Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:14632

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-11-2013
Datum publicatie
01-11-2013
Zaaknummer
09/997125-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Haagse abortuskliniek. Werkneemster krijgt 120 uur taakstraf voor valsheid in geschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/997125-11

Datum uitspraak: 1 november 2013

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte 1] ,

geboren op [geboorteplaats] te [geboorteplaats] 1946,

adres: [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 15 maart 2013 (pro forma) en 17 oktober 2013 (inhoudelijk) en 18 oktober 2013 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.A.W. Mol en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. I. de Vink, advocaat te Rijswijk, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij, op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 29 november 2010 te 's-Gravenhage en/of Voorburg en/of Diemen en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

A.

één of meer formulier(en), te weten;

- aantal patiënten in 2007 (D-078) en/of

- aantal patiënten in 2008 (D-080) en/of

- aantal patiënten in 2009 (D-098) en/of

B.

één of meer aanvra(a)g(en) subsidievaststelling, te weten;

- aanvraag subsidievaststelling 2007 (D-044) en/of

- aanvraag subsidievaststelling 2008 (D-047),

(elk) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen

valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst en/of heeft doen opmaken en/of heeft doen vervalsen,

immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s), toen en daar,

ad A.

(telkens) valselijk in/op die formulier(en) onjuiste aantallen (behandelde) patiënten en/of onjuiste soorten medische verrichtingen vermeld en/of doen vermelden,

en/of

ad B.

(telkens) valselijk in/op die bij het College voor Zorgverzekeringen ingediende (AWBZ) aanvra(a)g(en) subsidievaststelling, onjuiste aantallen (behandelde) patiënten en/of onjuiste soorten medische verrichtingen vermeld en/of doen vermelden en/of onjuist(e) bedrag(en) aan maximaal te vergoeden kosten en/of subsidie vermeld en/of doen vermelden

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

3 Voorvragen

Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie?

3.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie met zijn beslissing om verdachte wel en de overige verdachten, in het bijzonder [verdachte 2] en [verdachte 3], niet te vervolgen, heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde en met name het verbod van willekeur. Het openbaar ministerie dient daarom in de optiek van de verdediging niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3.2

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat zij niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel dan wel het verbod van willekeur heeft gehandeld. Het openbaar ministerie heeft een ruime bevoegdheid om te besluiten om tot vervolging over te gaan. Er is besloten om [verdachte 4] en [verdachte 2] niet voor het laste gelegde feit te vervolgen omdat er onvoldoende bewijs voorhanden is dat ook zij zich schuldig hebben gemaakt aan dit feit. Er is dan ook geen sprake van een uitzonderlijke situatie die zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat de verdediging niet heeft miskend dat het openbaar ministerie ingevolge art. 167, eerste lid, Wetboek van Strafvordering een ruime discretionaire bevoegdheid heeft om al dan niet tot vervolging over te gaan, welke haar beperking vindt in de beginselen van behoorlijk bestuur (HR 2 februari 1999, NJ 1999, 554 en HR 5 december 1989, NJ 1990, 719). De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich echter slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Dat betekent dat enkel in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, voor zover hier van belang met het gelijkheidsbeginsel dan wel het verbod van willekeur – welke laatste in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging - om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn (HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280).

De rechtbank dient daarom thans met slechts een marginale toetsing de vraag te beantwoorden of het openbaar ministerie, na afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid tot de vervolgingsbeslissing in de zaak van verdachte heeft kunnen komen om haar te vervolgen voor valsheid in geschrift.

De raadsman gaat er met zijn betoog aan voorbij dat de veronderstelde minder begrijpelijke beslissingen tot de niet-vervolging van [verdachte 2] en [verdachte 3] op dit punt, niet, althans niet zonder meer, af kunnen doen aan de begrijpelijkheid van de vervolgingsbeslissing ten aanzien van verdachte. De verdediging miskent hiermee dat de officier van justitie ook heeft gekeken naar het bewijsmateriaal dat wijst in de richting van de verdachte. Ter zitting heeft de officier van justitie in dit opzicht als onderscheidend criterium aangebracht dat het verdachte is geweest - en niet [verdachte 2] en [verdachte 3] - die de gewraakte en op de tenlastelegging vermelde documenten heeft opgemaakt en dat de verdachte zulks overigens ook niet heeft ontkend. Van strijd met het verbod van willekeur of het gelijkheidsbeginsel is de rechtbank te dezen dan ook niet gebleken.

Het verweer wordt daarom verworpen.

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding1

Op 12 mei 2010 deed de voormalige voorzitter van de Stichting Polikliniek voor Seksuele Gezondheid en Zwangerschapafbreking in Den Haag, (“PretermRutgers”, hierna: de stichting), [aangever], mede namens de voorzitter, [voorzitter], aangifte van fraude bij deze in Den Haag gevestigde stichting.2 De stichting exploiteerde onder meer een abortuskliniek die in 1986 door medeverdachte [medeverdachte] is opgericht.3 Verdachte was sinds 1986 werkzaam bij de stichting en werkte daar sinds 1992 tot 2010 als baliemedewerkster. Verdachte was het hoofd van de balie.4 Baliemedewerkers kwamen met hun vragen naar verdachte toe.5

De AWBZ bepaalt in artikel 5 van die wet dat tot de kring van verzekerden horen, ingezetenen van Nederland en zij, die geen ingezetene zijn, doch terzake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting onderworpen zijn. In artikel 44 van de AWBZ is bepaald dat bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het College Zorgverzekeringen (ook: CVZ) subsidies verstrekt voor zwangerschapsafbrekingen in de zin van de Wet afbreking zwangerschap. Bij ministeriële regeling, de Regeling subsidies AWBZ is de stichting aangewezen als abortuskliniek waarvoor een instellingssubsidie wordt verleend. Alleen zwangerschapsonderbrekingen ten behoeve van AWBZ-verzekerden kunnen worden gedeclareerd; voor andere behandelingen die in de kliniek werden gedaan, zoals hymenhersteloperaties of spiraalplaatsingen onder narcose, geldt dat niet.6

Verdachte heeft de volgende documenten opgemaakt7:

- aantal patiënten in 2007, waarin een onderscheid is gemaakt in ‘AWBZ’ en ‘Niet AWBZ’. Ook is in dit document per maand het aantal consulten opgenomen.8

- aantal patiënten in 2008, waarin een onderscheid is gemaakt in ‘AWBZ’ en ‘Niet AWBZ’9 Ook is in dit document per maand het aantal consulten opgenomen.

- aantal patiënten in 2009, waarin een onderscheid is gemaakt in ‘AWBZ’ en ‘Niet AWBZ’ Ook is in dit document per maand het aantal consulten opgenomen.10

Verdachte heeft verklaard dat zij aan het einde van de dag of op de ochtend van de eerstvolgende werkdag een dagstaat invulde. Aan het eind van de maand vulde verdachte door optelling van de dagstaten de maandoverzichten in. De maandoverzichten werden door haar verwerkt in de jaaroverzichten door optelling van de maandoverzichten.11

Verder werden door verdachte de formulieren “aantal patiënten” over de jaren 200712, 200813 en 200914 opgesteld. Deze formulieren stelde zij op aan de hand van de statussen, de verslagen van de behandeling en het afsprakenoverzicht.15 In die formulieren wordt weergegeven de aantallen abortussen onder de AWBZ: 1e trimester, met en zonder narcose, 2e trimester, met en zonder prosta (de rechtbank begrijpt: prostaglandine) , en niet-AWBZ: 2e trimester zonder prosta en de consulten (de rechtbank begrijpt: geen behandeling).

In 2007 was er volgens de “aantal patiënten” formulieren sprake van 2.974 AWBZ behandelingen en 51 niet-AWBZ behandelingen, in totaal 3025. In 2008 waren dat er 2930 resp. 70, in totaal 3000 en in 2009 2779 resp. 46, in totaal 2825.16

De dag-, maand- en jaarstaten gaf verdachte aan de interne accountant [verdachte 3].17 Ook de formulieren “aantal patiënten” gingen naar [verdachte 3].18 [verdachte 3] heeft verklaard dat de formulieren “aantal patiënten” dienden als basis voor de aanvragen subsidievaststelling AWBZ bij het CVZ.19

In het dossier zijn de aanvragen subsidievaststelling over de jaren 2007 (D-44)20 en 2008 (D-47)21 aanwezig. Met betrekking tot de aanvraag over 2007 wordt in paragraaf 4, “Subsidieberekening abortuskliniek 2007” uitgegaan van 2974 AWBZ behandelingen en 51 niet-AWBZ behandelingen22 en met betrekking tot de aanvraag over 2008 wordt in paragraaf 4, “Subsidieberekening abortuskliniek 2008” uitgegaan van 2930 AWBZ behandelingen en 70 niet-AWBZ behandelingen.

In de door de stichting ingediende aanvraag voor AWBZ subsidie over het jaar 2007 is vermeld dat er in 2007 2.974 AWBZ behandelingen en 51 niet-AWBZ behandelingen plaatsvonden.23 Op basis hiervan is een subsidie aangevraagd van EUR 1.611.400,-.24 Met betrekking tot de aanvraag over 2008 zijn 2.930 AWBZ behandelingen en 70 niet-AWBZ behandelingen vermeld. Op grond hiervan is een subsidie aangevraagd van EUR 1.646.900,-.25 Het CVZ volgde de hoogte van de door de stichting becijferde subsidie over de jaren 2007 en 2008 en kende de voorschotten maandelijks toe.26 Op 30 november 2007 heeft de stichting de genoemde bevoorschotting over 2007 volledig onder zich.27 Op 28 november 2008 heeft de stichting als bevoorschotting over 2008 een bedrag van EUR 1.626.690,- onder zich.28 Het CVZ heeft de definitieve subsidievaststelling 2007 beschikt op EUR 1.594.748,-.29 De definitieve subsidievaststelling 2008 bedraagt EUR 1.669.352,-.30

Naar aanleiding van vragen van het bestuur van de stichting over de cijfers van de stichting over het jaar 2009 heeft het bestuur aan de heer [interim-directeur], sedert 7 juli 2010 interim-directeur van de kliniek, gevraagd een hertelling ter doen . Bij die hertelling zijn de statussen als uitgangspunt genomen. Naar aanleiding van die hertelling wordt door [interim-directeur] het volgende geconcludeerd:

  • -

    In de eerste telling zijn 217 “consulten, geen behandeling” geteld als behandeling;

  • -

    In de eerste telling is bij het 2e trimester geen onderscheid gemaakt tussen behandeling met of zonder prostaglandine. Alle 2e trimester behandelingen (384) zijn gedeclareerd met prostaglandine. In de tweede telling zijn er 369 2e trimester behandelingen geregistreerd, waarvan 64 met prostaglandine;

  • -

    In de eerste hertelling zijn 20 hymenherstel verrichtingen geteld als abortus, evenals 7 overige behandelingen onder narcose;

  • -

    Volgens de eerste telling is er sprake van 47 behandelingen van vrouwen die niet in Nederland woonden/werkten, in de hertelling bedraagt dit getal 92.31

Door de FIOD is dit interne onderzoek gevalideerd. De FIOD concludeert dat van de 2.825 AWBZ-behandelingen dit 216 Nederlandse patiënten betrof die niet waren behandeld en dat er 19 behandelingen waren die niet een abortus maar een hymenplastiek (de rechtbank begrijpt: maagdenvliebehandeling) betrof, terwijl er in 47 gevallen sprake was van behandeling van een buitenlandse patiënt.32

In het kader van het strafrechtelijk onderzoek heeft een hertelling over de jaren 2007 en 2008 plaatsgevonden door een deskundige en de FIOD33. Uit die hertelling volgt dat er in 2007 geen 2.974 AWBZ patiënten waren behandeld, maar 2.550 AWBZ patiënten. In plaats van 51 niet-AWBZ patiënten zijn er bij de hertelling 132 niet-AWBZ geteld34. Uit die hertelling volgt met betrekking tot 2008 dat in plaats van 2.930 AWBZ patiënten er 2606 AWBZ-patiënten zijn geteld en in plaats van 70 niet-AWBZ patiënten er 111 niet-AWBZ patiënten zijn geteld.35 Ook zijn er in beide jaren verschillen te zien in aantallen 2e trimesterbehandelingen met en zonder prostaglandine.

Verdachte heeft verklaard dat zij niet controleerde of iemand al dan niet verzekerd was ingevolge de AWBZ.36

Verdachte heeft op een controlestrook eerst ‘Duitsland’ geschreven en dit vervolgens gewijzigd in ‘Den Haag.’37 Voor deze wijziging heeft verdachte geen verklaring kunnen geven.38

Verdachte heeft verklaard dat zij de consulten optelde en opnam in het overzicht aantal patiënten. Onder consulten wordt onder meer verstaan eerste gesprekken, echo’s en anti-conceptiezaken, nimmer een abortusbehandeling. Deze consulten werden bij de Rutgersbalie afgerekend. Verdachte heeft verder verklaard dat zij dacht dat dit overzicht diende te worden ingevuld met het oog op het verkrijgen van subsidie. Dat zou betekenen dat voor de consulten geld wordt ontvangen bij de Rutgers, alsmede wordt mogelijk ook door de Preterm subsidie ontvangen, aldus verdachte.39

Over bovengenoemde feiten, waarvan onderdelen in de tenlastelegging zijn terug te vinden, heeft ter terechtzitting geen discussie plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat deze feiten als vaststaand kunnen worden aangemerkt en dat de tenlastelegging voor wat betreft deze feiten wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank grondt dat oordeel op de redengevende inhoud van de bewijsmiddelen waarnaar in de voetnoten wordt verwezen.

4.1.2

De vraag waar de rechtbank zich voor ziet gesteld is - kort gezegd - of verdachte opzettelijk valsheid in geschrift heeft gepleegd.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het aan haar ten laste gelegde feit heeft begaan. Van een eenvoudige vergissing kan volgens de officier van justitie geen sprake zijn, de cijfermatige verschillen zijn daarvoor te groot. Bovendien zijn alle fouten in het financiële voordeel van de kliniek gemaakt.

4.3

Het standpunt van de verdediging

Ter zitting is door de verdediging het standpunt ingenomen dat nu de deskundige drs. mr. [deskundige] (hierna: [deskundige] en deskundige) niet als voldoende deskundig kan worden beschouwd ten aanzien van de vraag of sprake was van buitenlandse, niet AWBZ-gerechtigde, patiënten, de hertellingen over de jaren 2007 en 2008 dienen te worden uitgesloten voor het bewijs.

De verdediging heeft ter zitting voorts betoogd dat de interne hertelling over het jaar 2009 niet onbevooroordeeld, maar juist met een zekere bias, heeft plaatsgevonden door de desbetreffende (balie)medewerkers van stichting Preterm/Rutgers. Op basis hiervan heeft de verdediging verzocht deze bevindingen niet te gebruiken voor het bewijs.

Daarnaast heeft de verdediging - kort gezegd - aangevoerd dat verdachte het aan haar ten laste gelegde feit niet heeft gepleegd nu:

a. de administratie van de stichting een zodanige chaos was, dat fouten per ongeluk in die administratie konden voorkomen,

b. andere baliemedewerksters verantwoordelijk zijn geweest voor de geconstateerde valsheid evenals een andere verantwoordelijke persoon voor de aanvraag van de subsidie,

c. verdachte niet wist dat er met de door haar opgestelde documenten subsidies werden aangevraagd.

4.4

De beoordeling van de tenlastelegging

4.4.1

Onderzoek deskundige [deskundige]/hertellingen 2007 en 2008

[deskundige] - medicus (forensisch arts) en jurist - is in deze zaak door de rechter-commissaris als deskundige benoemd op het gebied van gezondheidsstrafrecht. Als medisch deskundige heeft zij met het oog op het moeten doorbreken van het medisch beroepsgeheim toegang gehad tot de medische dossiers/statussen van patiënten van de stichting welke waren opgemaakt door de (abortus)artsen van de stichting. De (medische) deskundigheid van [deskundige] is in zoverre niet betwist.

Verbalisant [verbalisant] heeft ondersteuning verleend aan [deskundige] om met behulp van door haar mondeling doorgegeven informatie te kunnen komen tot de invulling van een aantal parameters op basis waarvan de patiënten (onder andere) als niet-AWBZ-gerechtigde (buitenlandse) patiënten konden worden aangemerkt. Hierbij moet worden gedacht aan informatie rond woonplaats, land en andere relevante (verwijs-)informatie. Op basis hiervan heeft verbalisant [verbalisant] het cijfermateriaal aangeleverd dat de basis heeft gevormd in het onderhavige strafonderzoek ten aanzien van de vraag of sprake was van buitenlandse, niet AWBZ-gerechtigde, patiënten. De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de genoemde verrichtingen door verbalisant [verbalisant].

Nu vast staat dat [deskundige] niet is benoemd als deskundige op het terrein van de vraag of sprake was van buitenlandse, niet AWBZ-gerechtigde, patiënten, maar uitsluitend op medisch terrein, terwijl zij ook zelf geen cijfermateriaal op het punt van de AWBZ heeft aangeleverd, faalt het verweer.

De hertellingen van 2007 en 2008 kunnen daarom tot het bewijs worden gebezigd.

4.4.2

Intern onderzoek Stichting Preterm/Rutgers/ Hertelling 2009

De interne hertelling over het jaar 2009 heeft op initiatief van interim-bestuurder [interim-directeur] plaatsgevonden door de medewerkers van Stichting Preterm/Rutgers, nadat er geluiden waren ontstaan over - kort gezegd - mogelijke malversaties. Hierbij zijn alle medewerkers betrokken, zij die een goede band zouden hebben met de verdachte en zij die geen goede band met haar zouden hebben. Het ligt evenwel voor de hand, zoals de verdediging met juistheid veronderstelt, dat de onderzoekende medewerkers in dit opzicht in het bijzonder gericht zijn geweest op het blootleggen van eventuele onjuistheden in het voor handen zijnde cijfermateriaal over het jaar 2009, en aldus met een bepaalde vooringenomenheid naar het onderzoeksmateriaal hebben gekeken.

Deze hertelling en de wijze waarop deze heeft plaatsgevonden heeft vervolgens evenwel als voorbeeld gediend voor de - betrouwbare - hertelling voor de jaren 2007 en 2008. De cijfers over 2009 zijn door de FIOD bovendien nog in een eigen onderzoek betrokken, en hieruit kwamen niet of nauwelijks verschillen naar voren (1-AH-007a en 1-AH-007-b).

Nu de gehanteerde methodiek rond de interne cijfers over het jaar 2009 door de deskundige betrouwbaar is geacht en dat cijfermateriaal over het jaar 2009 is gevalideerd door de FIOD, acht de rechtbank ook dit cijfermateriaal betrouwbaar.

De interne hertelling kan daarom eveneens tot het bewijs worden gebezigd.

4.4.2

De beoordeling van de bewijsmiddelen

De rechtbank stelt ten eerste vast dat de - door verdachte - in de formulieren ‘aantal patiënten’ 2007 en 2008 weergegeven aantallen patiënten overeenkomen met de aantallen patiënten in de ‘aanvraag subsidievaststelling’ 2007 respectievelijk 2008. Verdachte heeft dit ook nimmer betwist, evenmin dat zij die formulieren zelf heeft opgesteld.

Uit onderzoek van de deskundige is ten tweede gebleken dat verdachte in haar opgave van patiëntenaantallen in totaal een groter aantal AWBZ verzekerden heeft opgegeven in haar formulieren ‘aantal patiënten’ in 2007, 2008 en 2009 dan het daadwerkelijke aantal AWBZ-verzekerden dat zich in die jaren voor een behandeling tot de kliniek heeft gewend.

De vraag rijst of dit door verdachte is gebeurd of door anderen en of dit in dat eerste geval per ongeluk dan wel bewust is gebeurd door verdachte.

In haar formulieren ‘aantal patiënten’ in 2007, 2008 en 2009 nam verdachte patiëntaantallen op waarbij zij telkens - zelf - een onderscheid maakte in wel en in niet-AWBZ verzekerden.

De bewijsmiddelen houden evenwel in dat verdachte consequent niet controleerde of een patiënte al dan niet AWBZ gerechtigd was en dat ook vanuit de kliniek niet een actief beleid werd gevoerd op dit punt.

De bewijsmiddelen houden voorts in dat bij het overgrote deel van de buitenlandse patiënten, welke als AWBZ-gerechtigden zijn aangemerkt door de Stichting, geen enkele woonplaats van de patiënt werd ingevuld.

Verdachte heeft bovendien in een concreet geval tegenover de FIOD erkend dat zij op een onderliggend stuk de woonplaats van een patiënte heeft gewijzigd van Duitsland - lees: niet AWBZ-gerechtigde - in Den Haag – lees: wel AWBZ-gerechtigde. Voor deze handeling heeft verdachte geen enkele verklaring kunnen geven.

Het door de verdediging gevoerde verweer (ad c.) dat verdachte niet wist dat er met de door haar geproduceerde cijfers een subsidie aanvraag werd gedaan, verwerpt de rechtbank. Verdachte heeft immers zelf verklaard dat zij de aantallen consulten die bij het Rutgers deel van de stichting plaatsvonden in de documenten ‘aantallen patiënten 2007’, ‘aantallen patiënten 2008’ en ‘aantallen patiënten 2009’ verwerkte met het oog op het verkrijgen van subsidie. Verder was het verdachte heel wel bekend dat niet-AWBZ patiënten contant betaalden – deze rekenden immers ook bij haar af - en voor AWBZ patiënten subsidie werd ontvangen. Bij het opmaken van de overzichten werd door verdachte bovendien een onderscheid gemaakt tussen AWBZ en niet-AWBZ patiënten. Het is daarom volstrekt niet geloofwaardig dat verdachte niet zou hebben geweten dat de overige aantallen in die documenten werden gebruikt voor de aanvraag van subsidie op grond van de AWBZ.

De rechtbank stelt voorts (ad a. en ad b.) - met de verdediging - vast dat er sprake was van een complexe en ondoorzichtige formulierenstroom die uiteindelijk via verdachte leidde tot een subsidie aanvraag, waarbij verschillende personen gedurende het behandelproces in verschillende hoedanigheden betrokken waren. Gebleken is dat die personen de formulieren die uiteindelijk ten grondslag lagen aan de subsidie aanvraag niet altijd op exact dezelfde wijze invulden.

Verdachte had evenwel een eigen overkoepelende rol in dit geheel. Het was haar bijzondere taak en verantwoordelijkheid om van de – kort gezegd – complexe formulierenstroom te komen tot eenduidige dagstaten, waarop de maandstaten en jaarstaten waren gebaseerd. Dat dit ook daadwerkelijk mogelijk was moge volgen uit het feit dat de FIOD op basis van beduidend minder informatie nog steeds tot aanmerkelijk andere – en door de rechtbank betrouwbaar geachte – overzichten is gekomen dan verdachte.

De verdachte wist daarbij dat er geen enkele controle heeft plaatsgevonden op de categorisering van buitenlandse patiënten als wel of niet AWBZ-gerechtigde, noch door haarzelf, noch door haar collega’s. Desondanks heeft de verdachte een onderscheid hierin aangebracht op de gewraakte formulieren.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat verdachte minstgenomen voorwaardelijk opzettelijk teveel patiënten als AWBZ-verzekerden heeft opgegeven.

Hetgeen de verdediging in dat kader heeft aangevoerd verwerpt de rechtbank dan ook.

De rechtbank is evenwel - in zoverre met de verdediging - van oordeel dat er slechts voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte valsheid in geschrift heeft gepleegd ten aanzien van het invullen van woonplaatsen van patiënten waardoor een onjuiste subsidie aanvraag bij CVZ is ingediend en in datzelfde kader ten aanzien van het aantal opgevoerde buitenlandse patiënten als waren deze telkens AWBZ-gerechtigd.

Naar het oordeel van de rechtbank is voor de overige door de officier van justitie ten laste gelegde valsheden onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig. Hier wreekt zich de omstandigheid dat het merendeel van het bewijsmateriaal – te weten de onderliggende stukken van de dag-statussen, evenals de door verdachte opgemaakte A-formulieren - zijn weggegooid en derhalve niet als uitgangspunt van enig bewijs kunnen dienen, evenals de omstandigheid dat er verschillende personen werkzaam waren op de balie waar ook verdachte deel van uit maakte waarbij ieder een eigen aandeel heeft gehad in het invullen van die onderliggende papieren. In zoverre heeft de rechtbank dezelfde redenering als de verdediging

Conclusie

De rechtbank acht - binnen het hiervoor uiteengezette kader - wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de formulieren aantal patiënten 2007 tot en met 2009 opzettelijk valselijk heeft opgemaakt met de bedoeling om teveel subsidie aan te vragen.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

zij, op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 29 november 2010 te 's-Gravenhage en/of Voorburg en/of Diemen en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

A.

één of meer formulier(en), te weten;

- aantal patiënten in 2007 (D-078) en/of

- aantal patiënten in 2008 (D-080) en/of

- aantal patiënten in 2009 (D-098) en/of

B.

één of meer aanvra(a)g(en) subsidievaststelling, te weten;

- aanvraag subsidievaststelling 2007 (D-044) en/of

- aanvraag subsidievaststelling 2008 (D-047),

- (elk) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst en/of heeft doen opmaken en/of heeft doen vervalsen, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s), toen en daar,

ad A.

(telkens) valselijk in/op die formulier(en) onjuiste aantallen (behandelde) patiënten en/of onjuiste soorten medische verrichtingen vermeld en/of doen vermelden,

en/of

ad B.

(telkens) valselijk in/op die bij het College voor Zorgverzekeringen ingediende (AWBZ) aanvra(a)g(en) subsidievaststelling, onjuiste aantallen (behandelde) patiënten en/of onjuiste soorten medische verrichtingen vermeld en/of doen vermelden en/of onjuist(e) bedrag(en) aan maximaal te vergoeden kosten en/of subsidie vermeld en/of doen vermelden,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie, die tot integrale bewezenverklaring heeft gerequireerd, heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het haar ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de duur van de inverzekeringstelling niet overschrijdt, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de privacy van verdachte in de landelijke media is geschonden, dat verdachte niet eerder is veroordeeld en inmiddels 67 jaren oud is.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank overweegt in het bijzonder als volgt.

Verdachte heeft documenten opzettelijk vals opgemaakt op basis waarvan te hoge AWBZ subsidie werd aangevraagd en toegekend aan stichting PretermRutgers. De rechtbank gaat er op grond van de inhoud van het dossier van uit dat de stichting per abortusbehandeling gemiddeld € 500 heeft ontvangen van CVZ. Dat betekent dat in 2007 en 2008 er respectievelijk € 38.500 (77 x € 500) en € 21.000 (42 x € 500) ten onrechte aan de stichting PretermRutgers is uitgekeerd. Het is aan verdachte te wijten dat een dergelijk – op zichzelf genomen - groot bedrag ten onrechte door de stichting bij CVZ is gedeclareerd en ontvangen, waarmee gemeenschapsgeld jaren achtereen onterecht is aangewend.

Dat is een ernstig strafbaar feit.

Hoewel niet aan verdachte ten laste gelegd, sluit de rechtbank niet uit dat de € 30.000 die verdachte in de periode van 2007 tot 2009 op haar bankrekening heeft gestort, verband houdt met de hierboven genoemde fraude. Nu dit evenwel geen deel uitmaakt van de tenlastelegging en de bewezenverklaring kan de rechtbank daar in de straftoemeting, over bijzoorbeeld de band van persoonlijke verrijking, geen rekening mee houden.

De rechtbank heeft kennis genomen van een op naam van verdachte staand uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 24 januari 2013, waaruit blijkt dat zij niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank weegt tenslotte mee dat verdachte inmiddels de leeftijd van 67 jaren heeft bereikt en beziet in dit alles eveneens de rol die de verdachte heeft gehad, afgezet tegenover haar medeverdachte, de voormalig directeur van de stichting.

Anders dan de verdediging veronderstelt zal de rechtbank in de straftoemeting geen rekening houden met het gestelde feit dat verdachtes privacy in de media zou zijn geschonden, aangezien deze omstandigheid niet voor rekening van het openbaar ministerie maar voor die van de vrije pers dient te komen.

Nu de rechtbank tot een andere - beduidend minder omvattende - bewezenverklaring komt dan door de officier van justitie heeft gevorderd, komt zij tot een andere straf-modaliteit dan gevorderd.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen: 22c, 22d, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd,

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 120 (honderdtwintig) uren

beveelt dat indien veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 60 (zestig) dagen;

beveelt dat de tijd die door veroordeelde is doorgebracht in voorlopige hechtenis bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.S.I. van Delden, voorzitter,

mrs. M. van Seventer en B.T. Beuving, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B. Schaafsma, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 november 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 47.324, van de FIOD/Belastingdienst, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 3706).

2 Proces-verbaal van aangifte [aangever] van 12 mei 2010, p. 1078.

3 Proces-verbaal van terechtzitting van 17 en 18 oktober 2013.

4 Proes-verbaal van verhoor getuige [verdachte 2] bij de rechter-commissaris, par. 10

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 1] van 26 oktober 2011, V04-01, p. 928.

6 Proces-verbaal van bevindingen van 15 december 2011, 1-AH-004, p. 2815.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 1] van 28 oktober 2011, V04-06 p. 971

8 Een geschrift zijnde een formulier AANTAL PATIENTEN IN 2007, D-078, p. 1906.

9 Een geschrift zijnde een formulier AANTAL PATIENTEN IN 2008, D-080, p. 1908.

10 Een geschrift zijnde een formulier AANTAL PATIENTEN IN 2009, D-098, p. 1956.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 1] van 26 oktober 2011, V04-03 p. 941

12 Een geschrift zijnde een formulier AANTAL PATIENTEN IN 2007, D-078, p. 1906.

13 Een geschrift zijnde een formulier AANTAL PATIENTEN IN 2008, D-080, p. 1908.

14 Een geschrift zijnde een formulier AANTAL PATIENTEN IN 2009, D-098, p. 1956.

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 1] van 26 oktober 2011, V04-03 p. 941

16 Overzichtsproces-verbaal van 6 december 2012, 1-OPV, p. 2754.

17 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 1] van 26 oktober 2011, V04-03 p. 941

18 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 1] van 26 oktober 2011, V04-03 p. 941

19 Proces-verbaal van verhoor getuige [verdachte 3] van 26 oktober 2011, V15-01, p. 1197.

20 Overig geschrift zijnde een brief van [medeverdachte] aan CVZ van 3 augustus 2009 met bijlagen, D-044, p. 1623 e.v.

21 Geschrift zijnde een aanvraag subsidievaststelling 2008 van 30 september 2009 met bijlagen, D-046 en D-047, p. 1709 e.v.

22 Overig geschrift zijnde een brief van [medeverdachte] aan CVZ van 3 augustus 2009 met bijlagen, D-044, p. 1638

23 Overig geschrift zijnde een brief van [medeverdachte] aan CVZ van 3 augustus 2009 met bijlagen, D-044, p. 1623 e.v.

24 Een geschrift zijnde een aanvraag subsidieverlening 2007 van 31 oktober 2006, D-044, p. 1595 e.v.

25 Een geschrift zijnde een aanvraag subsidievaststelling 2008 van 30 september 2009 met bijlagen, D-046 en D-047, p. 1709 e.v.

26 Proces-verbaal van ambtshandeling van 15 december 2011, 1-AH-004, p. 2827.

27 Overzichtsproces-verbaal van 6 december 2012, 1-OPV, p. 52

28 Overzichtsproces-verbaal van 6 december 2012, 1-OPV, p. 53

29 Een geschrift zijnde een beslissing op bezwaar subsidievaststelling 2007 Preterm kliniek van 12 mei 2010, D-162, p. 2173.

30 Een geschrift zijnde een aanvraag subsidievaststelling 2008 van 30 september 2009 met bijlagen, D-046, D-047 en D-048, p. 1709 e.v.

31 Een geschrift zijnde de hertelling 2009 Preterm van 15 juli 2010 door [interim-directeur], D-089, p. 1922 e.v.

32 Proces-verbaal van bevindingen van 19 oktober 2011, 1-AH-007, p. 2951 e.v. met de bijlagen 1-AH-007a en 1-AH-007-b inhoudende spreadsheets.

33 Proces-verbaal van bevindingen van 20 maart 2012, 1-AH-011, p. 3040 e.v.

34 Proces-verbaal van bevindingen van 2 juli 2012, 1-AH-012, p. 3287.

35 Proces-verbaal van bevindingen van 2 juli 2012, 1-AH-013, p. 3479.

36 Proces-verbaal van verhoor [verdachte 1] van 26 oktober 2011, V04-03 p. 942

37 D-092, Proces-verbaal van verhoor [verdachte 1] van 28 oktober 2011, V04-06 p. 971 en 972.

38 Proces-verbaal van verhoor [verdachte 1] van 28 oktober 2011, V04-06 p. 971 en 972.

39 Proces-verbaal van verhoor [verdachte 1] van 28 oktober 2011, V04-06 p. 977.