaring omtrent de oorzaak, toedracht en omvang van de schade over te leggen.

De door verzekerde verstrekte en/of te verstrekken opgaven, mondeling dan wel schriftelijk, zullen (mede) dienen tot de vaststelling van de omvang van de schade en het recht op uitkering.

  • -

    Zijn volle medewerking aan de schaderegeling te verlenen en alles na te laten wat de belangen van de verzekeraar zou kunnen benadelen.

  • -

    De verzekering geeft geen dekking, indien een verzekerde een van deze verplichtingen niet is nagekomen en daardoor de belangen van de verzekeraar heeft geschaad.

  • -

    (…)”

2.14.

Volgens BAVAM heeft Quadraet nauwelijks informatie verstrekt over de eventueel door hem gemaakte beroepsfout en de schade. Specifiek ontbreekt informatie over wat met [eiser] is besproken ten tijde van de aanvraag van de verzekering bij ASR, een kopie van het aanvraagformulier voor deze verzekering en afschriften van het polisblad van de oude verzekering (waarbij de rechtbank begrijpt dat BAVAM de verzekering bedoelt die [eiser] had afgesloten vóór de verzekering die met tussenkomst van Quadraet in 2003 bij ASR is afgesloten), aldus BAVAM. Voorts is [A] met onbekende bestemming vertrokken en heeft Quadraet geen volledig dossier aan BAVAM verstrekt, zodat zij niet in staat is in de onderhavige procedure aan de hand van een volledig dossier deugdelijk verweer te voeren. Hierdoor is BAVAM in een redelijk belang geschaad, aldus BAVAM.

2.15.

De rechtbank verwerpt dit verweer. BAVAM verwijst ter onderbouwing van haar betoog meerdere malen naar het arrest van het gerechtshof Den Haag van 21 juli 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ7335. Deze vergelijking gaat niet op nu in die zaak de verzekeringnemer aan haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar in het geheel geen melding heeft gemaakt van het schadevoorval, noch enige informatie heeft verstrekt aan of overleg heeft gevoerd met haar verzekeraar.

2.16.

Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt dat de volgende informatie aan BAVAM is verstrekt:

- het schadevoorval is door Quadraet, in de persoon van [F], op 5 maart 2009 direct gemeld met het doorsturen van de aansprakelijkstelling van [eiser] van 2 maart 2009 aan BAVAM;

- de schriftelijke aantekeningen die [A] heeft gemaakt ten tijde van het gesprek met [eiser] ten behoeve van het afsluiten van de verzekering bij ASR zijn aan BAVAM verstrekt;

- de e-mailcorrespondentie van 2 en 3 maart 2009 tussen [F] en [A] met betrekking tot de wijze waarop de aanvraag voor de verzekering van [eiser] in 2003 tot stand is gekomen, is aan BAVAM doorgestuurd;

- op 26 maart 2009 heeft BAVAM van Quadraet een kopie van het schadedossier ontvangen betreffende de brand bij [eiser];

- bij brief van 29 mei 2009 heeft Haverkamp & Partners B.V. (hierna: Haverkamp) aan BAVAM – onder meer – het volgende bericht:

“Het kantoor Quadraet Financiële Partners is inmiddels gesloten, vandaar dat ik de beantwoording van uw brief van 2 april e.v. op mij neem.

Het expertiserapport is nog niet compleet: op 10 juni a.s. hebben de expert (…) van de contra-expert (…) hierover nader contact.

Vermoedelijk zullen bij het expertiserapport t.z.t. foto’s in kleur zijn bijgevoegd, deze zijn althans niet bij ons voorhanden.

Blijkens de door Quadraet aan ons kantoor overhandigde dossierstukken had cliënt inderdaad aan Quadraet verzocht de caravanstalling te verzekeren: een kopie van de berekening van de herbouwwaarde door de buitendienst e.d. is in bijlage toegevoegd. Ook de polis is bijgevoegd.

Volgens mondelinge informatie van Quadraet was op de oorspronkelijk door Woudsend opgemaakte polis wel de caravanstalling aangetekend, en is een en ander bij de conversie naar Fortis verkeerd gegaan. Helaas is hiervan op papier niets meer terug te vinden, ook het aanvraagformulier is tot nu toe niet boven water gekomen, ook niet bij Fortis ASR.”

2.17.

Uit het voorgaande volgt dat [A] wel degelijk informatie aan BAVAM heeft verstrekt. Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt dat op alle door BAVAM gestelde vragen een antwoord is gegeven. De omstandigheid dat [A] moeilijk bereikbaar is vanwege verblijf in het buitenland, waardoor de communicatie moeizamer verloopt dan gemiddeld, doet daar niet aan af. Van een zodanig onvoldoende medewerking door [A] dat het beroep op het verval van uitkering slaagt, is dan ook geen sprake. De (enkele) omstandigheid dat informatie niet meer beschikbaar is en waardoor BAVAM mogelijk beperkt is in de beoordeling van de zaak, levert op zichzelf geen grond op voor verval van het recht op uitkering krachtens artikel 6 van de Algemene Voorwaarden 1992.3. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel leiden zijn gesteld noch gebleken.

2.18.

Voor zover BAVAM heeft aangevoerd dat zij in een redelijk belang is geschaad, omdat de mondelinge informatie van [A] niet met schriftelijke bescheiden is onderbouwd, geldt bovendien dat bewijs niet enkel schriftelijk, maar ook middels getuigen mag worden geleverd, terwijl [A] zich bereid heeft verklaard om zich eventueel middels een rogatoire commissie te laten horen. De stelling van BAVAM dat alle pogingen om informatie te verkrijgen van [A] op niets zijn uitgelopen en hij geen enkele medewerking verleent, is dan ook onjuist.

2.19.

In het licht van al het voorgaande faalt het beroep van BAVAM op artikel 6 van de Algemene Voorwaarden 1992.3.

Lastgeving?

2.20.

Tijdens de comparitie van partijen is door [eiser] opgemerkt dat de opstallen in gezamenlijk eigendom aan zijn vrouw en hemzelf toebehoren. BAVAM heeft vervolgens aangegeven dat zij bewijs wenst te zien van de door [eiser] gestelde lastgeving waarmee zijn vrouw hem heeft gerechtigd mede namens haar de vordering tot schadevergoeding jegens BAVAM in te stellen.

2.21.

De rechtbank stelt voorop dat in de wet (artikel 3:171 BW) is geregeld dat iedere deelgenoot bevoegd is rechtsvorderingen in te stellen tot het verkrijgen van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap, zodat [eiser] – ook zonder lastgeving van zijn vrouw – gerechtigd is de onderhavige vorderingen jegens BAVAM in te stellen.

Beroepsfout Quadraet?

2.22.

Volgens [eiser] heeft Quadraet niet gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam beroepsgenoot verwacht mag worden omdat Quadraet heeft verzuimd zorg te dragen voor:

  1. een adequate opstalverzekering, terwijl hij bekend was met de aanwezigheid van de caravanstalling;

  2. een deugdelijke aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijfsmatige activiteiten (AVB-verzekering);

  3. overeenstemming van de daadwerkelijke waarde van de opstallen met de verzekerde waarde.

2.23.

Met betrekking tot de onder rov. 2.22 sub a gestelde beroepsfout, volgt uit de in november 2003 gemaakte aantekeningen van [A] ten behoeve van de aanvraag van de verzekering voor [eiser] (overgelegd als productie 2 bij dagvaarding), dat hij de caravanstalling bij de berekening voor het aantal m³ ten behoeve van de opstalverzekering heeft meegenomen. Daaruit volgt dat het de bedoeling van [eiser] is geweest om de caravanstalling in de opstalverzekering te betrekken en dat Quadraet daarvan op de hoogte was. Zoals Haverkamp bij brief van 29 mei 2009 aan BAVAM schrijft (vergelijk rov. 2.16), wordt dit bevestigd door de – bijgevoegde – berekening van de herbouwwaarde door de buitendienst van ASR ten behoeve van het aangaan van de opstalverzekering.

2.24.

[A] heeft per e-mail aan [F] aangegeven dat hij dacht dat er een uitsluiting voor de caravanstalling was meegenomen en hij stelt dat als dat zo is, daar nog correspondentie van moet zijn. Het aanvraagformulier of andere correspondentie blijken in het dossier van Quadraet echter te ontbreken. Vervolgens geeft [A] per e-mail aan dat hij de uitsluiting dan mondeling met [eiser] moet hebben besproken. Aan Haverkamp heeft [A] nadien echter mondeling verklaard dat de caravanstalling wel meeverzekerd moest worden en dat hij dat ook op het aanvraagformulier heeft aangetekend. Volgens [A] is het vervolgens misgegaan bij ASR.

2.25.

Zoals BAVAM terecht opmerkt, heeft [A] hiermee tegenstrijdige verklaringen afgelegd die ten dele niet overeenkomen met de beschikbare informatie. Dat de daarmee ontstane onduidelijkheid over de wijze waarop de opstalverzekering tot stand is gekomen voor rekening van [eiser] moet komen, zoals BAVAM lijkt te betogen, wordt verworpen. Uit de aanwezige stukken volgt immers dat [eiser] de caravanstalling mee wilde laten verzekeren en dat Quadraet daarvan op de hoogte was. Bovendien heeft de buitendienst van ASR de herbouwwaarde van de caravanstalling berekend, terwijl de verzekerde waarde aanzienlijk hoger is dan de op de aantekeningen van [A] van november 2003 vermelde waarde van de woning, waaruit volgt dat de caravanstalling in de verzekerde som is meegenomen. Daarmee staat genoegzaam vast dat Quadraet een beroepsfout heeft gemaakt, nu in de uiteindelijk afgesloten verzekering de caravanstalling slechts is meeverzekerd voor zover deze niet bedrijfsmatig werd gebruikt, terwijl hem bekend was dat de caravanstalling bedrijfsmatig werd gebruikt.

2.26.

De rechtbank volgt BAVAM niet in haar suggestie dat [eiser] mogelijk zou hebben afgezien van het meeverzekeren van de caravanstalling omdat hij in de contracten met de caravaneigenaren een exoneratie had opgenomen in verband met schade aan de caravans. De exoneraties jegens de caravaneigenaren lieten immers onverlet dat [eiser] het risico droeg voor schade aan de caravanstalling zelf. Quadraet had [eiser] als redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon in dat geval er op moeten wijzen dat ingeval van brand de caravanstalling in het geheel niet verzekerd zou zijn wanneer [eiser] de caravanstalling niet in de opstalverzekering zou meeverzekeren. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat [eiser] vervolgens zou hebben besloten om de caravanstalling niet te verzekeren.

2.27.

Aan de enkele suggestie van BAVAM dat [eiser] geen schade heeft geleden omdat het risico bij ASR mogelijk niet verzekerbaar was en [eiser] geen andere keuze had dan het afsluiten van de onderhavige verzekering, gaat de rechtbank voorbij. [eiser] heeft ter comparitie – onweersproken – verklaard dat ASR aan hem heeft bevestigd dat zij daar specifieke verzekeringen voor heeft.

2.28.

Uit het voorgaande volgt dat Quadraet toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichting om een adequate opstalverzekering voor de caravanstalling af te sluiten.

2.29.

Ten aanzien van de onder rov. 2.22 sub b genoemde beroepsfout, constateert de rechtbank dat [eiser] enkel heeft gesteld dat Quadraet bij zijn bezoek heeft opgetekend dat de opstallen – onder meer – werden gebruikt voor de stalling van caravans. Voorts stelt [eiser] dat hij [A] een kopie heeft meegegeven van een standaardcontract voor caravanopslag. In dat contract is een exoneratie voor aansprakelijkheid van [eiser] voor schade aan de caravans opgenomen.

2.30.

Met BAVAM is de rechtbank van oordeel dat [eiser] niet dan wel onvoldoende heeft gesteld om te kunnen concluderen dat met Quadraet is afgesproken dat ten behoeve van de caravanstalling een AVB-verzekering afgesloten moest worden bij ASR. Zoals BAVAM terecht heeft opgemerkt, is in het standaardcontract een exoneratieclausule opgenomen, zodat – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – niet duidelijk is dat, en waarom, [eiser] desondanks een AVB-verzekering wenste af te sluiten. In ieder geval heeft [eiser] niet gesteld dat hij een dergelijke wens met Quadraet heeft gecommuniceerd en zulks blijkt ook niet uit de aantekeningen van [A], waarop wel een AVP-verzekering is vermeld voor € 1.250.000,- en niet (ook) een AVB-verzekering. Daarmee verwerpt de rechtbank de stelling dat Quadraet een beroepsfout heeft gemaakt omdat geen AVB-verzekering is afgesloten naast een AVP-verzekering.

2.31.

Uit het voorgaande volgt dat Quadraet niet toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen door geen AVB-verzekering af te sluiten.

2.32.

Ten slotte stelt [eiser] met betrekking tot de onder rov. 2.22 sub c genoemde beroepsfout dat Quadraet verantwoordelijk is voor het feit dat bij de vaststelling van de opstalschade bleek dat sprake was van onderverzekering. Hij verwijst daarbij in een voetnoot – zonder nadere toelichting – naar rov. 3.12 van het vonnis van de rechtbank Zwolle van 24 november 2004 (ECLI:RBZLY:2004:AS3746). Daaruit maakt de rechtbank op dat [eiser] blijkbaar bedoelt te stellen dat de herbouwwaarde bij het aangaan van de verzekering correct is vastgesteld maar dat de onderverzekering is veroorzaakt doordat de herbouwwaarde sneller is gestegen dan de verzekerde som. Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – is niet duidelijk wat [eiser] Quadraet ter zake verwijt en waarom Quadraet toerekenbaar tekort zou zijn geschoten in zijn hoedanigheid van redelijk handelend en redelijk bekwaam assurantietussenpersoon. De enkele opmerking ter comparitie dat Quadraet na het sluiten van de verzekeringsovereenkomst contact had moeten houden om te zorgen dat de verzekerde bedragen waar nodig werden aangepast, is in dat kader onvoldoende. Dat geldt temeer nu uit de brief van Haverkamp van 29 mei 2009 (zie rov. 2.16) volgt dat de buitendienst van ASR – en niet Quadraet – de herbouwwaarde van de caravanstalling (die tot de onderverzekering heeft geleid) in het kader van de opstalverzekering heeft bepaald en de verzekering volgens de polisvoorwaarden (overgelegd als productie 2 bij dagvaarding) uitgaat van jaarlijkse indexering.

2.33.

Uit het voorgaande volgt dat Quadraet niet toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen voor zover sprake is van onderverzekering.

Eigen schuld met betrekking tot de opstalverzekering?

2.34.

De rechtbank is – anders dan BAVAM – van oordeel dat [eiser] er in beginsel op mocht vertrouwen dat Quadraet haar werk juist had gedaan en een verzekering had afgesloten conform hetgeen zij waren overeengekomen, dus ook voor de caravanstalling. Slechts voor zover bij een controle van de ontvangen verzekeringspolis op eenvoudige wijze kan worden geconstateerd dat de dekking in de polis niet overeenkomt met de beoogde dekking, heeft de verzekeringnemer de verplichting om dit aan de assurantietussenpersoon te melden.

2.35.

In het onderhavige geval heeft [eiser] een polisblad ontvangen waarop was aangetekend dat hij verzekerd was voor – onder meer – “Woonhuis”, waarbij een totale waarde was opgegeven van € 618.640,-. Uit de aantekeningen van [A] van november 2003 blijkt dat voorafgaand aan het sluiten van de verzekering de door [A] opgegeven waarde van de woning € 393.750,- bedroeg (zie productie 3 bij dagvaarding). Onder deze omstandigheden mocht [eiser] er op vertrouwen dat de caravanstalling was meeverzekerd en kon van hem niet verlangd worden dat hij alle polisvoorwaarden zou doornemen om te zien of daarin de dekking voor de caravanstalling vanwege het bedrijfsmatig gebruik toch was uitgesloten.

Conclusie

2.36.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank jegens BAVAM voor recht kan verklaren dat Quadraet jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst door de caravanstalling in de opstalverzekering niet adequaat mee te verzekeren.

Ten aanzien van Quadraet

2.37.

De gevorderde verklaring voor recht ligt voor toewijzing gereed, nu de vordering de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.

2.38.

Quadraet zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden verwezen, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat Quadraet niet is verschenen.

Ten aanzien van BAVAM en Quadraet

Proceskosten

2.39.

BAVAM zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] (inclusief het deskundigenbericht, vergelijk onder rov. 2.6) worden begroot op:

- dagvaarding €  105,93

- griffierecht 258,-

- getuigenkosten 9,-

- kosten deskundige 1.695,-

- salaris advocaat 1.808,- (4,0 punten × tarief € 452,-)

Totaal € 3.875,93

2.40.

Quadraet zal eveneens in de proceskosten worden veroordeeld voor wat betreft de kosten dagvaarding, het griffierecht en het salaris advocaat met betrekking tot de dagvaarding (vergelijk rov. 2.38). Dat betekent dat BAVAM slechts gehouden is de helft van deze kosten aan [eiser] te voldoen, te weten ((€ 105,93 + € 258,- + € 452,- (1,0 punt x tarief € 452,- aan salaris advocaat) : 2 =) € 407,96.

2.41.

De door BAVAM aan [eiser] te betalen proceskostenbedragen derhalve (€ 407,96 + € 9,- (getuigenkosten) + € 1.356,- (3,0 punten x tarief € 452,- aan salaris advocaat) + € 1.695,- (kosten deskundigenbericht) =) € 3.467,96.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verklaart met betrekking tot BAVAM voor recht dat Quadraet jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst door de caravanstalling in de opstalverzekering niet adequaat mee te verzekeren,

3.2.

verklaart met betrekking tot Quadraet voor recht dat Quadraet jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst door geen adequate verzekering(en) af te sluiten,

3.3.

verklaart voor recht dat BAVAM gehouden is dekking te verlenen onder de door Quadraet afgesloten beroepsaansprakelijkheidsverzekering (met polisnummer: 4104) voor de onder 3.1 genoemde toerekenbare tekortkoming van Quadraet en gehouden is de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van deze toerekenbare tekortkoming aan [eiser] te vergoeden,

3.4.

veroordeelt BAVAM in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 3.467,96,

3.5.

veroordeelt Quadraet in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 407,96,

3.6.

verklaart de veroordelingen onder 3.4 en 3.5 uitvoerbaar bij voorraad,

3.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.1

1 type: 1555