Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:14955

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
19-11-2013
Zaaknummer
C/09/450024 FA RK 13-6875
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2013:15618
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Moeder verzoekt teruggeleiding van de minderjarige (14 jaar) naar België. De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over de minderjarige belast.

Sinds 10 juni 2013 verblijft de minderjarige bij de vader in Nederland. Vast staat dat er sprake is van ongeoorloofde vasthouding. Op grond van artikel 13 lid 2 van het Verdrag weigert de rechtbank de terugkeer van de minderjarige te gelasten nu zij heeft vastgesteld dat de minderjarige zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden. Het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar België wordt derhalve afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 13-6875

Zaaknummer: C/09/450024

Datum beschikking: 15 oktober 2013

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 3 september 2013 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder,

wonende te [woonplaats], België,

advocaat: mr. H.A. Schipper te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. R. Aboukir te Tilburg.

Procedure

Bij beschikking van 13 september 2013 van de Enkelvoudige Kamer van deze rechtbank is:

  • -

    de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) verzocht met spoed een onderzoek te verrichten naar de vraag of de minderjarige, [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], zich verzet tegen een eventuele terugkeer naar België alsmede of de minderjarige een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden;

  • -

    de Raad verzocht het rapport uiterlijk één week vóór na te melden proformadatum aan de rechtbank te doen toekomen, zulks met afzonderlijke toezending van het rapport aan partijen;

  • -

    bepaald dat de behandeling van het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige wordt aangehouden tot 1 oktober 2013 pro forma in afwachting van het rapport van de Raad;

  • -

    bepaald dat de behandeling ter terechtzitting, na ontvangst van het rapport en advies, op een nader te bepalen datum en tijdstip zal worden voortgezet ter terechtzitting van een Meervoudige Kamer en in aanwezigheid van de Raad;

  • -

    bepaald dat de moeder en de vader uiterlijk tot en met genoemde proformadatum, voor zover daar prijs op wordt gesteld, op het rapport van de Raad kunnen reageren;

  • -

    de beschikking uitvoerbaar bij vooraard verklaard;

  • -

    iedere verdere beslissing ten aanzien van de teruggeleiding en de kostenveroordeling aangehouden.

De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:

- de twee brieven van de Raad d.d. 23 september 2013;

- het faxbericht d.d. 24 september 2013 met bijlagen van de zijde van de moeder;

- het faxbericht d.d. 24 september 2013 van de zijde van de vader;

- het faxbericht d.d. 25 september 2013 met een bijlage van de zijde van de vader;

- het rapport en advies van de Raad d.d. 4 oktober 2013, kenmerk [kenmerknummer];

- het faxbericht d.d. 7 oktober 2013 met bijlagen van de zijde van de moeder.

De minderjarige is op 8 oktober 2013 in raadkamer gehoord.


Eveneens op 8 oktober 2013 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Namens de Raad waren mevrouw E.K.M. Bakker en mevrouw K.A. Hompert aanwezig. Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Zoals in de voorgaande beschikking reeds is overwogen is het verzoek van de moeder tot teruggeleiding van de minderjarige naar België gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en België zijn partij bij het Verdrag.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Niet in geschil is dat de minderjarige onmiddellijk voor zijn vasthouding in Nederland zijn gewone verblijfplaats in België had. Evenmin in geschil is dat het gezagsrecht door de moeder daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van de vasthouding, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien de vasthouding niet had plaatsgevonden. Nu voorts niet in geschil is dat de moeder geen toestemming heeft gegeven voor de vasthouding in Nederland en dat de vasthouding van de minderjarige in Nederland is geschied in strijd met het gezagsrecht van de moeder naar Belgisch recht, komt de rechtbank tot het oordeel dat de vasthouding van de minderjarige in Nederland aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Op grond van het tweede lid van artikel 12 van het Verdrag wordt de terugkeer van een kind gelast, zelfs als de termijn van één jaar is verstreken, tenzij wordt aangetoond dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving.

Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de vasthouding van de minderjarige in Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de minderjarige in Nederland is geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Verdrag

De vader heeft betoogd dat er sprake is van de weigeringsgrond, zoals bedoeld in artikel 13 lid 2 van het Verdrag. De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 13 lid 2 van het Verdrag kan de rechtbank weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.

Uit het raadsrapport blijkt dat de minderjarige al vijf jaar gevangen zit in de conflictsituatie tussen zijn ouders waardoor er grote zorgen zijn over zijn sociaal emotionele ontwikkeling. De minderjarige ervaart de relatie met zijn moeder als ernstig verstoord. Hij neemt het zijn moeder kwalijk dat zij, zonder naar zijn mening te luisteren, ingrijpende beslissingen in zijn leven heeft genomen door naar België te verhuizen en het contact met familie en vrienden te verbieden. De minderjarige is hierdoor in verwarring geraakt en mogelijk ook in een loyaliteitsconflict, waardoor hij de beslissing heeft genomen om zowel fysiek als emotioneel afstand te nemen van zijn moeder. Deze beslissing komt volgens de Raad voort uit copinggedrag of overlevingsstrategie. Op de lange termijn bestaat daarbij het risico dat de minderjarige in conflict komt met zichzelf, hetgeen kan leiden tot internaliserend (of externaliserend) probleemgedrag. Om dit te voorkomen dient de minderjarige op korte termijn hulp te krijgen om zijn ervaringen en emoties te verwerken. Voor het slagen van de hulpverlening is het van belang dat er duidelijkheid komt over de verblijfplaats van de minderjarige. Daarbij is de Raad van mening dat de minderjarige, die in zijn daden, beslissingen en overtuiging ouder oogt dan zijn leeftijd, een leeftijd en rijpheid heeft bereikt die rechtvaardigt om rekening te houden met zijn mening, welke inhoudt dat hij bij zijn vader wil wonen.

De rechtbank heeft in het gesprek met de minderjarige vastgesteld dat de minderjarige zich verzet tegen zijn terugkeer naar België nu hij uitdrukkelijk heeft verklaard niet terug te willen naar zijn moeder, in België. Het verzet van de minderjarige blijkt ook uit voornoemd raadsrapport nu daarin is vermeld dat de minderjarige de moeder niet meer wil spreken en dat hij niet meer naar België wil. De rechtbank concludeert derhalve dat de minderjarige zich tegen zijn terugkeer naar België verzet.

De rechtbank zal met de mening van de minderjarige rekening houden nu zij met de Raad van oordeel is dat de minderjarige een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de teruggeleiding van de minderjarige naar België afwijzen.

Ter terechtzitting heeft de moeder haar verzoek gewijzigd, in die zin dat zij thans verzoekt de proceskosten te compenseren.

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige, [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], naar België;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M. Vink, H. Dragtsma en J.M.C. Louwinger-Rijk, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. M. Heirman-Huisman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2013.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.