Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:14533

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
31-10-2013
Zaaknummer
13/7600
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde asielaanvraag van Tamil uit Sri Lanka en daarbij een beroep doet op de veiligheidssituatie van terugkerende Tamils. De rechtbank overweegt dat WBV 2012/10 geen gewijzigd recht is, nu uit het ten tijde van het eerdere besluit geldende artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, van de Vw 2000 en de daarop gebaseerde rechtspraak, bijvoorbeeld het arrest van 17 juli 2008 in de zaak NA tegen Verenigd Koninkrijk, reeds volgde dat ten aanzien van een Tamil sprake kon zijn van een reëel risico op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM, waarbij de in voormeld arrest genoemde risicofactoren een leidraad vormden, en dat dit aanleiding kon geven voor vergunningverlening. Uit de toelichting op WBV 2012/10 is ook af te leiden dat verweerder met WBV 2012/10 niet heeft beoogd om nieuw beleid vast te stellen, maar om de bestaande beslispraktijk te verduidelijken. Ten aanzien van de veiligheidssituatie overweegt de rechtbank voorts dat, gelet op de Afdelingsuitspraak van 9 september 2013,

geen sprake is van nieuwe feiten die op voorhand afbreuk kunnen doen aan het eerdere besluit, komt de rechtbank aan het betoog van eiser dat de op hem van toepassing zijnde risicofactoren thans zwaarder dienen te wegen dan in de eerdere procedure, niet toe. De overige genoemde risicofactoren vormen evenmin nieuw gebleken feiten, waarbij ten aanzien van de gestelde risicofactor dat Nederland moet worden gezien als plek van fondsenwerving dat uit hetgeen is aangevoerd onvoldoende is af te leiden dat wat volgens WBV 2012/10 voor Londen, dat gezien wordt als een stad van fondsenwerving voor de LTTE, heeft te gelden ook voor Nederland moet gelden. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team vreemdelingenkamer

Zittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 13/7600

Datum uitspraak: 15 oktober 2013

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[eiser],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

van Sri Lankaanse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. E. Derksen,

tegen

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder

(onder verweerder wordt tevens verstaan de rechtsvoorganger(s) van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie).

Het procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2013 heeft verweerder de aanvraag van eiser van

7 januari 2013 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen en hem een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar, gerekend vanaf de datum dat eiser Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

Op 19 maart 2013 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van

24 juni 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.A. Vonk. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

Op 28 juni 2013 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en het beroep ter verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

De voortgezette behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van
23 september 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.R. de Groot.

De beoordeling

Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

Eiser heeft eerder, op 15 maart 2002, een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag is (laatstelijk) bij besluit van 16 september 2002 afgewezen. Bij uitspraak van 15 oktober 2004 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Assen, het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is op 21 april 2005 door de Afdeling bevestigd.

Op 19 maart 2007 heeft eiser opnieuw een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 13 juni 2008 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het daartegen door eiser ingestelde beroep is bij uitspraak van 5 maart 2010 door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 juli 2010 heeft de Afdeling het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van 26 juli 2010 vernietigd, het beroep alsnog gegrond verklaard, het besluit van verweerder van 13 juni 2008 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven.

Op 15 april 2010 heeft eiser wederom een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 15 december 2010 afgewezen. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van

16 december 2011 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, ongegrond verklaard. De Afdeling heeft deze uitspraak op 25 juli 2012 bevestigd.

Het besluit van 20 februari 2013 is, met uitzondering van het in dit besluit opgelegde inreisverbod, van gelijke strekking als de besluiten van 16 september 2002, 13 juni 2008 en 15 december 2010, zodat op het tegen dat besluit ingestelde beroep het onder rechtsoverweging 1 weergegeven beoordelingskader van toepassing is.

Met betrekking tot de afwijzing van de asielaanvraag

Eiser heeft aan de onderhavige aanvraag ten grondslag gelegd dat het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: WBV) 2012/10, over de wijze waarop een beroep op artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) voor een Tamil bij terugkeer naar Sri Lanka dient te worden beoordeeld, voor hem een relevante wijziging van het recht oplevert. Daartoe heeft hij betoogd dat in WBV 2012/10 staat vermeld dat die beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van de in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 17 juli 2008, NA tegen het Verenigd Koninkrijk (nr. 25904/07; hierna: het arrest van 17 juli 2008) geformuleerde, en in vijf arresten van het EHRM van 20 januari 2011, waaronder het arrest N.S. tegen Denemarken (nr. 58359/08; hierna: het arrest van 20 januari 2011), bevestigde, risicofactoren. Dit is volgens eiser een wijziging ten opzichte van het eerdere WBV 2010/17, waarin die risicofactoren niet stonden vermeld. Voorts betoogt hij dat in het arrest van 17 juli 2008 de risicofactoren limitatief zijn bepaald, terwijl de in WBV 2012/10 opgenomen lijst van risicofactoren niet uitputtend is bedoeld. Ten slotte betoogt eiser dat met WBV 2012/10, anders dan voorheen, de risicofactoren ambtshalve door verweerder worden beoordeeld.

In WBV 2012/10 staat vermeld dat, indien er serieuze redenen zijn om aan te nemen dat de Sri Lankaanse autoriteiten dusdanige belangstelling hebben voor een Tamil dat deze bij terugkeer wordt gearresteerd of ondervraagd, sprake kan zijn van een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De beoordeling van de aannemelijkheid van dat risico dient (mede) op grond van de aanwezigheid van de door het EHRM geformuleerde risicofactoren te worden beoordeeld.

In de toelichting op WBV 2012/10 staat dat met het opnemen van de risicofactoren in het beleid is beoogd te verduidelijken dat volgens de bestaande praktijk de overwegingen van het EHRM worden betrokken bij de beoordeling of er sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM.

De rechtbank is van oordeel dat WBV 2012/10 niet kan worden aangemerkt als een wijziging van het recht. Daartoe wordt overwogen dat uit het ten tijde van het eerdere besluit geldende artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, van de Vw 2000 en de daarop gebaseerde rechtspraak, bijvoorbeeld het arrest van 17 juli 2008, reeds volgde dat ten aanzien van een Tamil sprake kon zijn van een reëel risico op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM, waarbij de in voormeld arrest genoemde risicofactoren een leidraad vormden, en dat dit aanleiding kon geven voor vergunningverlening. Uit de toelichting op WBV 2012/10 is ook af te leiden dat verweerder met WBV 2012/10 niet heeft beoogd om nieuw beleid vast te stellen, maar om de bestaande beslispraktijk te verduidelijken.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of in het kader van de beoordeling of eiser bij terugkeer een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling te wachten staat, nieuw gebleken feiten en omstandigheden zijn aangevoerd. In dit verband heeft eiser gewezen op de omstandigheid dat naar Sri Lanka terugkerende Tamils in toenemende mate problemen ondervinden van de autoriteiten en bij terugkeer het risico lopen aan een behandeling, als bedoeld in artikel 3 van het EVRM, te worden blootgesteld.

Eiser heeft ter onderbouwing van die gestelde verslechtering in de bestuurlijke fase de volgende stukken overgelegd dan wel daarnaar verwezen:

1.

Het rapport ‘Sri Lanka, Aktuelle Situation; Update’ van Schweizerische Flüchtlingshilfe (hierna: SFH) van 15 november 2012;

2.

Het artikel ‘Sri Lanka’s empty promises and denial of rights crisis exposed at UN’ van Amnesty International van 1 november 2012;

3.

Het rapport ‘Returnees at risk: detention and Torture in Sri Lanka’ van Tamils against genocide (hierna: TAG) van 16 september 2012;

4.

Het rapport ‘Sri Lankan Tamils tortured on return from the UK’ van Freedom from Torture (hierna: FT) van 13 september 2012;

5.

Het rapport ‘Sri Lanka, Aktuelle Situation’ van SFH van 1 december 2010;

6.

Het rapport ‘Sri Lanka: Situation für aus dem Norden und Osten stammenden Tamilinnen in Colombo und für Rückkehrerinnen nach Sri Lanka’ van 22 september 2011 van SFH;

7.

Het rapport ‘Security controls at the international airport and ports’ van het Immigration and Refugees Board of Canada (hierna: IRBC) van 28 januari 2010;

8.

Het rapport ‘Out of the Silence: New Evidence of Ongoing Torture in Sri Lanka 2009-2011’ van FT van 7 november 2011;

9.

Het rapport ‘An overview of the persecution faced by failed asylum seekers returning to Sri Lanka’ van TAG van mei 2012;

10.

Het algemeen ambtsbericht inzake Sri Lanka van de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: het ambtsbericht) van augustus 2009;

11.

Een persbericht van Human Rights Watch (hierna: HRW), getiteld ‘Opnieuw marteling terugkeerders’ van 29 mei 2012;

12.

De ‘Operational Guidance Note’ van het Britse UK Home Office van 13 april 2012;

13.

Het artikel ‘Sri Lanka, Rechter houdt deportatie Tamil tegen’ in The Independent van

1 juni 2012;

14.

Een brief met een bijlage van B. Adams, Azië-directeur van HRW, aan de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 7 augustus 2012;

15.

Het stuk ‘Responses to information request’ van het IRBC van 22 augustus 2011;

16.

Een brief van 3 december 2012 van verweerder aan deze rechtbank en nevenzittingsplaats in de zaak van twee Tamils, die na uitzetting naar Sri Lanka zouden zijn mishandeld.

In beroep heeft eiser nog gewezen op de volgende stukken:

17.

Een uitspraak van het Britse High Court of Justice van 28 februari 2013;

18.

De opinion van dr. Chris Smith van Research Associate Chatham House London;

19.

Het rapport van TAG van 13 maart 2013;

20.

Het ambtsbericht van juni 2013;

21.

De uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 26 april 2013 (LJN: CA3938);

22.

Het rapport ‘Sri Lanka: Treatment of Tamil returnees to Sri Lanka’ van het IRBC van 12 februari 2013;

23.

Een uitspraak van het Britse Upper Tribunal van 3 juli 2013;

24.

Een brief van de UK Border Agency aan Freedom from Torture van 6 februari 2013;

25.

Het rapport 'UNHCR Eligibility Guidelines for assessing the international protection needs of asylum-seekers from Sri Lanka' van de United Nations High Commissioner for Refugees van 21 december 2012;

26.

De Operational Guidance Note Sri Lanka van het Britse Home Office van juli 2013.

Bij uitspraak van de Afdeling van 9 september 2013 in zaak nr. 201209950/1 (ECLI:NL:RVS:2013:1155) heeft de Afdeling, samengevat weergegeven, overwogen dat uit de in die zaak overgelegde algemene stukken niet kan worden afgeleid dat de situatie in Sri Lanka ten opzichte van de situatie ten tijde van het eerdere besluit (van

10 december 2009) zodanig is verslechterd dat iedere Tamil, die een lange periode buiten Sri Lanka heeft verbleven en hier een asielaanvraag heeft ingediend, bij terugkeer reeds om die reden negatief in de belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten komt te staan, zodat op voorhand is uitgesloten dat de in die documenten vervatte informatie kan afdoen aan eerdere besluitvorming en daarom niet als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheden kan worden aangemerkt.

De door eiser ingeroepen, en hiervoor in rechtsoverweging 7 genoemde, stukken zijn deels dezelfde als die zijn betrokken bij voormelde uitspraak van 9 september 2013. De overige door eiser genoemde stukken, die niet in voormelde uitspraak zijn betrokken, waaronder het ambtsbericht van juni 2013, geven geen wezenlijk ander beeld over de veiligheidssituatie in Sri Lanka dan de wel bij die uitspraak betrokken stukken. In het ambtsbericht van juni 2013 is weliswaar te lezen dat er tijdens de verslagperiode meldingen waren van mishandelingen van repatrianten en dat de controles in het voormalig gebied van de Liberation Tigers of Tamil Eelam (hierna: de LTTE) zijn geïntensiveerd, maar daaruit blijkt ook dat in de verslagperiode geen sprake meer was van gevechten tussen strijdende partijen, geen bomaanslagen zijn gepleegd en de Sri Lankaanse autoriteiten de noodtoestand, die sinds 1971 vrijwel onafgebroken van kracht was, op 31 augustus 2011 hebben opgeheven. Het voorgaande brengt met zich dat de door eiser ingeroepen stukken, wat betreft de situatie van terugkerende Tamils in het algemeen, niet tot een ander dan het in voormelde uitspraak weergegeven oordeel nopen, zodat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Nu aldus WBV 2012/10 geen gewijzigd recht is en ten aanzien van de veiligheidssituatie van terugkerende Tamils geen sprake is van nieuwe feiten die op voorhand afbreuk kunnen doen aan het eerdere besluit, komt de rechtbank aan het betoog van eiser dat de op hem van toepassing zijnde risicofactoren thans zwaarder dienen te wegen dan in de eerdere procedure, niet toe.

Voor zover eiser heeft gewezen op de door hem in Sri Lanka ondervonden problemen en op grond daarvan stelt te vrezen voor de negatieve aandacht van de autoriteiten overweegt de rechtbank dat die gestelde problemen dateren van voor het eerdere besluit en in eerdere procedures door verweerder bij zijn besluitvorming zijn betrokken. Deze omstandigheden zijn dan ook geen nieuw gebleken feiten als hiervoor bedoeld.

12.

De door eiser naar voren gebrachte risicofactoren dat eiser Tamil is, afkomstig is uit Vanni, hij geen paspoort of identiteitskaart heeft, hij lang buiten Sri Lanka verblijft en hij geen familie meer heeft in Sri Lanka en familie heeft in Nederland zijn evenmin te kwalificeren als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, nu eiser deze factoren reeds in vorige asielprocedures naar voren heeft gebracht, dan wel naar voren had kunnen brengen.

13.

De verklaring van eiser dat hij aan een tweetal demonstraties in Den Haag heeft deelgenomen en hij wegens die deelname bij terugkeer problemen zal ondervinden, omdat de Sri Lankaanse autoriteiten foto’s en opnames hebben gemaakt, die volgens eiser te vinden zijn op websites, is evenmin een nieuw gebleken feit. Immers, blijkens de door eiser tijdens het gehoor van 9 januari 2013 afgelegde verklaringen heeft hij in 2009, en derhalve voorafgaand aan het besluit van 15 december 2010, aan deze demonstraties deelgenomen. Daarnaast heeft eiser de door hem genoemde foto’s en opnames niet overgelegd en zijn deze niet (zonder nadere toelichting) te vinden op de door eiser genoemde, en in het Tamil opgestelde, websites.

14.

Eiser heeft verder betoogd dat Nederland bekend staat als een land van fondsenwerving, in welk verband hij heeft verwezen naar het ambtsbericht van juni 2013, het rapport ‘Het verstrekken van subsidies en het verlenen van vergunningen aan LTTE gerelateerde organisaties’ van februari 2011 van het Korps landelijke politie diensten (hierna: KLPD) en diverse internetberichten over fondsenwerving voor de LTTE in Nederland.

15.

In het ambtsbericht van juni 2013 staat vermeld dat op grond van het onderzoek ‘Koninck’, waarop het rapport van het KLPD betrekking heeft, is gebleken dat in Nederland verscheidene, aan de LLTE gerelateerde organisaties en personen, actief waren en dat deze organisaties en personen onder andere fondsen hebben geworven voor de LTTE. Ook is gebleken dat in verscheidene gemeenten vergunningen en/of subsidies zijn verstrekt en activiteiten werden ontplooid ten voordele van organisaties die gelieerd zijn aan de LTTE. Tijdens het onderzoek zijn de onderzoekers tevens gestuit op een netwerk van Tamilscholen in Nederland dat onder invloed leek te staan van de LTTE, waarbij het gedachtegoed van de LTTE (een eigen staat door middel van de gewapende strijd) werd verheerlijkt. Ten slotte vermeldt het ambtsbericht van juni 2013 dat in Sri Lanka het naar aanleiding van dit onderzoek gewezen vonnis van de Nederlandse rechter door beide partijen als een overwinning werd gezien. Zo zag de Sri Lankaanse president het vonnis als een voorbeeld hoe met de LTTE dreiging vanuit het buitenland diende te worden omgegaan.

16.

De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande onvoldoende is af te leiden dat wat volgens WBV 2012/10 voor Londen, dat gezien wordt als een stad van fondsenwerving voor de LTTE, heeft te gelden ook voor Nederland moet gelden. Derhalve is ook in zoverre geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in evenbedoelde zin.

17.

Nu in hetgeen is aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen, zich evenmin een (relevante) wijziging van het recht voordoet en voorts hetgeen is aangevoerd geen grond biedt voor het oordeel dat het hier gaat om een geval als omschreven in rechtsoverweging 45 van het arrest van het EHRM, Bahaddar tegen Nederland, van 19 februari 1998, nr. 145/1996/764/965, JV 1998/45, is er voor toetsing van het besluit van 20 februari 2013, voor zover dat strekt tot weigering van de asielaanvraag, geen plaats.

Met betrekking tot het inreisverbod

18.

Eiser heeft ten aanzien van het hem opgelegde inreisverbod aangevoerd dat hij, in strijd met het bepaalde in artikel 4:8, eerste lid, en artikel 4:9 van de Awb, niet in de gelegenheid is gesteld om de individuele omstandigheden in een gehoor naar voren te brengen, die aanleiding kunnen geven van het opleggen van een inreisverbod af te zien, dan wel de duur ervan kunnen verkorten.

19.

Niet in geschil is dat eiser in staat is gesteld om bij wijze van zienswijze schriftelijk individuele omstandigheden aan te voeren. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat hij niet met gegevens of bescheiden heeft toegelicht waarom deze gelegenheid om individuele omstandigheden aan te voeren voor hem niet volstond en hij ook in persoon diende te worden gehoord, biedt de omstandigheid dat eiser niet in persoon is gehoord geen grond voor het oordeel dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2013 (LJN: BZ8733).

20.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Vogel, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en prof. mr. A.B. Terlouw, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Barzilay, griffier.

de griffier de voorzitter

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2013.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).