Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:14369

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-09-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
VK-13_7851
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Somalië, feitelijke gezinsband aannemelijk ondanks korte duur huwelijk

Nareis. Feitelijke gezinsband. Gearrangeerd huwelijk, gesloten kort voor vertrek referente uit land van herkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 13/7851

V-nummers: [nummer 1]en [nummer 2]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[naam 1], eiser 1,

mede namens zijn minderjarige pleegkind [naam 2], eiser 2,

gezamenlijk te noemen: eisers,

gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark,

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. J.M. van der Leeuwe-Hokke.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 maart 2013 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 23 mei 2013. [naam 3](hierna: referente) is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A. Mahamed, tolk in de Somalische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten. De termijn voor het doen van uitspraak is tweemaal verlengd.

Overwegingen

1.

Eiser 1, de gestelde echtgenoot van referente, heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag 1]1981 en de Somalische nationaliteit te bezitten. Eiser 2, de gestelde pleegzoon en neef van referente (zoon van haar overleden zus), heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag 2]1997 en ook de Somalische nationaliteit te bezitten.
Referente, eveneens van Somalische nationaliteit, is in het bezit van een verblijfsvergunning asielvoor bepaalde tijd voor de periode van 24 februari 2009 tot 29 februari 2014.

2.

Op 17 november 2011 hebben eisers bij de Nederlandse vertegenwoordiging van verweerder te Addis Abeba, Ethiopië, verzocht om afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) in het kader van gezinshereniging met referente. Op 25 juli 2012 zijn op de Nederlandse ambassade te Addis Abeba aan eisers identificerende vragen gesteld om hun identiteit en de gestelde gezinsband met referente te kunnen vaststellen. Bij beschikking van 12 november 2012 heeft verweerder de aanvraag van eisers afgewezen.

3.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eisers daartegen ongegrond verklaard. Betrokkenen hebben niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een feitelijke gezinsband tussen hen ten tijde van het vertrek van referente uit haar land van herkomst, aldus verweerder. Eiser 1 en referente waren ten tijde van haar vertrek slechts één week getrouwd. Evenmin is aannemelijk dat referente de pleegouder was van eiser 2, haar neef [naam 2]. Tot de dood van de vader van referente was haar vader immers belast met het gezag over [naam 2] en referente is kort na de moord op haar vader gevlucht, waardoor de neef niet is gaan behoren tot haar gezin. Verder heeft [naam 2] vage verklaringen afgelegd over zijn grootvader, hoewel hij jarenlang met hem in hetzelfde huis gewoond heeft. Verweerder betwist ten slotte dat de identificerende gehoren niet zorgvuldig zijn afgenomen en wijst er in dit verband op dat de hoormedewerkers ervaren interviewers zijn en dat gekwalificeerde tolken worden ingezet.

4.

Eisers beroepen zich op artikel 8 en artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 10 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) en artikel 23 van de Kwalificatierichtlijn. De criteria voor de toelating van gezinsleden van reguliere vreemdelingen en die van asielstatushouders zijn verschillend. Voor gezinsleden van asielstatushouders worden strengere criteria gehanteerd. Er is sprake van een feitelijke gezinsband met eiser 1, er immers een huwelijksakte overgelegd die aantoont dat het een wettig huwelijk betreft. Eisers betwisten dat er sprake is van tegenstrijdigheden in de afgelegde verklaringen. Verder is referente als pleegouder van haar neef aan te merken als gevolg van de plotselinge dood van haar vader. Zij wijst erop dat zij zorgtaken voor hem op zich genomen heeft. Eisers hebben tot slot aangevoerd dat de identificerende gehoren onzorgvuldig afgenomen zijn, wat eventuele onduidelijkheden verklaart.


5. Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat, voor zover eiser zich beroept op artikel 8 van het EVRM, eiser alsnog een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan indienen. In het kader van eisers beroep op artikel 10 van het IVRK is verweerder van mening dat de belangen van het betrokken kind op zorgvuldige wijze bij de beoordeling zijn betrokken. Ten slotte kan uit artikel 23 van de Kwalificatierichtlijn niet afgeleid worden dat dit zou moeten leiden tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel.

6.

Ingevolge artikel 72, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) wordt een beschikking omtrent de afgifte van een visum, waaronder begrepen een mvv, voor de toepassing van afdeling 2 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000, bevattende bepalingen over bezwaar en beroep inzake reguliere verblijfsvergunningen, gelijkgesteld met een beschikking gegeven krachtens de Vw 2000.

Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000, bepaalt dat een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend aan de vreemdeling, die als echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind feitelijk behoort tot het gezin van de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, die dezelfde nationaliteit heeft als die vreemdeling en gelijktijdig met deze vreemdeling Nederland is ingereisd dan wel is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend.

Het beleid met betrekking tot voornoemde afgeleide verblijfsvergunning is uiteengezet in hoofdstuk C2/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (verder: Vc 2000). Daarin staat onder meer dat de gezinsleden, om voor verblijf in aanmerking te komen, tot aan het vertrek van de hoofdpersoon (de referent) uit het land van herkomst feitelijk dienen te hebben behoord tot diens gezin. De bewijslast daarvoor ligt bij de hoofdpersoon.

De rechtbank oordeelt als volgt.

7.

In geschil is of verweerder tot het standpunt kon komen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij feitelijk tot het gezin van referente behoorden ten tijde van haar vertrek uit Somalië.

8.

Anders dan eisers hebben aangevoerd is er geen grond voor het oordeel dat verweerder geen gebruik heeft mogen maken van de rapporten van de identificerende gehoren van eisers, die plaatsvonden op 25 juli 2012 op de ambassade in Addis Abeba. Dat de gehoorambtenaren Engels spraken met een Somalische tolk en de in het Engels gegeven antwoorden van eisers in het Nederlands hebben vertaald, hoeft aan de zorgvuldigheid geen afbreuk te doen. Verweerder heeft aangevoerd dat de gehoormedewerkers op de ambassade zijn getraind in het houden van interviews en dat zij op grond van hun internationale werkzaamheden en contacten in staat kunnen worden geacht op deugdelijke wijze van het Engels naar het Nederlands te vertalen. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit gesteld dat rekening is gehouden met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van eiser 2 door het stellen van eenvoudige vragen, het houden van pauzes en het beperken van de duur van de gesprekken. De rechtbank is, mede gelet op de tekst van de gehoorverslagen, van oordeel dat daarmee voldoende is onderbouwd dat de gehoren zorgvuldig zijn geweest. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer de uitspraak van 6 februari 2013, LJN: CA3717).

9.

Ter beoordeling staat vervolgens of verweerder op basis van de verslagen van de identificerende gehoren en van de verklaringen van referente in haar asielprocedure en tijdens de hoorzitting in bezwaar tot het standpunt heeft kunnen komen dat de verklaringen zodanig vaag en tegenstrijdig zijn dat de gezinsband van eisers met referente niet aannemelijk is gemaakt.

Ten aanzien van [naam 1] (eiser 1).

10.

Volgens het hiervoor aangehaalde beleid van verweerder, neergelegd in hoofdstuk C2/6 van de Vc 2000, is een belangrijke indicatie voor het vaststellen van een gezinsband dat betrokkenen ook daadwerkelijk hebben samengewoond in het land van herkomst. Het niet hebben samengewoond is geen absolute afwijzingsgrond. De vreemdeling moet echter wel een aannemelijke verklaring hebben voor de omstandigheid dat hij weliswaar gehuwd was, maar dat er geen sprake was of kon zijn van daadwerkelijke samenwoning. Niet in geschil is dat sprake is van een huwelijk tussen eiser 1 en referente. Dat dit huwelijk gearrangeerd is, doet niet aan de geldigheid ervan af. Verweerder heeft in onderhavige procedure de aanleiding voor het gearrangeerde huwelijk, te weten de bedreigingen aan het adres van referente en vervolgens de moord op haar vader, niet in twijfel getrokken, evenmin als het vertrek van referente de volgende dag met hulp van een vriend van haar vader en haar vlucht uit het land van herkomst een week later. Naar het oordeel van de rechtbank hebben betrokkenen daarmee uitleg gegeven voor de korte duur (ongeveer een week) van hun huwelijk. Verweerder heeft daarom met de verwijzing naar de korte duur van dat huwelijk onvoldoende gemotiveerd dat de feitelijke gezinsband tussen eiser 1 en referente niet aannemelijk is gemaakt.


11. Het beroep van eiser 1 is gegrond en het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op eiser 1, zal worden vernietigd, wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht omdat het ondeugdelijk is gemotiveerd.

12.

Er is, gelet op het vorenstaande aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten van eiser 1, Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 944 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1).

Ten aanzien van [naam 2] (eiser 2).

13.

De rechtbank is van oordeel dat eiser 2 vage en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Zo verklaart hij in eerste instantie na het overlijden van zijn ouders bij zijn tante (referente) gewoond te hebben, maar later dat ook zijn grootvader - de gedode vader van referente - bij hen woonde. Hij kan desgevraagd niet verklaren of referente werkte. Referente en eiser 1 hebben verklaard dat de ouders van [naam 2] in 2007 zijn omgekomen toen eiser 10 jaar oud was, maar eiser 2 stelt desgevraagd geen enkele herinnering te hebben aan zijn vader, wat de rechtbank, gelet op de leeftijd van eiser 2 niet aannemelijk voorkomt. Nadat referente het land van herkomst is ontvlucht, is betrokkene opgevangen door zijn oom [naam 1] (eiser 1) en heeft hij enkele jaren bij hem gewoond. Desondanks kan hij niet aangeven of zijn oom werkte. Dat betrokkene zijn oom nooit gevraagd zou hebben of hij werkte omdat dit een privézaak zou zijn, komt de rechtbank evenmin aannemelijk voor.

14.

Gelet op het vorenstaande kon verweerder naar het oordeel van de rechtbank tot het standpunt komen dat eiser 2 niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij tot het vertrek van referente uit Somalië tot het gezin van referente heeft gehoord.

15.

De grond van eisers dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM, artikel 10 van het IVRK, artikel 23 van richtlijn 2004/83/EG en de slotakte van het Vluchtelingenverdrag, treft geen doel. Aan artikel 8 van het EVRM komt maar een beperkte betekenis toe in het kader van de beoordeling in het licht van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000. Dit laat de mogelijkheid onverlet om toelating op reguliere gronden te vragen. Naar het oordeel van de rechtbank is in zoverre ook geen sprake van een niet toegelaten onderscheid als bedoeld in artikel 14 van het EVRM. Voor het overige hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat in het bestreden besluit onvoldoende rekening is gehouden met de rechten die aan minderjarige kinderen toekomen.

16.

Het beroep van eiser 2 is ongegrond.

17.

Er is geen aanleiding voor een (afzonderlijke) veroordeling in de proceskosten van eiser 2.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van eiser 1 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op eiser 1;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met betrekking tot eiser 1, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser 1 ad € 944 (negenhonderdvierenveertig euro) te betalen aan eiser 1;

- verklaart het beroep van eiser 2 ongegrond;

- bepaalt dat verweerder het door eiser 1 betaald griffierecht, ad € 160 (honderdzestig euro), aan eiser 1 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 september 2013.

De griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.