Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:14630

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-11-2013
Datum publicatie
01-11-2013
Zaaknummer
09/997166-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Directeur van Haagse abortuskliniek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/997166-10

Datum uitspraak: 1 november 2013

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboorteplaats] te [geboortedag]1938,

adres: [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 15 maart 2013 (pro forma), 17 oktober 2013 (inhoudelijk) en 18 oktober 2013 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.A.W. Mol en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. A. Çimen, advocaat te Haarlem, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 7 juli 2010, te 's-Gravenhage en/of Voorburg en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk één of meer (contant(e)) geldbedrag (en) van totaal 180.412 euro, althans 130.697 euro en/of 49.715 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan de Stichting Polikliniek voor Seksuele Gezondheid en Zwangerschapsafbreking (PretermRutgers), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte(n) en/of haar mededader(s) , en welk(e) (contant(e)) geldbedrag (en) zij, verdachte, uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking van directeur van die Stichting als voornoemd, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had , (telkens) zich wederrechtelijk heeft toegeëigend;

2.

de Stichting Polikliniek voor Seksuele Gezondheid en Zwangerschapsafbreking (PretermRutgers), op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 29 november 2010 te 's-Gravenhage en/of Voorburg en/of Diemen en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

A.

één of meer formulier(en), te weten;

- aantal patiënten in 2007 (D-078) en/of

- aantal patiënten in 2008 (D-080) en/of

- aantal patiënten in 2009 (D-098) en/of

B.

één of meer aanvra(a)g(en) subsidievaststelling, te weten;

- aanvraag subsidievaststelling 2007 (D-044) en/of

- aanvraag subsidievaststelling 2008 (D-047),

- ( elk) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst en/of heeft doen opmaken en/of heeft doen vervalsen, immers heeft/hebben zij, de Stichting zoals voornoemd en/of haar mededader(s), toen en daar,

ad A.

(telkens) valselijk in/op die formulier(en) onjuiste aantallen (behandelde) patiënten en/of onjuiste soorten medische verrichtingen vermeld en/of doen vermelden, en/of

ad B.

(telkens) valselijk in/op die bij het College voor Zorgverzekeringen ingediende (AWBZ) aanvra(a)g(en) subsidievaststelling, onjuiste aantallen (behandelde) patiënten en/of onjuiste soorten medische verrichtingen vermeld en/of doen vermelden en/of onjuist(e) bedrag(en) aan maximaal te vergoeden kosten en/of subsidie vermeld en/of doen vermelden, zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

3.

de Stichting Polikliniek voor Seksuele Gezondheid en Zwangerschapsafbreking (PretermRutgers), op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in de periode van 21 augustus 2008 tot en met 29 november 2010, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk één of meer geldbedrag(en) van totaal 760.179 euro,

althans

370.155 euro en/of

390.024 euro,

in elk geval enig goed,

dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan het College voor Zorgverzekeringen (CVZ),

in elk geval aan een ander of anderen dan aan de Stichting PretermRutgers en/of haar mededader(s), en welk(e) geldbedrag (en) zij, de Stichting, en/of haar mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten uit hoofde van een bevoorschotting van AWBZ subsidieverlening, onder zich had(den) , (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

de Stichting Polikliniek voor Seksuele Gezondheid en Zwangerschapsafbreking (PretermRutgers), op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in de periode van 31 oktober 2006 tot en met 31 december 2008, te 's-Gravenhage en/of Voorburg en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

het College voor Zorgverzekeringen (CVZ),

heeft bewogen tot de afgifte van (een) of meer geldbedrag(en) van in totaal 760.179 euro, althans

370.155 euro en/of

390.024 euro,

in elk geval enig goed,

hebbende de Stichting en/of haar mededader(s)

(telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -

valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

aan het CVZ een of meer valselijk opgemaakte stuk(ken) overlegd en/of doen overleggen en/of ingediend en/of doen indienen, te weten

een aanvraag subsidieverlening 2007 (D-043) en/of

een aanvraag subsidieverlening 2008 (D-046)

waardoor het CVZ (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte(n),

althans

het CVZ (telkens) bewogen tot het tenietdoen van een inschuld

van in totaal 760.179 euro,

althans

370.155 euro en/of

390.024 euro,

hebbende de Stichting en/of haar mededader(s)

(telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven –

valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

aan het CVZ een of meer valselijk opgemaakte stuk(ken) overlegd en/of doen overleggen en/of ingediend en/of doen indienen, te weten

een aanvraag subsidievaststelling 2007 (D-044) en/of

een aanvraag subsidievaststelling 2008 (D-047)

waardoor het CVZ (telkens) werd bewogen tot de tenietdoening van die inschuld,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

4.

zij, op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 21 januari 2011, te 's-Gravenhage en/of Voorburg en/of Diemen en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) perso(o)n(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s), van (telkens) (een) charta(a)l(e) en/of gira(a)l(e) en/of contant(e) geldbedrag(en) van in totaal

352.904,34 euro althans,

130.697 euro en/of

49.715 euro en/of

172.492,34 euro,

in elk geval een of meer (grote) geldbedrag(en),

de werkelijk aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en of verplaatsing, verborgen en/of verhuld, en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat geldbedrag(en) is/zijn, en/of die/dat geldbedrag(en) voorhanden gehad en/verworven en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik gemaakt van dit/deze charta(a)l(e) of gira(a)l(e) geldbedrag(en), terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) dat dat/die geldbedrag(en) -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij, op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 21 januari 2011, te 's-Gravenhage en/of Voorburg en/of Diemen en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) perso(o)n(en), althans alleen, zich meermalen, althans eenmaal,

schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen,

immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s), (telkens) (een) charta(a)l(e) en/of gira(a)l(e) en/of contant(e) geldbedrag(en) van in totaal

352.904,34 euro althans,

130.697 euro en/of

49.715 euro en/of

172.492,34 euro,

in elk geval een of meer (grote) geldbedrag(en),

de werkelijk aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en of verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld, en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat geldbedrag(en) is/zijn, en/of die/dat geldbedrag(en) voorhanden gehad en/of verworven en/of overgedragen en/of omgezet en/althans gebruik van dit/deze charta(a)l(e) of gira(a)l(e) geldbedrag(en), terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) redelijkerwijs had(den) moet(en) vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven.

3 Voorvragen

Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie?

3.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging nu de vervolgingsbeslissing inzake feit 1 (verduistering) in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur is genomen. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd - in essentie samengevat – dat op grond van dubieuze, onverklaarbare stortingen op de rekeningen van [betrokkene] en medeverdachte [medeverdachte] er meer concreet bewijs voorhanden is dat deze personen zich schuldig hebben gemaakt aan verduistering dan ten aanzien van verdachte. Door verdachte wel te vervolgen voor dit feit en niet [betrokkene] en [medeverdachte] heeft het openbaar ministerie gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur.

3.2

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat zij niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel dan wel het verbod van willekeur heeft gehandeld. Het openbaar ministerie heeft een ruime bevoegdheid om te besluiten om tot vervolging over te gaan. Er is besloten om [betrokkene] en [medeverdachte] niet voor het onder 1. ten laste gelegde feit te vervolgen omdat er onvoldoende bewijs voorhanden is dat ook zij zich schuldig hebben gemaakt aan dit feit. Er is geen sprake van een uitzonderlijke situatie die zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat de verdediging niet heeft miskend dat het openbaar ministerie ingevolge art. 167, eerste lid, Wetboek van Strafvordering een ruime discretionaire bevoegdheid heeft om al dan niet tot vervolging over te gaan, welke haar beperking vindt in de beginselen van behoorlijk bestuur (HR 2 februari 1999, NJ 1999, 554 en HR 5 december 1989, NJ 1990, 719). De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich echter slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Dat betekent dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, voor zover hier van belang met het gelijkheidsbeginsel dan wel het verbod van willekeur – welke laatste in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging - om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn (HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280).

De rechtbank dient op grond van het voorgaande thans derhalve met een marginale toetsing de vraag te beantwoorden of het Openbaar Ministerie, na afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid tot de vervolgingsbeslissing in de zaak van verdachte heeft kunnen komen.

De volgens de verdediging onbegrijpelijke beslissing om [betrokkene] en [medeverdachte] niet te vervolgen doet niet af aan de begrijpelijkheid van de vervolgingsbeslissing ten aanzien van verdachte. De officier van justitie heeft ter terechtzitting gewezen op de uitleg die [betrokkene] en [medeverdachte] hebben gegeven voor de desbetreffende stortingen. Op basis hiervan heeft zij uiteengezet waarom zij meent niet hard te kunnen maken dat de stortingen in verband staan met de verduistering en dus een onrechtmatig karakter hebben. Daargelaten wat de rechtbank van deze bewijsoverweging vindt, is zij van oordeel dat het openbaar ministerie - gelet op de inhoud van het dossier, de positie van verdachte binnen de organisatie en in het bijzonder de voorhanden zijnde bewijsmiddelen die in de richting van verdachte wijzen - in redelijkheid heeft kunnen beslissen tot vervolging van verdachte voor verduistering. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel of het verbod van willekeur is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken.

De rechtbank verwerpt daarom het gevoerde verweer.

4 Bewijsoverwegingen

4.1.1

Algemene inleiding1

Op 12 mei 2010 deed de voormalige voorzitter van de Stichting Polikliniek voor Seksuele Gezondheid en Zwangerschapafbreking in Den Haag, (“PretermRutgers”, hierna: de stichting), [aangever], mede namens de voorzitter, [voorzitter], aangifte van fraude bij deze stichting.2 De stichting exploiteerde onder meer een abortuskliniek die in 1986 door verdachte is opgericht en waarvan verdachte vanaf het prille begin van de stichting tot 2009 algemeen directeur was. Verdachte gaf gedurende die gehele periode feitelijk leiding aan de stichting.3

De door de stichting uitgevoerde abortusbehandelingen kwamen in aanmerking voor subsidie op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). De subsidieverstrekking op grond van de AWBZ geldt alleen voor behandelingen ten aanzien van AWBZ-verzekerden. Nederlands ingezeten worden aangemerkt als AWBZ-verzekerden. AWBZ-verzekerden hoeven niet zelf te betalen voor hun abortusbehandeling. Patiënten die daarentegen in het buitenland wonen en die ook niet in Nederland werken (en terzake daarvan dus geen loonbelasting behoeven te betalen), zijn niet AWBZ-verzekerd en dienen hun abortusbehandeling zelf te betalen. Het College voor zorgverzekeringen (CVZ) verstrekt de AWBZ subsidies op aanvraag.4

In de door de stichting ingediende aanvraag voor AWBZ subsidie over het jaar 2007 is vermeld dat er in 2007 2.974 AWBZ behandelingen en 51 niet-AWBZ behandelingen plaatsvonden.5 Op basis hiervan is een subsidie aangevraagd van EUR 1.611.400,-.6 Met betrekking tot de aanvraag over 2008 zijn 2.930 AWBZ behandelingen en 70 niet-AWBZ behandelingen vermeld.7 Op grond hiervan is een subsidie aangevraagd van EUR 1.646.900,-.8 Het CVZ volgde de hoogte van de door de stichting becijferde subsidie over de jaren 2007 en 2008 en kende de voorschotten maandelijks toe.9 Op 30 november 2007 heeft de stichting de genoemde bevoorschotting over 2007 volledig onder zich.10 Op 28 november 2008 heeft de stichting als bevoorschotting over 2008 een bedrag van EUR 1.626.690,- onder zich.11 Het CVZ heeft de definitieve subsidievaststelling 2007 beschikt op EUR 1.594.748,-.12 De definitieve subsidievaststelling 2008 bedraagt EUR 1.669.352,-.13

Drs. mr. [deskundige] (hierna [deskundige]) is als deskundige aangewezen en heeft met medewerking van de FIOD een hertelling over de jaren 2007 en 2008 uitgevoerd.14 De conclusie daaromtrent luidt dat er in 2007 geen 2.974 AWBZ verzekerde patiënten, maar 2.550 waren behandeld bij de stichting en in plaats van 51 niet-AWBZ verzekerde patiënten, werden er 132 geteld.15 Voor het jaar 2008 telden zij in plaats van de opgegeven 2.930 AWBZ patiënten 2.606 AWBZ-patiënten en in plaats van 70 niet-AWBZ verzekerde patiënten werden 111 niet-AWBZ verzekerden geteld.16

Op basis van deze getallen is door CVZ op verzoek van de FIOD de AWBZ subsidie herberekend. Door de FIOD wordt geconcludeerd dat op basis van die getallen de subsidie over 2007 dient te worden vastgesteld op EUR 1.224.593,-. Het door de stichting teveel gedeclareerde bedrag bedraagt dan EUR 370.155,-.17 Over 2008 dient de subsidie te worden vastgesteld op EUR 1.279.328,-. Het teveel gedeclareerde bedrag bedraagt dan EUR 390.024,-.18

Over bovengenoemde feiten, waarvan onderdelen in de tenlastelegging zijn terug te vinden, heeft ter terechtzitting geen discussie plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat deze feiten als vaststaand kunnen worden aangemerkt en dat de tenlastelegging voor wat betreft deze feiten wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank grondt dat oordeel op de redengevende inhoud van de bewijsmiddelen waarnaar in de voetnoten wordt verwezen.

Verdachte heeft in dat opzicht - steeds - verklaard dat de stichting niet kan checken waar een patiënt woont en dat de stichting geen identificatieplicht heeft omdat zij een abortuskliniek is. De stichting gaat af op wat een patiënt zegt. Verder heeft verdachte verklaard: “Patiënten worden ook niet weggestuurd. Ook als zij het geld niet hebben. Dat is ons beleid. Patiënten verkeren in een noodsituatie.(…) Als een patiënt zegt in Deutekom te wonen, dan weet ik niet hoe ik dan weet of ik voor die patiënt kan declareren voor een behandeling. Dat weet de overheid. Ik hoef niet te controleren waar die patiënt woont.1920

4.1.2

Door de rechtbank te beantwoorden vragen

De vragen waar de rechtbank zich voor ziet gesteld zijn - in essentie samengevat - achtereenvolgens:

* of verdachte in persoon geld heeft verduisterd (feit 1),

* of verdachte (samen met een ander) in haar functie van directeur van de stichting op grond van betrokkenheid bij de te hoge subsidieaanvragen bepaalde formulieren die daaraan ten grondslag lagen valselijk heeft opgemaakt (feit 2),

* of verdachte de benadelingsbedragen van CVZ als feitelijk leidinggever heeft verduisterd (feit 3 primair) dan wel in diezelfde hoedanigheid het CVZ op dat punt heeft opgelicht (feit 3 subsidiair) en

* of verdachte het criminele geld afkomstig uit feit 1 en/of feit 3 in persoon heeft witgewassen (feit 4).

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat alle vier de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Ten aanzien van feit 1. heeft de officier van justitie in het bijzonder nog aangevoerd dat de enveloppen met contant geld uiteindelijk aan verdachte werden gegeven en dat is gebleken dat er te weinig geld op de rekening van de stichting door verdachte is gestort. Wat betreft feit 2. heeft de officier van justitie in het bijzonder nog aangevoerd dat zij van oordeel is dat verdachtes medeverdachte [medeverdachte] de fraude heeft gepleegd en dat deze [medeverdachte] heeft verklaard dat zij – in haar gehele functioneren binnen de stichting - in opdracht van verdachte heeft gehandeld.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft algehele vrijspraak bepleit.

De raadsvrouw heeft bepleit dat [deskundige] niet als voldoende deskundig kan worden beschouwd ten aanzien van de vraag of sprake was van buitenlandse, niet AWBZ-gerechtigde, patiënten. De hertellingen over de jaren 2007 en 2008 dienen daarom te worden uitgesloten voor het bewijs.

Ten aanzien van feit 3 heeft zij in het bijzonder nog aangevoerd dat verdachte de privacy van de patiënten heeft willen waarborgen. Op grond van die notie is een werkwijze tot stand gekomen waarbij baliemedewerkers niet verplicht waren om vast te stellen of een patiënte ingezetene van Nederland was. Daarbij werd uitgegaan van wat patiënten zelf als woonplaats aangaven. Gelet op de door [deskundige] in de medische dossiers aangetroffen identiteitsbewijzen heeft er bovendien wel enige controle plaatsgevonden.

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsvrouw in het bijzonder nog aangevoerd dat de gelden die zouden voortvloeien uit de feiten 1 tot en met 3 niet op enige bankrekening van verdachte zijn aangetroffen. Daarnaast heeft verdachte niet een handeling verricht die gericht was op het verbergen dan wel verhullen van de gestelde criminele herkomst van de gelden.

4.4

De beoordeling van de tenlastelegging

4.4.1

Vrijspraken

Feit 1

In het dossier bevinden zich naar het oordeel van de rechtbank aanwijzingen dat de baliemedewerkers [medeverdachte] en [betrokkene] contante gelden die toekwamen aan de stichting hebben verduisterd. Er is echter naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs dat verdachte - al dan niet in samenwerking met deze anderen – die gelden heeft verduisterd. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Voldoende staat vast voor de rechtbank dat in de kliniek door niet-ingezetenen - lees kortheidshalve: buitenlandse patiënten - bij de baliemedewerkers contant werd betaald voor bepaalde niet via de AWBZ verzekerde behandelingen. Binnen de stichting was niet sprake van enige wijze van registratie van de ontvangen contante gelden ten tijde van de ontvangst daarvan noch van enig mogelijkheid van controle acheraf hierop. Voor verdachte was zulks daarom evenmin registreerbaar of controleerbaar. Voorts staat vast dat beide genoemde baliemedewerkers contante gelden voor die behandelingen in enveloppen aan verdachte hebben overhandigd. Niet staat echter vast dat alle contante gelden die door de baliemedewerkers zijn ontvangen ook daadwerkelijk zijn overhandigd aan verdachte. Het is gezien de onverklaarbare grote hoeveelheden aan contante bedragen die op de bankrekeningen van de medeverdachte [medeverdachte] en [betrokkene] zijn bijgeschreven waarvoor beiden geen aannemelijke verklaringen hebben afgelegd voor de rechtbank juist bepaald niet uit te sluiten dat het deze baliemedewerkers zijn geweest die een bepaald aandeel van de ontvangen contante gelden hebben verduisterd.

In het dossier bevindt zich geen aanwijzing dat verdachte hieromtrent enige wetenschap heeft gehad of moet hebben gehad. In het dossier bevindt zich evenmin enig bewijsmiddel waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat verdachte een bepaald aandeel van de wel door haar ontvangen contante gelden zou hebben verduisterd.

De enkele omstandigheden dat gebleken is dat verdachte contante gelden in enveloppen heeft ontvangen van de baliemedewerkers en dat berekend kan worden dat er in totaal te weinig contant geld op de rekening van de stichting door verdachte is afgestort, is voor de rechtbank bij gebreke aan enige aanwijzing dat verdachte alle door buitenlandse patiënten afgegeven contante gelden ook daadwerkelijk van de baliemedewerkers heeft ontvangen - anders dan voor de officier van justitie - onvoldoende om bewezen te kunnen achten dat verdachte die gelden (mede) heeft verduisterd.

De rechtbank zal verdachte daarom van dit feit vrijspreken.

Feit 2

De rechtbank is van oordeel dat medeverdachte [medeverdachte] opzettelijk en onjuist formulieren heeft ingevuld die als basis hebben gediend voor de door de stichting ingediende AWBZ subsidieaanvragen. Er is echter geen bewijsmiddel voorhanden waaruit kan volgen dat verdachte hieromtrent voldoende bemoeienis heeft gehad om als medpleger te kunnen worden aangemerkt. De verklaring van medeverdachte [medeverdachte] dat zij haar werkzaamheden in opdracht van verdachte verrichtte en de formulieren met het aantal patiënten in jaar x (zoals D-078 en D-080) opmaakte in opdracht van mevr [verdachte] (proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], V-04-09, p. 5), is naar het oordeel van de rechtbank – ander dan voor de officier van justitie – in bewijstechnische zin te algemeen van aard en te weinig specifiek en concreet toegespitst op de met de fraude samenhangende valsheid in geschrift om als mededaderschap van verdachte te kunnen dienen. De rechtbank overweegt in dit opzicht nog ten overvloede dat hoewel zij van oordeel is dat verdachte er notie van moet hebben gehad dat er veredelde cijfers aan de AWBZ subsidieaanvragen van de stichting ten grondslag hebben gelegen, dit nog niet maakt dat zij aan die daadwerkelijk veredeling van die cijfers concreet feitelijk leiding heeft gegeven.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift.

Feit 3 primair

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende bewijs voorhanden is dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de wederrechtelijke toe-eigening van – kort samengevat – de benadelingsbedragen van CVZ welke de stichting op grond van de uitgekeerde subsidiegelden - reeds - rechtmatig onder zich had, gelet op het voor het bewijs van verduistering vast te stellen (tijdstip van het ontstaan van het) oogmerk van de verdachte tot die wederrechtelijke toe-eigening.

De rechtbank zal verdachte daarom ook van dit feit meten vrijspreken.

Feit 4

In de visie van de officier van justitie zou het witwassen – naast het witwassen van de contante gelden van feit 1, waarvoor de rechtbank verdachte als gesteld zal vrijspreken - eruit hebben bestaan dat het salaris van verdachte deels een criminele herkomst heeft gehad, namelijk over de band van de verduisterde AWBZ-gelden die aan de hand van de valselijk opgemaakte subsidieaanvragen over de jaren 2007 en 2008 door de stichting zijn ontvangen.

Zoals de rechtbank hierna nog zal verduidelijken is zij van oordeel dat verdachte verantwoordelijk kan worden gehouden voor de onterechte ontvangst door de stichting van € 38.500 (77 x € 500) en € 21.000 (42 x € 500) over respectievelijk de jaren 2007 en 2008. Gerelateerd aan een subsidieaanvraag over die jaren van ongeveer € 1,6 miljoen per jaar vormt naar het oordeel van de rechtbank het ten onrechte uitgekeerde bedrag een relatief klein gedeelte (gemiddeld bijna 2% per jaar) van dat totale bedrag.

De ambtshalve vraag waar de rechtbank zich voor geplaatst ziet is of dit relatief geringe gedeelte aan inkomsten met een criminele herkomst aanleiding geeft om de verweten gedraging te kwalificeren als witwassen in de zin van artikel 420ter Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. In navolging van HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578, overweegt de rechtbank dat uit de wetsgeschiedenis als bedoeling van de wetgever moet worden afgeleid dat deze met het oog op een effectieve bestrijding van het witwassen noodzakelijk achtte om niet alleen voorwerpen onder het bereik van de witwasbepalingen te brengen die onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig zijn, maar ook voorwerpen die gedeeltelijk van misdrijf afkomstig zijn, welk vermengde vermogen dient te worden aangemerkt als “mede” of “deels” uit misdrijf afkomstig. Denkbaar is dat in zulke situaties een vermogensbestanddeel met een criminele herkomst zich binnen het na vermenging gevormde vermogen niet meer laat individualiseren. Door de wetgever is geen begrenzing gesteld aan de mate waarin vermogensbestanddelen gedeeltelijk en/of middellijk van misdrijf afkomstig kunnen zijn. De wetgever heeft het aldus volgens de Hoge Raad aan het openbaar ministerie en de rechter overgelaten ervoor te zorgen dat de witwasbepalingen niet worden toegepast ten aanzien van in wezen niet-strafbare gedragingen. Die terughoudende toepassing is van groot belang, aldus nog steeds de Hoge Raad, omdat een te ruim bereik van de witwasbepalingen een normaal handelsverkeer onevenredig zouden kunnen belemmeren. Dit gevaar dreigt vooral wanneer het illegale deel van het vermogen relatief gering is (eerdergenoemd arrest, in het bijzonder r.o.v. 3.6.2.)

De rechtbank is van oordeel dat die terughoudende opstelling in dit geval geboden is. De rechtbank stelt op grond van de hiervoor weergegeven berekening vast dat met het oog op de door haar bewezenverklaarde feiten gemiddeld bijna 2 % aan inkomsten van de stichting per jaar een criminele herkomst kent, waarmee ongeveer 98% van de inkomsten van de stichting een niet-criminele herkomst kent. Het zou naar het oordeel van de rechtbank te ver gaan om op grond hiervan te oordelen dat elke volgende via vermenging verkregen uitgave van de stichting – reguliere salarisuitkeringen daaronder begrepen - hiermee een criminele herkomst kent en daarmee onder het bereik van de witwasbepalingen kunnen worden gebracht. Dat zou in casu een te grote belemmering vormen voor een normaal handelsverkeer en zou niet stroken met de bedoeling van de wetgever.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat met betrekking tot de verweten gedraging niet bewezen kan worden verklaard dat het salaris van verdachte onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig was als bedoeld in art. 420bis Wetboek van Strafrecht.

De verdachte behoort daarom ook van feit 4 te worden vrijgesproken.

4.4.2

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3 subsidiair

Hertellingen uitsluiten voor het bewijs?

[deskundige] - medicus (forensisch arts) en jurist - is in deze zaak door de rechter-commissaris als deskundige benoemd op het gebied van gezondheidsstrafrecht. Als medisch deskundige heeft zij met het oog op het moeten doorbreken van het medisch beroepsgeheim toegang gehad tot de medische dossiers/statussen van patiënten van de stichting welke waren opgemaakt door de (abortus)artsen van de stichting. De (medische) deskundigheid van [deskundige] is in zoverre niet betwist.

Verbalisant [verbalisant] heeft ondersteuning verleend aan [deskundige] om met behulp van door haar mondeling doorgegeven informatie te kunnen komen tot de invulling van een aantal parameters op basis waarvan de patiënten (onder andere) als niet-AWBZ-gerechtigde (buitenlandse) patiënten konden worden aangemerkt. Hierbij moet worden gedacht aan informatie rond woonplaats, land en andere relevante (verwijs-)informatie. Op basis hiervan heeft verbalisant [verbalisant] het cijfermateriaal aangeleverd dat de basis heeft gevormd in het onderhavige strafonderzoek ten aanzien van de vraag of sprake was van buitenlandse, niet AWBZ-gerechtigde, patiënten. De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de genoemde verrichtingen door verbalisant [verbalisant].

Nu vast staat dat [deskundige] niet is benoemd als deskundige op het terrein van de vraag of sprake was van buitenlandse, niet AWBZ-gerechtigde, patiënten, maar uitsluitend op medisch terrein, terwijl zij ook zelf geen cijfermateriaal op het punt van de AWBZ heeft aangeleverd, faalt het verweer.

De hertellingen van 2007 en 2008 kunnen daarom tot het bewijs worden gebezigd.

Feit 3 subsidiair voorts t.a.v. het bewijs

Ten aanzien van de AWBZ gesubsidieerden overweegt de rechtbank voorafgaand in algemene zin als volgt. De rechtbank is van oordeel dat in het geval een patiënt niet AWBZ verzekerd is of dat het niet of onvoldoende duidelijk is of een patiënt AWBZ verzekerd is, ofwel de patiënt de behandeling zelf dient te betalen ofwel de stichting deze financiële last voor haar eigen rekening dient te nemen. Het is immers niet toegestaan om een patiënt als een AWBZ verzekerde aan te merken en op te voeren als niet mede is vastgesteld dat deze patiënt ook daadwerkelijk verzekerd is voor de AWBZ. Degene die een AWBZ subsidie aanvraagt - in casu de stichting - dient zich ervan te vergewissen dat zij ook daadwerkelijk gerechtigd is tot deze subsidie. Een aanvrager heeft slechts recht op een AWBZ subsidie als zij een behandeling verricht ten aanzien van een AWBZ verzekerde.

De stichting diende dus ten aanzien van de door haar als AWBZ patiënten opgevoerde behandelingen te controleren of een patiënt ook daadwerkelijk voor de AWBZ was verzekerd.

De stichting kon op verschillende manieren controleren of een persoon AWBZ verzekerd was. Zo kon men onderzoek doen naar de zorgpas van de patiënte, een specificatie van een loonstrook/uitkering opvragen, het systeem Vecozo raadplegen of het recht op AWBZ bij de sociale verzekeringsbank verifiëren.21 Ook kon gevraagd worden om een identificatiebewijs.

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat de stichting op bovengenoemde of op enigerlei andere wijze heeft gecontroleerd of een patiënte AWBZ verzekerd was. Uitsluitend werd afgegaan op de door de patiënt opgegeven woonplaats. Verdachte heeft hierover verklaard dat in het kader van de AWBZ geen woonplaats hoeft te worden vastgesteld omdat “het privacyreglement” van toepassing zou zijn.22 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat ook niet werd doorgevraagd naar de woonplaats van een patiënt en dat hen evenmin om een identiteitskaart werd gevraagd. Verder heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat het beleid was dat als patiënten hun naam niet wilden invullen daar ook niet naar werd gevraagd.23

De stichting heeft zelf in haar subsidie aanvraag over 2007 opgegeven dat er 51 patiënten zijn behandeld die niet AWBZ verzekerd waren. Bij 45 van die gevallen blijkt geen woonplaats te zijn ingevuld.24 De rechtbank stelt vast dat de stichting klaarblijkelijk zelf mede als onderscheidend criterium hanteerde om vast te stellen dat er sprake was van een niet AWBZ verzekerde, ingeval de woonplaats niet was ingevuld. De deskundige [deskundige] mocht daar, anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, dan ook in haar onderzoek van uit gaan.

De FIOD heeft in het onderzoek met de deskundige [deskundige] geconcludeerd dat er in 2007 nog 77 andere patiënten waren waarbij niet een woonplaats was ingevuld.25 In 2008 ging het om 42 andere patiënten.26 Bij deze patiënten waren er aldus de FIOD aanwijzingen dat zij niet uit Nederland afkomstig waren. Zo spraken zij bijvoorbeeld Duits, Engels of Spaans. In sommige dossiers waren verwijsbrieven aanwezig van buitenlandse artsen. Bij sommige patiënten was het adres ‘weggekalkt’ maar was duidelijk dat dit een Duits adres betrof.27

Op basis van het onderzoek van deskundige [deskundige] en het eigen onderzoek komt de FIOD tot de conclusie dat er in 2007 132 en in 2008 111 patiënten een abortusbehandeldeling hebben ondergaan die niet AWBZ verzekerd waren.28 Bij de rechter-commissaris heeft deskundige [deskundige] toegelicht op welke wijze zij haar onderzoek heeft uitgevoerd. Zij heeft verklaard dat zij hardop voorlas wat zij in het medisch dossier las over de herkomst van de patiënte. De verbalisant van de FIOD noteerde dat dan in een spreadsheet.29 De rechtbank is – anders dan de verdediging - van oordeel dat op deze wijze voldoende verifieerbaar is op welke gronden de FIOD haar conclusies heeft getrokken en dat dit als bewijs aldus ook voldoende betrouwbaar is. De rechtbank zal deze conclusies dan ook bezigen tot het bewijs.

De rechtbank gaat er derhalve - in het voordeel van de verdachte - van uit dat de stichting per abortusbehandeling gemiddeld € 500 heeft ontvangen van het CVZ. Dat betekent dat in 2007 en 2008 er respectievelijk € 38.500 (77 x € 500) en € 21.000 (42 x € 500) ten onrechte aan de stichting is uitgekeerd.

De rechtbank stelt op grond het voorgaande vast dat de stichting zich geen serieuze moeite heeft getroost om zich ervan te vergewissen dat de personen voor wie zij een AWBZ subsidie aanvroeg met het oog op een abortusbehandeling, ook daadwerkelijk AWBZ verzekerd waren. Dat patiënten zelf geen woonplaats invulden doet – anders dan de verdachte stelt - aan het voorgaande niet af met het oog op de eigen plicht van de stichting. Ook de omstandigheid dat er bij enkele anderen kennelijk de identiteit is vastgesteld door middel van een identiteitsbewijs doet – ander dan de verdediging meent - aan het voorgaande niet af, reeds in aanmerking genomen dat het juist in die gevallen niet de patiënten zelf betrof, maar andere personen die hen naar de kliniek begeleidden.

De stichting heeft aldus willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij - ten onrechte - AWBZ subsidie aanvroeg bij het CVZ voor niet AWBZ verzekerden. Door deze valse voorstelling van zaken heeft de stichting zich schuldig gemaakt aan oplichting. Dat de stichting hiervoor – anders dan de verdachte - niet strafrechtelijk is vervolgd doet daar, anders dan de verdediging stelt, niet aan af.

Ten aanzien van de onjuiste subsidieaanvragen die zijn gebaseerd op gewijzigde (typen) medische verrichtingen is de rechtbank, kennelijk anders dan de officier van justitie, van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte ook hiervan op de hoogte was of had moeten zijn. Op dit punt bevinden zich geen bewijsmiddelen in het dossier. De gedachte dat, nu ook dit in het voordeel van de stichting in het cijfermateriaal van de subsidie-aanvragen is verwerkt, verdachte hiervan heeft moeten weten, acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen ten aanzien van feit 2 zal verdachte hiervan dan ook - partieel - worden vrijgesproken.

De inhoud van de onjuiste subsidie-aanvragen over de jaren 2007 en 2008, met het daaraan ten grondslag gelegde cijfermateriaal van de stichting, voorzover voor het bewijs gebezigd, beschouwt de rechtbank als een samenweefsel van verdichtsels als bedoeld in art. 326 Wetboek van Strafrecht.

Feitelijk leidinggeven

De volgende vraag waarvoor de rechtbank zich ziet gesteld is of verdachte bevoegd en redelijkerwijs gehouden was maatregelen ter voorkoming van die verboden gedraging te nemen maar dit achterwege heeft gelaten en zij aldus bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat die verboden gedraging zich zou voordoen, zodat zij die opzettelijk heeft bevorderd.

De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Verdachte was algemeen directeur van de stichting en verantwoordelijk voor de niet medische zaken, waaronder de financiële zaken.30 Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zij zich verantwoordelijk voelde voor de financiële kant van de stichting en binnen dit kader de subsidieaanvragen heeft begeleid. Verdachte was aldus bevoegd om maatregelen te nemen om te laten controleren of patiënten al dan niet AWBZ verzekerd waren.

Nu zij dergelijke controlemogelijkheden onbenut heeft gelaten, terwijl zij wist dat door de stichting patiënten werden behandeld die in het buitenland woonachtig waren, dat de inkomsten van de stichting hoofdzakelijk uit AWBZ subsidie bestonden en dat er geen aanvullende inkomstenbron voorhanden was binnen de stichting om niet-verzekerden die niet konden of wilden betalen toch van een behandeling te kunnen voorzien, heeft zij aldus minstgenomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de stichting AWBZ subsidie zou aanvragen voor niet AWBZ-gerechtigden.

Verdachte heeft daarmee feitelijk leiding gegeven aan de oplichting gepleegd door de stichting.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

3.

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

+

de Stichting Polikliniek voor Seksuele Gezondheid en Zwangerschapsafbreking (PretermRutgers), op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in de periode van 31 oktober 2006 tot en met 31 december 2008, te 's-Gravenhage en/of Voorburg en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, het College voor Zorgverzekeringen (CVZ), heeft bewogen tot de afgifte van (een) of meer geldbedrag(en) van in totaal 760.179 euro, althans 370.155 euro en/of 390.024 euro, in elk geval enig goed, hebbende de Stichting en/of haar mededader(s) (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -

valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid aan het CVZ een of meer valselijk opgemaakte stuk(ken) overlegd en/of doen overleggen en/of ingediend en/of doen indienen, te weten

een aanvraag subsidieverlening 2007 (D-043) en/of

een aanvraag subsidieverlening 2008 (D-046)

waardoor het CVZ (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte(n),

althans het CVZ (telkens) bewogen tot het tenietdoen van een inschuld van in totaal 760.179 euro, althans 370.155 euro en/of 390.024 euro, hebbende de Stichting en/of haar mededader(s) (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid aan het CVZ een of meer valselijk opgemaakte stuk(ken) overlegd en/of doen overleggen en/of ingediend en/of doen indienen, te weten

een aanvraag subsidievaststelling 2007 (D-044) en/of

een aanvraag subsidievaststelling 2008 (D-047)

waardoor het CVZ (telkens) werd bewogen tot de tenietdoening van die inschuld, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het haar ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden en een geldboete van € 150.000, subsidiair 365 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank overweegt in het bijzonder nog als volgt.

Verdachte was er als directeur verantwoordelijk voor dat stichting PretermRutgers ten onrechte AWBZ subsidie aanvroeg voor abortusbehandelingen van buitenlandse patiënten, waarvan in het geheel niet vaststond noch was gecontroleerd of zij daadwerkelijk waren aan te merken als AWBZ verzekerden. De rechtbank gaat ervan uit dat door het CVZ in de jaren 2007 en 2008 in totaal 59.500,-- euro ten onrechte aan de stichting is uitgekeerd. Dit bedrag ligt aanmerkelijk lager dan aan verdachte ten laste is gelegd. Dit geld is door stichting ook uitgegeven. Dat er in het jaar 2009 geen subsidie is uitgekeerd is overigens niet te danken aan verdachte - ook voor dat jaar was er immers al ten onrechte subsidie aangevraagd – maar aan de attente bestuurders van de stichting die bijtijds aangifte van strafbare feiten hebben gedaan waardoor de subsidie-aanvraag 2009 scherper onder het licht is gehouden.

Aangezien het onderzoek van de FIOD zich – gelet op de omvang van het onderzoek – alleen richtte op de jaren 2007, 2008 en 2009 kan de rechtbank niet met bewijsmiddelen vaststellen dat stichting PretermRutgers, onder leiding van verdachte, zich in de voorgaande jaren wel aan de wet heeft gehouden. De rechtbank acht deze kans evenwel bepaald niet groot aangezien de werkwijze van de stichting ook toen al niet anders was dan in de hiervoor genoemde onderzochte jaren. De rechtbank gaat er daarom van uit dat verdachte op structurele basis feitelijk leiding heeft gegeven aan de jaarlijks oplichting van het CVZ door de stichting , waardoor jaarlijks ten onrechte AWBZ subsidies aan haar zijn verstrekt. Daarmee heeft verdachte, als feitelijk leidinggever aan deze verboden gedragingen, jaren achtereen oneigenlijk beschikt over onterecht opgestreken gemeenschapsgelden.

De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte mee dat verdachte inmiddels de leeftijd van 75 jaren heeft bereikt. Door deze strafzaak en mediaandacht is zij op stel en sprong en zonder haar daarin tevoren te kennen haar functie binnen de stichting verloren, en daarmee een diepgaande vervulling van haar welke zij in de jaren daarvoor zo zorgvuldig had opgebouwd. Verder weegt de rechtbank in het bijzonder mee dat niet vast is komen te staan dat verdachte persoonlijk verrijkt is door haar handelen. De rechtbank gaat er in dit opzicht juist veeleer vanuit dat verdachte zich heeft laten leiden door haar eigen ideële motieven en haar persoonlijke gedrevenheid - wat daar verder ook van zij - om een ieder toegang te geven tot een voor hen betaalbare abortusbehandeling, ook hen die daarop volgens de wet in het geheel geen aanspraak konden maken. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het feit dat anderen, waaronder zowel de interne als externe accountant, evenals de bestuurders van de stichting, hun controlerende en beherende taken verregaand en jarenlang op grove wijze hebben verzaakt, op grond waarvan de verdachte bij het uitblijven van iedere wezenlijke interne en externe controle jarenlang achtereen heeft kunnen doorgaan met haar handelen, waarbij niemand haar een strobreed in de weg heeft gestaan.

De rechtbank heeft kennis genomen van een op naam van verdachte staand uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 24 januari 2013, waaruit blijkt dat zij niet eerder veroordeeld is.

Aangezien de rechtbank verdachte - anders dan de officier van justitie - voor de meeste substantiële feiten vrijspreekt en ook het wel bewezenverklaarde feiten om voornoemde redenen anders weegt, komt de rechtbank tot een aanzienlijk lagere straf dan door de officier van justitie is geëist. De na te noemen straf acht de rechtbank alles bijeen genomen passend.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen: 14a, 14b, 14c, 14d, 23, 24, 24c, 51, 57 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1., 2, 3. primair, en 4. tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder tenlastegelegde feiten 3. subsidiair heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

Ten aanzien van feit 3 subsidiair:

feitelijk leidinggeven aan oplichting, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een geldboete ter hoogte van € 25.000,-- (VIJFENTWINTIGDUIZEND EURO);

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot € 20.000,-- (TWINTIGDUIZEND EURO) niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen door hechtenis van 60 dagen;

bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde geldboete geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht, welke aftrek zal geschieden volgens een maatstaf van € 50,- per dag.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.S.I. van Delden, voorzitter,

mrs. M. van Seventer en B.T. Beuving, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B. Schaafsma, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 november 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 47.324, van de FIOD/Belastingdienst, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 3706).

2 Proces-verbaal van aangifte [aangever] van 12 mei 2010, p. 1078.

3 Proces-verbaal van terechtzitting van 17 en 18 oktober 2013.

4 Proces-verbaal van bevindingen van 15 december 2011, 1-AH-004, p. 2815.

5 Geschrift zijnde een brief van [verdachte] aan CVZ van 3 augustus 2009 met bijlagen, D-044, p. 1623 e.v.

6 D-43

7 Geschrift zijnde een aanvraag subsidievaststelling 2008 van 30 september 2009 met bijlagen, D-046 en D-047, p. 1709 e.v.

8 D-46

9 Proces-verbaal van ambtshandeling van 15 december 2011, 1-AH-004, p. 2827.

10 1-OPV p. 52

11 1-OPV p. 53

12 D-162

13 D-47 en D-048

14 Proces-verbaal van bevindingen van 20 maart 2012, 1-AH-011, p. 3040 e.v.

15 Proces-verbaal van bevindingen van 2 juli 2012, 1-AH-012, p. 3287.

16 Proces-verbaal van bevindingen van 2 juli 2012, 1-AH-013, p. 3479.

17 1-AH-22 en 1-AH-22b

18 1-AH-22

19 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], V02-06, p. 864.

20 Proces-verbaal van terechtzitting van 17 en 18 oktober 2013.

21 Een geschrift zijnde een brief van CVZ aan de FIOD van 17 november 2011, D-199, p. 2279.

22 Proces-verbaal van verhoor van [verdachte] van 7 december 2011, V02-01, p. 3.

23 Proces-verbaal ter terechtzitting 17 en 18 oktober 2013.

24 Proces-verbaal van bevindingen van 2 juli 2012, 1-AH-012, p. 3276.

25 Proces-verbaal van bevindingen van 2 juli 2012, 1-AH-012, p. 3276.

26 Proces-verbaal van bevindingen van 2 juli 2012, 1-AH-013, p. 3473.

27 Proces-verbaal van bevindingen van 2 juli 2012, 1-AH-012, bijlage 6, afbeeldingen 21 tot en met 24, p. 3303 tot en met 3308.

28 Proces-verbaal van bevindingen van 2 juli 2012, 1-AH-012, p. 3287.

29 Proces-verbaal van verhoor van deskundige [deskundige] bij de rechter-commissaris onderdeel 16 van 1 juli 2013.

30 Proces-verbaal ter terechtzitting van 17 en 18 oktober 2013.