Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:14531

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-11-2013
Datum publicatie
04-11-2013
Zaaknummer
C/09/450997 / KG ZA 13-1075
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Inholland dient aan een studente haar getuigschrift uit te reiken.

De afstudeerscriptie van de studente was in juli 2009 al met een voldoende beoordeeld. Kort daarvoor had de studente haar laatste werkstuk ingeleverd, maar dit werkstuk is door Inholland pas eind 2011 (met een voldoende) beoordeeld. Inholland weigert ook daarna het getuigschrift aan de studente uit te reiken omdat uit onderzoeken in 2010 en 2011 door de onderwijsinspectie en de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie is gebleken dat een aanzienlijk deel van het afstudeerwerk van verschillende opleidingen, waaronder de opleiding MEM, niet van hbo-niveau is.

Een drietal uitspraken van het College van Beroep voor de Examens (het College), waarin het beroep van de studente telkenmale gegrond werd bevonden en de besluiten van Inholland werden vernietigd, hebben ook niet tot afgifte van het getuigschrift geleid, omdat Inholland zich op het standpunt stelde dat de rechter eerst moest oordelen. De voorzieningenrechter oordeelt in gelijke zin als het College. Een toetsuitslag kan worden herzien, maar een examinator is de bevoegde persoon daartoe en niet gebleken is dat van een herziening door een examinator sprake is geweest. Het standpunt van Inholland dat ook de examencommissie hiertoe bevoegd is, wordt niet gevolgd. De door de studente gevorderde schadevergoeding wordt slechts deels toegewezen en wel voor wat betreft de juridische kosten voor de bij het College gevoerde procedures. De studieschuld van de studente kan mogelijk nog worden omgezet in een gift en niet aannemelijk is geworden dat er sprake is van inkomensschade en immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2014/168 met annotatie van mr. J.C. de Wit
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/450997 / KG ZA 13-1075

Vonnis in kort geding van 4 november 2013

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. R.A. Kronenberg te Amsterdam,

tegen:

de stichting Stichting Hoger Onderwijs Nederland, tevens handelende onder de naam Hogeschool Inholland,

kantoorhoudende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. W.E. Pors te Den Haag.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 21 oktober 2013 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

Eiseres is in 2004 gestart met de opleiding Media en Entertainment Management (hierna: MEM) van gedaagde.

1.2.

Op 6 juli 2009 heeft eiseres de, afgezien van haar afstudeerscriptie, laatste opdracht voor de opleiding MEM (hierna: het werkstuk) ingeleverd.

1.3.

Op 9 juli 2009 heeft eiseres haar afstudeerscriptie verdedigd. Diezelfde dag is de afstudeerscriptie met een voldoende beoordeeld.

1.4.

Het werkstuk was op 9 juli 2009 nog niet beoordeeld. Eisers heeft hier aan het einde van het studiejaar 2008-2009 een aantal keer contact over opgenomen met gedaagde, maar het werkstuk is tot 19 december 2011 niet beoordeeld.

1.5.

In 2010 en 2011 is door de Inspectie van het Onderwijs (hierna: de onderwijsinspectie) en de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (hierna: de NVAO) onderzoek gedaan naar, kort gezegd, het niveau van verschillende opleidingen, waaronder de opleiding MEM. Door de onderwijsinspectie zijn zware tekortkomingen geconstateerd in de borging van het eindniveau en door de NVAO is vastgesteld dat een aanzienlijk deel van het afstudeerwerk niet van hbo-niveau is. In totaal heeft de NVAO-commissie 220 afstudeerwerken geanalyseerd. Bij 86 afgestudeerden werd het niveau als onvoldoende beoordeeld; 13 werkstukken waren naar het oordeel van de NVAO-commissie niet beoordeelbaar of – tegen de interne regels van de instelling in – niet beschikbaar. De onderwijsinspectie noemt onder meer de opleiding MEM zeer zwak (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010-2011, 31 288, nr. 167 p. 3).

1.6.

Gedaagde heeft aan voormelde 99 dan wel 86 studenten, met uitzondering van een student van wie is vastgesteld dat er plagiaat is gepleegd, aangeboden om op haar kosten een aanvullend programma te volgen, zodat alsnog een ‘HBO-waardig’ getuigschrift zou kunnen worden behaald. Geen van hen heeft daar gebruik van gemaakt. Deze studenten hebben hun diploma behouden.

1.7.

Het werkstuk van eiseres is op 19 december 2011 met een voldoende beoordeeld. Eiseres heeft diezelfde dag om uitreiking van haar getuigschrift verzocht.

1.8.

De (deel)examencommissie van de opleiding MEM van gedaagde heeft bij beschikking van 18 juli 2012 aan eiseres meegedeeld dat haar afstudeerscriptie niet aan de gestelde eisen voldoet en dat de examencommissie niet tot het tekenen van het diploma van eiseres zal overgaan.

1.9.

Eiseres heeft bij brief van 29 augustus 2012 bij het College van Beroep voor de Examens (hierna: het College) een beroepschrift ingediend tegen voormelde beschikking van 18 juli 2012. Het College heeft in een uitspraak van 20 september 2012 het beroep van eiseres gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de examencommissie een nieuw besluit dient te nemen, met inachtneming van zijn uitspraak. Het College heeft hiertoe, kort gezegd, overwogen dat de examencommissie niet bevoegd was om de beoordeling van de afstudeerscriptie te herzien. Daarnaast heeft hij vastgesteld dat de beoordeling van de afstudeeropdracht in 2009 heeft plaatsgevonden overeenkomstig de normen die in de Onderwijs- en Examenregeling Inholland 2008-2009 waren vastgesteld en dat de examencommissie geen feiten of omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan aannemelijk is dat de beoordeling volgens die normen achteraf bezien onjuist was, aan welk oordeel niet afdoet de omstandigheid dat de examencommissie in 2010 tot het nadere inzicht is gekomen dat de toetsnormen in de Onderwijs- en Examenregeling 2008-2009 achteraf bezien niet “HBO-waardig” zijn.

1.10.

Eiseres heeft na die uitspraak van 20 september 2012 aan gedaagde verzocht haar getuigschrift af te geven.

1.11.

Op 20 december 2012 heeft de examencommissie wederom beslist dat de afstudeerscriptie van eiseres niet aan de gestelde eisen voldoet en dat de examencommissie niet tot het tekenen van het diploma van eiseres zal overgaan.

1.12.

Eiseres heeft bij brief van 29 januari 2013 bij het College een beroepschrift ingediend tegen die beslissing van 20 december 2012. Het College heeft in een uitspraak van 11 maart 2013 het beroep van eiseres gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Het College heeft hiertoe overwogen dat hij geen aanleiding ziet om terug te komen van de uitspraak van 20 september 2012. Hij verwijst hiertoe naar artikel 30, lid 11, van de Onderwijs- en Examenregeling 2011-2012 (hierna: OER) en artikel 7.12, lid 2, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW).

Artikel 30, lid 11, OER luidt: “De examinator kan een definitieve uitslag herzien indien nadien blijkt dat er sprake is geweest van een onjuiste beoordeling, onregelmatigheden of fraude of als gevolg van een uitspraak van het College van beroep voor de examens. Binnen tien werkdagen na het herzieningsbesluit, ontvangt de student een dienovereenkomstig bewijsstuk.”

Artikel 7.12, lid 2, WHW luidt: “De examencommissie is het orgaan dat op objectieve en deskundige wijze vaststelt of een student voldoet aan de voorwaarden die de onderwijs- en examenregeling stelt ten aanzien van kennis, inzicht en vaardigheden die nodig zijn voor het verkrijgen van een graad.”

Het College overweegt dat ingevolge artikel 30, lid 2, OER de examinator, en niet de examencommissie, bevoegd is om in enkele in dat artikel genoemde gevallen een definitieve toetsuitslag te herzien. Het College verwerpt de stelling van de examencommissie dat artikel 7.12, lid 2, WHW haar niettemin naast de examinator de bevoegdheid geeft om in die maar ook in andere dan in artikel 30, lid 1, OER genoemde gevallen een definitieve toetsuitslag te herzien.

1.13.

Eiseres heeft na die uitspraak van het College van 11 maart 2013 gedaagde verzocht haar getuigschrift af te geven.

1.14.

Bij brief van 18 april 2013 heeft de examencommissie aan eiseres onder meer meegedeeld:

“(…) Het College van Beroep voor de Examens heeft voor de tweede maal de beslissing van de Examencommissie MEM inzake uw verzoek om uitreiking van een getuigschrift vernietigd. Daarbij zegt de uitspraak dat de oorspronkelijke beoordeling van uw scriptie niet mag worden herzien.

Van de scripties die in hetzelfde speciale traject als de uwe zijn gerealiseerd heeft de NVAO vastgesteld dat ze onvoldoende zijn. Dit werd landelijk nieuws. De Staatssecretaris heeft toen aan de Tweede Kamer gemeld dat getuigschriften die op basis van deze scripties zijn afgegeven zo mogelijk zouden worden ingetrokken.

Ook in uw geval is er uiteindelijk een review van uw scriptie gekomen, waarbij geconstateerd werd dat deze onvoldoende was. Daarmee is het oordeel dat u niet het voor de studie vereiste eindniveau hebt behaald.

Als de beoordeling van de scriptie zelf niet mag worden herzien en de cijfers in de boom blijven staan, neemt dat niet weg dat het onvoldoende niveau van de scriptie is vastgesteld.

In 2010 is de wet gewijzigd, waarbij de examencommissie een zwaardere rol heeft gekregen. De wet bepaalt nu expliciet dat de examencommissie het orgaan is dat op objectieve en deskundige wijze vaststelt of een student voldoet aan de voorwaarden die de onderwijs- en examenregeling stelt ten aanzien van kennis, inzicht en vaardigheden die nodig zijn voor het verkrijgen van een graad. De Examencommissie kan om die reden niet tot uitgifte van een getuigschrift overgaan zolang dat vereiste eindniveau niet behaald is. De Examencommissie blijft van mening dat het College van Beroep voor de Examens dit heeft miskend.

De opleiding heeft ontegenzeggelijk fouten gemaakt. Er is u een afstudeertraject aangeboden en er zijn verwachtingen gewekt, kortom u valt in dezen helemaal niets te verwijten. De Examencommissie heeft van het management van de opleiding nogmaals de verzekering gekregen dat u verstrekkende begeleiding op maat wordt aangeboden om uw afstudeerwerk alsnog op niveau te kunnen krijgen. Het is in het belang van de opleiding dat u een getuigschrift verwerft, maar dat moet wel gebaseerd zijn op het juiste eindniveau.

In dit geschil zou de Examencommissie MEM graag in beroep zijn gegaan en dit aan de rechter voorleggen maar kan dat niet. Nu de wet de Examencommissie zo nadrukkelijk de eindverantwoordelijkheid geeft en de Staatssecretaris expliciet aan de Tweede Kamer heeft verklaard dat geen getuigschriften mogen worden uitgegeven als het vereiste eindniveau niet behaald is, is het noodzakelijk dat de rechter zich uitlaat over de juiste interpretatie van deze nieuwe wetgeving.

Het College van Beroep voor de Examens is geen rechter en de Examencommissie kan helaas niet in beroep tegen de besluiten van dit college, omdat de WHW slechts voor de student de mogelijkheid van beroep op het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs opent. De Examencommissie kan daarom de zaak zelf niet aan de rechter voorleggen. Het is zeker niet de bedoeling u te dwarsbomen, de examencommissie acht echter het oordeel van de rechter nodig, en zij is zeer bereid mee te werken aan een eventueel door u aanhangig te maken procedure. (…)”

1.15.

Eiseres heeft bij brief van 20 mei 2013 bij het College een beroepschrift ingediend tegen die beslissing van 18 april 2013. Het College heeft in een uitspraak van 23 september 2013 het beroep van eiseres gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Hiertoe heeft het College onder meer het volgende overwogen:

“(…) Het College stelt vast dat verweerder bij het thans bestreden besluit geen juiste uitvoering heeft gegeven aan beide uitspraken. In beide uitspraken heeft het College immers overwogen dat er voor verweerder geen bevoegdheid was om de voor de afstudeerscriptie van studente gegeven beoordeling te herzien, terwijl verweerder bij het thans bestreden besluit wederom en op gelijke gronden deze beoordeling heeft herzien.

Verweerder heeft derhalve geen nieuw besluit genomen met inachtneming van hetgeen het College heeft overwogen in beide uitspraken.

In de motivering van het bestreden besluit ziet het College geen aanleiding om terug te komen op haar uitspraken.

Vast staat dat studente in het studiejaar 2008-2009 haar afstudeeronderzoek heeft afgerond met een voldoende en dat de beoordeling van dit afstudeeronderzoek tot stand is gekomen op basis van de OER 2008-2009. Op dat moment was het nog niet mogelijk voor studente om haar getuigschrift te ontvangen omdat er nog een onderwijseenheid open stond, althans nog niet was ingevoerd in de cijferadministratie. In januari 2012 is het resultaat van deze onderwijseenheid ingevoerd. Tussen partijen is niet in geschil en ook het College stelt vast, dat studente op dat moment alle tentamens die benodigd waren voor het afronden van haar studie met goed gevolg had afgelegd. Ingevolge artikel 7.10, tweede lid, van de WHW is daarmee het afsluitend examen van de opleiding afgelegd, nu verweerder niet (in de OER of anderszins) had bepaald dat het examen tevens een eigen onderzoek van verweerder omvatte naar kennis, het inzicht en de vaardigheden van studente, en wordt ingevolge artikel 7.11, tweede lid, van de WHW ten bewijze daarvan door de Examencommissie een getuigschrift uitgereikt.

Ingevolge artikel 30, elfde lid, van de OER is de examinator, en niet verweerder, bevoegd om in enkele in dat artikel genoemde gevallen een definitieve toetsuitslag te herzien. De stelling van verweerder dat artikel 7.12, tweede lid, van de WHW hem niettemin naast de examinator de bevoegdheid geeft om in die maar ook in andere dan in artikel 30, elfde lid van de OER genoemde gevallen een definitieve toetsuitslag te herzien, wordt verworpen, nu dit niet uit de tekst blijkt en evenmin uit de memorie van toelichting op dit artikel blijkt dat dit de bevoegdheidsverdeling was die de wetgever voor ogen had. Ook blijkt dit niet uit artikel 7.12b van de WHW, waarin de taken en bevoegdheden van de Examencommissie zijn vastgelegd. Het College verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 mei 2000, gepubliceerd in AB 2000, 365, waaruit het volgende wordt aangehaald:

“(…) Uit de in artikel 7.12 van de WHW neergelegde taak en bevoegdheidsverdeling tussen Examencommissie en examinatoren volgt, dat de Examencommissie niet bevoegd is tot het afnemen van examens noch tot het vaststellen van de uitslag daarvan. Deze bevoegdheid is voorbehouden aan de met toepassing van artikel 7.12, derde lid, eerste volzin van de WHW door de Examencommissie aangewezen examinatoren. Het dwingend karakter van artikel 7.12 van de WHW verzet zich ertegen, dat terzake door de onderwijsinstellingen afwijkende regelingen worden vastgesteld.

(…) Met de ondertekening van het stagebeoordelingsformulier door een daartoe bevoegd examinator is de uitslag van het tentamen vastgesteld. Nu tegen de beoordeling niet binnen de in artikel 7.61, derde lid, van de WHW gestelde termijn beroep is ingesteld, is deze in rechte onaantastbaar. (…)”

Tot het instrumentarium dat de wetgever aan de Examencommissie heeft toegekend ter uitvoering van de aan hem opgedragen toezichthoudende taak ten aanzien van de kwaliteit van het onderwijs behoort dus niet de bevoegdheid tot het herzien van definitieve tentamenuitslagen. Verweerder was dus onbevoegd tot het herzien van de definitieve uitslag van de afstudeerscriptie en de herziening bij het bestreden besluit is dus in strijd met de wet. Het bestreden besluit moet reeds daarom worden vernietigd. Verweerder zal op grond van het vorenstaande en het bepaalde in artikel 7.10, tweede lid, jo. artikel 7.11, tweede lid, van de WHW aan studente een getuigschrift moeten afgeven, nu niet in geschil is dat aan de overige vereisten voor het afgeven van dat getuigschrift, zoals het betalen van collegegeld, is voldaan door studente.”

1.16.

Gedaagde heeft tot op heden geen getuigschrift aan eiseres afgegeven.

2 Het geschil

2.1.

Eiseres vordert, zakelijk weergegeven:

Primair:

1. Gedaagde te gelasten binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis aan eiseres het getuigschrift uit te reiken waaruit blijkt dat eiseres voorafgaand aan het einde van het studiejaar 2008-2009 de opleiding MEM van gedaagde met goed gevolg heeft doorlopen en afgerond, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

2. gedaagde te veroordelen een voorschot wegens schadevergoeding van € 10.000,- aan eiseres te betalen;

Subsidiair:

Toewijzing van het primair gevorderde doch met als datum van het doorlopen en afgerond hebben van de opleiding: 19 december 2012;

Meer subsidiair:

Toewijzing van het primair gevorderde doch met als datum van het doorlopen en afgerond hebben van de opleiding: de datum van dit vonnis althans een door de voorzieningenrechter te bepalen datum;

met veroordeling van gedaagde in de kosten van deze procedure en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

2.2.

Daartoe voert eiseres onder meer het volgende aan. Gedaagde weigert tot op heden om aan eiseres het getuigschrift uit te reiken, waaruit de succesvolle afronding van haar studie blijkt. Hiervoor heeft gedaagde geen enkele gegronde reden. Eiseres heeft immers reeds in 2009 alle vakken van het curriculum met succes afgerond en op 9 juli 2009 een voldoende voor haar afstudeerscriptie behaald. Voorts heeft het College het beroep van eiseres tegen de weigeringen van gedaagde tot driemaal toe gegrond verklaard en de bestreden besluiten vernietigd. Eiseres benadrukt dat zij haar laatste werkstuk al had ingeleverd vóór de datum van afstuderen, maar dat het bijna tweeënhalf jaar heeft geduurd voordat gedaagde dit werkstuk – met een voldoende – heeft beoordeeld. Gedaagde heeft haar verplichting om binnen vijftien werkdagen een uitslag vast te stellen en deze binnen twintig werkdagen aan de student mee te delen ernstig geschonden. Eiseres zou het getuigschrift gelet op het vorenstaande reeds in 2009 ontvangen moeten hebben. Door dit tot op heden te weigeren, in strijd met het OER, met de wet en met de uitspraken van het College, handelt gedaagde onrechtmatig jegens eiseres. Vanwege dit onrechtmatig handelen is gedaagde tevens gehouden de door eiseres geleden en nog te lijden schade te vergoeden.

2.3.

Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

Uitreiken getuigschrift

3.1.

Ter beoordeling ligt voor of het handelen van gedaagde als onrechtmatig jegens eiseres heeft te gelden, zoals door eiseres is gesteld en door gedaagde is betwist.

3.2.

De voorzieningenrechter stelt in het kader van deze beoordeling voorop dat eiseres tegen de beslissing(en) van de examencommissie om haar geen getuigschrift uit te reiken, beroep kon instellen, en heeft ingesteld, bij het College. Dit is een onafhankelijk beroepsorgaan dat rechtsbescherming biedt aan studenten. De student kan in een dergelijke procedure vervolgens nog in hoger beroep gaan bij het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (CBHO). Dit is een gespecialiseerde rechterlijke instantie. Daartoe heeft eiseres echter geen aanleiding gezien. Voor gedaagde staat die weg van hoger beroep bij het CBHO niet open, nu zij geen betrokkene is in de zin van artikel 7.59a, lid 3, WHW. Partijen hebben deze weg van hoger beroep bij een onafhankelijke (administratieve) rechter dus niet bewandeld. Ook de burgerlijke rechter blijft echter bevoegd in geschillen die civielrechtelijk van aard zijn. Het had naar het oordeel van de voorzieningenrechter op de weg van gedaagde gelegen om na de eerste uitspraak van het College, indien zij zich daarmee niet kon verenigen, het initiatief te nemen een civielrechtelijke procedure te starten (bijvoorbeeld door een verklaring voor recht te vorderen) in plaats van enkel te blijven weigeren de uitspraken van het College na te komen. Thans ligt het geschil tussen partijen echter aan de voorzieningenrechter voor op vordering van eiseres.

3.3.

Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat gedaagde onrechtmatig handelt door aan eiseres geen getuigschrift af te geven en hij overweegt daartoe als volgt. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat de afstudeerscriptie van eiseres van onvoldoende niveau is en zij verwijst daartoe naar de uitkomsten van de onderzoeken van de onderwijsinspectie en de NVAO en naar uitspraken van de Minister en Staatssecretaris. De afstudeerscriptie van eiseres was voordien echter reeds met een voldoende beoordeeld. Een dergelijke uitslag kan worden herzien, maar daarvoor is op grond van de OER en de WHW een examinator de bevoegde persoon en gesteld noch gebleken is dat er op enig moment sprake is geweest van een dergelijke herziening van de uitslag door een examinator.

3.4.

Het standpunt van gedaagde dat naast de examinator ook de examencommissie tot een dergelijke herziening van een uitslag bevoegd is, waarbij zij verwijst naar de wijziging van de regelgeving op dit gebied en naar de andere – zwaardere – rol die de examencommissie dientengevolge heeft gekregen, wordt verworpen op dezelfde gronden als het College in zijn uitspraak van 23 september 2013 heeft vermeld. Uit de tekst van de huidige regelgeving noch uit de memorie van toelichting bij de wijziging van de WHW blijkt dat de wetgever voor ogen heeft gehad om de examencommissie naast de examinator de bevoegdheid te geven om in individuele gevallen een uitslag die een examinator heeft toegekend, te herzien. De examencommissie is het orgaan dat op objectieve en deskundige wijze moet vaststellen of een student voldoet aan de voorwaarden die het OER stelt ten aanzien van kennis, inzicht en vaardigheden die nodig zijn voor het verkrijgen van een graad en zij is onder meer belast met het borgen van de kwaliteit van examens. De bevoegdheid tot het afnemen van examens en het vaststellen van de uitslag daarvan is echter voorbehouden aan de door de examencommissie aangewezen examinatoren. Hieruit moet worden afgeleid dat tot het instrumentarium waarover de examencommissie beschikt ter uitvoering van haar taken niet de bevoegdheid behoort om definitieve tentamenuitslagen vast te stellen dan wel te herzien.

3.5.

Nu gedaagde niet heeft betwist dat eiseres aan de overige in het OER genoemde vereisten voor afgifte van een getuigschrift voldoet, leidt het vorenstaande ertoe dat moet worden geconcludeerd dat eiseres aan alle vereisten voor afgifte van een getuigschrift voldoet. De vordering om gedaagde te gelasten aan eiseres het getuigschrift uit te reiken, zal derhalve worden toegewezen. Nu gedaagde geen verweer heeft gevoerd tegen de door eiseres in de primaire vordering genoemde datum van afronding van haar studie, is ook dit onderdeel voor toewijzing vatbaar. Hierbij heeft de voorzieningenrechter ook acht geslagen op de omstandigheid dat, indien gedaagde de termijnen voor het vaststellen van de uitslag voor het werkstuk in acht had genomen, sprake zou zijn geweest van een afronding van de studie voor het einde van het studiejaar 2008-2009.

3.6.

Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, acht de voorzieningenrechter aangewezen. De op te leggen dwangsom zal echter worden gematigd en gemaximeerd. Voorts zal er worden bepaald dat de op te leggen dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan.

Voorschot op schadevergoeding

3.7.

Wat de vordering van eiseres tot betaling van een voorschot op schadevergoeding betreft, wordt vooropgesteld dat ten aanzien van een geldvordering in kort geding terughoudendheid is geboden. Niet alleen zal moeten worden onderzocht of het bestaan van die vordering voldoende aannemelijk is, maar tevens of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist.

3.8.

Eiseres heeft ter zitting haar schade nader gespecificeerd in (i) juridische kosten, gemaakt voor de drie bezwaarprocedures bij het College, van in totaal € 5.508,16, (ii) de opgebouwde studieschuld, waarover zij maandelijks rente moet betalen, per 30 september 2013 in totaal groot € 19.251,36 en (iii) schade wegens toekomstige inkomensderving en immateriële schade, niet nader begroot. De voorzieningenrechter overweegt dat ter zitting is gebleken dat de studieschuld van eiseres mogelijk nog omgezet kan worden in een gift en dat gedaagde heeft toegezegd eiseres te zullen ondersteunen bij haar pogingen om dit te bewerkstelligen. Dit bedrag komt derhalve thans niet voor toewijzing in aanmerking. Verder is in deze procedure niet aannemelijk geworden dat van inkomensderving sprake is en waaruit eventuele immateriële schade bestaat. Eiseres heeft ook niet toegelicht hoe groot die schade is. De juridische kosten heeft eiseres echter wel onderbouwd met facturen en gedaagde heeft tegen vergoeding van deze schade geen verweer gevoerd, zodat de vordering zal worden toegewezen voor een bedrag van € 5.508,16.

3.9.

Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, alsmede (deels voorwaardelijk) in de nakosten.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- gelast gedaagde aan eiseres binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis het getuigschrift uit te reiken waaruit blijkt dat zij vóór het einde van het studiejaar 2008-2009 de opleiding MEM van gedaagde met goed gevolg heeft doorlopen en afgerond, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat gedaagde in gebreke blijft hieraan te voldoen, met een maximum van € 25.000,-.

- bepaalt dat bovenstaande dwangsom vatbaar is voor matiging op de wijze zoals onder 3.6 is vermeld;

- veroordeelt gedaagde om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis een bedrag van € 5.508,16 aan eiseres te betalen;

- veroordeelt gedaagde om binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis de kosten van dit geding aan eiseres te betalen, tot dusverre aan de zijde van eiseres begroot op € 1.182,82,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 274,-- aan griffierecht en € 92,82 aan dagvaardingskosten;

- bepaalt dat gedaagde bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

- veroordeelt gedaagde tevens in de nakosten, forfaitair begroot op € 131,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 68,-- aan salaris en met de explootkosten gemaakt voor de betekening van dit vonnis indien tot betekening wordt overgegaan;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2013.

ts