Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:14374

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-10-2013
Datum publicatie
29-10-2013
Zaaknummer
AWB 13/5116 en AWB 13/15538
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beroepen tegen intrekking verblijfsvergunning en tegen afwijzing van aangevraagde wijziging beperking; artikel 13 van Besluit 1/80 (standstill bepaling)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 13/5116 en AWB 13/15538

V-nummer: [nummer 1]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[naam 1], eiser,

gemachtigde: mr. E. Köse,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder,

gemachtigde: mr. P.M.W. Jans.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld (met nummer 13/5116) tegen het besluit van verweerder van 30 januari 2013 inzake de intrekking van zijn verblijfsvergunning (het intrekkingsbesluit). Eiser heeft voorts beroep ingesteld (met nummer 13/15538) tegen het besluit van 23 mei 2013 inzake de afwijzing van zijn aanvraag om wijziging van de beperking en om verlenging van deze verblijfsvergunning (het afwijzingsbesluit).

De behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden op 30 september 2013. Eiser is ter zitting verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Eiser is geboren op [geboortedag]1983 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser is bij besluit van verweerder van 1 april 2011 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking ‘verblijf bij echtgenote[naam 2]’, geldig van 28 maart 2011 tot 28 maart 2012. Op 6 december 2011 heeft eiser een aanvraag ingediend tot wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunning in ‘arbeid in loondienst’ en tot verlenging van deze vergunning. Bij besluit van 29 december 2011 heeft verweerder de verleende verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot 20 oktober 2011. Bij besluit van 10 januari 2013 heeft verweerder de aanvraag tot wijziging van de beperking en verlening van de vergunning afgewezen.

2.

Bij het intrekkingsbesluit en het afwijzingsbesluit heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd en de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder het standpunt ingenomen dat uit de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie is gebleken dat eiser zich per 20 oktober 2011 op een ander adres heeft ingeschreven dan zijn echtgenote. Verweerder concludeert daaruit dat het huwelijk van eiser feitelijk per genoemde datum is verbroken en trekt de vergunning met terugwerkende kracht in nu niet meer wordt voldaan aan de beperking. Verweerder acht terugwerkende kracht mogelijk en verwijst daartoe naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 26 maart 2007 (hierna: de Afdeling; vindplaats JV 2007/255). Verweerder is van mening dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een zoekjaar, noch voor voortgezet verblijf op grond van artikel 7.2b van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000). Verweerder stelt dat er geen sprake is van een nieuwe beperking en dat het besluit daarom niet is strijd is met artikel 13 van het Besluit nr. 1/80 van de associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de EEG en Turkije (hierna: Besluit 1/80).

3.

Eiser heeft onder meer aangevoerd dat het beleid en de hogere regelgeving in strijd zijn met artikel 13 van Besluit 1/80. Eiser stelt dat hij sinds zijn verblijf in Nederland tot op heden steeds arbeid heeft verricht.

4.

Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder beperkingen verleend, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Daarbij is bepaald dat aan de vergunning voorschriften kunnen worden verbonden.

Ingevolge artikel 19, gelezen in samenhang met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden ingetrokken indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden.

In artikel 3.31b van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000), zoals dat gold ten tijde van het intrekkingsbesluit en het afwijzingsbesluit, is bepaald dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst in Nederland kan worden verleend aan de vreemdeling op wie artikel 13 van Besluit 1/80 van toepassing is, indien:

a. diens huwelijk of geregistreerd partnerschap met een hoofdpersoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht na drie jaar is ontwricht of ontbonden;

b. de vreemdeling op grond van dat huwelijk of geregistreerd partnerschap was toegelaten, en

c. de vreemdeling één jaar direct voorafgaande aan ontwrichting van het huwelijk of geregistreerd partnerschap rechtmatig verblijf had als bedoeld in artikel 8, onder a, van de Wet.

Artikel 3.51, zevende lid, van het Vb 2000, zoals dat gold ten tijde van het intrekkingsbesluit en het afwijzingsbesluit, luidt als volgt.

De vergunning onder de beperking verband houdend met voortgezet verblijf kan voorts worden verleend aan de vreemdeling op wie artikel 13 van Besluit 1/80 van toepassing is, indien:

a. aan hem de in artikel 3.31b bedoelde vergunning is verleend en hij uiterlijk op het moment waarop de geldigheidsduur van die vergunning verstrijkt, beschikt over een arbeidsplaats voor nog een jaar waarmee hij zelfstandig en duurzaam voldoende middelen van bestaan als bedoeld in de artikelen 3.73 tot en met 3.75 verwerft, of

b. hij drie jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming met een persoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht, en is voldaan aan de voorwaarden voor het verlengen van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning.

Artikel 7.2b van het VV 2000, zoals dat gold ten tijde van het intrekkingsbesluit, luidt als volgt.

1.

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, kan onder een beperking verband houdend met het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst worden verleend aan de vreemdeling die verblijfsrecht ontleent aan het Besluit nr. 1/80 en wiens huwelijk met een persoon met een niet-tijdelijk verblijfsrecht na drie jaar is ontwricht of ontbonden, indien de vreemdeling op grond van dat huwelijk was toegelaten en één jaar direct voorafgaande aan de ontwrichting van het huwelijk rechtmatig verblijf had als bedoeld in artikel 8, onder a, van de Wet.

2.

De verblijfsvergunning wordt verleend voor de duur van ten hoogste één jaar, te berekenen vanaf de datum van verbreking of ontwrichting van het huwelijk maar niet eerder dan de datum van de aanvraag, of zoveel langer als de vreemdeling wegens het ontbreken van een verblijfsvergunning geen toegang tot de arbeidsmarkt had. De geldigheidsduur ervan wordt niet verlengd.

3.

De verblijfsvergunning kan worden gewijzigd in een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf, indien de vreemdeling uiterlijk op het moment waarop de geldigheidsduur verstrijkt, beschikt over een arbeidsplaats voor nog een jaar waarmee hij zelfstandig en duurzaam voldoende middelen van bestaan als bedoeld in de artikelen 3.73 tot en met 3.75 van het Besluit verwerft.

Ingevolge artikel 13 van het Besluit 1/80 mogen de lidstaten van de Gemeenschap en Turkije geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn (ook genoemd: de standstillbepaling).

De rechtbank oordeelt als volgt.

5.

Uit de ter zitting door de partijen ingenomen standpunten leidt de rechtbank af dat niet in geschil is dat eiser en zijn echtgenote sinds 20 oktober 2011 niet meer samenwonen. Daarmee wordt naar het oordeel van de rechtbank niet meer voldaan aan de beperking ‘verblijf bij echtgenote’. Verweerder heeft de verblijfsvergunning onder deze beperking dan ook terecht per 20 oktober 2011 ingetrokken. Het intrekkingsbesluit omvat echter mede een beslissing over voortgezet verblijf vanaf deze datum. Eiser heeft procesbelang bij een rechtsoordeel over deze beslissing, nu de aanvraag om wijziging van de beperking in arbeid in loondienst, die dateert van 6 december 2011, niet kan leiden tot een vergunning die vóór de aanvraagdatum ingaat.

6.

Ter beoordeling staat vervolgens of verweerder terecht tot de conclusie is gekomen dat eiser niet in aanmerking komt voor (voortgezet) verblijf onder een andere beperking.

7.

De rechtbank stelt vast dat het huwelijk van eiser met[naam 2], gesloten op 16 juli 2010, ten tijde van de feitelijke verbreking, 20 oktober 2011, nog geen drie jaar heeft geduurd. Bovendien is er niet gedurende één jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de verbreking, sprake geweest van rechtmatig verblijf in Nederland. Deze vaststelling heeft tot gevolg dat eiser niet rechtstreeks aan het nationale recht (artikel 3.31b van het Vb 2000 en artikel 7.2b van het VV 2000) een recht op verblijf onder een beperking verband houdend met het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst kan ontlenen. Evenmin kan eiser aan het nationale recht aanspraken ontlenen op voortgezet verblijf onder een andere beperking.

8.

Niet in geschil is dat eiser de Turkse nationaliteit heeft en gedurende het tijdvak van zijn rechtmatig verblijf hier te lande, dus de periode van 28 maart 2011 tot 20 oktober 2011, arbeid in loondienst heeft verricht. Daarmee valt eiser naar het oordeel van de rechtbank onder het toepassingsbereik van Besluit 1/80. De rechtbank komt daarom toe aan de beoordeling of het niet toestaan van (voortgezet) verblijf onder de beperking verband houdend met het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst, dan wel onder een andere beperking, is aan te merken als een nieuwe beperking, als bedoeld in de standstillbepaling van Besluit 1/80.

9.

De rechtbank ontleent aan de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2009, JV 2009/362, die heeft geleid tot de prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaken Toprak en Oguz van 9 december 2010, C-300/09 en C-301/09, LJN: BO7851, de volgende weergave van het beleid van verweerder. Het beleid van verweerder voor voortgezet verblijf na verbreking van het huwelijk is met de inwerkingtreding van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 1982, op 1 februari 1983, versoepeld. De hoofdregel van het op 1 december 1980 gevoerde beleid was dat een vreemdeling na feitelijke verbreking van het huwelijk slechts voor voortgezet verblijf in aanmerking kon komen indien het huwelijk ten minste drie jaar had standgehouden. Op deze hoofdregel bestond op 1 december 1980 één uitzondering: indien sprake was van klemmende redenen van humanitaire aard kon ook bij een kortere huwelijksperiode voortgezet verblijf worden toegestaan. Op 1 februari 1983 trad een tweede uitzondering op de hoofdregel in werking: indien een vreemdeling voldeed aan de vereisten voor toelating voor een ander doel, kon eveneens voortgezet verblijf worden toegestaan. Deze laatste uitzondering (de versoepeling) is op 1 april 2001, bij de inwerkingtreding van de Vc 2000, komen te vervallen.

10.

De rechtbank is van oordeel dat het vervallen op 1 april 2001 van de hiervoor beschreven tweede uitzondering op de hoofdregel over voortgezet verblijf, is aan te merken als een ‘nieuwe beperking’ in de zin van artikel 13 van Besluit 1/80. Verweerder heeft echter noch in het intrekkingsbesluit, noch in het afwijzingsbesluit een beoordeling gemaakt of eiser op grond van het in de Vc 1982 geldende beleid – en dus met name: de tweede uitzondering zoals hiervoor beschreven – in aanmerking kon komen voor voortgezet verblijf. Beide bestreden besluiten zijn daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.

11.

Gelet op het vorenstaande dienen de beroepen gegrond te worden verklaard en dienen het intrekkingsbesluit en het afwijzingsbesluit wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd. Nu verweerder de onder 10 vermelde beoordeling nog dient te maken, ziet de rechtbank geen ruimte om zelf in de zaak te voorzien, als bedoeld in artikel 8:72, derde lid, van de Awb.

12.

De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank merkt de beroepen niet aan als samenhangende zaken, nu er geen sprake is van (nagenoeg) gelijktijdige beroepen tegen nagenoeg identieke besluiten, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het te vergoeden bedrag wordt op grond van dit besluit vastgesteld op € 1416 (2 punten voor twee beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 472, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het intrekkingsbesluit van 30 januari 2013 en het afwijzingsbesluit van 23 mei 2013;

- bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 320 (driehonderdtwintig euro) aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 1416 (veertienhonderdzestien euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op: 17 oktober 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.