Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:14466

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
30-10-2013
Zaaknummer
C/09/442386 / HA ZA 13-509
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Regeling topinkomens buiten werking voor directeuren woningcorporaties

De rechtbank Den Haag zet een streep door de ministeriële regeling voor inkomens van topfunctionarissen van woningcorporaties. De rechtbank kwam tot dit oordeel in een rechtszaak die tegen de Staat was aangespannen door onder meer de verenigingen van bestuurders en toezichthouders van woningcorporaties.

De regeling bevat een indeling van woningcorporaties in klassen en normbedragen voor inkomen per klasse. De rechtbank oordeelt dat de lagere wetgever het bestaande beloningsniveau en de zwaarte van de functie onvoldoende heeft meegewogen bij de vaststelling van de klasseindeling en de normbedragen in de regeling. De rechtbank acht dit in strijd met de zorgvuldigheid die een ministeriële regeling vereist. Het resultaat van deze keuzes van de lagere wetgever is dat zittende topfunctionarissen van woningcorporaties onevenredig worden getroffen, zo concludeert de rechtbank.

De rechtszaak tegen de Staat was aangespannen door onder meer de verenigingen van bestuurders en toezichthouders van woningcorporaties, die ook hadden betoogd dat de Wet Normering Topinkomens (WNT), waar de regeling op is gebaseerd, in strijd is met internationale verdragen. De rechtbank oordeelt dat de WNT de toets aan internationale verdragen doorstaat. Dat betekent dat wel mag worden ingegrepen in de inkomens van topfunctionarissen van woningcorporaties. De manier waarop de lagere wetgever dat in de regeling heeft gedaan kan echter niet door de beugel. De Staat moet derhalve opnieuw naar de tekentafel voor een nieuwe regeling voor topinkomens bij woningcorporaties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0856

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/442386 / HA ZA 13-509

Vonnis van 30 oktober 2013

in de zaak van

1. De vereniging met volledige rechtsbevoegdheid VERENIGING VAN TOEZICHTHOUDERS IN WONINGCORPORATIES,

gevestigd te Utrecht,
2. [eiser 1][eiser 1],

wonende te [woonplaats 1],

3. [eiser 2][eiser 2],
wonende te Dinteloord, gemeente [woonplaats 2],

4.[eiser 3][eiser 3],
wonende te Vianen,

5. [eiser 4][eiser 4],
wonende te [woonplaats 3], gemeente [woonplaats 3],

6. [eiser 5][eiser 5],
wonende te [woonplaats 4],

7. [eiser 6][eiser 6],
wonende te [woonplaats 5],

8. [eiser 7][eiser 7],
wonende te [woonplaats 6],

9. [eiser 8][eiser 8],
wonende te [woonplaats 7],

10. [eiser 9][eiser 9],
wonende te [woonplaats 8],

11. [eiser 10][eiser 10],
wonende te [woonplaats 9],

12. [eiser 11][eiser 11],
wonende te [woonplaats 10], gemeente [woonplaats 10],

13. [eiser 12][eiser 12],
wonende te [woonplaats 11], gemeente [woonplaats 11],

14.[eiser 13][eiser 13],
wonende te [woonplaats 12],

15. [eiser 14][eiser 14],
wonende te [woonplaats 13],

16. [eiser 15][eiser 15],
wonende te [woonplaats 14],

17.[eiser 16][eiser 16],
wonende te [woonplaats 15], gemeente [woonplaats 15],

18.[eiser 18][eiser 18],
wonende te [woonplaats 16],

19. De stichting STICHTING ARCADE MENSEN EN WONEN,
gevestigd te Westland,

20. De stichting STICHTING ELAN WONEN,
gevestigd te Haarlem,

21. De vereniging met volledige rechtsbevoegdheid FIDES WONEN,
gevestigd te Middelharnis, gemeente Goeree-Overflakkee,

22. De stichting STICHTING KLEURRIJK WONEN,
gevestigd te Geldermalsen,

23. De stichting STICHTING VOLKSBELANG VIANEN,
gevestigd te Vianen,

24. De stichting STICHTING STADLANDER,

gevestigd te Bergen op Zoom,

25. De stichting STICHTING WONEN LIMBURG,
gevestigd te Roermond,

26. De stichting STICHTING WOONOPMAAT,
gevestigd te Heemskerk,

27. De stichting STICHTING WOONSERVICE IJSSELLAND,

gevestigd te Doesburg,

28. De stichting STICHTING WOONWIJZE,
gevestigd te Vught,

29. De stichting STICHTING WOONSTICHTING KENNEMERLAND,
gevestigd te Alkmaar,

30. De stichting WOONSTICHTING MAASDRIEL,
gevestigd te Kerkdriel, gemeente Maasdriel,

31. De stichting WOONSTICHTING OPENBAAR BELANG,
gevestigd te Zwolle,

32. De stichting WONINGSTICHTING SINT ANTONIUS VAN PADUA,
gevestigd te Noordwijkerhout,

33. De stichting WONINGSTICHTING DEN HELDER,
gevestigd te Den Helder,

34. De stichting WOONGOED ZEEUWS-VLAANDEREN,
gevestigd te Terneuzen,

35. De stichting WOONSTICHTING DE ZES KERNEN,
gevestigd te Bernisse,

36. De vereniging met volledige rechtsbevoegdheid WONINGVERENIGING NEDERWEERT,
gevestigd te Nederweert,

37. De stichting WOONSTEDE,
gevestigd te Ede,

eisers,

advocaat mr. J.R. van Angeren te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES),

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. S. van Heukelom-Verhage te Den Haag.

Hierna zullen eisers als volgt worden genoemd: gezamenlijk VTW c.s., eiseres sub 1: VTW, eisers sub 2 tot en met 18: de Commissarissen en eisers sub 19 tot en met 36: de Woningcorporaties. Gedaagde zal de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met 26 april 2013, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    het vonnis van 31 juli 2013, waarbij een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 13 september 2013 met de daarin genoemde stukken.

1.2.

De brief van mr. Van Angeren van 11 oktober 2013 met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal. De rechtbank leest het proces-verbaal met inachtneming van de gemaakte opmerkingen.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Feiten en wettelijk kader

Partijen

2.1. VTW is een landelijke organisatie die de belangen van commissarissen (interne toezichthouders) van woningcorporaties en het algemeen belang van de woningcorporatiesector behartigt. De vereniging heeft onder meer ten doel het in de rol van beroepsvereniging toerusten en verder professionaliseren van haar leden, interne toezichthouders van woningcorporaties, alsmede het in de rol van belangenbehartiger uitdragen van de wezenlijke betekenis van het intern toezicht voor het waarborgen van het maatschappelijk en doelmatig functioneren van woningcorporaties en daarvan afgeleid de maatschappelijke waardering voor woningcorporaties. De VTW draagt onder meer bij aan de totstandkoming van nationaal beleid met betrekking tot de woningcorporatiesector.

2.2.

De Commissarissen zijn statutair bestuurders van de volgende stichtingen en verenigingen: [eiser 1] van de Stichting WOONopMAAT, [eiser 2] van de Stichting Stadlander, [eiser 3] van de Stichting Volksbelang Vianen, h.o.d.n. LEKSTEDEwonen, [eiser 4] van de Woningstichting Den Helder, [eiser 5] van de Stichting Woonservice IIsselland, [eiser 6] van de Stichting Wonen Limburg, [eiser 7] van de Stichting Arcades wonen en mensen, [eiser 8] van de Vereniging Fides Wonen, Geert van de Woningvereniging Nederweert, [eiser 10] van de Stichting Sint Antonius van Padua, [eiser 11]
van de Stichting Woonservice IJsselland, [eiser 12] van de Woonstichting De Zes Kernen, Van Luijk van de Woonstichting Den Helder, [eiser 14] van de Stichting Elan Wonen,[eiser 15] van de Stichting Noordwijkse Woningstichting, [eiser 16] van de Woningstichting Openbaar belang en [eiser 17] van de Stichting WoonopMaat.

2.3.

De Woningcorporaties zijn toegelaten instellingen krachtens artikel 70 Woningwet (Ww). In artikel 70 lid 1 Ww is bepaald:

“Verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid en stichtingen, die zich ten doel stellen uitsluitend op het gebied van de volkshuisvesting werkzaam te zijn en niet beogen uitkeringen te doen anders dan in het belang van de volkshuisvesting, kunnen bij koninklijk besluit worden toegelaten als instellingen, uitsluitend in het belang van de volkshuisvesting werkzaam.”

Hierna worden de krachtens artikel 70 Ww toegelaten instellingen ook, in spreektaal, woningcorporaties genoemd.

Het stelsel van de Ww

2.4. Blijkens artikel 70c Ww huisvesten woningcorporaties bij voorrang personen die door hun inkomen of door andere omstandigheden moeilijkheden ondervinden bij het vinden van hun passende huisvesting. Bij het in gebruik geven van door hen beheerde woningen met een verhoudingsgewijs lage huurprijs geven zij zo veel mogelijk voorrang aan woningzoekenden die, gelet op hun inkomen, in het bijzonder op die woningen zijn aangewezen.

2.5.

Woningcorporaties zijn blijkens artikel 11 van het Besluit beheer sociale-huursector (het Bbsh) uitsluitend werkzaam op het gebied van de huisvesting. Tevens dragen zij blijkens de artikelen 12a en 12b van het Bbsh bij aan de leefbaarheid in de buurten en wijken waar haar woongelegenheden gelegen zijn en aan het volgens redelijke wensen tot stand brengen van huisvesting voor ouderen, gehandicapten en personen die zorg of begeleiding behoeven. De werkzaamheden van woningcorporaties zijn in het Bbsh limitatief omschreven.

2.6.

Op grond van de artikelen 70d en 71a Ww vallen woningcorporaties onder het toezicht van de minister van Wonen en Rijksdienst en het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting (CFV). Zij zijn private ondernemingen die zich op de gewone kapitaalmarkt begeven. Het CFV, een zelfstandig bestuursorgaan, fungeert als financieel toezichthouder en als saneringsfonds. Als een woningcorporatie niet kan beschikken over de noodzakelijke financiële middelen, kan zij een beroep doen op de saneringssteun van het CFV. Tevens komen kosten van werkzaamheden van woningcorporaties in het belang van de volkshuisvesting in aanmerking voor subsidiëring in de vorm van projectsteun. Woningcorporaties betalen per kalenderjaar een financiële bijdrage aan het CFV.

2.7.

Het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) is een stichting, opgericht door de branchevereniging voor woningcorporaties (thans Aedes), waarin de woningcorporaties deelnemen. Het WSW stelt zich onder voorwaarden borg voor door de woningcorporaties aangegane leningen. De rechtsverhouding tussen het WSW en de woningcorporaties is geregeld in privaatrechtelijke overeenkomsten. De verplichtingen van het WSW worden door de Staat (als achtervang) gegarandeerd.



De Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens en het advies “Normeren en waarderen” van de Commissie Dijkstal

2.8. Op 1 maart 2006 is de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens in werking getreden (Wet van 9 februari 2006, houdende regels inzake de openbaarmaking van beloningen bij rechtspersonen of organisaties die deel uit maken van rechtspersonen die volledig of in aanzienlijke mate uit publieke middelen worden gefinancierd of die zijn aangewezen, voor zover deze beloningen het gemiddelde belastbare loon per jaar van ministers te boven gaan, Staatsblad 2006, 95, hierna: Wopt). Op grond van de Wopt werden organisaties in de publieke sector en privaatrechtelijke organisaties die uit publieke middelen worden bekostigd, verplicht in hun jaarrekening (het financieel verslagleggingsdocument) belastbare lonen te vermelden voor zover deze het gemiddelde belastbare salaris van een minister te boven gaan.

2.9.

In aanvulling op de openbaarmaking van topinkomens heeft de Tweede Kamer in 2005 een motie aangenomen waarin het kabinet wordt opgeroepen om voorstellen te doen voor een normering van de salarisniveaus in de semipublieke sector.

Zie Kamerstukken II 2005/2006, 30 300, nr. 53 en vgl. Kamerstukken II 2010/1011,
32 600, nr. 3.

2.10.

Hierop heeft de zogenoemde Adviescommissie Rechtspositie Politieke Ambtsdragers (de Commissie Dijkstal) in 2007 aan het kabinet het advies “Normeren en waarderen” over de normering van topinkomens in de semipublieke sector uitgebracht. Volgens de Commissie Dijkstal zijn voor de afbakening van de semipublieke sector criteria nodig. De Commissie noemt als indicerende criteria de status van ‘rechtspersoon met een wettelijke taak’(RWT), de mate waarin de organisatie inkomsten uit publieke middelen ontvangt en het publieke belang dat een organisatie vertegenwoordigt. Het bestaan van commerciële marktwerking acht zij een contra-indicerend criterium. De Commissie Dijkstal heeft voorts in haar advies verschillende normerende instrumenten onderscheiden die het kabinet volgens haar afzonderlijk of in combinatie kan inzetten om het gewenste beleidsdoel (de normering van topinkomens) binnen de semipublieke sector te verwezenlijken. Deze instrumenten zijn openbaarmaking, het voorschrijven van een beloningscode en het stellen van een salarismaximum. De Commissie Dijkstal heeft de volgende indelingsmatrix op woningcorporaties van toepassing geacht en deze als volgt toegelicht:



RWT

Bekostiging

Publiek belang

Commerciële

concurrentie

Semipublieke

sector?

Geadviseerd

Regime

-/-

-/-

+/+

+/-

Ja

Beloningscode



Toelichting op de matrix

Woningcorporaties begeven zich op een vrije markt, de klant heeft in principe keuzevrijheid. Echter op het vermogen van de corporaties rust een vast omschreven bestemmingsplicht, waardoor het als maatschappelijk bestemd vermogen kan worden beschouwd. Zij verrichten maatschappelijke werkzaamheden in het belang van de volkshuisvesting. Daarom wordt gekozen voor de code.”
Zie het advies “Normeren en waarderen”, bijlage bij Kamerstukken II 2006/07, 28 479, nr. 32.

Zelfregulering

2.11. Woningcorporaties hebben zelf maatregelen getroffen ten aanzien van de bezoldiging van hun bestuurders en commissarissen. In 2004 zijn de Adviesregeling Arbeidsvoorwaarden statutair-directeur woningcorporaties (de Adviesregeling Izeboud) en de Adviesregeling voor de honorering van commissarissen van woningcorporaties (de Adviesregeling Commissarissen) in werking getreden, welke in 2006 zijn herzien. Op basis van het principe “pas toe of leg uit” behelzen deze regelingen criteria voor de vaststelling van de bezoldiging van de directeuren, respectievelijk commissarissen van woningcorporaties.

2.12.

In 2009 is de Adviesregeling Izeboud geëvalueerd. Mede naar aanleiding hiervan is de Beloningscode tot stand gekomen. De Beloningscode, een sectorbrede beloningscode voor bestuurders van woningcorporaties, is in werking getreden per 1 januari 2010. De Beloningscode werkt volgens het principe “pas toe”. De Beloningscode bevat een functiegroepindeling op basis waarvan een bezoldigingsmaximum voor de bestuurders is gesteld. De zwaarte van de functie van een bestuurder hangt samen met de zwaarte van de woningcorporatie. De zwaarte van de woningcorporatie wordt bepaald op basis van i) het aantal verhuureenheden, ii) de dynamiek van de vastgoedportefeuille en iii) de positie van de woningcorporatie in het krachtenveld, waarbij per criterium zogenoemde functiezwaarte-directiepunten (FZD-punten) worden toegekend. Op basis van het totaal aantal FZD-punten kunnen de woningcorporatie en de bestuurder worden ingedeeld in een functiegroep met bijbehorend bezoldigingsmaximum.

2.13.

De Beloningscode is in 2011 geëvalueerd. Blijkens de resultaten van deze (extern verrichte) evaluatie ontvangt 95% van de nieuwe bestuurders een totaal jaarinkomen conform de inschaling op grond van de Beloningscode en was bij 79% van de zittende bestuurders het salaris conform de Beloningscode.

2.14.

Tevens is door woningcorporaties een code voor de honorering van commissarissen in woningcorporaties ontworpen, die per 1 juli 2010 in werking is getreden. Ook deze werkt volgens het zogenoemde “pas toe”-principe. Volgens deze code is de maximum toegestane honorering gekoppeld aan de zwaarte van de woningcorporatie, te bepalen op basis van de Beloningscode.

2.15.

Per 1 juli 2011 is de Governancecode Woningcorporaties 2011 in werking getreden. Daarin is, onder meer, bepaald dat de raad van commissarissen het bezoldigingsbeleid voor het bestuur vaststelt en dat de bezoldiging van individuele bestuurders binnen het kader van het bezoldigingsbeleid wordt vastgesteld. Tevens is bepaald dat het bezoldigingsbeleid wordt vastgesteld met inachtneming van de Beloningscode en met inachtneming van de toepasselijke wet- en regelgeving.

2.16.

De vereniging van toezichthouders in woningcorporaties (VTW) heeft de betrokken minister bij brief van 1 november 2010 verzocht om de Beloningscode kracht van wet te geven en onderdeel te laten uitmaken van de WNT. In maart 2011 heeft VTW verzocht om de Governancecode algemeen verbindend te verklaren bij wet. Bij brief van 21 mei 2011 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties VTW bericht dat het voor woningcorporaties beoogde regime uit de WNT niet uitgaat van algemeen verbindendverklaring van een sectorregeling, maar van een ministeriële regeling.

De Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector

2.17.

Met de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (Wet van 15 november 2012, houdende regels inzake de normering van bezoldigingen van topfunctionarissen in de publieke en semipublieke sector, Stb. 2012, 583, hierna: WNT) wordt de bezoldiging van topfunctionarissen in de betreffende sectoren genormeerd een gemaximeerd. De WNT is bij koninklijk besluit van 15 november 2012 (Stb. 2012, 584) met ingang van 1 januari 2013 in werking getreden. De Wopt is op grond van de WNT ingetrokken.



2.18. De WNT kent drie bezoldigingsregimes in aflopende zwaarte: i) het bezoldigingsmaximum, ii) de sectorale bezoldigingsnorm en iii) de openbaarmakingsverplichting. De bepalingen van de WNT inzake het bezoldigingsmaximum en de openbaarmakingsverplichting zijn van toepassing op woningcorporaties.

In artikel 1.3 lid 1 sub d WNT is bepaald dat de paragrafen 2 (bezoldigingsmaximum) en 4 (openbaarmakingsverplichting) van toepassing zijn op de in bijlage 1 bij de WNT opgenomen rechtspersonen en instellingen. In bijlage 1 bij de WNT zijn de woningcorporaties opgenomen.

2.19.

De WNT verstaat, blijkens het hier toepasselijke artikel 1.1 lid 1 sub b achter 5 WNT, onder topfunctionarissen:

“de leden van de hoogste uitvoerende en toezichthoudende organen (…), alsmede de hoogste ondergeschikte of de leden van de groep hoogste ondergeschikten aan dat orgaan en degene of degenen belast met de dagelijkse leiding.”

2.20.

Artikel 2.1 lid 1 WNT behelst de verplichting voor partijen (kort gezegd,

degenen die de hoogte van de bezoldiging overeenkomen: de verantwoordelijke en de

topfunctionaris) om geen bezoldiging overeen te komen die meer bedraagt dan het

wettelijke maximum:


Partijen komen geen bezoldiging overeen die per kalenderjaar meer bedraagt dan de maximale bezoldiging, bedoeld in artikel 2.3.”

2.21.

Voor de leden, onderscheidenlijk voorzitter, van de hoogste toezichthoudende organen van woningcorporaties geldt in afwijking van deze bepaling de verplichting om geen bezoldiging overeen te komen die per kalenderjaar meer bedraagt dan 5%, onderscheidenlijk 7,5% van het wettelijke maximum, een en ander zoals bepaald in artikel 2.2 WNT:

“In afwijking van artikel 2.1 komen partijen met betrekking tot de leden, onderscheidenlijk voorzitters, van de hoogste toezichthoudende organen van een rechtspersoon of instelling als bedoeld in artikel 1.2, onderdelen f, g en h en artikel 1.3 geen bezoldiging overeen die per kalenderjaar meer bedraagt dan vijf, onderscheidenlijk 7,5 % van de voor de rechtspersoon of instelling op grond van artikel 2.3, artikel 2.6 of artikel 2.7 geldende maximale bezoldiging. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden uitzonderingen vastgesteld ten aanzien waarvan de vorige volzin buiten toepassing wordt gelaten.

2.22.

Tevens zijn op grond van artikel 2.10 WNT vergoedingen bij beëindiging van het

dienstverband gemaximeerd en mogen partijen in beginsel geen winstdelingen,

bonusbetalingen of andere vormen van variabele beloningen overeenkomen.

2.23.

In artikel 1.1 lid 1 sub 5 achter e WNT is het begrip bezoldiging

als volgt gedefinieerd:

“de som van de beloning, de sociale verzekeringspremies, de belastbare vaste en variabele vergoedingen en de beloningen betaalbaar op termijn”

en in artikel 1.1 lid 1 sub 5 achter f WNT is het begrip beloning als volgt

gedefinieerd:

“de som van de periodiek betaalde beloningen en de winstdelingen en bonusbetalingen, met uitzondering van de sociale verzekeringspremies en met uitzondering van de belastbare vaste en variabele onkostenvergoedingen”.

2.24.

Het begrip dienstverband is in artikel 1 lid 1 sub 5 achter d de WNT als volgt

gedefinieerd:

“aanstelling, arbeidsovereenkomst of andere titel op grond waarvan de topfunctionaris tegen betaling zijn opgedragen taken vervult.”

2.25.

Betalingen van een hoger bedrag dan hetgeen bij of krachtens de WNT is

toegestaan, zijn van rechtswege op grond van artikel 1.6 WNT onverschuldigd betaald.

Voor zover partijen een hogere bezoldiging of uitkering wegens beëindiging van het dienstverband zijn overeengekomen dan hetgeen bij of krachtens de WNT is toegestaan, bedraagt de bezoldiging, respectievelijk uitkering blijkens artikel 1.6 WNT van rechtswege het bedrag dat bij of krachtens de WNT is toegestaan. Betalingen van hogere bedragen dan wettelijk toegestaan, zijn van rechtswege onverschuldigd betaald.

2.26.

De maximum bezoldiging bedraagt per kalenderjaar € 187.340,-- aan beloning

(130% van de brutobeloning van een minister) plus het werkgeversdeel van de verplichte

sociale verzekeringen, een gemaximeerde onkostenvergoeding en een gemaximeerde

werkgeversbijdrage betaalbaar op termijn (pensioen), jaarlijks te indexeren, een en ander

zoals bepaald in artikel 2.3 WNT:

“1. De bezoldiging van een topfunctionaris bedraagt per kalenderjaar ten hoogste € 187 340 aan beloning, vermeerderd met

a. de sociale verzekeringspremies,

b. € 8069 wegens belastbare vaste en variabele onkostenvergoedingen en

c. € 33 190 wegens de voorzieningen ten behoeve van beloningen betaalbaar op termijn.

2. De bedragen, bedoeld in het eerste lid, worden jaarlijks bij ministeriële regeling gewijzigd. De wijziging wordt bekend gemaakt vóór 1 november voorafgaand aan het jaar waarop de wijziging betrekking heeft.

3. De wijzigingen, bedoeld in het tweede lid, worden als volgt berekend:

a. het bedrag, genoemd in de aanhef van het eerste lid, wordt aangepast met het percentage waarmee het salaris van het burgerlijk rijkspersoneel in de voorafgaande twaalf maanden is gewijzigd en wordt afgerond naar boven op hele euro’s.

b. het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt aangepast aan de hand van de consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het jaar, voorafgaand aan het jaar waarop de wijziging betrekking heeft, en wordt afgerond naar boven op hele euro’s.

c. het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt vastgesteld aan de hand van de door het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds op het moment van vaststellen van de in het tweede lid bedoelde ministeriële regeling bij de sector Rijk voor het werkgeversdeel van de premie gehanteerde premiepercentages en franchisebedragen toe te passen op het bedrag, genoemd in de aanhef van het eerste lid, zoals dat na toepassing van onderdeel a van dit lid komt te luiden en wordt afgerond naar boven op hele euro’s.”



2.27. De minister wie het aangaat (de betrokken minister, thans: de minister voor Wonen en Rijksdienst, voorheen de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) heeft de bevoegdheid om bij ministeriële regeling de verschillende rechtspersonen of organisaties binnen een aangewezen categorie in klassen in te delen. De klassenindeling geschiedt op grond van criteria die betrekking hebben op onder meer de omvang van de rechtspersonen en instellingen. De bedragen worden jaarlijks in november vastgesteld. Een en ander is bepaald in artikel 2.7 WNT, dat als volgt luidt:

1. Bij ministeriële regeling van Onze Minister wie het aangaat kunnen de verschillende
rechtspersonen of organisaties binnen een bij artikel 1.3, eerste lid, onderdeel d,, aangewezen categorie worden ingedeeld in klassen op grond van criteria die betrekking hebben op onder meer de omvang van de rechtspersonen of instellingen.

2. Onze Minister wie het aangaat kan, gehoord Onze Minister, voor de verschillende klassen een lager bedrag vaststellen dan de maximale bezoldiging, bedoeld in artikel 2.3 , of het bedrag, bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, Onze Minister wie het aangaat stelt de bedragen jaarlijks vast in de maand november voorafgaand aan het jaar waarop de bedragen betrekking hebben.

3. Onze Minister wie het aangaat kan ten aanzien van een rechtspersoon of instelling besluiten dat de toepassing van de criteria leidt tot indeling in een bepaalde klasse. Een rechtspersoon of instelling kan Onze Minister wie het aangaat verzoeken om in een andere klasse te worden ingedeeld. De ministeriële regeling bevat regels over de procedure. Van een besluit tot indeling in een andere klasse wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.”

2.28.

Verder is bepaald, kort gezegd, dat de betrokken rechtspersonen of instellingen of een samenwerkingsverband daarvan uiterlijk in de maand september voorafgaand aan het jaar waarop het bedrag betrekking heeft een voorstel voor dat bedrag kunnen doen. Bij de vaststelling van de bedragen dient de betrokken minister rekening te houden met een aantal factoren. Artikel 2.9 WNT luidt als volgt:

“1. De betrokken rechtspersonen of instellingen, bedoeld in artikel 1.2, onderdelen e tot en met h, artikel 1.3, onderdelen a, b en c, en de bijlagen bij artikel 1.3, eerste lid, onderdelen d en e, of een samenwerkingsverband van deze rechtspersonen of instellingen, kunnen uiterlijk in de maand september voorafgaand aan het jaar waarop het bedrag betrekking heeft, aan Onze Minister wie het aangaat een voorstel doen voor het bedrag, bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, of de bedragen, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid.

2. Bij de vaststelling van de bedragen, bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, of artikel 2.7, tweede lid, houdt Onze Minister wie het aangaat rekening met:

a. de bezoldiging voor vergelijkbare functies bij lichamen als bedoeld in artikel 1.2;

b. de bezoldiging in relevante andere sectoren van de arbeidsmarkt;

c. de verhouding met de bezoldiging van het overige personeel binnen de betreffende rechtspersonen of instellingen;

d. maatschappelijke opvattingen over de hoogte.”

2.29.

De WNT behelst overgangsrechtelijke bepalingen. Artikel 7.3 WNT luidt als

volgt:

“1. In afwijking van artikel 2.1 onderscheidenlijk artikel 3.1, is een voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet tussen partijen overeengekomen bezoldiging die meer bedraagt dan de maximale bezoldiging, bedoeld in artikel 2.3, onderscheidenlijk het bedrag, bedoeld in artikel 3.3, toegestaan voor ten hoogste vier jaar na inwerkingtreding van deze wet. De bezoldiging, bedoeld in de vorige volzin, wordt slechts verhoogd, indien deze verhoging en de wijze waarop deze wordt berekend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet tussen partijen zijn overeengekomen. De artikelen 5.4 tot en met 5.6 zijn van toepassing.

2. Indien door wijziging van de bijlage bij artikel 1.3, eerste lid, onderdeel d of e, of artikel 1.4, eerste lid, deze wet van toepassing wordt op de tussen partijen overeengekomen bezoldiging, is in afwijking van artikel 2.1 onderscheidenlijk artikel 3.1, een voorafgaand aan de inwerkingtreding van die wijziging tussen partijen overeengekomen bezoldiging die meer bedraagt dan de maximale bezoldiging, bedoeld in artikel 2.3, onderscheidenlijk het bedrag, bedoeld in artikel 3.3, toegestaan voor ten hoogste vier jaar na inwerkingtreding van de wijziging van de bijlage. De bezoldiging, bedoeld in de vorige volzin, wordt slechts verhoogd, indien deze verhoging en de wijze waarop deze wordt berekend voorafgaand aan de inwerkingtreding van die wijziging tussen partijen zijn overeengekomen. De artikelen 5.4 tot en met 5.6 zijn van toepassing.

3. Een bezoldiging voor de leden van de hoogste toezichthoudende organen van een rechtspersoon of instelling die afwijkt van artikel 2.2, onderscheidenlijk artikel 3.2, is toegestaan, indien de bezoldiging is overeengekomen voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, dan wel voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wijziging van de bijlage bij artikel 1.3, eerste lid, onderdeel d of e, of artikel 1.4, eerste lid, waardoor deze wet van toepassing is geworden op de betreffende rechtspersoon of instelling. De bezoldiging, bedoeld in de vorige volzin, wordt slechts verhoogd, indien deze verhoging en de wijze waarop deze wordt berekend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet tussen partijen zijn overeengekomen. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing. De artikelen 5.4 tot en met 5.6 zijn van toepassing.

4. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 2.6, eerste lid, artikel 2.7, tweede lid, artikel 2.8, artikel 3.4, tweede lid, of artikel 3.5, is een tussen partijen overeengekomen bezoldiging die meer bedraagt dan het van toepassing zijnde bedrag, toegestaan, indien de overeenkomst is gesloten voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, dan wel voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wijziging van de bijlage bij artikel 1.3, eerste lid, onderdeel d of e, of artikel 1.4, eerste lid, waardoor deze wet van toepassing is geworden op de betreffende rechtspersoon of instelling, voor ten hoogste vier jaar na inwerkingtreding van deze wet dan wel de wijziging van de bijlage. De bezoldiging, bedoeld in de vorige volzin, wordt slechts verhoogd, indien deze verhoging en de wijze waarop deze wordt berekend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, dan wel voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wijziging van de betreffende bijlage, tussen partijen zijn overeengekomen. De artikelen 5.4 tot en met 5.6 zijn van toepassing.

5. Indien een in een klasse als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of 3.4, eerste lid, ingedeelde rechtspersoon of instelling op enig moment op grond van ongewijzigde criteria is ingedeeld in een klasse waarvoor een lager bedrag is vastgesteld, heeft die indeling onmiddellijke werking, tenzij een tussen partijen overeengekomen bezoldiging meer bedraagt dan het voor de toepasselijke klasse geldende bedrag en deze bezoldiging is overeengekomen voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet dan wel voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wijziging van de bijlage bij artikel 1.3, eerste lid, onderdeel d of e, of artikel 1.4, eerste lid, waardoor deze wet van toepassing is geworden op de betreffende rechtspersoon of instelling. In dat geval is de overeengekomen bezoldiging toegestaan, voor ten hoogste vier jaar na inwerkingtreding van deze wet dan wel de wijziging van de bijlage. De bezoldiging, bedoeld in de vorige volzin, wordt slechts verhoogd, indien deze verhoging en de wijze waarop deze wordt berekend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, dan wel voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wijziging van de betreffende bijlage, tussen partijen zijn overeengekomen. De artikelen 5.4 tot en met 5.6 zijn van toepassing.

6. Een beding in afwijking van artikel 2.10, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 3.7, eerste lid, is toegestaan, indien het beding is overeengekomen voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, dan wel voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wijziging van de bijlage bij artikel 1.3, eerste lid, onderdeel d of e, of artikel 1.4, eerste lid, waardoor deze wet van toepassing is geworden op de betreffende rechtspersoon of instelling, voor ten hoogste vier jaar na inwerkingtreding van deze wet dan wel de wijziging van de bijlage.

7. In afwijking van artikel 2.11 of artikel 3.8 is een winstdeling of bonusbetaling die tussen partijen is overeengekomen voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, dan wel voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wijziging van de bijlage bij artikel 1.3, eerste lid, onderdeel d of e, of artikel 1.4, eerste lid, waardoor deze wet van toepassing is geworden op de betreffende rechtspersoon of instelling, toegestaan voor ten hoogste vier jaar na inwerkingtreding van deze wet.

8. Indien een in het eerste tot en met zesde lid bedoelde periode van vier jaar is verstreken, wordt de overeengekomen bezoldiging in een periode van drie jaar teruggebracht tot het voor de rechtspersoon of instelling geldende maximum. In het eerste jaar bedraagt de verlaging een vierde deel van het verschil tussen de bezoldiging die op grond van het eerste tot en met het vierde lid werd genoten en het geldende maximum. In het tweede jaar bedraagt de verlaging een derde deel van het verschil tussen de bezoldiging uit het eerste jaar en het geldende maximum. In het derde jaar bedraagt de verlaging een tweede deel van het verschil tussen de bezoldiging uit het tweede jaar en het geldende maximum. Een eventuele overeengekomen verhoging als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, blijft buiten toepassing.

9. Indien een dienstverband waarop dit artikel van toepassing is, wordt verlengd, blijft dit artikel na de verlenging buiten verdere toepassing.

10. Voor de toepassing van dit artikel blijft buiten beschouwing iedere wijziging in de bezoldiging of de duur van het dienstverband die wordt overeengekomen tussen het tijdstip van aanvaarding van deze wet door de Tweede Kamer van de Staten-Generaal en het tijdstip waarop deze wet in werking treedt.”

2.30.

Het overgangsrecht is gedurende het wetgevingsproces gewijzigd. Het in 2011 ingediende wetsvoorstel behelsde een overgangsregime op grond waarvan bezoldigingsafspraken die waren aangegaan voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet onbeperkt gerespecteerd werden. Bij derde nota van wijziging van het wetsvoorstel (Kamerstukken II 2011/2012, 32 600, nr. 15) is het overgangsrecht in duur beperkt en is een zogenoemde anti-anticipatiebepaling opgenomen. Aan alle leden van artikel 7.3 van het wetsvoorstel is toen toegevoegd dat het overgangsrecht eindigt vijf jaar na inwerkingtreding van de wet of vijf jaar na het van toepassing worden van de wet op de instelling. Voor de periode nadien is een rekenregel opgenomen voor de vermindering tot het geldende maximum in een periode van drie jaar (thans artikel 7.3 lid 8 WNT). Voorts is bepaald dat wijzigingen in het dienstverband of de bezoldiging tussen het moment dat de Tweede Kamer onderhavig voorstel van wet aanvaardt en het moment dat de wet van kracht wordt, voor de toepassing van artikel 7.3 buiten beschouwing blijven (thans artikel 7.3 lid 10 WNT). Vervolgens is naar aanleiding van een nader gewijzigd amendement van het kamerlid Heijnen de periode van vijf jaar beperkt tot vier jaar (Kamerstukken II 2011/2012, 32 600, nrs. 42 I tot en met VI en Handelingen II 2011/12, nr. 32, item 21). Bij tweede nota van wijziging van het wetsvoorstel is verder de bepaling in thans lid 9 van artikel 7.3 WNT ingevoegd (Kamerstukken II 2011/2012, 32 600, nr. 14).

Regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen toegelaten instellingen volkshuisvesting

2.31. Bij ministeriële regeling van 26 november 2012 (Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 26 november 2012, nr. 2012-0000684395, houdende vaststelling van de indeling van de toegelaten instellingen volkshuisvesting in klassen met daarbij toepasselijke bezoldigingsmaxima ten aanzien van topfunctionarissen, Stcrt. 2012, nr. 24918, hierna: de Regeling) heeft de minister voor Wonen en Rijksdienst woningcorporaties ingedeeld in klassen met daarbij toepasselijke bezoldigingsmaxima ten aanzien van hun topfunctionarissen. In artikel 2 van de Regeling is bepaald:

“1. De bezoldiging van een topfunctionaris van een toegelaten instelling bedraagt ten hoogste:

Aantal woongelegenheden

maximale bezoldiging (in euro)

tot en met 1000

60.000

van 1001 tot en met 2500

70.000

van 2501 tot en met 5000

85.000

van 5001 tot en met 10.000

105.000

van 10.001 tot en met 25.000

130.000

van 25.001 tot en met 50.000

165.000

van 50.001 tot en met 75.000

195.000

meer dan 75.000

bezoldigingsmaximum volgens art. 2.3 van de wet

2. Het aantal woongelegenheden, bedoeld in het eerste lid, is het aantal dat de toegelaten instelling op 31 december van het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarop de bezoldigingsmaxima, bedoeld in dat lid, van toepassing zijn in eigendom of in beheer had volgens de gegevens, bedoeld in bijlage II bij het Besluit beheer sociale-huursector.”

Informatiebrochure en brief 1 maart 2013

2.32. In verband met de inwerkingtreding van de WNT is onder verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de informatiebrochure “Wat betekent de WNT voor u” uitgebracht. Bij brief van 1 maart 2013 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties geantwoord op vragen van VTW mede naar aanleiding van deze brochure.

SEO-onderzoek
2.33. In opdracht van NVBW heeft het bureau SEO Economisch onderzoek onderzocht wat de gevolgen zijn van de per 1 januari 2013 van kracht zijnde bezoldigingsmaxima voor de bezoldigingen van (statutair-)bestuurders van woningcorporaties. Het SEO concludeert in haar rapport van april 2013 als volgt:

“1. Binnen de onderzoeksgroep heeft de Regeling voor 344 van de 346 bestuurders, ofwel 99,4 procent, een verlaging van de bezoldiging als gevolg. Hun bruto bezoldiging was in 2011 namelijk hoger dan het relevante bezoldigingsmaximum uit de Regeling; 29 bestuurders (8,4 procent) hadden in 2011 een hogere bruto bezoldiging dan het generieke bezoldigingsmaximum van € 228.599,--
2. De gemiddelde bruto bezoldiging van de onderzoeksgroep was in 2011
€ 168.408, de standaardafwijking bedroeg € 46.330,. De regeling heeft een verlaging van de bruto bezoldiging van gemiddeld € 68.324 tot gevolg. Dit is het gemiddelde verschil tussen de bruto bezoldiging in 2011 en het relevante bezoldigingsmaximum in de Regeling.
3. Het verschil tussen de bezoldigingen en de relevante bezoldigingsmaxima in de Regeling is weergegeven in Tabel 5. Hieruit komt naar voren dat bij kleinere woningcorporaties de verlaging van de bezoldiging om te komen tot het bezoldigingsmaximum van de relevante klasse veelal procentueel groter is dan bij de grotere woningcorporaties.”

3 Het geschil

3.1.

VTW c.s. vorderen  samengevat -

I. Primair:

i. Bijlage 1 bij artikel 1.3, eerste lid, onderdeel d. van de WNT onverbindend te verklaren, althans buiten werking te stellen, voor wat betreft de “krachtens artikel 70, eerste lid, van de Ww toegelaten rechtspersonen”, waardoor ook de Regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen toegelaten instellingen volkshuisvesting onverbindend is, althans geen werking meer heeft, ten aanzien van de krachtens artikel 70 Ww toegelaten instellingen;

II. Subsidiair:
ii. de Regeling onverbindend te verklaren, althans geen effect te doen

sorteren voor de krachtens artikel 70 Ww toegelaten instellingen én
iii. in het geval de Staat na de onverbindendverklaring opnieuw een

klassenindeling met behulp van een ministeriële regeling zal vaststellen op grond van artikel 2.6 e.v. WNT, de Staat te gebieden om met de VTW voorafgaand aan het vaststellen van een nieuwe regeling in bestuurlijk overleg te treden voor beantwoording van de vraag hoe de Staat een regeling dient op te stellen, welk bestuurlijk overleg dan plaatsvindt op basis van richtlijnen zoals toegelicht in het lichaam van de dagvaarding, althans op basis van door de rechtbank vast te stellen richtlijnen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- per dag tot een maximum van € 150.000,-- of ieder bedrag dat de rechtbank geraden acht voor elke dag dat de Staat niet voldoet aan de door de rechtbank vastgestelde richtlijnen tot de dag der voldoening aan de richtlijnen;

III. Meer subsidiair

ii. de Regeling onverbindend te verklaren, althans buiten werking te stellen, ten aanzien van de topfunctionarissen die bij de krachtens artikel 70 Ww toegelaten instellingen reeds vóór 1 januari 2013 in dienstverband waren dan wel anderszins aan de toegelaten instellingen verbonden waren en ten aanzien van topfunctionarissen die na 6 december 2011 in hun functie zijn herbenoemd;

IV. Nog meer subsidiair

iii. te verklaren voor recht dat de Regeling voor de topfunctionarissen die bij de krachtens artikel 70 Ww toegelaten instellingen in dienstverband zijn dan wel anderszins aan de toegelaten instelling zijn verbonden onevenredige gevolgen heeft;
en

iv. de Staat te gebieden om binnen vier weken na eindvonnis met de VTW in bestuurlijk overleg te treden voor beantwoording van de vraag hoe de Staat de Regeling zodanig dient te wijzigen, zodat geen sprake meer is van onevenredige gevolgen voor de topfunctionarissen die bij de krachtens artikel 70 Ww toegelaten instellingen in dienstverband dan wel anderszins aan de toegelaten instelling zijn verbonden. Dit bestuurlijk overleg vindt dan plaats op basis van de in het lichaam van deze dagvaarding beschreven richtlijnen dan wel op basis van eventueel door de rechtbank vast te stellen richtlijnen, waarbij in ieder geval geldt dat binnen tien weken na eindvonnis door de Staat een nieuwe Regeling is bekendgemaakt en met terugwerkende kracht tot 1 januari 2013 in werking is getreden, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom zoals hiervoor achter II, iii verwoord.

V. Uiterst subsidiair

v. een zodanig vonnis te wijzen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren,

vermeerderd met kosten.

3.2.

VTW c.s. leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat de Staat met de WNT en/of de Regeling in strijd handelt met artikel 63 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM (EP) en artikel 1 Twaalfde Protocol EVRM, artikel 26 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBR), artikel 43 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, verschillende algemene beginselen van behoorlijk bestuur, een en ander mede gezien de onevenredige gevolgen van deze wet- en regelgeving.

3.3.

Zij voeren daartoe - samengevat en zakelijk weergegeven - het volgende aan.

Artikel 1 EP
- De WNT is in strijd met het eigendomsrecht van artikel 1 EP. De bezoldiging en

bijkomende arbeidsrechten, alsmede de woningen en andere materiële zaken van topfunctionarissen in de woningcorporatiesector en de rechtspositie van de woningcorporaties worden door het eigendomsrecht van artikel 1 EP beschermd.

- Er is sprake van ontneming van het eigendoms(recht) van topfunctionarissen in de woningcorporatiesector.

- De inmenging in het eigendomsrecht van de topfunctionarissen is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel zoals dat wordt beschermd door het vereiste dat de inmenging “bij wet moet zijn voorzien”. De WNT is onvoldoende kenbaar. Het overgangsrecht is niet van toepassing op alle “bestaande gevallen”. Voor zover het wel van toepassing is, is de WNT nog steeds in strijd met het formele rechtszekerheidsbeginsel (duidelijkheidsbeginsel). De duur van het overgangsrecht is te kort om aan het vereiste “bij wet voorzien”te voldoen.

- De inmenging in het eigendomsrecht van topfunctionarissen in de woningcorporatiesector is willekeurig en doorstaat mede daardoor niet de ‘fair balance’-toets van artikel 1 EP.

- Ten aanzien van de groep “herbenoemers” voldoet de Staat met de WNT niet aan het ‘fair balance’-toets van artikel 1 EP.

Artikel 14 EVRM, artikel 26 IVBPR, artikel 1 Twaalfde Protocol EVRM: verbod op

discriminatie, recht op gelijke behandeling

- De WNT is in strijd met het gelijkheidsbeginsel zoals dat onder meer door voormelde bepalingen wordt beschermd. Ten onrechte worden topfunctionarissen van woningcorporaties door de Staat in de WNT anders behandeld dan topfunctionarissen van gelijksoortige bedrijven waarin de Staat een deelneming heeft.

- Ten onrechte worden topfunctionarissen in de woningcorporatiesector door de Staat in de WNT gelijk behandeld met zowel de publieke sector als met andere sectoren die door de Staat zijn aangeduid als semipublieke sector en die in het eerste regime van de WNT zijn geplaatst.

- Topfunctionarissen zijn ten onrechte in een strenger regime geplaatst dan de topfunctionarissen van de soortgelijke zorgverzekeraarsector, die in het tweede regime van de WNT zijn geplaatst.

- Bestaande gevallen in de woningcorporatiesector worden ten onrechte ten opzichte van elkaar door de Staat ongelijk behandeld.

- De geconstateerde schendingen van het formele en materiële gelijkheidsbeginsel kan de Staat niet rechtvaardigen.

Artikel 63 VWEU

- De WNT is in strijd met het vrij verkeer van kaiptaal van artikel 63 VWEU. Met de maatregel in de WNT tot normering en maximering van de bezoldiging van topfunctionarissen in de woningcorporatiesector beperkt de Staat het vrij verkeer van kapitaal

- Deze beperking van het recht op vrij verkeer van kapitaal is niet gerechtvaardigd nu de WNT niet gerechtvaardigd wordt door een dwingende reden van algemeen belang en is bovendien niet geschikt en noodzakelijk.

Regeling in strijd met artikel 2.7 en 2.9 WNT

- De klassenindeling in de Regeling op basis van woongelegenheden is onzorgvuldig en in strijd met artikel 2.7 WNT, nu in de woningcorporatiesector pleegt te worden uitgegaan van verhuureenheden, niet alle taken van woningcorporaties in acht zijn genomen, niet de overige in de wetsgeschiedenis genoemde criteria (mede) in acht zijn genomen en ten onrechte de suggestie is gewekt dat de criteria van de Beloningscode niet eenduidig te interpreteren zouden zijn.

- Ten onrechte is de woningcorporaties niet conform artikel 2.9 van de Regeling de

gelegenheid geboden een voorstel in te dienen. Voorts zijn bij de totstandkoming niet de criteria van artikel 2.9, tweede lid, WNT in acht genomen, althans is de Regeling niet deugdelijk gemotiveerd of toegelicht. Dit terwijl de gevolgen van de Regeling voor de woningcorporaties onevenredig zijn ten aanzien van de betreffende onderdelen. De Belonings- en Honoreringscode houden wel rekening met deze criteria.

Regeling in strijd met beginselen van behoorlijk bestuur

- De Regeling is in strijd met het verbod van willekeur en het

rechtszekerheidsbeginsel. Het gekozen criterium op basis waarvan een klassenindeling is gemaakt is arbitrair, de indeling in de verschillende klassen is arbitrair en de gekozen normbedragen per klasse zijn arbitrair. Bovendien was de regeling niet voorzienbaar, want veel strenger en onevenredig ten opzichte van de in de WNT vervatte norm en pas zeer laat bekendgemaakt. Daarnaast hebben VTW c.s. er gerechtvaardigd op kunnen en mogen vertrouwen dat de Beloningscode door de Staat algemeen verbindend zou worden verklaard.

- De Regeling is in strijd met het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel en in strijd met het beginsel van trouw aan het gegeven woord.

Arbeidsrechtelijke beginselen

- De WNT en de Regeling zijn in strijd met arbeidsrechtelijke beginselen van dwingende aard. De WNT en de Regeling gaan uit van begrippen die geen arbeidsrechtelijke achtergrond hebben, maar wel een grote arbeidsrechtelijke invloed hebben. Voorts miskennen de WNT en de Regeling dat de bezoldigingsafspraken in een arbeidsovereenkomst worden overeengekomen en bij (her)benoemingsbesluiten niet aan de orde zijn. Meer specifiek wordt geen rekening gehouden met kantonrechtersformules en andere berekeningsmethodes bij einde dienstverband.

De Beloningscode en de Honoreringscode

-Ter onderbouwing van hun standpunt betogen VTW c.s. ten slotte dat de

Beloningscode en Honoreringscode wel de rechtspositie van de bestuurders en

commissarissen in de woningcorporatiesector waarborgen en dat deze codes wel rekening houden met de aan de woningcorporatiesector opgelegde taken.

3.4.

De Staat voert gemotiveerd verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Inleidende opmerkingen

4.1. VTW c.s. leggen aan hun vorderingen ten grondslag onrechtmatig handelen van de Staat, bestaande uit het uitvaardigen van onrechtmatige wetgeving, namelijk de WNT en de Regeling. Daarmee is de bevoegdheid van deze rechtbank gegeven. VTW c.s. kunnen voorts in hun vorderingen worden ontvangen, nu de Staat de ontvankelijkheid van geen der partijen heeft betwist.

4.2.

De rechtbank zal de WNT en de Regeling toetsen aan de door VTW c.s. gestelde normschendingen. Daarbij verdient vooraf opmerking dat de WNT als wet in formele zin gelet op het bepaalde in artikel 120 Gw in samenhang bezien met artikel 94 Gw slechts kan en moet worden getoetst aan rechtstreeks werkende bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties. De toetsing van de Regeling strekt zich uit tot de verenigbaarheid van de Regeling met hogere wettelijke regelingen en omvat mede (gelet op het bepaalde in artikel 11 Algemene Bepalingen met terughoudendheid) een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Voor zover VTW c.s. stellen dat de WNT en/of de Regeling strijdig zijn met bepalingen in de WNT zelf, althans met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het verbod van willekeur en het evenredigheidsbeginsel, gaat de rechtbank ervan uit dat deze stellingen uitsluitend betrekking hebben op de Regeling. Voor zover dit uitgangspunt onjuist zou zijn, stuiten deze stellingen, voor zover zij betrekking hebben op de WNT, af op voormeld toetsingskader.

4.3.

Verder merkt de rechtbank op dat interne toezichthouders, zijnde de leden van VTW, de Commissarissen en de interne toezichthouders van de Woningcorporaties, topfunctionarissen in de zin van de WNT zijn. Blijkens artikel 2.2 van de WNT bedraagt de toegestane maximale bezoldiging van interne toezichthouders, in afwijking van artikel 2.3 WNT, een percentage van de op grond van die bepaling toegestane maximale bezoldiging van (overige) topfunctionarissen. Gelet hierop geldt al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist ten aanzien topfunctionarissen mede voor interne toezichthouders en daarmee voor VTW c.s.

Toetsing WNT

Schending artikel 1 EP?

Beschermingsbereik

4.4.

De eerste vraag die dient te worden beantwoord bij de beoordeling of in het geval van de WNT sprake is van een onrechtmatige inbreuk op het in artikel 1 EP beschermde recht op het ongestoord genot van zijn eigendom is of sprake is van de aantasting van ‘eigendom’ in de zin van artikel 1 EP. Als ‘eigendom’ in de zin van artikel 1 EP worden beschouwd rechten en belangen die een vermogenswaarde vertegenwoordigen. De ruime bescherming die aldus aan artikel 1 EP kan worden ontleend, wordt beperkt door de voorwaarde dat het eigendomsrecht in voldoende mate moet vaststaan. Het moet gaan om ‘assets, including claims, in respect of which the applicant can argue that he has at least a “legitimate expectation” of obtaining effective enjoyment of a property right’ (zie EHRM 12 juli 2011, appl. No. 42527/98 (Hans-Adam II van Liechtenstein/Duitsland). Ook toekomstige ‘eigendom’ valt daarmee onder de bescherming van artikel 1 EP, indien en voor zover deze in bedoelde zin met voldoende zekerheid vaststaat. De enkele hoop of verwachting van toekomstig inkomen is dus niet voldoende.

4.5.

Partijen brengen in dit verband onderscheid aan tussen de rechtspositie van zittende bestuurders van woningcorporaties, toekomstige bestuurders van woningcorporaties en van woningcorporaties zelf. Volgens NVBW c.s. strekt de bescherming van artikel 1 EP zich uit tot alle drie genoemde categorieën. Verder stellen zij dat de bescherming van artikel 1 EP zich uitstrekt tot de bezoldiging, de arbeidsrechten en de investeringen die de topfunctionarissen met behulp van hun bezoldiging hebben gedaan en welke ze thans met de inwerkingtreding van de WNT niet kunnen terugverdienen. De Staat verweert zich met de stelling, kort gezegd, dat alleen in het geval van zittende bestuurders die voor onbepaalde tijd zijn benoemd, sprake is een inmenging in een eigendomsrecht in de zin van artikel 1 EP.

4.6.

De rechtbank verwerpt het betoog van NVBW c.s. dat de rechtspositie van woningcorporaties door artikel 1 EP wordt beschermd, omdat topfunctionarissen voor hen een bepaalde kwaliteit en daarmee vermogenswaarde vertegenwoordigen. Niet is met feiten gestaafd dat topfunctionarissen als gevolg van de WNT hun functie zullen neerleggen en nieuwe vacatures niet of zeer lastig kunnen worden vervuld.

4.7.

De rechtbank stelt vast dat de WNT ingrijpt in de rechten van topfunctionarissen op bezoldiging als tegenprestatie voor de uitvoering van hen opgedragen taken. Daarbij doet, blijkens de definitie van het begrip dienstverband in de WNT (artikel 1 lid 1 sub 5), niet ter zake op grond van welke titel de topfunctionaris de hem opgedragen taken vervult (arbeidsovereenkomst, aanstelling of enige andere titel) en hij die bezoldiging ontvangt. Bepalend voor het toepassingsbereik van de WNT is of sprake is van een dienstverband in de zin van (artikel 1 lid 1 sub 5 van) de WNT en een (daaruit voortvloeiende) overeengekomen bezoldiging. Voor zover sprake is van een titel voorafgaand aan de inwerkingtreding van de WNT, derhalve voor 1 januari 2013, moet er naar het oordeel van de rechtbank van worden uitgegaan dat een topfunctionaris voor de duur van de looptijd van die titel (of: zolang die titel geldt), aan die titel de gerechtvaardigde verwachting heeft kunnen ontlenen dat hij de (toekomstige) bezoldiging als tegenprestatie voor de vervulling van zijn taken zou ontvangen.

4.8.

Voor zittende bestuurders (topfunctionarissen waarbij voorafgaand aan 1 januari 2013 sprake is van een dienstverband en een overeengekomen bezoldiging in de zin van de WNT) vormt de (toekomstige) bezoldiging naar het oordeel van de rechtbank dan ook een met voldoende zekerheid vaststaand eigendomsrecht dat beschermd wordt door artikel 1 EP. Deze bescherming is derhalve niet beperkt tot slechts die zittende bestuurders waarbij sprake is van een dienstverband in de zin van de WNT (waaronder de arbeidsovereenkomst) voor onbepaalde tijd, maar strekt zich ook uit tot de bestuurders die op 1 januari 2013 bezoldigd werden op grond van een dienstverband in de zin van de WNT voor bepaalde tijd. Anders dan NVBW c.s. hebben betoogd, vallen de investeringen die deze bestuurders hebben gedaan (of beogen te doen) met de bezoldiging die zij krachtens de betreffende titel hebben ontvangen, naar het oordeel van de rechtbank niet onder de bescherming van artikel 1 EP, nu dit geen rechten of belangen met een vermogenswaarde zijn die met voldoende zekerheid aan die titel kunnen worden ontleend.

4.9.

Voor toekomstige bestuurders (topfunctionarissen waarbij eerst op of na 1 januari 2013 sprake is van een dienstverband en bezoldiging in de zin van de WNT) moet ervan worden uitgegaan dat geen sprake is van een gerechtvaardigde verwachting op het genot van een eigendomsrecht in de zin van artikel 1 EP. Van een titel met een daaruit voortvloeiend recht op bezoldiging was op dat moment nog geen sprake en daarmee naar het oordeel van de rechtbank geen met voldoende zekerheid vaststaand eigendomsrecht.

4.10.

Geconcludeerd moet derhalve worden dat uitsluitend de (toekomstige) bezoldiging van zittende bestuurders (topfunctionarissen waarbij voorafgaand aan 1 januari 2013 sprake is van een dienstverband en een overeengekomen bezoldiging in de zin van de WNT) valt onder het beschermingsbereik van artikel 1 EP.


Inmenging

4.11.

Nu de WNT de normering (waaronder de maximering) van de bezoldiging van topfunctionarissen betreft en geen sprake is van een situatie waarin topfunctionarissen het genot van hun eigendomsrecht in de zin van artikel 1 EP definitief en volledig wordt ontnomen, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van de regulering van eigendom, althans van een inbreuk op het ongestoord genot van dit eigendomsrecht. De stelling van NVBW c.s. dat de WNT ontneming van eigendom in de zin van artikel 1 EP inhoudt omdat zij, kort gezegd, niet langer aanspraak kunnen maken op het bedrag dat zij voorheen verdienden, faalt.

Gerechtvaardigde inmenging?

4.12.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de inmenging, c.q. inbreuk gerechtvaardigd is aan de hand van de zogenoemde 'lawfulness'-toets (is de inbreuk rechtmatig, dat wil zeggen bij wet voorzien?), de 'general-interest'-toets (heeft de inbreuk een legitieme doelstelling in het algemeen belang?) en de 'fair-balance'-toets (bestaat een redelijk evenwicht tussen de eisen van het algemeen belang van de samenleving en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu?). Daarbij verdient opmerking dat volgens vaste jurisprudentie van het EHRM aan lidstaten een 'wide margin of appreciation' toekomt om in het algemeen belang beperkingen te stellen aan eigendomsrechten.

‘Lawfulness’-toets

4.13.

De rechtbank stelt voorop dat de 'lawfulness'-toets inhoudt dat de inbreuk een basis moet hebben in het nationale recht en bovendien dat de wet op grond waarvan inbreuk wordt gemaakt toegankelijk, precies en voorzienbaar is (EHRM 5 januari 2000, appl. no 33202/96 (Beyeler/Italië). NVBW c.s. stellen dat de WNT de betreffende toets niet kan doorstaan. Anders dan NVBW c.s. stellen, leidt noch de omstandigheid dat het wetsvoorstel wat betreft het overgangsrecht in een relatief laat stadium is geamendeerd, noch de omstandigheid dat de WNT iets meer dan een maand na publicatie in het Staatsblad in werking is getreden, tot de conclusie dat de inhoud ervan voor NVBW c.s. onvoldoende bekend of voorzienbaar is geweest. Wijzigingen in een wetsvoorstel totdat een voorstel is aanvaard, zijn inherent aan het wetgevingsproces. Deze doen op zichzelf geen afbreuk aan de (‘lawfulness’ van de) wet zoals deze uiteindelijk tot stand is gekomen. Verder hebben NVBW c.s. reeds vanaf 6 december 2011 (de datum van aanvaarding van het wetsvoorstel door de Tweede Kamer) rekening kunnen houden met het overgangsrecht zoals dat met ingang van 1 januari 2013 is komen te gelden. Dat na aanvaarding van het wetsvoorstel door de Tweede Kamer ook in de Eerste Kamer is gediscussieerd over de overgangsrechtelijke bepalingen in de WNT en bij koninklijk besluit van 13 november 2012 is bepaald dat de WNT met ingang van 1 januari 2013 in werking treedt, maakt dit niet anders.

4.14.

Voorts hebben NVBW c.s. naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate uit de WNT kunnen afleiden welk gedrag van hen zou worden verlangd. In dit verband merkt de rechtbank op dat het voorzienbaarheidsvereiste in artikel 1 EP tot doel heeft te beschermen tegen een willekeurige inmenging van de Staat in de eigendom (zie onder meer EHRM 14 mei 2013, appl. no 66529/11, NMK/Hongarije en EHRM 24 mei 2005, appl. no. 45214/99, Sildedzis/Polen). Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een situatie waarin de voorschriften van de WNT, in het bijzonder de overgangsrechtelijke bepalingen, de vereiste duidelijkheid en precisie ontberen die noodzakelijk zijn om NVBW c.s. te beschermen tegen een dergelijke willekeurige inmenging. Duidelijk is welke consequenties de WNT heeft. In de kern genomen, houden deze consequenties in dat blijkens artikel 7.3 WNT voor de toepasselijkheid van het overgangsrecht maatgevend is of voorafgaand aan de inwerkingtreding van de WNT sprake is van een tussen partijen overeengekomen bezoldiging die meer bedraagt dan de op grond van de WNT toegestane maximale bezoldiging en of een verhoging en de wijze waarop deze is berekend voorafgaand aan de inwerkingtreding van de WNT is overeengekomen. Die afspraken worden blijkens het overgangsrecht geëerbiedigd voor de duur van vier jaar, waarna een afbouwperiode geldt. Daarnaast is ter voorkoming van anticipatie bepaald dat voor de toepassing van artikel 7.3 WNT buiten beschouwing blijft iedere wijziging in de bezoldiging of duur van het dienstverband die wordt overeengekomen tussen, kort gezegd, 6 december 2011 en 1 januari 2013. Deze consequenties zijn nader toegelicht door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bij brief van 1 maart 2013.

4.15.

Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 7.3 WNT niet makkelijk leesbaar en leidt de inhoud van het overgangsrecht tot differentiatie. Deze omstandigheden laten echter onverlet dat sprake is van rationele voorschriften die naar het oordeel van de rechtbank voldoende waarborgen bieden tegen een willekeurige toepassing ervan door de Staat.

Dat geldt ook voor het bij tweede nota van wijziging ingevoegde negende (voorheen zesde) lid van dit artikel. Met NVBW c.s. is de rechtbank van oordeel dat de wetstekst verwarring kan oproepen. Blijkens de toelichting op de wijziging is met die bepaling echter niet méér beoogd dan de tekst van de wet te verduidelijken, zodat die bepaling niets toe- of afdoet aan hetgeen in het eerste lid en de volgende leden van artikel 7.3 WNT is bepaald. De rechtbank verwijst naar de toelichting op het toenmalige artikel 7.3 lid 6 WNT, waarin is vermeld:

“In een nieuw zesde lid wordt expliciet aangegeven dat bij herbenoeming na een dienstverband voor bepaalde tijd, sprake is van een nieuw dienstverband, zodat het overgangsrecht niet langer van toepassing is. Naar het oordeel van de regering volgt dit reeds uit de tekst van het voorstel van wet, maar met de toevoeging van het zesde lid kan hierover geen misverstand meer bestaan.”

Zie Kamerstukken II 2011/2012, 32 600, nr. 14, p. 2.

4.16.

De omstandigheid dat NVBW c.s. zich niet met de inhoud van het overgangsrecht, en daarmee niet met de keuzes van de wetgever, kunnen verenigen (stellende dat het overgangsrecht niet van toepassing is op alle bestaande gevallen, zoals die door artikel 1 EP worden beschermd en de duur van het overgangsrecht te kort is) staat naar het oordeel van de rechtbank los van de vraag of voldaan is aan het voorzienbaarheidsvereiste van artikel 1 EP. Zoals de rechtbank hierna zal oordelen in het kader van de ‘fair balance’-toets gaan ook de inhoudelijke bezwaren niet op. Ook daarom kan niet gezegd worden dat de WNT niet aan het voorzienbaarheidsvereiste van artikel 1 EP voldoet.

4.17.

Aldus is sprake van een rechtmatige, in de zin van bij wet voorziene, inmenging, c.q. inbreuk van de WNT op de (toekomstige) bezoldiging van zittende bestuurders.


‘General-interest’- en ‘fair balance’-toets

4.18.

In verband met de ‘general interest’- en ‘fair balance’toets overweegt de rechtbank als volgt. Blijkens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel heeft de WNT de volgende doelstellingen:

“ In de eerste plaats is het doel van de wet te voorzien in een democratisch gelegitimeerd instrument op basis waarvan normen en verplichtingen kunnen worden opgelegd ten aanzien van de bezoldiging van bestuurders en andere topfunctionarissen in de publieke en semipublieke sector. Het tweede doel van de wet is af te bakenen welke instellingen en organisaties tot de publieke respectievelijk semipublieke sector worden gerekend en te bepalen wat dat betekent voor het bezoldigingsbeleid voor topfunctionarissen dat de bedoelde sectoren dienen te voeren. Het laatste oogmerk van de wet is te verhinderen dat de instellingen in de publieke en semipublieke sector rechtens in staat zijn bovenmatige bezoldigingen toe te kennen. Dit wordt bereikt doordat de wet beperkingen oplegt aan de bevoegdheid van de instellingen in de publieke en semipublieke sector en de topfunctionaris als werknemer in bezoldigingen overeen te komen die uitgaan boven het voor die instelling geldende normbedrag.”

Zie Kamerstukken II 2010/2011, 32 600, nr. 3, p. 7.

4.19.

De memorie van toelichting behelst voorts onder meer de volgende nadere overwegingen in het kader van de afweging tussen een wettelijke regeling en zelfregulering:

“Aan de conclusie om tot wetgeving over te gaan heeft mede ten grondslag gelegen dat de topfunctionarissen en hun werkgevers niet altijd blijk gaven van de op dit punt noodzakelijke terughoudendheid. De commissie Dijkstal heeft onderzoek gedaan naar de ontwikkeling van de topinkomens over de voorafgaande tien jaar. Daaruit is gebleken dat de topinkomens zich gemiddeld genomen niet excessief ontwikkelen, maar wel dat het aantal topfunctionarissen met een salaris dat uitstijgt boven dat van een minister jaarlijks toeneemt [2]. Ook latere onderzoeken bevestigen deze trend [3]. Verder heeft de commissie geconstateerd dat er zich incidenteel uitschieters voordoen en dat er bij enkele organisaties zeer hoge salarissen worden toegekend. Zelfregulering heeft de geschetste ontwikkeling niet kunnen voorkomen.”

Zie Kamerstukken II 2010/2011, 32 600, nr. 3, p. 7, waarbij [2] verwijst naar het Advies Gewopt en gewogen Evaluatie van de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens (Wopt), p. 2. Bijlage bij Kamerstukken II 2008/09, 28 479, nr. 43. en [3] verwijst naar de Brief van de minister voor Wonen, Wijken en Integratie, Kamerstukken II 2009/2010, 29 453, nr. 137.


Verder is in dit verband specifiek met betrekking tot de beloningen in de woningcorporatiesector vermeld:



“Het aantal overschrijdingen van de Wopt-norm door bestuurders van woningcorporaties is gestegen van 100 van de circa 950 actieve bestuurders in 2006 naar 115 van de 850 actieve bestuurders in 2007 en 103 van de 800 actieve bestuurders in 2008. De toenmalige minister voor Wonen, Wijken en Integratie constateerde dat een deel van de bestuurders aanhoudend een beloning ontvangt die hoger ligt dan hetgeen volgens het kader voor de bestuurdersbeloningen in de sector, de Izeboudcode, de maximumbeloning zou kunnen zijn [2]. Uit een analyse van de toenmalige minister voor Wonen, Wijken en Integratie blijkt dat het om ca. 20% van de bezoldigingen gaat. De gemiddelde bestuurdersbezoldiging in 2008 ten opzichte van 2007 is met ruim 7% gestegen. In 2007 bedroeg de stijging ten opzichte van 2006 ruim 14%. Uit deze cijfers heeft het kabinet geconcludeerd dat met betrekking tot de bezoldiging van topfunctionarissen niet op zelfregulering kan worden vertrouwd.”

Zie Kamerstukken II 2010/2011, 32 600, nr. 3, p. 9 waarbij [2] verwijst naar Kamerstukken II 2009/10, 29 453, nr. 137.

4.20.

De reikwijdte van de WNT voor de semipublieke sector is afgebakend door in de wet te benoemen welke sectoren en instellingen tot de semipublieke sector worden gerekend. De afbakening is geschied aan de hand van de criteria die het kabinet heeft ontleend aan het advies “Normeren en waarderen” van de Commissie Dijkstal (RWT, bekostiging, publiek belang en commerciële concurrentie). Met betrekking tot de indeling en weging van woningcorporaties op basis van deze criteria is in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel vermeld:

Het kabinet erkent dat het takenpakket van woningcorporaties vraagt om capabele bestuurders die op de arbeidsmarkt moeten kunnen worden geworven. Het kabinet tekent hierbij echter aan dat het corporatiestelsel dusdanige waarborgen aan de individuele instellingen biedt, dat de risico’s die zij lopen beperkt zijn. Mede daardoor is ook geen sprake van grote individuele risico’s voor bestuurders. Ook heeft het toenmalige kabinet bij zijn principebesluit om de bestuursbezoldigingen bij corporaties te gaan normeren reeds betoogd, dat corporaties maatschappelijke ondernemers zijn. Zij werken met geld dat is bestemd voor goede huisvesting van de zwakkeren op de woningmarkt en niet voor hoge bestuursbezoldigingen. Een matiging op het punt van de bezoldigingen sluit ook aan op de oproep aan corporaties in artikel 24 van Besluit beheer sociale-huursector tot een sobere en doelmatige bedrijfsvoering Op grond hiervan en in het licht van het gevoelen van de Kamer [1] stelt het kabinet voor de bestuursbezoldigingen bij corporaties te begrenzen op het bezoldigingsmaximum. Onder dit grensbedrag worden de bezoldigingen verder gedifferentieerd.

Zie Kamerstukken II 2010/2011, 32 600, nr. 3, p. 17, waarin [1] verwijst naar Kamerstukken II 2008/09,TK 28 479, nr. 44.

4.21.

Gedurende het wetgevingsproces is de indeling en weging van woningcorporaties, alsmede de betekenis van door de sector zelf getroffen regulerende maatregelen vervolgens uitvoerig besproken. Onder meer heeft het kamerlid Ortega-Martijn een amendement ingediend met als doel woningcorporaties onder bijlage 3 (sectorale bezoldigingsnorm) te plaatsen in plaats van bijlage 1 (bezoldigingsmaximum) bij de WNT. Dit amendement is na de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer ingetrokken.

Zie Kamerstukken II 2011/2012, 32 600, nr. 20 voor het genoemde amendement van het lid Ortega-Martijn en de Handelingen II 2011-2012, nr. 10, item 19 voor de bespreking daarvan, alsmede de Handelingen II 2011-2012, nr. 32, item 21 voor de intrekking.

4.22.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft voorts naar aanleiding van een vraag van het kamerlid Van der Staaij over het bezoldigingsmaximum voor woningcorporaties geantwoord:

“Het antwoord op de vraag van de heer Van der Staaij waarom bij woningcorporaties gekozen is voor het regime van het bezoldigingsmaximum, is dat bij deze keuze de publieke taak van de corporaties leidend is geweest. Hoewel hierbij, zoals ik in het debat in eerste termijn ook aangaf, onderkend wordt dat corporaties private instellingen zijn, heeft hun vermogen een expliciete maatschappelijke bestemming. Het is primair bedoeld voor het huisvesten van de zwakkeren in de samenleving, de huishoudens met de lagere inkomens. Deze maatschappelijke positie van corporaties is inmiddels benadrukt in het regeerakkoord, alsmede door de erkenning van hun sociale taak als zogenaamde Diensten van Algemeen Economisch Belang waarvoor staatssteun is toegestaan. Om ervoor te zorgen dat zij hun publieke taken naar behoren realiseren en het maatschappelijk bestemde vermogen op goede wijze wordt ingezet, zijn corporaties onderworpen aan een stelsel van regulering en toezicht door de overheid. De corporaties kunnen ook niet uit dat stelsel treden. De lopende herziening van dit stelsel, waarvoor uw Kamer eerder dit jaar voorstellen ontving, is er mede op gericht de primaire inzet van corporaties op de sociale taak verder te waarborgen. De toenemende maatschappelijke focus die aldus van corporaties wordt geëist, rechtvaardigt naar mijn oordeel tevens het onderbrengen in het strengste regime. Deze keuze is door een ruime meerderheid van uw Kamer eerder ook onderschreven door de ondersteuning van de motie van PvdA, CU en CDA van 18 december 2008 (Kamerstukken II 2008/09, 30 111, nr. 45).”

Zie de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 november 2011 aan de Tweede Kamer, Kamerstukken II, 2011-2012, 32 600, nr. 27.

4.23.

Ook de inhoud en de duur van het overgangsrecht is in de Tweede Kamer punt van discussie geweest, naar aanleiding van de tweede en derde nota’s van wijziging van het wetsvoorstel betreffende het overgangsrecht en de wat betreft het overgangsrecht voorgestelde amendementen.

Zie Handelingen II 2011-2012, nr. 10, item 19 en Handelingen II 2011-2012, nr. 11, item 2.

4.24.

In de Eerste Kamer is opnieuw aandacht besteed aan zelfregulering en de afbakening van sectoren, alsmede aan het overgangsrecht, waaronder de verhouding tussen thans het eerste en tiende lid van artikel 7.3 WNT.

Zie Kamerstukken I 2011/2012, 32 600, F, zijnde de memorie van antwoord van de Minister voor de genoemde onderwerpen die in de Eerste Kamer aan de orde zijn gekomen.

4.25.

De WNT voldoet naar het oordeel van de rechtbank aan de ‘general-interest’-toets dat de getroffen maatregel in het algemeen belang noodzakelijk moet zijn. Dit gelet op de ruime beoordelingsvrijheid van de nationale autoriteiten om te bepalen of sprake is van een algemeen belang dat om ingrijpen vraagt, in het bijzonder bij maatregelen op sociaal en economisch terrein, de doelstellingen van de WNT en de overwegingen van de wetgever die blijkens het vorenstaande aan invoering van de WNT ten grondslag hebben gelegen. Niet is gebleken dat de beoordeling van de wetgever ten aanzien van de noodzaak van de WNT in het algemeen belang, in de bewoordingen van het EHRM, ‘manifestly without reasonable foundation’ is (vgl. EHRM 21 februari 1986, appl. no., 8793/79 (James e.a./Verenigd Koninkrijk).

4.26.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de WNT ook voldoet aan de ‘fair-balance’-toets, inhoudend dat een redelijk evenwicht moet bestaan tussen de eisen van het algemeen belang van de samenleving en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu. De rechtbank merkt in dit verband allereerst op dat de nationale autoriteiten ook hier een ruime beoordelingsvrijheid hebben bij de keuze voor een bepaalde maatregel waarmee het algemeen belang wordt behartigd en bij beoordeling of de nadelige gevolgen van de betreffende maatregel proportioneel zijn in verhouding tot het met die maatregel te dienen doel (vgl. EHRM 24 oktober 1986, appl. no. 9118/80 (Agosi/Verenigd Koninkrijk). Gelet hierop bestrijden NVBW c.s. vergeefs de keuzes van de wetgever om woningcorporaties te rekenen tot de semi-publieke sector en hen in te delen in het eerste regime van de WNT. Hoezeer ook zelfregulerende maatregelen van de sector zelf (de Beloningscode, Honoreringscode en Governancecode) vruchten hebben afgeworpen, deze hebben de wetgever er niet van kunnen overtuigen dat zij voldoende waarborgen bieden om de doelstellingen van de WNT te realiseren. Die zelfregulerende maatregelen zijn overigens steeds mede uitdrukkelijk onderwerp van debat geweest in het wetgevingsproces. Gegeven de positie van de rechtbank als nationale rechter ten opzichte van het bestuur is het niet aan de rechtbank om dit debat “over te doen”, noch anderszins te beoordelen of andere keuzes mogelijk, wenselijk of beter zouden zijn geweest.

4.27.

De inhoudelijke bezwaren van NVBW c.s. tegen het overgangsrecht gaan voorts niet op. De rechtbank stelt voorop dat NVBW c.s. uitgaan van een onjuiste interpretatie van de WNT voor zover zij stellen dat het overgangsrecht niet van toepassing is op alle “bestaande gevallen”, zoals die door artikel 1 EP worden beschermd. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor onder 4.7 en 4.13 is overwogen, is het overgangsrecht van toepassing op zittende bestuurders met voorafgaand aan de inwerkingtreding van de WNT overeengekomen bezoldigingen. Bestaande rechtsposities worden derhalve door het overgangsrecht beschermd. De Staat heeft zich in de onderhavige procedure, overeenkomstig de tekst van de WNT en de beantwoording van vragen van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bij brief van 1 maart 2013, ook op het standpunt gesteld dat topfunctionarissen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van de WNT een bezoldiging zijn overeengekomen die meer bedraagt dan het wettelijke maximum vallen onder het overgangsrecht. Dit ongeacht de titel op basis waarvan die bezoldiging wordt ontvangen (herbenoeming of niet). Herbenoeming is, anders dan NVBW c.s. menen, niet relevant voor de vraag of het overgangsrecht van toepassing is, en daarmee niet voor de vraag of sprake is van een “toekomstig” of “nieuw” geval. Maatgevend is of sprake is van een voorafgaand aan 1 januari 2013 overeengekomen bezoldiging. Voor zover NVBW c.s. verder stellen dat de rechtspositie van de woningbouwcorporaties ten onrechte buiten het overgangsrecht is gelaten (in die zin dat geen rekening is gehouden met het gestelde verlies van voldoende gekwalificeerde bestuurders) gaat deze stelling alleen al niet op omdat die rechtspositie niet onder het beschermingsbereik van artikel 1 EP valt.

4.28.

In het verlengde hiervan treffen de bezwaren van NVBW c.s. tegen de duur van het overgangsrecht evenmin doel. Deze bezwaren gaan er eveneens ten onrechte van uit dat herbenoemers niet onder het overgangsrecht vallen. NVBW c.s. hebben voorts onvoldoende feiten gesteld die aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat een termijn van in beginsel zeven jaar onvoldoende moet worden geacht voor topfunctionarissen om in te spelen op de nieuwe wetgeving en zo nodig voorzieningen te treffen in verband met reeds gedane of beoogde investeringen op basis van bezoldigingsafspraken die gemaakt zijn voorafgaand aan de inwerkingtreding van de WNT. Voor zover deze bezoldigingsafspraken op of na 1 januari 2013 aflopen, hebben de betreffende topfunctionarissen er niet gerechtvaardigd op kunnen en mogen vertrouwen dat nadien nieuwe bezoldigingsafspraken tot stand zouden (of zullen) komen en dat zij hun bezoldigingsniveau zouden (of zullen) behouden. Van een op grond van artikel 1 EP beschermd eigendomsrecht is wat betreft die nieuwe afspraken geen sprake, zodat van een inmenging op dit recht op grond van de WNT ook geen sprake is. Aldus is gerechtvaardigd dat die (zittende) bestuurders alsdan niet langer vallen onder het overgangsrecht van de WNT, ook als dit betekent dat zij kort na de inwerkingtreding van de WNT met de gevolgen ervan worden geconfronteerd.

4.29.

Voor zover NVBW c.s. de anti-anticipatiebepaling bestrijden, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank treedt, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor in verband met de beoordelingsvrijheid van de wetgever is overwogen, niet in de beoordeling van de keuze van de wetgever om, bij nader inzien, wijzigingen in de bezoldiging en het dienstverband die zijn overeengekomen tussen 6 december 2011 en 1 januari 2013 buiten beschouwing te laten. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de effecten van die keuze voorts niet zodanig onevenredig dat om die reden moet worden aangenomen dat de WNT in strijd is met het ‘fair balance’-vereiste van artikel 1 EP. De anti-anticipatiebepaling brengt mee dat in gevallen waarin in de periode tussen 6 december 2011 en 1 januari 2013 na afloop van bestaande bezoldigingsafspraken, nieuwe bezoldigingsafspraken zijn gemaakt in aanmerking (kunnen) komen voor de toepassing voor het overgangsrecht voor de volledige duur (afhankelijk van de inhoud van die nieuwe bezoldigingsafspraken), terwijl in gevallen waarin in die periode bestaande afspraken zijn gewijzigd, deze wijzigingen buiten toepassing worden gelaten. Dit gevolg vloeit echter logisch voort uit de ratio van het overgangsrecht. De eerste groep gevallen heeft immers niet de gerechtvaardigde verwachting op toekomstige bezoldiging kunnen en mogen hebben voor de periode na afloop van eerder gemaakte afspraken en diende noodzakelijkerwijs opnieuw in onderhandeling te treden. De tweede groep echter wel, aangezien slechts sprake is van een wijziging van bestaande afspraken. Van gelijke groepen gevallen is derhalve geen sprake. Voorts zijn voorafgaand aan 1 januari 2013 gemaakte bezoldigingsafspraken bepalend voor de toepasselijkheid van het overgangsrecht. Tegen deze achtergrond kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat sprake is van een buitensporig treffen van de tweede groep als gevolg van het bepaalde in artikel 7.3 lid 10 WNT. De enkele omstandigheid dat deze bepaling anders uitpakt voor verschillende groepen zittende bestuurders op de datum waarop de WNT in werking is getreden, acht de rechtbank onvoldoende voor een andersluidende conclusie.

4.30.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank tevens van oordeel dat het overgangsrecht in de WNT geen ‘excessive burden’ oplevert voor individuele topfunctionarissen. Hier komt bij dat de door NVBW c.s. gestelde inkomensterugval van topfunctionarissen naar het oordeel van de rechtbank niet zozeer veroorzaakt wordt door het overgangsrecht, maar door de Regeling. De Regeling weggedacht, zijn er naar het oordeel van de rechtbank in de WNT, gezien de bescherming die het overgangsrecht biedt voor individuele topfunctionarissen met voorafgaand aan de inwerkingtreding van de WNT overeengekomen bezoldigingen, onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat het resultaat van de WNT zodanig onevenwichtig is dat niet voldaan is aan het ‘fair balance’-vereiste. Dit oordeel wordt bevestigd door de conclusies in het rapport van het bureau SEO economisch onderzoek dat NVBW c.s. hebben overgelegd, welke conclusies betrekking hebben op de inkomensachteruitgang van topfunctionarissen als gevolg van de Regeling. Zoals de Staat terecht heeft betoogd, gaat het onderzoek voorbij aan het overgangsrecht. Op de effecten van de Regeling komt de rechtbank hierna onder het kopje “Regeling” terug.

4.31.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de stelling van NVBW c.s. dat de WNT onrechtmatig is wegens schending van artikel 1 EP niet opgaat.

Schending artikel 14 EVRM, artikel 26 IVBPR, artikel 1 Twaalfde Protocol EVRM, Verbod op discriminatie, c.s. gelijke behandeling?

4.32.

NVBW c.s. stellen dat sprake is van schending van voormelde bepalingen. Volgens hen worden als gevolg van de WNT gelijke gevallen ongelijk behandeld en ongelijke gevallen niet in dezelfde mate van ongelijkheid behandeld, zonder dat daarvoor een voldoende rechtvaardigingsgrond bestaat. De door de wetgever ten aanzien van woningcorporaties gemaakte keuzes (semipublieke sector en wettelijk bezoldigingsmaximum) hebben tot gevolg dat voor topfunctionarissen van woningcorporaties niet hetzelfde regime geldt als voor rechtspersonen waarin de Staat aandeelhouder is, aangezien de wetgever staatsdeelnemingen niet onder de reikwijdte van de WNT heeft gebracht. Tevens hebben die keuzes tot gevolg dat voor topfunctionarissen van woningcorporaties hetzelfde regime geldt als voor topfunctionarissen in de publieke sector en in bepaalde andere sectoren die tot de semipublieke sector worden gerekend en waarvoor de wetgever eveneens het wettelijk bezoldigingsmaximum passend heeft geacht. Anders dan NVBW c.s. stellen, leidt een en ander niet tot de conclusie dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Staatsdeelnemingen kunnen alleen al niet aan woningcorporaties gelijk worden gesteld omdat de Staat in het geval van een dergelijke deelneming als aandeelhouder beschikt over privaatrechtelijke bevoegdheden om de bezoldiging van bestuurders en commissarissen te bepalen. Verder ligt in de afweging van de wetgever besloten dat voor die sectoren die tot de semipublieke sector worden gerekend en waarvoor het bezoldigingsmaximum is komen te gelden een gelijkstelling aan de publieke sector gerechtvaardigd wordt geacht. Gelet hierop en gegeven de beoordelingsvrijheid van de wetgever, ook bij beantwoording van de vraag welke gevallen als gelijk moeten worden beschouwd, stranden de stellingen van NVBW c.s. dat de WNT in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

Schending artikel 63 VWEU: vrij verkeer van kapitaal?

4.33.

De rechtbank laat onbesproken of in het onderhavige geval sprake is van een grensoverschrijdend element in de zin van artikel 63 VWEU. Met de Staat is de rechtbank van oordeel dat de WNT buiten het toepassingsgebied van deze bepaling valt en dat NVBW c.s. in ieder geval onvoldoende feiten hebben gesteld waaruit kan volgen dat de WNT een beperking van vrij verkeer van kapitaal oplevert. De bezoldiging van topfunctionarissen betreft niet meer dan een tegenprestatie voor de uitvoering van hen opgedragen taken. De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten in de in de nomenclatuur van bijlage 1 van Richtlijn 88/361/EEG van de Raad van 24 juni 1988 voor de uitvoering van artikel 67 van het Verdrag, PB 1988, L 178/5 genoemde categorieën van kapitaalverkeer voor de conclusie dat het voldoen van deze tegenprestatie moet worden aangemerkt als een vorm van kapitaalverkeer. Van enige vorm van vermogensopbouw- of overdracht is geen sprake. Het vrij verkeer van kapitaal ziet voorts niet op investeringen in menselijk kapitaal. Hoe dan ook hebben NVBW c.s. geen feiten gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat de WNT een discriminatoir effect heeft, in die zin dat het voor ingezetenen uit andere Europese lidstaten ten opzichte van Nederlandse ingezetenen moeilijker wordt gemaakt om topfunctionaris te worden bij Nederlandse woningcorporaties. Zo al sprake is van grensoverschrijdend kapitaalverkeer, wordt dit door de WNT niet belemmerd. De stelling van NVBW c.s. dat sprake is van schending van artikel 63 VWEU faalt.

Arbeidsrechtelijke beginselen van dwingende aard

4.34.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de stelling van NVBW c.s. dat sprake is van schending van arbeidsrechtelijke beginselen van dwingende aard eveneens faalt. Blijkens de parlementaire geschiedenis van de WNT heeft de wetgever zich bij de totstandkoming rekenschap gegeven van de verstrekkende inbreuk van de WNT op de contractsvrijheid van partijen en biedt het overgangsrecht mede op dit punt bescherming. De omstandigheid dat de WNT begrippen zijn gedefinieerd die afwijken van hetgeen gebruikelijk is in het arbeidsrecht is niet onrechtmatig, terwijl de door NVBW c.s. gestelde nadelige arbeidsrechtelijke effecten (een inkomensterugval) niet voortvloeien uit die begrippen, maar uit de hoogte van het gehanteerde bezoldigingsmaximum. Met hun stelling dat de kantonrechtersformule en andere rechterlijke rekenformules niet in acht zijn genomen bij de normering van het maximaal uit te keren bedragen bij einde dienstverband, miskennen NVBW c.s. dat de wetgever nu juist de vrijheid heeft om af te wijken van de rechterlijke praktijk, terwijl daartoe gelet op de doelen van de WNT ook in redelijkheid kon worden besloten.



Conclusie toetsing WNT

4.35.

Geconcludeerd moet derhalve worden dat met de WNT geen sprake is van onrechtmatige wetgeving zoals door NVBW c.s. gesteld.

Toetsing Regeling

Strijd met de WNT en schending algemene beginselen van behoorlijk bestuur? Schending artikel 1 EP?

4.36. De Regeling behelst een indeling van woningcorporaties in acht klassen op basis van, kort gezegd, het aantal woongelegenheden van de corporatie per 31 december van het vorige verslagjaar en normbedragen per klasse. In de toelichting bij de Regeling is het volgende vermeld met betrekking tot het beloningsniveau in de woningcorporatiesector en de sectorbrede Beloningscode uit 2010:

“In de corporatiesector is (de stijging van) het beloningsniveau vaak fors en niet passend te achten bij het maatschappelijke karakter van de corporaties. Hierbij vallen niet alleen de excessieve beloningen bij diverse grotere corporaties op, maar vooral ook de soms relatief erg hoge beloningen bij kleinere corporaties. En ondanks de introductie van de door de sector zelf ontwikkelde Sectorbrede Beloningscode in 2010, blijken zich in de praktijk nog steeds slecht verklaarbare verschillen in beloning voor te doen, waarbij de beloningen van bestuurders van twee corporaties van eenzelfde grootte soms wel 100% van elkaar verschillen. Dit beeld blijkt wederom uit de recente analyse van de beloningsgegevens over 2011. Het feit dat diverse criteria uit de code waarop de honorering wordt gebaseerd een aanzienlijke interpretatieruimte bij de toepassing kennen lijkt hier mede debet aan te zijn. Bovendien bevat de code geen reële mogelijkheid tot handhaving door de sector zelf, onder meer om bestaande te hoge beloningen neerwaarts bijgesteld te krijgen. Gelet op het voorgaande acht ik voor de woningcorporaties een indeling in klassen gewenst.”

4.37.

Verder is in de toelichting bij de Regeling, voor zover relevant, met betrekking tot de gehanteerde criteria het volgende vermeld:

“Gegeven de complexiteit en interpretatieruimte van de huidige sectorcode, is bij de uitwerking van de voorliggende regeling van de volgende uitgangspunten uitgegaan. De regeling moet eenduidig, d.w.z. niet multi-interpretabel, kunnen worden toegepast en verder controleerbaar en handhaafbaar zijn. Hierbij is gekozen voor het hanteren van het criterium ‘grootte’ als enige bepalende factor. Het gaat daarbij om het aantal woongelegenheden van de corporatie, waarbij als peildatum 31 december van het vorige verslagjaar wordt gehanteerd. Er wordt afgezien van hantering van de in de sectorbrede beloningscode gehanteerde criteria ‘dynamiek van de vastgoedportefeuille’ en ‘positie in het krachtenveld’. Deze criteria blijken in de praktijk niet eenduidig te worden geïnterpreteerd mede doordat de achterliggende omstandigheden door de tijd heen variëren. De regeling gaat uit van acht grootteklassen met bijbehorende normbedragen. Instellingen met meer dan 75.000 woongelegenheden vallen daarbij onder het algemene bezoldigingsmaximum van artikel 2.3 van de WNT. Bij het vaststellen van de onderkant van de schaalindeling van de regeling zijn mede de schaalniveaus voor het management in de CAO Woondiensten in beschouwing genomen. Vanwege het aanzienlijke aantal kleine woningcorporaties is daarbij in de regeling overigens niet het hoogste schaalniveau uit de CAO-tabellen als uitgangspunt genomen. Een nadere overweging hierbij is dat de WNT bepaalt dat bij de vaststelling van de bedragen ook rekening moet worden gehouden met de maatschappelijke opvatting over de hoogte daarvan. In dit verband is relevant dat juist het in de praktijk vaak ontbreken van een relatie tussen omvang van de woningcorporatie en beloning tot veel kritiek leidt. Tussen het algemene bezoldigingsmaximum en het laagste normbedrag in de regeling is voor de tussenliggende categorieën van woningcorporaties een schaalverdeling gemaakt.”

4.38.

Een klassenindeling conform artikel 2.7 lid 1 WNT dient plaats te vinden op grond van “criteria die betrekking hebben op onder meer de omvang van rechtspersonen of instellingen”. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is ter zake opgemerkt:

“Op grond van het tweede lid kan de betrokken minister evenals in artikel 2.6, tweede lid, het normbedrag differentiëren. Zo kan bijvoorbeeld de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor de topfunctionarissen in ziekenhuizen verschillende bedragen vaststellen, afhankelijk van de omvang van het ziekenhuis. Factoren die daarbij een rol spelen kunnen zijn: aantal personeelsleden, omzet, output.”

Zie Kamerstukken II 2010/2011, nr. 3., p. 48.

4.39.

Bij de vaststelling van de normbedragen per klasse moet voorts rekening worden gehouden met de in artikel 2.9 lid 2 WNT genoemde factoren (kort gezegd: de hoogte van de bezoldiging voor vergelijkbare functies bij lichamen als provincies, gemeenten, waterschappen, openbare lichamen voor beroep en bedrijf, de bezoldiging in relevante andere sectoren van de arbeidsmarkt, de verhouding met het interne loongebouw en de maatschappelijke opvattingen over de hoogte van de bezoldigingen).

4.40.

De algemene beginselen van behoorlijk bestuur brengen daarnaast onder meer mee dat de Regeling moet voldoen aan het zogenoemde materiële zorgvuldigheidsbeginsel, hetgeen betekent dat de Regeling voortvloeiende lasten niet zwaarder mogen zijn dan strikt noodzakelijk (het beginsel van de minste pijn), dat de gevolgen van de Regeling zich proportioneel dienen te verhouden tot de met de WNT en de Regeling te dienen doelen (het evenredigheidsbeginsel) en dat de Regeling niet tot een onevenredig zware last voor sommige getroffenen ten opzichte van anderen mag leiden (égalité devant les charges publiques/gelijkheidsbeginsel). Ten slotte geldt dat ook de Regeling aan de vereisten van artikel 1 EP, waaronder het ‘fair balance’-vereiste dient te voldoen. Tegen de achtergrond van deze algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het bepaalde in artikel 1 EP dienen de artikelen 2.7 lid 1 en 2.9 lid 2 WNT naar het oordeel van de rechtbank mede in onderlinge samenhang te worden bezien.

4.41.

De rechtbank stelt vast dat in de toelichting bij de Regeling gemotiveerd is uiteengezet dat en waarom in de Regeling niet de door de sector zelf ontwikkelde Beloningscode tot uitgangspunt is genomen en een indeling in klassen gewenst wordt geacht. Blijkens de toelichting is bij deze afweging mede een recente analyse van de beloningsgegevens over 2011 betrokken. Gelet op deze motivering en mede in aanmerking genomen de terughoudendheid die de rechtbank in acht dient te nemen bij de toetsing van wetgeving, ook waar het gaat om lagere wetgeving, ziet de rechtbank, anders dan NVBW c.s. hebben gesteld, in de omstandigheid dat is afgezien van algemeen-verbindendverklaring van een door de sector zelf ontwikkelde code en dat de code ook niet als basis voor de Regeling is gehanteerd,geen gronden voor onrechtmatigheid van de Regeling. Op gelijke gronden en gelet op de discretionaire bevoegdheid van de betrokken minister blijkens artikel 2.7 lid 1 WNT om bij ministeriële regeling rechtspersonen en instellingen binnen een aangewezen categorie in klassen in te delen, acht de rechtbank ook de keuze voor een klassenindeling op zich gerechtvaardigd.

4.42.

Voorts laat de WNT naar het oordeel van de rechtbank op zich de ruimte voor een klassenindeling op basis van het aantal woongelegenheden als uitsluitend bepalende factor en voor de vaststelling van normbedragen per klasse op basis van de CAO Woondiensten voor de vaststelling van de normbedragen aan de onderkant van de schaalindeling en de maatschappelijke opvattingen. Niettemin kan de Regeling naar het oordeel van de rechtbank gelet op het bepaalde in de artikelen 2.7 lid 1 en 2.9 lid 2 WNT in samenhang bezien met de genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur de toets der kritiek niet doorstaan. Het resultaat van de gemaakte keuzes acht de rechtbank, in onderlinge samenhang bezien en in het licht van het verstrekkende karakter van de WNT en de Regeling en de doelen van deze wetgeving, niet in overeenstemming met de materiële zorgvuldigheid die een ministeriële regeling vereist. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.43.

De keuze voor een klassenindeling uitsluitend op basis van het aantal woongelegenheden onder verwijzing naar de beoogde eenduidige toepassing, handhaafbaarheid en controleerbaarheid van de Regeling, laat zich naar het oordeel van de rechtbank niet, althans niet zonder nadere afweging en onderbouwing verenigen met het karakter, de inhoud en omvang van de werkzaamheden van woningcorporaties en de verschillen tussen woningcorporaties onderling. Dit temeer nu met de WNT en de Regeling vergaand wordt ingegrepen in de contractsvrijheid van partijen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben NVBW c.s. terecht betoogd dat de onderlinge verschillen tussen woningcorporaties niet enkel zijn terug te voeren op het aantal woongelegenheden, maar dat deze verschillen mede het gevolg van zijn geografische- en marktfactoren en daarop gebaseerde strategische en beleidsmatige keuzes. De taken en verantwoordelijkheden van topfunctionarissen van woningcorporaties zijn hierop afgestemd. Tegen deze achtergrond doet de keuze voor het aantal woongelegenheden als uitsluitend bepalende factor voor de klassenindeling, in samenhang bezien met de vastgestelde normbedragen, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan die taken en verantwoordelijkheden, hetgeen de rechtbank in strijd acht met de zorgvuldigheid die de inhoud van een ministeriële regeling vereist.

4.44.

Anders dan de Staat heeft betoogd, ziet de rechtbank niet waarom de door NVBW c.s. genoemde, aan de wetsgeschiedenis ontleende, mogelijke factoren voor het bepalen van de omvang van instellingen of organisaties, zoals het aantal personeelsleden, omzet en output, niet geschikt zouden kunnen zijn voor differentiatie tussen woningcorporaties. Hoewel deze factoren in de wetsgeschiedenis als voorbeeld worden genoemd voor het bepalen van de omvang van ziekenhuizen en de WNT niet verplicht tot het hanteren van deze factoren, zal, zoals de Staat voor woningcorporaties heeft aangevoerd, ook bij ziekenhuizen sprake zijn van verschillen tussen aantallen personeelsleden bij overigens vergelijkbare ziekenhuizen en zal de hoogte van de omzet van een ziekenhuis niet steeds maatgevend zijn voor de kwaliteit van de geleverde zorg. Zo beschouwd, kan het aantal woongelegenheden als onderscheidend criterium naar het oordeel van de rechtbank net zo min als eenduidig meetbaar en eenduidig interpretabel worden gekwalificeerd als de genoemde factoren.

4.45.

Genoemd oordeel laat onverlet dat, zoals de Staat heeft gesteld, het stelsel van de Woningwet meebrengt dat woningcorporaties bij de uitoefening van hun werkzaamheden slechts een beperkt financieel risico lopen en dat zij hun vermogen dienen aan te wenden ten behoeve van een maatschappelijke bestemming, te weten huisvesting in de sociale huursector, als gegeven in aanmerking. Dit stelsel biedt immers geen inzicht in de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van topfunctionarissen als bestuurders van woningcorporaties.

4.46.

De keuze voor de vastgestelde normbedragen per klasse op basis van de CAO Woondiensten, althans voor de onderkant van de schaalindeling, laat zich, mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, voorts niet, althans niet zonder nadere feitelijke onderbouwing, die ontbreekt, verenigen met de in artikel 2.9 lid 2 WNT vermelde criteria. In het bijzonder is niet gebleken dat en waarom de gekozen normbedragen per klasse gerechtvaardigd te achten zijn gelet op de bezoldiging in relevante andere sectoren van de arbeidsmarkt en gelet op de verhouding met de bezoldigingen van het overige personeel binnen woningcorporaties (het interne loongebouw). Dit hoezeer ook een passende, sobere bezoldiging van topfunctionarissen van woningcorporaties met de Regeling dient te worden bewerkstelligd en de maatschappelijke opvattingen daarover in aanmerking dienen te worden genomen. Met de Staat onderkent de rechtbank dat een mogelijk gebrek in de motivering van de Regeling op zich niet de conclusie kan dragen dat de Regeling onrechtmatig is. In de gegeven omstandigheden hebben de klassenindeling en de vastgestelde normbedragen echter het effect - zoals NVBW c.s. onbestreden hebben gesteld - dat de laagst toegestane bezoldiging van een topfunctionaris van een woningcorporatie netto maandelijks vergelijkbaar is met het salarisniveau van een rechterlijk ambtenaar in opleiding, die minder dan twee jaar werkervaring heeft, of een beginnend juridisch medewerker bij het Rijk (netto € 2.400,--). Een dergelijk resultaat vergt naar het oordeel van de rechtbank een weging en uitleg van de factoren waarmee op grond van de WNT rekening dient te worden gehouden in het licht van de taken en verantwoordelijkheden van topfunctionarissen van woningcorporaties, die thans ontbreekt. De toelichting op de Regeling is uiterst summier. Daaruit blijkt een dergelijke weging naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval niet. Voor zover de Staat betoogt dat bij de oriëntatie mede acht is geslagen op de bezoldiging van andere bestuurders, waaronder lokale bestuurders zoals wethouders, dit om te bezien of de lokale gesprekspartners van corporaties wezenlijk meer of minder verdienden, rijst de vraag hoe die oriëntatie zich verhoudt tot de klassenindeling op basis van het aantal woongelegenheden en de daaraan gekoppelde, niet evenredig oplopende, vastgestelde normbedragen. Voor zover de Staat stelt dat het loongebouw zich moet ‘zetten’ naar het gewijzigde bezoldigingsniveau en dat het overgangsrecht waarborgt dat voldoende tijd bestaat om eventuele gevolgen in het loongebouw te verwerken, gaat de Staat eraan voorbij dat de Regeling ook geldt voor topfunctionarissen die niet onder het overgangsrecht vallen en die derhalve met ingang van 1 januari 2013 geen hogere bezoldiging mogen ontvangen dan de genoemde normbedragen.

4.47.

De keuzes die zijn gemaakt wat betreft de gehanteerde criteria voor de klassenindeling en de vastgestelde normbedragen leiden er mede toe dat thans zittende bestuurders van woningcorporaties te maken krijgen met een forse inkomensterugval als gevolg van de Regeling. Hoewel deze terugval zich eerst na afloop van het overgangsrecht manifesteert en de Regeling tot doel heeft excessieve beloningen tegen te gaan, en hoewel in de praktijk met name de beloningen bij kleinere woningcorporaties op kritiek stuiten, zodat voor die woningcorporaties wellicht een verdergaand ingrijpen gerechtvaardigd is dan voor woningcorporaties met een grotere omvang, dient naar het oordeel van de rechtbank bij het vaststellen van het bezoldigingsniveau in de sector het bestaande beloningsniveau in het licht van de zwaarte van de functie (functiewaardering) in voldoende mate te worden betrokken bij het bepalen van de genoemde criteria gelet op het beginsel van gelijkheid voor openbare lasten en het bepaalde in artikel 1 EP . Dit in die zin dat de factoren aan de hand waarvan de normbedragen worden bepaald zodanig worden gekozen dat het resultaat niet leidt tot een onevenredige benadeling, althans een ‘excessive burden’, van individuele topfunctionarissen als gevolg van de Regeling. Naar het oordeel van de rechtbank is ook dit aspect bij de totstandkoming van de Regeling onvoldoende betrokken en voldoet de Regeling in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen mede hierom niet aan de vereiste evenredigheid.

4.48.

Op grond van het vorenstaande, afgezet tegen de doelen van de WNT en de Regeling moet naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat met de Regeling verder is ingegrepen dan nodig, althans dat topfunctionarissen van woningcorporaties onevenredig door de Regeling worden getroffen, zowel topfunctionarissen als onderdeel van de sector als geheel als topfunctionarissen van sommige woningcorporaties ten opzichte van die van andere.


Conclusie toetsing Regeling

4.49.

De rechtbank acht de Regeling derhalve onrechtmatig. Gelet hierop zal de rechtbank de Regeling buiten toepassing verklaren.

Overige stellingen van VTW c.s.

4.50.

De stelling van VTW c.s. dat zij onvoldoende in de gelegenheid zijn gesteld om een voorstel in te dienen als bepaald in artikel 2.9 lid 1 van de WNT en dat de Regeling om die reden in strijd is met het bepaalde in de WNT, behoeft gelet op het vorenstaande geen bespreking meer. Dit geldt ook voor de normschendingen en stellingen die VTW c.s. overigens aan hun vorderingen betreffende de Regeling ten grondslag leggen.



De vorderingen van VTW c.s.

4.51.

Gelet op het vorenstaande zal de subsidiaire vordering van VTW c.s. achter i worden toegewezen, in die zin dat de Regeling buiten toepassing zal worden verklaard. De rechtbank ziet rechtens geen grondslag om de Staat te gebieden met VTW c.s. bestuurlijk overleg te voeren en daarvoor richtlijnen te formuleren. Het vorenstaande laat onverlet dat bij de totstandkoming van een nieuwe ministeriële regeling het bepaalde in artikel 2.9 lid 1 WNT in acht dient te worden genomen. Het meer of anders gevorderde zal, behoudens de gevorderde proceskostenveroordeling, worden afgewezen.

Proceskosten

4.52.

De Staat zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van VTW c.s. worden begroot op:

- dagvaarding €  69,61

- griffierecht 589,00

- salaris advocaat 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

Totaal €  1.562,61

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart de Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 26 november 2012, nr. 2012-0000684395, houdende vaststelling van de indeling van de toegelaten instellingen volkshuisvesting in klassen met daarbij toepasselijke bezoldigingsmaxima ten aanzien van topfunctionarissen, Stcrt. 2012, nr. 24918, buiten toepassing,

5.2.

veroordeelt de Staat der Nederlanden in de proceskosten, aan de zijde van NVBW c.s. tot op heden begroot op € 1.562, 61,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Alwin, mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en mr. I. Brand en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2013.1


Mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt,

waarnemend voor mr. L. Alwin

1 typ: 1772