Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:14918

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-10-2013
Datum publicatie
12-11-2013
Zaaknummer
09-857363-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een woningoverval bij een fysiek gehandicapte man alsook aan diens wederrechtelijke vrijheidsberoving.

De verdachte en zijn mededaders hebben door hun handelen ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en de persoonlijke bewegingsvrijheid van het slachtoffer in zijn eigen woning, de plek waar hij zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. Deze daad is des te kwalijker door de bewuste keuze voor een slachtoffer dat zich door een lichamelijke beperking moeilijker kon verweren.

De ervaring leert dat dergelijke feiten voor het slachtoffer daarvan, traumatische gebeurtenissen zijn. Het gevoel van veiligheid van het slachtoffer is aangetast, zoals ook blijkt uit de omstandigheid dat hij de eerste tijd na de overval niet alleen thuis wilde blijven. Hoewel de aangever de overval intimiderend en beangstigend heeft ervaren – zoals ook blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring- is de aangever nog het meest aangedaan door het feit dat juist deze verdachte bij de overval betrokken was. De verdachte was van jongs af aan een goede bekende van hem; het slachtoffer beschouwde de verdachte zelfs als een soort ‘broertje’.

De overval en de wederrechtelijke vrijheidsberoving hebben een grote impact op het slachtoffer gehad. Hij kampt nog steeds met slaap- en gezondheidsproblemen en ook is er bij hem sprake van psychisch leed.

De rechtbank rekent dit alles de verdachte zwaar aan.

Daarnaast hebben voornoemde stafbare feiten in algemene zin de rechtsorde geschokt en een bijdrage geleverd aan de algemene gevoelens van onveiligheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/857363-13

Datum uitspraak: 31 oktober 2013

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op[geboortedatum] 1999,

adres: [adres],

thans preventief gehecht verblijvende op voornoemd adres van zijn moeder

of op het adres van zijn vader, te weten: [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen met gesloten deuren van 5 september 2013 en 17 oktober 2013.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. P.A. Willemse en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. H. Kamphuis, advocaat te Leiden, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 27 mei 2013 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en/of bankpas(sen) en/of computer (playstation) spel(len), in elk geval van enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit:

- met bedekt gelaat binnendringen van de woning van die [slachtoffer] en/of

- het doen of hij een (vuur)wapen in zijn zak had en/of

- het zeggen: "geef je telefoon en pinpas" en/of

- het dreigend tonen van een mes en/of

- en (daarbij) dreigend zeggen: "en nu opschieten anders gaan we echt steken", althans woorden van

gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of

- het in de slaapkamer duwen van die [slachtoffer] en/of hem uit zijn rolstoel duwen;

en/of

hij op of omstreeks 27 mei 2013 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een telefoon en/of bankpas(sen) en/of computer (playstation) spel(len), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

- met bedekt gelaat binnendringen van de woning van die [slachtoffer] en/of

- het doen of hij een (vuur)wapen in zijn zak had en/of

- het zeggen: "geef je telefoon en pinpas" en/of

- het dreigend tonen van een mes en/of

- en (daarbij) dreigend zeggen: "en nu opschieten anders gaan we echt steken", althans woorden van

gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of

- het in de slaapkamer duwen van die [slachtoffer] en/of hem uit zijn rolstoel duwen;

art 312 Wetboek van Strafrecht

art 47 Wetboek van Strafrecht

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 27 mei 2013 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk één of meer personen, genaamd [slachtoffer], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk (een) ander(en), te weten die [slachtoffer], te dwingen iets te doen of niet te doen, immers heeft/is hij, verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- met bedekt gelaat de woning van die [slachtoffer] binnen gedrongen en/of

- gedaan alsof hij een (vuur)wapen in zijn zak had en/of

- dreigend een mes getoond en/of

- ( daarbij) dreigend gezegd: "en nu opschieten anders gaan we echt steken", althans woorden van

gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer] gedwongen in te loggen op zijn ING bankaccount via zijn computer en/of

- die [slachtoffer] gedwongen geld over te maken van zijn spaarrekening naar zijn betaalrekening en/of

- die [slachtoffer] de slaapkamer in geduwd/opgesloten en/of

- die [slachtoffer] uit zijn rolstoel geduwd;

art 282a lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding 1

Ten aanzien van feit 1 eerste en tweede alternatief/cumulatief kan worden vastgesteld dat

de aangever [slachtoffer] op 27 mei 2013 omstreeks 18.50 uur te Zoetermeer in zijn woning wordt overvallen. De verdachte, die bevriend is met de aangever en reeds in de woning aanwezig is, doet de deur van de woning van de aangever open waarna twee gemaskerde mannen de woning binnendringen. De verdachte wordt door een van deze mannen bij zijn keel gepakt, omdat het moet lijken alsof hij ook slachtoffer is. De andere man doet alsof hij een wapen in zijn zak heeft. De aangever, die ook inderdaad denkt dat de verdachte in gevaar is, geeft onder dwang zijn mobiele telefoon en zijn bankpas af.23 Vervolgens wordt aan de aangever een mes getoond en moet hij onder dreiging daarvan geld overmaken van zijn spaarrekening naar zijn betaalrekening. De verdachte wordt nog steeds bij zijn keel vastgehouden.4 De aangever probeert het mes af te pakken en raakt hierbij gewond aan zijn rechterhand. Er wordt vervolgens gedreigd dat hij echt zal worden neergestoken.5

Na het overmaken van het geld wordt de aangever samen met de verdachte zijn slaapkamer ingeduwd en uit zijn rolstoel geduwd. De aangever ligt op zijn buik op de grond en is zijn bril kwijt. De verdachte verlaat samen met de twee mannen de slaapkamer, waarvan de deur wordt gesloten.6 De rolstoel wordt elders in de woning neergezet.78 Op de computer van de aangever wordt de muziek hard aangezet en er worden twee playstationspellen weggenomen alsook twee toestellen van de vaste telefoonset van de aangever.9 De aangever wordt hulpeloos in zijn woning achtergelaten.

Over deze onderdelen van de tenlastelegging verklaren de verdachte10 en medeverdachte [A]11 bij de politie nagenoeg gelijkluidend.

Zij verklaren beiden dat [B] de derde man is en dat hij degene is die aangever met een mes dat hij uit de keuken heeft gepakt, heeft bedreigd. [A] verklaart dat de echte naam van [B], [B] is.12 De verdachte en [A] herkennen [B], [B], van de aan hen getoonde foto.1314

Ten aanzien van feit 2 kan worden vastgesteld dat de aangever op 27 mei 2013 te Zoetermeer in zijn woning met zijn rolstoel in zijn slaapkamer is geduwd en hij vervolgens uit zijn rolstoel is geduwd, waardoor hij hulpeloos op de vloer van de slaapkamer, waarvan de deur gesloten was, achterbleef.15 De verdachte16 en medeverdachte [A]17 verklaren beiden dat dit heeft plaatsgevonden.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de rol van de verdachte zodanig is geweest dat er sprake is van medeplegen alsook hoe voornoemde handelingen kunnen worden gekwalificeerd.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte het onder 1 tweede alternatief/cumulatief en het onder 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten bepleit.

Hij heeft hiertoe - kort weergegeven - betoogd dat de onder de inleiding weergegeven handelingen door de twee medeverdachten zijn uitgevoerd en dat de rol van de verdachte ten aanzien van de hem ten laste gelegde feiten dan ook niet zodanig is geweest dat er kan worden gesproken van medeplegen. De verdachte wist, aldus de raadsman, niet wat er ging gebeuren en had ook geen opzet op enige specifieke samenwerking met de medeverdachten.

De verdachte heeft op 27 mei 2013 in de woning van de aangever de deur geopend voor de twee medeverdachten, maar dit heeft hij alleen gedaan omdat hij is gebruikt voor het plan dat bedacht is door de 24-jarige medeverdachte. De verdachte had nog niet de leeftijd en de persoonlijkheid om daar weerstand aan te bieden en was bovenal bang voor wat er zou gebeuren als hij niet zou meewerken. De verdachte zou, aldus de raadsman, hooguit als medeplichtige kunnen worden betiteld, maar dat is hem niet ten laste gelegd.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat vrijspraak van feit 1 en 2

dient te volgen, nu de rol van de verdachte in de onder de inleiding weergegeven handelingen niet zodanig zou zijn geweest dat er sprake is van medeplegen.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte op de hoogte was van wat er ging gebeuren en dat hij ook heeft meegewerkt aan de uitvoering hiervan. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij twee dagen voor de overval met [B] (oftewel [B]) en [A] heeft besproken dat hij, verdachte, als eerste bij de aangever naar binnen zou gaan, omdat aangever hem vertrouwde en dat hij de voordeur voor de andere twee open zou doen, waarna [A] de verdachte bij de keel zou pakken, zodat het zou lijken alsof hij niets met de overval te maken had.18

Ook bij de rechter-commissaris heeft de verdachte verklaard dat er van tevoren een plan was gemaakt en dat daarbij ook was bedacht dat hij bij de keel zou worden gegrepen.19

Hoewel de verdachte bij de uitvoering van het plan niet heeft deelgenomen aan de bedreiging met geweld noch aan het daadwerkelijk uitgeoefende geweld tegen de aangever,
had de verdachte er, gelet op voornoemde bespreking met zijn medeverdachten en de omstandigheid dat medeverdachte [B] geld nodig had, rekening mee moeten houden dat één van zijn medeverdachten geweld zou gebruiken. De verdachte heeft voorts, naar het oordeel van de rechtbank, bij de uitvoering van het plan zelf essentiële handelingen verricht.

Door het openen van de deur en het binnenlaten van zijn medeverdachten heeft de overval daadwerkelijk plaats kunnen vinden. Het is de rechtbank niet gebleken dat de verdachte voornoemde handelingen heeft gepleegd onder zodanige druk van medeverdachte [B], dat hij daaraan geen weerstand kon bieden. De verdachte had zich voorafgaand aan en tijdens de uitvoering van het plan op diverse momenten hieraan kunnen onttrekken, maar heeft dit niet gedaan.

Ook is de verdachte één van degenen geweest die de aangever hulpeloos in zijn slaapkamer heeft achtergelaten.

Gelet op het vorenstaande is er, naar het oordeel van de rechtbank, sprake geweest van een dusdanige bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten dat er ten aanzien van feit 1 en 2 sprake is van medeplegen. In de op te leggen straf zal het aandeel van de verdachte tot uitdrukking komen.

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag hoe de in de inleiding weergegeven handelingen kunnen worden gekwalificeerd.

Ten aanzien van feit 1 is de rechtbank allereerst van oordeel dat vast staat dat de aangever zijn mobiele telefoon en bankpas onder dwang heeft afgegeven en dat derhalve ter zake van deze goederen het onder 1 eerste alternatief/cumulatief, afpersing in vereniging gepleegd, bewezen kan worden verklaard. De rechtbank baseert zich hierbij met name op de verklaringen van de aangever.2021 Hij verklaart dat hij erg bang was wat de mannen zouden doen, temeer nu ze de verdachte als dwangmiddel gebruikten, en dat hij daarom zijn mobiele telefoon en bankpas heeft afgegeven.

De rechtbank is voorts van oordeel dat eveneens het onder 1 tweede alternatief/cumulatief bewezen kan worden verklaard, nu de twee playstationspellen en twee toestellen van de vaste telefoonset van aangever met geweld en bedreiging met geweld zijn weggenomen, zoals reeds weergegeven in de inleiding.

Ten slotte is de aangever in zijn rolstoel zijn slaapkamer in geduwd en is aldaar uit zijn rolstoel geduwd, waardoor hij op zijn buik op de grond terecht is gekomen. De rolstoel van de aangever wordt door de verdachte en zijn medeverdachten meegenomen en de aangever blijft hulpeloos in zijn slaapkamer achter. De deur van de slaapkamer wordt gesloten en elders in de woning wordt heel hard muziek aangezet zodat eventueel hulpgeroep niet zal worden gehoord. Door het wegnemen van de rolstoel van de aangever, bezien in samenhang met deze overige omstandigheden, is de aangever naar het oordeel van de rechtbank van vrijheid beroofd.

De rechtbank oordeelt dan ook dat het onder 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde, te weten het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, bewezen kan worden verklaard.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

1.

hij op 27 mei 2013 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en een bankpas, toebehorende aan die [slachtoffer],

welke bedreiging met geweld bestond uit:

- met bedekt gelaat binnendringen van de woning van die [slachtoffer] en

- het doen of hij een wapen in zijn zak had en

- het zeggen: "geef je telefoon en pinpas";

en

hij op 27 mei 2013 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen telefoons en (playstation) spellen, toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het:

- met bedekt gelaat binnendringen van de woning van die [slachtoffer] en

- het doen of hij een wapen in zijn zak had en

- het zeggen: "geef je telefoon en pinpas" en

- het dreigend tonen van een mes en

- en daarbij dreigend zeggen: "en nu opschieten anders gaan we echt steken" en

- het in de slaapkamer duwen van die [slachtoffer] en hem uit zijn rolstoel duwen;

2.

hij op 27 mei 2013 te Zoetermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een

persoon, genaamd [slachtoffer], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte tezamen en in vereniging met anderen,

- die [slachtoffer] de slaapkamer in geduwd en

- die [slachtoffer] uit zijn rolstoel geduwd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf/maatregel

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 247 dagen, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde de maatregel hulp en steun, ook als dit inhoudt het volgen van een behandeling bij de Waag (MST).

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat het onvoorwaardelijke strafdeel gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en dat als voorwaardelijke strafdeel een werkstraf zal worden opgelegd.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een woningoverval bij een fysiek gehandicapte man alsook aan diens wederrechtelijke vrijheidsberoving.

De verdachte en zijn mededaders hebben door hun handelen ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en de persoonlijke bewegingsvrijheid van het slachtoffer in zijn eigen woning, de plek waar hij zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. Deze daad is des te kwalijker door de bewuste keuze voor een slachtoffer dat zich door een lichamelijke beperking moeilijker kon verweren.

De ervaring leert dat dergelijke feiten voor het slachtoffer daarvan, traumatische gebeurtenissen zijn. Het gevoel van veiligheid van het slachtoffer is aangetast, zoals ook blijkt uit de omstandigheid dat hij de eerste tijd na de overval niet alleen thuis wilde blijven. Hoewel de aangever de overval intimiderend en beangstigend heeft ervaren – zoals ook blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring- is de aangever nog het meest aangedaan door het feit dat juist deze verdachte bij de overval betrokken was. De verdachte was van jongs af aan een goede bekende van hem; het slachtoffer beschouwde de verdachte zelfs als een soort ‘broertje’.

De overval en de wederrechtelijke vrijheidsberoving hebben een grote impact op het slachtoffer gehad. Hij kampt nog steeds met slaap- en gezondheidsproblemen en ook is er bij hem sprake van psychisch leed.

De rechtbank rekent dit alles de verdachte zwaar aan.

Daarnaast hebben voornoemde stafbare feiten in algemene zin de rechtsorde geschokt en een bijdrage geleverd aan de algemene gevoelens van onveiligheid.

De rechtbank weegt voorts mee dat uit de stukken in het dossier blijkt, hoewel dit de verdachte niet is tenlastegelegd, dat de verdachte en zijn mededaders reeds op 15 mei 2013 hebben geprobeerd geld van het slachtoffer te ontfutselen en dat dit op 18 mei 2013 ook daadwerkelijk is gelukt. Op die dag is de pinpas van het slachtoffer weggenomen en is hiermee € 450,- gepind. Er is derhalve geen sprake van een incident, maar van een langer durend misbruik van het slachtoffer. Naar het oordeel van de rechtbank maakt dit het gedrag van de verdachte en zijn mededaders extra verwerpelijk.

De rechtbank weegt bij het bepalen van de strafmaat in het voordeel van de verdachte mee dat de verdachte zich niet eerder wegens het plegen van strafbare feiten voor de rechter heeft moeten verantwoorden. Ook de relatief geringe rol van de verdachte bij de gepleegde feiten en de omstandigheid dat de verdachte spijt van zijn daad lijkt te hebben (hij heeft tijdens de zitting tot tweemaal toe zijn excuses aan het slachtoffer heeft aangeboden) weegt de rechtbank in het voordeel van de verdachte mee.

Voor zover de verdachte oprecht is in zijn spijtbetuiging merkt de rechtbank ten overvloede op dat artikel 51h van het Wetboek van Strafvordering de mogelijkheid biedt tot bemiddeling tussen de verdachte en het slachtoffer, ook nadat de rechtbank vonnis heeft gewezen.

De rechtbank heeft kennis genomen van diverse voorlichtingsrapporten van de

Raad voor de Kinderbescherming betreffende de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het rapport d.d. 29 augustus 2013 betreffende het psychologisch-pedagogisch onderzoek van de verdachte, opgesteld en ondertekend door drs [X], GZ-psycholoog/orthopedagoog.

Blijkens rapporteur is er bij de verdachte sprake van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in die zin dat er sprake is van een oppositioneel opstandige gedragsstoornis. Vooralsnog wordt gesproken van een gedragsstoornis niet anderszins omschreven (NAO). Het betreft gedragingen die zich op school hebben gemanifesteerd. De kwetsbaarheid van de verdachte en zijn angst dat hem zelf iets overkomt, lijken zijn handelen beïnvloed te hebben. Het handelen van de verdachte lijkt onder druk te zijn gedaan zonder dat hij de consequenties ten volle heeft overwogen. Het gedrag van de verdachte is vooral ingegeven door eigen belang, omdat hij bang was dat de medeverdachten hem iets zouden aandoen.

De mate waarin de gedragsstoornis zijn gedragskeuze heeft beïnvloed is gering. Het is eerder de kwetsbaarheid, de behoefte om controle te houden, de angst om deze te verliezen en de spanning hoe dit voor hem zou aflopen, die zijn handelen hebben bepaald.

Verdachte wordt enigszins verminderd toerekeningsvatbaar geacht.

Voor een kans op herhaling zijn gebrek aan vaardigheden en de impulsiviteit bij te hoog opgelopen spanning, factoren die de kans vergroten. Verdachte is onder druk beïnvloedbaar, medeverdachten of leeftijdgenoten zijn belangrijk en hebben zeker invloed op hem. De opvoedingsomstandigheden spelen in zoverre een rol dat de indruk van rapporteur is dat de ouders niet streng en controlerend zijn en niet veel zicht hebben op wat de verdachte buiten doet en met wie hij omgaat.

Geadviseerd wordt om de verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen, met een proeftijd, gedurende welke de verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering en als bijzondere voorwaarde een poliklinische behandeling bij het Palmhuis of een vergelijkbare instelling in combinatie met ouderbegeleiding.

De rechtbank neemt de conclusies uit voornoemd rapport over en maakt deze tot de hare.

Blijkens de meest recente informatie van de Raad voor de Kinderbescherming

d.d. 4 oktober 2013is het algemeen recidive risico laag en wordt geadviseerd de verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen gelijk aan de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht met daarnaast een voorwaardelijke werkstraf met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering en het volgen van een behandeling door De Waag in het kader van Multi System Therapie (MST).

De rechtbank onderschrijft het strafadvies van de Raad voor de Kinderbescherming.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende reactie vormt.

Teneinde de verdachte in de toekomst van strafbare gedragingen te weerhouden en zijn behandeling en begeleiding te waarborgen, zal de rechtbank een deel van deze straf voorwaardelijk opleggen, met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de Stichting Bureau Jeugdzorg, ook als dit inhoudt het volgen van Multi System Therapie (MST).

De rechtbank ziet in de ernst van de feiten geen aanleiding om, zoals door de Raad is geadviseerd en door de raadsman is betoogd, een voorwaardelijke werkstraf op te leggen.

Het onvoorwaardelijke deel van de straf heeft de verdachte reeds in voorarrest doorgebracht.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich ten aanzien feit 1 en 2 als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.372,48, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vordering wat betreft de materiële schade geheel kan worden toegewezen, nu dit rechtstreekse schade betreft en dat de benadeelde partij ook recht heeft op vergoeding van een bedrag aan immateriële schade. Ten aanzien van de hoogte van het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De officier van justitie heeft voorts de suggestie gedaan het toe te wijzen bedrag door drieën te delen in plaats van dit hoofdelijk toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, gelet op de bepleite vrijspraak, primair afwijzing van de vordering van de benadeelde partij betoogd. Subsidiair heeft de raadsman - overeenkomstig de suggestie van de officier van justitie - verzocht de vordering niet hoofdelijk toe te wijzen, doch deze door drieën te delen. Meer subsidiair heeft de raadsman voorgesteld aan de verdachte geen schadevergoeding op te leggen, maar de verdachte en zijn ouders een mogelijkheid te bieden om een alternatieve genoegdoening te vinden voor het leed dat het slachtoffer is aangedaan.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

Nu de vordering betrekking heeft op een als doen te beschouwen gedraging van de verdachte die ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten de leeftijd van veertien jaar nog niet heeft bereikt en aan wie de gedraging als onrechtmatige daad zou kunnen worden toegerekend als zijn leeftijd daaraan niet in de weg zou staan, wordt deze geacht te zijn gericht tegen diens ouders.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten telefoon huisset en toetsenbord ad € 116,48, is namens de ouders niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 1 eerste en tweede alternatief/cumulatief bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank acht de vordering, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van

€ 2.256,00, als vergoeding ter zake van immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar, nu namens de ouders van de verdachte de omvang daarvan niet is betwist en nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg de onder 1 eerste en tweede alternatief/cumulatief bewezenverklaarde feiten.

De verdachte is samen met twee medeverdachten verantwoordelijk voor de geleden schade. Gelet op de rolverdeling tussen de drie medeverdachten alsook het verschil in leeftijd, ziet de rechtbank aanleiding de vordering van de benadeelde partij niet hoofdelijk toe te wijzen, doch een deel van de vordering toe te wijzen aan elk van de drie medeverdachten. De rechtbank acht de verdachte verantwoordelijk voor de ¼ deel van de geleden schade.

De rechtbank zal derhalve de vordering ten laste van de ouders van de verdachte toewijzen tot een bedrag van € 593,12.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente ten laste van de ouders van de verdachte toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 27 mei 2013 is ontstaan.

Dit brengt mee dat de ouders van de verdachte dienen te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De wet biedt niet de mogelijkheid een schadevergoedingsmaatregel op te leggen ten laste van de ouders van een veroordeelde die ten tijde van het gepleegde feit jonger was dan veertien jaar.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 282, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem bij dagvaarding onder

1. eerste en tweede alternatief/cumulatief en onder 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

1 eerste alternatief/cumulatief:

AFPERSING, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN

1 tweede alternatief/cumulatief:

DIEFSTAL VOORAFGEGAAN EN/OF VERGEZELD EN/OF GEVOLGD VAN GEWELD EN BEDREIGING MET GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL VOOR TE BEREIDEN EN/OF GEMAKKELIJK TE MAKEN EN/OF OM BIJ BETRAPPING OP HETERDAAD AAN ZICHZELF EN/OF ANDERE DEELNEMERS VAN HET MISDRIJF HETZIJ DE VLUCHT MOGELIJK TE MAKEN, HETZIJ HET BEZIT VAN HET GESTOLENE TE VERZEKEREN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN

2 impliciet subsidiair:

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK IEMAND WEDERRECHTELIJK VAN DE VRIJHEID BEROVEN

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;


veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 247 DAGEN

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 90 DAGEN, niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

en onder de bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dit inhoudt het volgen van Multi System Therapie (MST);

verstrekt aan bovengenoemde instelling de opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde krachtens het bepaalde bij artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

bepaalt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe ten laste van de ouders van de verdachte en veroordeelt de ouders van de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer], een bedrag van € 593,12,

vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 27 mei 2013 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de ouders van de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A. van Steen, kinderrechter, voorzitter,

mr. H.M.D. de Jong, kinderrechter,

en mr. H.M. van Maurik, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 oktober 2013.

Mr. Van Maurik is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal van de politie Haaglanden, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1551 2013103394, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 302.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], pagina 54, halverwege.

3 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer], pagina 71 onderaan/72 bovenaan.

4 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], pagina 54 tweede helft/55 bovenaan.

5 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], pagina 55 bovenaan.

6 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer], pagina 75, halverwege.

7 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer], pagina 76, halverwege.

8 Proces-verbaal samenvatting van verhoor verdachte [A], pagina 47, halverwege.

9 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer], pagina 76, halverwege.

10 Proces-verbaal samenvatting van verhoor verdachte [C], pagina 26 e.v.

11 Proces-verbaal samenvatting van verhoor verdachte [A], pagina 45 e.v.

12 Proces-verbaal samenvatting van verhoor verdachte [A], pagina 46, bijna onderaan.

13 Proces-verbaal samenvatting van verhoor verdachte [A], pagina 47, bijna onderaan.

14 Proces-verbaal samenvatting van verhoor verdachte [C], pagina 29, halverwege.

15 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer], pagina 75, halverwege.

16 Proces-verbaal samenvatting van verhoor verdachte [C], pagina 29.

17 Proces-verbaal samenvatting van verhoor verdachte [A], pagina 47.

18 Proces-verbaal samenvatting van verhoor verdachte [C], pagina 28, halverwege.

19 Proces-verbaal verhoor inbewaringstelling verdachte [C] d.d. 30 mei 2013.

20 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], pagina 54, halverwege.

21 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer], pagina 71 onderaan/72 bovenaan.