Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:15022

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
10-12-2013
Zaaknummer
AWB-13_4971
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Aan ontslag leraar ligt een objectieve en subjectieve dringende reden ten grondslag. De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden en aan hem is door het Uwv ten onrechte een WW-uitkering toegekend. Het werkgeversberoep slaagt. De rechtbank geeft toepassing aan artikel 23 van de WW door de WW-uitkering in te trekken met ingang van de dag volgend op de dag van de uitspraak.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 678
Burgerlijk Wetboek Boek 7 677
Werkloosheidswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team bestuursrecht

zaaknummers: SGR 13/3162 en SGR 13/4971

Uitspraak van de meervoudige kamer van 13 november 2013in de zaken tussen

Stichting [onderwijsgroep], te [plaats 1], eiseres

(gemachtigde: mr. J.W. Janse-Velema),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.C. Rijk).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij], te [plaats 2]

(gemachtigde: [gemachtigde derde-partij]).

Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2012 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan de derde-partij een uitkeringsvoorschot op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend.

Bij besluit van 5 februari 2013 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan de derde-partij met ingang van 1 oktober 2012 een uitkering ingevolge de WW toegekend.

Bij besluiten van 11 maart 2013 en 13 mei 2013 (respectievelijk de bestreden besluiten I en II) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

De derde partij heeft zijn zienswijze op de beroepen gegeven.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2013.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens zijn van de zijde van eiseres verschenen [A], algemeen directeur [middelbare school], [B], vestigingsdirecteur en [C], directeur P&O. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De derde-partij is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De [derde-partij] (hierna: de werknemer) is op 1 augustus 2010 voor bepaalde tijd in de functie van leraar natuurkunde in dienst getreden van [middelbare school] te [plaats 1], onderdeel van de onderwijsgroep van eiseres. De aanstelling is per 1 augustus 2011 omgezet in een dienstverband van onbepaalde tijd.

2.

Op 15 maart 2012 heeft een beoordelingsgesprek met de werknemer plaatsgevonden. Het eindoordeel van de beoordeling kreeg de kwalificatie B: “voldoet nog niet aan alle eisen”. Nadat bleek dat de werknemer een schriftelijke overhoring niet tijdig had nagekeken en nadat voorts niet bleek van verbetering op de tijdens het beoordelingsgesprek van 15 maart 2012 afgesproken ontwikkelpunten, heeft eiseres de werknemer bij besluit van 28 juni 2012 schriftelijk berispt.

3.

Op 2 juli 2012 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de schooldirectie en de werknemer over de wijze van toekenning van cijfers aan leerlingen van Vmbo-klas M3B en Havo-klas B2B en de invoering van deze cijfers in het leerlingensysteem Magister. Na afloop van dit gesprek is de werknemer vrijgesteld van werk met behoud van salaris. Nadat hij zich op 4 juli 2012 had ziek gemeld, is de werknemer bij besluit van 4 juli 2012 door eiseres op staande voet ontslagen.

4.

Het ontslagbesluit van 4 juli 2012 is gegrond op de overweging dat de werknemer cijfers van leerlingen heeft gefingeerd en cijfers in Magister heeft ingevoerd die niet met de werkelijke cijfers overeenkomen. Eiseres ziet hierin een grovelijke veronachtzaming door de werknemer van de verplichtingen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst waardoor haar vertrouwen in de werknemer onherstelbaar is beschadigd.

5.

De werknemer heeft op 3 september 2012 een WW-uitkering aangevraagd. Bij primair besluit I heeft verweerder aan de werknemer een voorschot WW toegekend. Bij primair besluit II is de werknemer met ingang van 1 oktober 2012 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. De door eiseres tegen de primaire besluiten ingestelde bezwaren heeft verweerder bij de bestreden besluiten I en II ongegrond verklaard.

6.

Eiseres heeft bij een daartoe strekkend verzoekschrift van 16 juli 2012 de kanton-rechter verzocht de arbeidsovereenkomst met de werknemer voorwaardelijk te ontbinden. Bij beschikking van de rechtbank Den Haag, sector kanton, locatie Delft, van 19 september 2012 is de arbeidsovereenkomst tussen eiseres en de werknemer met ingang van 1 oktober 2012 ontbonden voor het geval dat zal komen vast te staan dat het op 4 juli 2012 gegeven ontslag op staande voet geen stand houdt. Aangezien de kantonrechter in haar beschikking de door eiseres geconstateerde onregelmatigheden als juist heeft aangemerkt, is geen ontbindingsvergoeding aan de werknemer toegekend.

7.

De werknemer heeft zowel tegen de schriftelijke berisping van 28 juni 2012 als het ontslagbesluit van 4 juli 2012 beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep voor het Christelijk voortgezet onderwijs (hierna: CvB). De CvB heeft op 27 september 2012 uitspraak gedaan en het beroep van de werknemer gegrond verklaard. De CvB heeft daarbij ten aanzien van het ontslagbesluit overwogen, dat hetgeen door eiseres aan de werknemer wordt verweten objectief gezien een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert, maar dat de persoonlijke omstandigheden van de werknemer aan de aanwezigheid van subjectieve dringendheid in de weg staan.

8.

Naar aanleiding van een dagvaarding van 2 januari 2013 van de werknemer heeft de rechtbank Den Haag, team kanton, zittingsplaats Delft, op 27 juni 2013 vonnis gewezen en daarbij de vorderingen van de werknemer afgewezen. De kantonrechter heeft in het vonnis geoordeeld dat zich hier zowel objectief als subjectief gezien een dringende reden voordoet en dat de werknemer door eiseres terecht op staande voet is ontslagen.

9.

In beroep tegen beide bestreden besluiten heeft eiseres aangevoerd dat de gedragingen van de werknemer objectief en subjectief gezien een dringende reden voor ontslag opleveren. Volgens eiseres heeft de werknemer -kort gezegd- cijfers van leerlingen gefingeerd en cijfers in het leerlingensysteem Magister ingevoerd die niet met de werkelijke cijfers overeenkomen. Onder deze omstandigheden, zo meent eiseres, is de werknemer verwijtbaar werkloos in de zin van artikel 24, tweede lid, onder a, van de WW en had aan hem geen voorschot WW en geen WW-uitkering mogen worden toegekend.

10.1

Ingevolge artikel 24, tweede lid, onder a, van de WW, zoals dat artikel met ingang van 1 oktober 2006 luidt, is sprake van verwijtbare werkloosheid indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt.

10.2

Artikel 7:678, eerste lid, van het BW, bepaalt dat voor de werkgever als dringende redenen in de zin van artikel 677, eerste lid, van het BW worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

10.3

Tot de elementen die moeten worden meegewogen bij de beoordeling van de vraag of de werkloosheid het gevolg is van een dringende reden behoren, gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 februari 2009, LJN: BH2387, de subjectiviteit van de dringende reden, in onderlinge samenhang bezien met de aard en de ernst van de gedraging en de andere relevante aspecten, zoals de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, waaronder zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben.

10.4

Indien vervolgens tot het aannemen van een dringende reden wordt geconcludeerd, zal tot slot in het kader van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW moeten worden getoetst of de werknemer van de dringende reden een verwijt kan worden gemaakt.

11.

In zijn vonnis van 27 juni 2013 heeft de kantonrechter geoordeeld dat zich zowel objectief als subjectief bezien een dringende reden voordoet en dat eiseres de werknemer terecht op staande voet heeft ontslagen. Daarbij heeft de kantonrechter de navolgende gedragingen van de werknemer in objectieve zin als dringende reden aangemerkt:

“a. In voldoende mate is komen vast te staan, dat de door [derde-partij] gegeven cijfers in enkele gevallen niet overeenstemmen met de door hem ingevoerde cijfers in Magister;

b. sommige door [derde-partij] gegeven cijfers komen voorts niet overeen met de inhoud van het werk;

c. voorts zijn cijfers ingevoerd in Magister, terwijl daar geen werk tegenover stond;

d. verder is in een groepsverslag niet voor iedere leerling hetzelfde cijfer in Magister ingevoerd als op het groepsverslag is vermeld.”

12.

In zijn vonnis heeft de kantonrechter de hierboven onder c. vermelde gedraging nader uitgewerkt en overwogen dat is komen vast te staan dat aan de leerlingen [D] en [E] van Havo-klas B2B, die tijdens een groepswerktoets afwezig waren, in Magister een cijfer voor die toets is toegekend terwijl daar geen werk tegenover heeft gestaan.

Ter zitting van de rechtbank heeft de werknemer erkend dat hij zich mogelijk vergist heeft omdat hij niet meer wist welke leerlingen hadden deelgenomen aan het groepswerk, maar hij betwist nadrukkelijk dat hij cijfers heeft gefingeerd. Ook voor de rechtbank is in navolging van de kantonrechter, daargelaten de kwalificatie die hieraan door eiseres is gegeven, gelet op de ter beschikking staande gegevens niet aan twijfel onderhevig dat de werknemer voor de leerlingen [D] en [E], die tijdens het groepswerk afwezig waren, cijfers in Magister heeft ingevoerd terwijl ze niet hebben deelgenomen aan de groepswerktoets.

13.

Ten aanzien van de onder d. van het kantonrechterlijk vonnis vermelde gedraging dat de werknemer niet voor iedere leerling uit één groep hetzelfde cijfer heeft gegeven, heeft de werknemer aangevoerd dat hij de toetsen digitaal heeft nagekeken en de cijfers direct in Magister heeft ingevoerd. Toen hij later op verzoek van de schooldirectie de toetsen diende te overhandigen, heeft de werknemer onder grote druk cijfers op de toetsen vermeld en daarbij, zoals hij heeft aangegeven, onopzettelijk fouten gemaakt. Hier heeft naar het oordeel van de rechtbank eveneens te gelden dat voor de aanwezigheid van een dringende reden bij een ontslag als hier aan de orde niet relevant is of sprake is van opzet. Wel staat voor de rechtbank genoegzaam vast dat door de werknemer niet voor iedere leerling van de groep hetzelfde cijfer is gegeven.

14.

Eiseres heeft tevens aan het ontslag op staande voet van de werknemer ten grondslag gelegd dat de werknemer ten overstaan van algemeen directeur [A], vestigingsdirecteur [B] en de directeur personeelszaken [C] heeft erkend dat de becijfering van het gemaakte werk van leerlingen uit klas M3B niet overeenkomt met de inhoud van het werk en met de in Magister ingevoerde cijfers, alsmede dat cijfers in Magister zijn ingevoerd waar geen werk tegenover stond. Opvolgend docent [F] heeft blijkens zijn verklaring van 8 februari 2013 zeer ernstige onregelmatig-heden ter zake van het nakijken van werk van leerlingen van M3B en de becijfering daarvan geconstateerd en daaromtrent gerapporteerd. Ook hier is voor de rechtbank in voldoende mate komen vast te staan dat de werknemer onjuiste cijfers heeft gegeven en ingevoerd.

15.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank met de kantonrechter van oordeel dat het handelen van de werknemer gekwalificeerd dient te worden als uiterst onzorgvuldig en voor eiseres als onderwijsorganisatie onaanvaardbaar, vooral ook omdat de betrouwbaarheid en de verifieerbaarheid van de becijfering in het gedrang was gekomen. Daarmee heeft de werknemer de verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst met eiseres grovelijk veronachtzaamd, zodat de objectieve dringendheid van het ontslag is gegeven. De rechtbank schaart zich achter het oordeel van de kantonrechter met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, waaronder begrepen de gevolgen van het ontslag. Hoe ingrijpend deze gevolgen ook zijn, zij wegen naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen de aard en ernst van de hier aanwezige dringende reden.

16.

De rechtbank acht evenals de kantonrechter in het onderhavige geval ook sprake van subjectieve dringendheid nu eiseres de werknemer onverwijld, namelijk op staande voet en met voorbijgaan aan de voor de werknemer geldende opzegtermijn, heeft ontslagen. Aangezien hem ter zake ook een verwijt kan worden gemaakt, oordeelt de rechtbank dat de werknemer verwijtbaar werkloos als bedoeld in artikel 24, tweede lid, onder a, van de WW is geworden en dat verweerder aan hem met ingang van 1 oktober 2012 ten onrechte een voorschot op de WW-uitkering en een WW-uitkering heeft toegekend.

17.

De beroepen van eiseres zijn gegrond en de bestreden besluiten worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door met inachtneming van artikel 23, eerste lid, van de WW, de WW-uitkering van de werknemer in te trekken met ingang van de dag volgend op die waarop deze uitspraak is gedaan.

18.

Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar in beide zaken betaalde griffierecht vergoedt.

19.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten voor de onderhavige twee beroepen stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.416,= (2 punten voor het indienen van twee beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de WW-uitkering met ingang van 7 november 2013 wordt ingetrokken;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 636,= aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.416,= te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. H.M. Braam, voorzitter, mrs. I.A.M. Kroft en C.J. Waterbolk, als leden van de meervoudige kamer, in aanwezigheid van F.P. Krijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2013.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.