Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:14703

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-04-2013
Datum publicatie
08-11-2013
Zaaknummer
vk-11_37386
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing asielaanvraag VVA BEP, ongedocumenteerd, twijfel herkomst en ID, geen geslaagd beroep op vertrouwensbeginsel: niet aannemelijk eiser de persoon tbv wie positief advies (mvv nareis) is afgegeven, geen positieve overtuigingskracht relaas. Beroep ongegrond, geen proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/37386

V-nummer: [nummer 1]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[naam 1], eiser,

gemachtigde mr. P.A.E. Engelen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder,

gemachtigde mr. D. Berben.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 18 november 2011 waarbij de asielaanvraag van eiser is afgewezen (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 19 februari 2013. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig E.M. Spruit, tolk in de Franse taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag]1981 en de Congolese nationaliteit te bezitten. Op 9 mei 2010 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij tweemaal is aangehouden. De eerste maal werd eiser gearresteerd omdat hij een vermeend rebel zou zijn. Eiser werd na twee weken gevangenschap vrijgelaten dankzij een vriend van hem. Na deze eerste detentie werd eiser herhaaldelijk door militairen staande gehouden maar kon hij steeds wegkomen door geld te betalen. Eind april 2010 werd eiser in het winkeltje van zijn vriend gearresteerd en opnieuw meegenomen. Na zes dagen werd eiser opnieuw dankzij een vriend in vrijheid gesteld. Eisers huis was bij terugkomst leeggehaald. Eiser is toen naar Nederland gevlucht.

2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder geconcludeerd dat eiser toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd om zijn identiteit en nationaliteit te onderbouwen. Daarbij is overwogen dat de door eiser overgelegde geboorteakte na onderzoek door de Koninklijke Marechaussee (KMar) zeer wel mogelijk niet echt is bevonden en zeer wel mogelijk niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven. Het door eiser ingebrachte hoogstwaarschijnlijk echt bevonden bewijs van verlies van identiteitsstukken (attestion de perte des pièces d’identité) kan niet als een document ter onderbouwing van zijn identiteit of nationaliteit dienen, nu deze niet voorzien is van een pasfoto en zijn geboortedatum niet volledig op dit document staat vermeld. Ook blijkt uit het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van juli 2011 (bladzijde 81) dat een dergelijk document slechts geldig is in combinatie met een identiteitsbewijs. Op de laissez passer zelf staat aangegeven dat bij de aanvraag een viertal documenten is getoond, te weten een paspoort, een ordre de mission, een identiteitskaart en een ander niet nader gespecificeerd document. Eiser moet deze documenten in zijn bezit hebben gehad. Daarom wordt hem verweten dat hij deze documenten niet heeft ingebracht. Ook heeft eiser onvoldoende meegewerkt aan de vaststelling van zijn reisroute. Het door hem gebruikte paspoort en de bij de vliegreis gebruikte instapkaart heeft hij aan de reisagent afgestaan, terwijl van dwang daartoe niet is gebleken. Verder heeft eiser bij herhaling tegenstrijdige en onjuiste verklaringen afgelegd inzake zijn reisroute. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat er zoveel twijfel over de identiteit en herkomst van eiser is ontstaan dat niet kan worden onderzocht of eiser in het kader van het Nederlandse asielbeleid in aanmerking komt voor de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder verwijst daartoe naar de door eiser afgelegde (reis-)verklaringen, de door hem overgelegde documenten en de bij hem afgenomen taalanalyse waaruit blijkt dat eiser waarschijnlijk niet afkomstig is uit Zuid-Kivu.

3.

Eiser voert in beroep aan dat aan hem een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) is verleend in verband met nareis asiel. Eisers echtgenote is hier te lande een asielvergunning verleend. Eiser heeft deze mvv echter niet op kunnen halen omdat hij in verband met zijn problemen op andere wijze zijn land heeft moeten verlaten. Ten onrechte wordt het ontbreken van documenten aan eiser tegengeworpen. Ten onrechte wordt zijn relaas niet geloofwaardig geacht vanwege de afgenomen taalanalyse. Ten onrechte wordt eiser ook een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) onthouden nu de taalanalyse geen uitspraak doet over de nationaliteit van een persoon, aldus eiser.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.

In artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw 2000 staat vermeld op welke gronden een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In het tweede lid, aanhef en onder f, is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Ingevolge artikel 1 A van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) is van vluchtelingschap sprake in geval de betrokkene afkomstig is uit een land waarin hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep. Verdragsvluchtelingen komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Ingevolge artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) kan niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

De vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan behandeling als bedoeld in deze verdragsbepaling, komt in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de Vw 2000.

Op grond van artikel 2, aanhef en onder e, van de richtlijn 2004/83 EG inzake de minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven (de Definitierichtlijn) kan in aanmerking komen voor een subsidiaire beschermingsstatus, voor zover hier van belang, een onderdaan van een derde land ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Ingevolge artikel 15, aanhef en onder c, bestaat ernstige schade uit ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. De vreemdeling die aanspraak heeft op subsidiaire bescherming als hiervoor bedoeld, komt in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de Vw 2000.

Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling die als echtgenoot feitelijk behoort tot het gezin van de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, die dezelfde nationaliteit heeft als die vreemdeling en gelijktijdig met deze vreemdeling Nederland is ingereisd, dan wel is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend.

Het beleid met betrekking tot voornoemde afgeleide verblijfsvergunning is uiteengezet in hoofdstuk C2/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Voor zover hier van belang is daarin geregeld dat de gezinsleden, om voor verblijf in aanmerking te komen, tot aan het vertrek van de hoofdpersoon uit het land van herkomst feitelijk moeten hebben behoord tot diens gezin. De bewijslast omtrent het in het land van herkomst feitelijk tot het gezin te hebben behoord, ligt bij de hoofdpersoon.

5.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het ontbreken van reisdocumenten heeft kunnen tegenwerpen. Eiser heeft de door hem gebruikte instapkaart en het paspoort aan de reisagent afgestaan. De door eiser gestelde psychische druk van de zijde van de reisagent is onvoldoende om daaruit af te leiden dat er sprake is geweest van dwang tot afgifte van deze reisdocumenten. Verweerder heeft dan ook terecht beoordeeld of van het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht uitgaat.

6.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), onder meer de uitspraak van 29 mei 2012, nr. 201103771/1/V2, gepubliceerd onder LJN BW7261, moet, indien een vreemdeling Nederland met een mvv is ingereisd na positieve advisering door de minister van Buitenlandse Zaken, worden aangenomen dat ten tijde van het verlenen daarvan is of had kunnen worden onderzocht en vastgesteld dat aan de ter zake van het beoogde verblijfsdoel gestelde vereisten is voldaan en dat er geen andere redenen waren die zich verzetten tegen verlening van de gevraagde mvv. In dat geval mag de desbetreffende vreemdeling erop vertrouwen dat hem bij gelijkblijvende omstandigheden de verblijfsvergunning wordt verleend. Dat is slechts anders, indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt die hebben geleid tot de verlening van de mvv.

7.

Niet in geschil is dat eiser niet met een mvv Nederland is ingereisd. Anders dan eiser heeft gesteld, is niet gebleken dat er een mvv ten behoeve van eiser is verleend. Dat er een positief advies door de minister van Buitenlandse zaken is afgegeven, zoals in het bestreden besluit is opgenomen en door verweerder ter zitting is bevestigd, betekent nog niet dat dit advies betrekking heeft op de persoon van eiser. Niet is gebleken dat eiser in persoon een aanvraag tot afgifte van een mvv heeft ingediend. Voorts heeft verweerder zich, gelet op de verklaring van de KMar en het ontbreken van de identiteitsdocumenten die in de laissez passer zijn genoemd, op het standpunt kunnen stellen dat eiser zijn identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Nu eiser zijn gestelde identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt, is evenmin aannemelijk geworden dat eiser de persoon is ten behoeve van wie het positieve advies is afgegeven. Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel kan reeds om die reden niet slagen.

8.

Verweerder heeft aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij herhaaldelijk onjuist heeft verklaard over zijn naam en over de reis die hij naar Nederland heeft afgelegd. De door eiser gestelde psychologische druk van de zijde van de reisagent is naar het oordeel van de rechtbank geen geldige reden om niet direct naar waarheid te verklaren.

9.

De rechtbank stelt vast dat verweerder een taalanalyse heeft laten uitvoeren vanwege de ontstane twijfel over eisers herkomst. Verweerder heeft eiser op deze wijze de kans geboden zijn gestelde herkomst alsnog aannemelijk te maken. In het in opdracht van verweerder opgestelde rapport van Verified van 27 december 2010 wordt geconcludeerd dat eiser, anders dan hij heeft gesteld, waarschijnlijk niet (probably not) afkomstig is uit Zuid-Kivu. De door eiser ingebrachte contra-expertise van de Taalstudio, van onbekende datum, neemt deze conclusie naar het oordeel van de rechtbank niet weg. De contra-expert komt immers tot de slotsom dat eiser afkomstig zou kunnen zijn uit de Democratische Republiek Congo, maar dat hij daar waarschijnlijk niet is grootgebracht (socialized). Op 17 mei 2011 heeft het Bureau Land en Taal (BLT) van de Immigratie- en Naturalisatiedienst een reactie op deze dossieranalyse van de Taalstudio gegeven en geconcludeerd dat eiser er niet in is geslaagd om door middel van deelname aan de taalanalyse de twijfel weg te nemen die is gerezen over de door eiser opgegeven herkomst en dat de dossieranalyse van de firma Taalstudio geen aanleiding geeft het eerder gegeven oordeel te herzien. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze conclusie aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen.

10.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet afkomstig is uit Zuid-Kivu. Dit betekent dat verweerder tot de conclusie kon komen dat van het asielrelaas van eiser – dat zich afspeelt in Zuid-Kivu – geen positieve overtuigingskracht uitgaat en dat dit relaas daarom als ongeloofwaardig aangemerkt moet worden.

11.

Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde vrees voor vervolging heeft als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, noch dat er op individuele gronden sprake is van een reëel risico, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de Vw 2000.

12.

Ten aanzien van het beroep van eiser op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, vanwege de verslechterde veiligheidssituatie in Congo, oordeelt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft het standpunt kunnen innemen dat het beroep van eiser op voornoemd artikel van de Definitierichtlijn niet kan slagen, nu gelet op de ongeloofwaardig geachte verklaringen van eiser niet aannemelijk is geworden uit welk deel van Congo eiser afkomstig is.

13.

Met betrekking tot het beroep van eiser op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 doet oordeelt de rechtbank dat ook dit beroep niet kan slagen. Eiser heeft immers zijn gestelde gezinsleven met de in Nederland verblijvende echtgenote en kind niet aannemelijk gemaakt gelet op de twijfels over zijn identiteit en zijn herkomst.

14.

Eiser heeft gezien het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser daarom terecht afgewezen.

15.

Het beroep is ongegrond.

16.

Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op: 25 april 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.