Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:14387

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
14-11-2013
Zaaknummer
AWB-13_2232
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur is te kwalificeren als aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Dit is niet anders als het verzoek ziet op informatie die niet is opgenomen in bestaande documenten. De mededeling van verweerder dat hij niet in het bezit is van de gevraagde documenten is aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het rechtsgevolg van die mededeling is het niet inwilligen van het verzoek om informatie.

Ingebrekestelling is niet rechtsgeldig.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:18
Wet openbaarheid van bestuur 4
Wet openbaarheid van bestuur 6
Algemene wet bestuursrecht 6:2
Algemene wet bestuursrecht 4:17
Wet openbaarheid van bestuur 3
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 6:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 13/2232

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2013 in de zaak tussen

[eiser], met onbekende woonplaats, eiser

(gemachtigden: F. Waals en J.M.C. Niederer),

en

de minister van Veiligheid en Justitie (Centrale Verwerking Openbaar Ministerie), verweerder

(gemachtigde: mr. drs. J.C. Menken en mr. H.O. Nieuwpoort).

Procesverloop

Eiser heeft bij brief van 15 maart 2013 beroep ingesteld tegen het door verweerder niet tijdig nemen van een dwangsombeschikking als bedoeld in artikel 4:18 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Op 22 juli 2013 heeft een comparitie plaatsgevonden.

Eiser is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Ter zitting heeft verweerder de stukken overgelegd. Eiser heeft, na kennis te hebben genomen van de ingediende stukken, bij brieven van 25 augustus 2013 gereageerd op de stukken. Bij brief van 28 augustus 2013 heeft eiser de rechtbank toestemming verleend de zaak zonder nadere zitting af te doen. Verweerder heeft die toestemming op 22 oktober 2013 telefonisch verleend. De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit geschil uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Bij brief van 28 oktober 2012 heeft gemachtigde Waals, namens eiser, verweerder op basis van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verzocht, naar aanleiding van de CJIB beschikking, hem documenten toe te sturen, waaruit blijkt in hoeverre de verhoging van de administratiekosten wordt veroorzaakt door de hogere kosten bij verweerder, zo mogelijk gesplitst naar kostensoort.

1.2

Op 26 november 2012 heeft gemachtigde Waals verweerder een brief gestuurd met de volgende inhoud:

Betreft: herhaling verzoek

Geachte heer/mevrouw,

Op 28 oktober deed ik u een verzoek om informatie omtrent de verhoging van administratiekosten. Daar heeft u ondanks het verstrijken van de termijn nog niet op beslist weshalve ik u ingebreke stel.

1.3

Bij brief van 3 december 2012, met kenmerk Y72054, heeft verweerder eiser meegedeeld dat zijn beroepschrift niet in behandeling kan worden genomen omdat eiser geen (of een onjuist) CJIB-nummer heeft vermeld. Verweerder heeft het beroepschrift aan de gemachtigde Waals retour gezonden.

1.4

Bij brief van 18 december 2012 heeft gemachigde Waals verweerder meegedeeld dat hij de brief van verweerder van 3 december 2012 voor kennisgeving aanneemt omdat het duidelijk voor verweerder moet zijn dat eiser niet heeft beoogd beroep in te stellen, maar een Wob-verzoek heeft ingediend dat duidelijk en helder is geformuleerd. Voorts heeft eiser verweerder aangespoord een besluit te nemen en wijst hij verweerder op de ingebrekestelling van 26 november 2012. Voorts heeft eiser verweerder meegedeeld dat verweerder hem een dwangsom is verschuldigd.

1.5

Bij besluit van 5 februari 2013 heeft verweerder een besluit genomen op de aanvraag van eiser van 28 oktober 2012. Verweerder heeft meegedeeld niet in het bezit te zijn van de gevraagde documenten en heeft het verzoek van eiser doorgestuurd.

1.6

Bij brief van 28 februari 2013 heeft gemachtigde Waals verweerder ingebreke gesteld vanwege het uitblijven van een dwangsombesluit naar aanleiding van de ingebrekestelling van 26 november 2012.

1.7

Bij brief van 15 maart 2013 heeft gemachtigde Niederer beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een dwangsombeschikking als bedoeld in artikel 4:18 van de Awb. De gemachtigde heeft de rechtbank verzocht de hoogte van de verbeurde dwangsom vast te stellen, verweerder te verplichten tot betaling van de dwangsom en van de wettelijke rente over de dwangsom, alsmede tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten.

2.

Wettelijk kader

2.1

Ingevolge artikel 4 van de Wob wordt de verzoeker indien het verzoek betrekking heeft op gegevens in documenten die berusten bij een ander bestuursorgaan dan dat waarbij het verzoek is ingediend, zo nodig naar dat orgaan verwezen. Is het verzoek schriftelijk gedaan, dan wordt het doorgezonden onder mededeling van de doorzending aan de verzoeker.

2.2

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wob beslist het bestuursorgaan zo spoedig mogelijk op het verzoek om informatie, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen.

2.3

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

2.4

Ingevolge artikel 6:12, eerste lid, van de Awb is indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, het niet aan een termijn gebonden.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het beroepschrift worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, én
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

2.5

Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch ten hoogste 42 dagen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30 per dag en de overige dagen € 40 per dag.

Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

Ingevolge het vijfde lid schort beroep tegen het niet tijdig geven van de beschikking de dwangsom niet op.

2.6

Ingevolge artikel 4:18 van de Awb stelt het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was.

3.

Nu verweerder bij brief van 5 februari 2013 een inhoudelijk besluit heeft genomen, richt het beroep zich uitsluitend tegen het uitblijven van een besluit over de dwangsommen.

3.1

Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat geen dwangsom is verbeurd omdat geen sprake is van een beschikking op aanvraag. De mededeling dat het verzoek is doorgestuurd naar het Centraal Justitieel Incasso Bureau (hierna: CJIB) is geen besluit als bedoeld in de Awb, zoals ook blijkt uit de uitspraak van deze rechtbank van 29 mei 2013 met zaaknummer 13/758. Er is slechts sprake van het opvolgen van een wettelijke verplichting en dus is sprake van een mededeling die niet is gericht op rechtsgevolg. Een mededeling als bedoeld in artikel 4 van de Wob is gelijk te stellen met een feitelijke handeling. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat ingevolge artikel 3 van de Wob het verzoek moet zien op informatie opgenomen in bestaande documenten. Het verzoek van eiser ziet op niet bestaande documenten. Verweerder verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: AbRvS) (ECLI:NL:RVS:2013:CA 2102), waaruit volgens verweerder blijkt dat de Wob niet van toepassing is op niet bestaande documenten.

3.2

De gemachtigde van eiser heeft ter zitting verwezen naar twee uitspraken (ECLI:NL:RVS:2002:AE8289 van de ABRS en ECLI:NL:RBROT:2013:BZ8575 van de rechtbank Rotterdam), waaruit blijkt dat de mededeling dat het document niet in het bezit is van het bestuursorgaan en daarom wordt doorgestuurd naar een ander bestuursorgaan gericht is op rechtsgevolg en derhalve als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb kan worden gekwalificeerd. Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat het CJIB en de CVOM organisatorisch zijn ondergebracht onder hetzelfde bestuursorgaan en dat dus geen sprake is van doorzending als bedoeld in artikel 4 van de Wob. Ook heeft eiser aangevoerd dat verweerder de uitspraak (ECLI:NL:RVS:2013:CA 2102) onjuist uitlegt omdat in die uitspraak de ABRS heeft bepaald dat de verplichting van een bestuursorgaan informatie aan te leveren niet zover reikt dat het bestuursorgaan nieuwe informatie moet genereren om aan het verzoek te kunnen voldoen, maar dat de ABRS niet heeft bepaald dat er in dat geval geen sprake van een Wob- aanvraag zou zijn.

3.3

De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn brief van 28 oktober 2012 verweerder heeft verzocht hem informatie te verstrekken op grond van de Wob. De rechtbank is van oordeel dat dit verzoek is te kwalificeren als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Wat betreft de stelling van verweerder dat geen sprake is van een Wob-aanvraag omdat de aanvraag ziet op informatie die niet is opgenomen in bestaande documenten en de Wob alleen van toepassing is op informatie neergelegd in bestaande documenten, overweegt de rechtbank het volgende. Uit de uitspraak van de ABRS (ECLI:NL:RVS:2013:CA 2102) blijkt dat de Wob van toepassing is op informatie neergelegd in bestaande documenten en de Wob geen verplichting bevat om gegevens te vervaardigen die niet in bestaande documenten zijn neergelegd, ongeacht de mate van inspanning. De rechtbank is van oordeel dat uit die uitspraak niet volgt dat dit de aard van de aanvraag verandert. Als het bestuursorgaan niet beschikt over een document waarin die informatie is vervat, kan het bestuursorgaan niet anders dan het verzoek afwijzen. In het besluit van 5 februari 2013 heeft verweerder eiser meegedeeld niet in het bezit te zijn van de gevraagde documenten en heeft het verzoek doorgestuurd naar het CJIB. De rechtbank is, met verwijzing naar de uitspraak van de ABRS (ECLI:NL:RVS:2002:AE8289), van oordeel dat de mededeling van verweerder dat hij niet in het bezit is van de gevraagde documenten is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het rechtsgevolg van die mededeling is het niet inwilligen van het verzoek om informatie. Reeds om die reden is de brief van 5 februari 2013 als besluit aan te merken. Of ook de mededeling dat het verzoek is doorgestuurd naar het CJIB gericht is op rechtsgevolg en dus als een besluit is aan te merken, kan daarom buiten beschouwing blijven. Uit het vorenstaande blijkt dat in dit geval sprake is van een beschikking op aanvraag waarop afdeling 4.1.3.2. van de Awb van toepassing is.

3.4

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep overweegt de rechtbank het volgende. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit staat pas beroep open wanneer het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat het bestuursorgaan een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

De rechtbank stelt vast dat verweerder bij besluit van 5 februari 2013 heeft beslist op het Wob-verzoek en dat verweerder daarmee niet binnen de in de Wob gestelde beslistermijn heeft beslist. Voorts heeft eiser bij brief van 26 november 2012 verweerder ingebreke gesteld vanwege het uitblijven van een besluit naar aanleiding van zijn Wob-verzoek.

3.5

Ter zitting heeft verweerder meegedeeld de brief van eiser van 26 november 2012, waarbij eiser verweerder ingebreke heeft gesteld vanwege het uitblijven van een besluit op zijn Wob-verzoek, niet te hebben ontvangen. De rechtbank stelt vast dat eiser bij zijn beroepschrift een faxbewijs heeft gevoegd, waaruit blijkt dat de verzending van die brief per fax op 26 november 2012 succesvol is verlopen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verweerder de brief van eiser van 26 november 2012 heeft ontvangen op 26 november 2012.

3.6

Uit de Awb en de jurisprudentie van de ABRS volgt dat een ingebrekestelling schriftelijk moet zijn en in beginsel vormvrij is. Daarbij is wel vereist dat voldoende duidelijk is op welk te nemen besluit de ingebrekestelling betrekking heeft. Voorts dient het bestuursorgaan te worden gemaand binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit te nemen en dat anders een dwangsom zal worden verbeurd indien het besluit niet binnen een redelijke termijn wordt genomen (zie onder andere de uitspraak van de AbRS van 5 december 2012, gepubliceerd onder LJN: BY5083).

3.7

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de brief van 26 november 2012 niet is te herleiden naar het Wob-verzoek. De rechtbank overweegt hiertoe dat eiser in die brief uitsluitend de datum van zijn Wob-verzoek heeft genoemd. Gelet op de brief van verweerder van 3 december 2012 waarbij het Wob-verzoek is teruggestuurd naar eiser, was het voor verweerder bij aanvang van het besluitvormingsproces niet duidelijk op welke informatie het Wob-verzoek betrekking had omdat een CJIB-nummer ontbrak en eiser in zijn Wob-verzoek zowel de naam: [A] noemt als de naam van eiser. Eiser heeft in reactie op de brief van verweerder bij brief van 18 december 2012 uitsluitend zijn verzoek herhaald en heeft niet duidelijk gemaakt op welke procedure zijn verzoek ziet, door bijvoorbeeld het CJIB-nummer te vermelden. De rechtbank is van oordeel dat eiser hierdoor het risico heeft genomen dat verweerder zijn aanvraag niet in behandeling heeft kunnen nemen. Door vervolgens in de brief van 26 november 2012 geen CJIB-nummer te vermelden of kenmerk van verweerder op te nemen, was die brief niet te herleiden naar het Wob-verzoek. Voorts stelt de rechtbank vast dat de ingebrekestelling een herhaling is van het eerder gedane verzoek en dat eiser slechts heeft meegedeeld dat door het verstrijken van de termijn verweerder in ingebreke is. De rechtbank is van oordeel dat uit die brief niet valt af te leiden dat eiser daarmee verweerder heeft willen manen binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit op het verzoek te nemen of dat aanspraak op een dwangsom zal worden gemaakt, indien dat besluit niet binnen een redelijke termijn wordt genomen. De brief van 26 november 2012 kan dan ook niet worden aangemerkt als een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid onder b, van de Awb.

Hierbij acht de rechtbank nog het volgende van belang. De gemachtigden van eiser zijn professionele rechtsbijstandverleners. Een professioneel rechtsbijstandverlener die bij een bestuursorgaan wil aandringen op een voortvarende besluitvorming kan weten, dat die voortvarendheid wordt bevorderd door het vermelden van een referentienummer van het bestuursorgaan. Eens temeer geldt dat in het geval als het onderhavige, waarin die rechtsbijstandverleners zich ten opzichte van het bestuursorgaan positioneren als repeat players. Gelet op de grote hoeveelheid zaken die bij verweerder lopen en de grote hoeveelheid brieven die verweerder ontvangt, kan immers niet worden volgehouden dat met het vermelden van de datum van het verzoek voldoende duidelijk is gemaakt op welk te nemen besluit de ingebrekestelling betrekking heeft.

Gelet op het voorgaande is geen sprake van een rechtsgeldige ingebrekestelling en dient het beroep niet ontvankelijk te worden verklaard. Hieruit vloeit voort dat verweerder niet in gebreke was te beslissen op de aanvraag van 28 oktober 2012. Gelet op het bepaalde in artikel 4:17, eerste lid, van de Awb heeft verweerder geen dwangsommen verbeurd.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Meijer, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. Platenburg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2013.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.