Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:14352

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
19-11-2013
Zaaknummer
C-09-435160 - HA ZA 13-75
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gevoegde zaken - geschil over verloop erfgrens, eiser heeft zijn recht verwerkt om nog een beroep te doen op een bepaling uit een notariële akte uit 1946. Beide partijen hebben de kadastrale grensaanwijzing van 1977 tot zeker 2010 beschouwd als de erfgrens tussen de percelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

Vonnis van 23 oktober 2013

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/09/435156 / HA ZA 13-73 van

[A],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

gedaagde in reconventie,

advocaat mr. B.J. de Deugd te Nieuwerkerk aan den IJssel,

tegen

[B],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. drs. G. van der Wende te Rotterdam,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/09/435158 / HA ZA 13-74 van

[A],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. B.J. de Deugd te Nieuwerkerk aan den IJssel,

tegen

[B],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. drs. G. van der Wende te Rotterdam,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/09/435160 / HA ZA 13-75 van

[A],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. B.J. de Deugd te Nieuwerkerk aan den IJssel,

tegen

[B],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. drs. G. van der Wende te Rotterdam,

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1 De procedure in de zaak 13-73

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 11 januari 2012, met vijf producties;

- de voorwaardelijke conclusie van antwoord tevens voorwaardelijke eis in reconventie, met 32 producties;

- de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident tevens houdende processuele conclusie van repliek in conventie en processuele conclusie van antwoord in reconventie;

- het tussenvonnis in het incident van 7 juni 2012, waarbij de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Gouda een comparitie van partijen heeft gelast;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 3 juli 2012;

- de akte voortzetten procedure van de zijde van [A];

- de brief van 31 oktober 2012 van de zijde van [B];

- het vonnis in incident van 6 december 2012 en de daarin genoemde stukken, waarbij de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Gouda [NB hier mogelijk mee beginnen want in dit tussenvonnis staan al alle voorgaande processtukken opgesomd] de zaak heeft verwezen naar de rolzitting van 16 januari 2013 van Team handel van deze rechtbank;

- de brief van de rechtbank van 8 maart 2013 waarbij aan partijen een kopie van het proces-verbaal van de comparitie van partijen d.d. 3 juli 2012 is toegezonden;

- de brief van 19 maart 2013 van mr. B.J. de Deugd;

- de brief van 22 maart 2013 van mr. G. van der Wende;

- de brief van de rechtbank van 27 maart 2013;

- de ambtshalve beschikking van 11 april 2013, waarbij een comparitie van partijen ter plaatse is gelast;

- de akte indienen van processtukken van de zijde van [B], met vijf producties;

- de akte indienen van nadere processtukken van de zijde van [B], met acht producties;

- het proces-verbaal van de comparitie ter plaatse van 27 juni 2013.

1.2.

[A] en [B] hebben bij brieven van 22 maart 2013 ([A]) en 27 maart 2013 ([B]) gereageerd op het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 3 juli 2012. De gemaakte opmerkingen en aanvullingen geven de rechtbank geen aanleiding tot aanpassing van het proces-verbaal.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De procedure in de zaak 13-74

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 15 maart 2012, met 9 producties;

- de voorwaardelijke conclusie van antwoord, met vier producties;

- het tussenvonnis in het incident van 7 juni 2012, waarbij de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Gouda een comparitie van partijen heeft gelast;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 3 juli 2012;

- de akte voortzetten procedure van de zijde van [A];

- de brief van 31 oktober 2012 van de zijde van [B];

- het vonnis in incident van 6 december 2012 en de daarin genoemde stukken, waarbij de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Gouda de zaak heeft verwezen naar de rolzitting van 16 januari 2013 van Team handel van deze rechtbank;

- de brief van 19 maart 2013 van mr. B.J. de Deugd;

- de brief van 22 maart 2013 van mr. G. van der Wende;

- de brief van de rechtbank van 27 maart 2013;

- de ambtshalve beschikking van 11 april 2013, waarbij een comparitie van partijen ter plaatse is gelast;

- de akte indienen van processtukken van de zijde van [B], met vijf producties;

- de akte indienen van nadere processtukken van de zijde van [B], met acht producties;

- het proces-verbaal van de comparitie ter plaatse van 27 juni 2013.

2.2.

[A] en [B] hebben bij brieven van 22 maart 2013 ([A]) en 27 maart 2013 ([B]) gereageerd op het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 3 juli 2012. De gemaakte opmerkingen en aanvullingen geven de rechtbank geen aanleiding tot aanpassing van het proces-verbaal.

2.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

3 De procedure in de zaak 13-75

3.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 18 april 2012, met drie producties;

- de voorwaardelijke conclusie van antwoord;

- het tussenvonnis in het incident van 7 juni 2012, waarbij de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Gouda een comparitie van partijen heeft gelast;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 3 juli 2012;

- de akte voortzetten procedure van de zijde van [A];

- de brief van 31 oktober 2012 van de zijde van [B];

- het vonnis in incident van 6 december 2012 en de daarin genoemde stukken, waarbij de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Gouda de zaak heeft verwezen naar de rolzitting van 16 januari 2013 van Team handel van deze rechtbank;

- de brief van 19 maart 2013 van mr. B.J. de Deugd;

- de brief van 22 maart 2013 van mr. G. van der Wende;

- de brief van de rechtbank van 27 maart 2013;

- de ambtshalve beschikking van 11 april 2013, waarbij een comparitie van partijen ter plaatse is gelast;

- de akte indienen van processtukken van de zijde van [B], met vijf producties;

- de akte indienen van nadere processtukken van de zijde van [B], met acht producties;

- de akte vermindering van eis van de zijde van [A], met één productie;

- het proces-verbaal van de comparitie ter plaatse van 27 juni 2013.

3.2.

[A] en [B] hebben bij brieven van 22 maart 2013 ([A]) en 27 maart 2013 ([B]) gereageerd op het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 3 juli 2012. De gemaakte opmerkingen en aanvullingen geven de rechtbank geen aanleiding tot aanpassing van het proces-verbaal.

3.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

4 De feiten

4.1.

[A] is sinds 15 juni 1989 eigenaar van het perceel gelegen aan de [adres 1] te [woonplaats] (hierna: het [perceel 1]). [B] is sinds 4 mei 1992 eigenaar van het aangrenzende perceel [adres 2] te [woonplaats] (hierna: het [perceel 2]).

4.2.

De percelen [perceel 1] en [perceel 2] behoorden vanaf 9 november 1915 in eigendom toe aan de heer [C](hierna: [C]) en vanaf diens overlijden in 1939 aan zijn vrouw [D] (hierna: [D]).

4.3.

In 1933 huurde de heer [E] van [C] de woning op [perceel 2]. [C], [D] en [E] hebben op 3 juli 1933 een overeenkomst gesloten die is neergelegd in een notariële akte, waarin – voor zover relevant – het volgende is opgenomen:

“De ondergeteekende [E] heeft het recht om na overlijden van de ondergeteekenden [C]en [D] van hunne erfgenamen te koopen: het huis, plaatselijk bekend [perceel 2], met schuur, werkplaats, erf, tuin en verder aanbehooren, te [woonplaats], aan de [straat], kadastraal bekend: gemeente [woonplaats]: [sectie]; [nr. 2 oud], groot 6 aren 71 centiaren.

(…)

Indien de in het jaar negentienhonderd drie en dertig door [B] gestichte werkplaats niet geheel op het gemelde kadastrale perceel [nr. 2 oud] staat [lees: het [perceel 2], toevoeging rechtbank], maar ook gedeeltelijk op het aan den ondergeteekende [C]toebehoorende kadastrale perceel [nr. 1 oud] van [sectie] der gemeente [woonplaats] [lees: het [perceel 1], toevoeging rechtbank], zal onder voorgeschreven recht van koop ook zijn begrepen het gedeelte van laatstgemelde kadastrale perceel waarop die werkplaats zich bevindt, zonder dat dit eenige aanleiding zal geven tot verhooging van de gemelde koopsom van drie duizend gulden (…)”

4.4.

In 1935 is op de percelen [perceel 1] en [perceel 2] een afwateringsgoot aangelegd.

4.5.

Bij notariële akte, verleden op 9 september 1946, heeft [D] het [perceel 1] in eigendom overgedragen aan de heer [F] (hierna: [F]). Op dezelfde datum heeft [D] het [perceel 2] in eigendom overgedragen aan [E].

4.6.

Eveneens op 9 september 1946 hebben [F] en [B] een overeenkomst gesloten die is neergelegd in een notariële akte, waarin onder meer is opgenomen:

“in aanmerking nemende:

(…)

dat de grensscheiding tusschen deze beide perceelen [lees: het [perceel 1] en het [perceel 2], toevoeging rechtbank] niet op het terrein is aangegeven en er omtrent de strekking van het kadastrale perceel [nr. 1 oud] [lees: het [perceel 1], toevoeging rechtbank] aan de noordzijde en van het kadastrale perceel [nr. 2 oud] [lees: het [perceel 2], toevoeging rechtbank] aan de zuidzijde onzekerheid bestaat, verklaren – voor het geval bij nadere opmeting vanwege het kadaster mocht blijken, dat de kadastrale grens niet overeenstemt met de begrenzing zoals de ondergeteekenden die hebben gesteld en bedoeld – het volgende zijn overeengekomen:

Het strookje grond waarop de afwateringsgoot langs de noordzijde van het tot het kadastrale perceel [nr. 1 oud] behoorende erf, is en blijft eigendom van den ondergeteekende [F], met dien verstande dat het op dat strookje grond staande gedeelte van de door den ondergeteekende [B] gestichte en als werkplaats gebruikt wordende loods eigendom is en blijft van den ondergeteekende [B]. De ondergeteekenden verklaren, zoo voor zich als voor hunne erven en rechtverkrijgenden, mitsdien verplicht te zijn om de noodige overdrachten, tot deze grensregeling, zooals die door ondergeteekenden is bedoeld, tot stand te brengen en daartoe mede te werken voor het geval de opmeting vanwege het kadaster een ander resultaat mocht opleveren dan door de ondergeteekenden blijkens het vorenstaande is gesteld en bedoeld en tusschen hen is overeengekomen.”

4.7.

Vanaf 1 oktober 1946 huurde de heer [G], de vader van [A], de woning gelegen op [perceel 1] van [F]. Vanaf 5 september 1968 was [G] eigenaar van [perceel 1].

4.8.

Van 29 november 1972 tot 4 mei 1992 was de heer [H] eigenaar van [perceel 2].

4.9.

In 1977 is de sloot die zich bevond op het erf van [perceel 2] en bedoeld was voor lozing van afvalwater e.d. gedeeltelijk gedempt. De afvoer van de woningen van de percelen [perceel 1] en [perceel 2] en van het regenwater van de daken en van het verharde deel van de erven zijn vervolgens op het gemeenteriool aangesloten. Deze riolering was in 1976 in de [straat] aangelegd.

4.10.

Op 6 september 1977 zijn de kadastrale grenzen van onder meer de percelen [perceel 1] en [perceel 2] in bijzijn van vijf bewoners van de [straat] en van een gemeenteambtenaar ([gemeenteambtenaar]) door iemand van het kadaster ([kadastermedewerker]) ingemeten en vastgelegd (hierna: de kadastrale grens). In het proces-verbaal van 6 september 1977 van aanwijzing staat – voor zover van belang – vermeld:

grensonderzoek heeft plaatsgehad met

Hr. [G] (…) eignr perc [nr. 1 oud]

Hr. [H] (…) eignr perc [nr. 2 oud]

Mw. [I] (…) namens echtgenoot Hr. [J] (…) eignr (…)

Mw. [K] (...) eignr (…)

Hr. [L] (…)

de grenzen aangewezen aan hr. [M] op 6 sept ’77 door hr. [gemeenteambtenaar] (gem. [woonplaats]).”

4.11.

Vrijwel tegen de werkplaats zoals bedoeld in 4.3 behorend bij [perceel 2] bevond zich op [perceel 1] een garage. De garage liep iets verder door dan de werkplaats. Na aanwijzing van de kadastrale grens heeft [H], de toenmalige eigenaar van [perceel 2], in 1977 een schutting met een afdeklat geplaatst. Deze schutting was geplaatst vanaf de garage van [A] en is in 1992 door [B] verlengd tot voorbij het einde van [perceel 1]. Dit gedeelte van de schutting heeft geen afdeklat.

4.12.

In 2006 heeft [A] de garage gesloopt. Hierdoor ontstond een gat tussen de werkplaats en de door [B] opgerichte schutting, aangezien de garage iets verder door liep dan de werkplaats. Dit ‘gat’ is kort daarna in opdracht van [B] met planken gedicht.

4.13.

In december 2009 en in maart 2010 is aan [A] een bouwvergunning verleend voor een nieuw te bouwen woning op [perceel 2]. Daartoe zouden ook de schutting en de werkplaats gesloopt worden.

4.14.

In de periode eind 2009 en begin 2010 had [A] plannen voor nieuwbouw op zijn perceel. Bij de door [B] overgelegde producties bevindt zich in dit verband een kaart van 6 januari 2006 afkomstig van een architectenbureau met daarop onder meer de kadastrale gegevens van de percelen [perceel 1] en [perceel 2] (productie 15 [B] in de zaak 13-73). Voorts bevindt zich tussen de door [B] overgelegde producties een bouwaanvraag tekening van 14 april 2010 in verband met een aanvraag voor een bouwvergunning voor een nieuw te bouwen opslag/berging op het [perceel 1] (productie 14 [B] in de zaak 13-73). Op deze tekening staat ook de locatie van de nieuw te bouwen opslag/berging getekend.

4.15.

Eind 2010 heeft [B] de op haar perceel geplaatste woning en de werkplaats gesloopt. In januari 2011 heeft [B] de schutting afgebroken.

4.16.

Omstreeks april/mei 2011 terwijl beide partijen bezig waren met uitvoering van de bouwplannen is tussen partijen discussie ontstaan over het verloop van de erfgrens die [perceel 1] en [perceel 2] scheidt. In die periode zijn heipalen geslagen op het perceel van [A] met het oog op de nieuw te bouwen schuur. Daarbij zijn op verzoek van [B] ook heipalen geslagen op haar perceel, deels op of nabij de grond van de gesloopte werkplaats, zulks voor het aan te brengen hekwerk.

4.17.

Eind mei 2011 heeft [B] een deel van het achtererf van haar perceel laten ophogen, teneinde het achtererf te betegelen en op de hoogte van de nieuw gebouwde woning te brengen.

4.18.

Bij aangetekende brief van 16 juni 2011 heeft mr. De Deugd namens [A] aan [B] bericht dat zij “met de voorgenomen plaatsing van de nieuwe erfafscheiding en het slaan van de heipaal eigendomsaanspraken van [A] schendt aangezien deze eigenaar is van het perceel tot aan de oude schutting.” [A] wijst erop “dat, indien de kadastrale erfgrens anders is dan de schutting, die kadastrale grens naar zijn mening onjuist is geregistreerd, dan wel niet op correcte wijze de eigendomssituatie weergeeft”. In de brief wordt [B] gesommeerd te bevestigen dat zij de bouwwerkzaamheden aan de erfafscheiding zal stopzetten, totdat overeenstemming is bereikt over de juiste ligging van de erfgrens.

4.19.

Bij brief van 24 juni 2011 heeft mr. J.C.A. Keulers, namens [B] en haar partner de heer [M], aan mr. De Deugd bericht dat – kort gezegd – uit onderzoek is gebleken dat de kadastrale grens de juiste grens is en dat [B] en [M] de bewuste heipaal op de door [A] aangegeven en besproken hoogte tussen de beide percelen hebben laten plaatsen.

4.20.

Op 2 juli 2011 heeft [A] – voor zover relevant – het volgende aan [B] bericht:

“Jullie kunnen uiteraard ophogen tot aan de noordzijde van genoemde bielzen voet.”

4.21.

Op 21 juli 2011 heeft mr. Keulers aan mr. De Deugd onder meer het volgende bericht:

“Namens cliënten verzoek ik om vóór 15 augustus 2011 een goed onderbouwde reactie te geven. Indien uw cliënt cliënten voor genoemde datum niet kan of wenst te overtuigen ten aanzien van ieder door hem ingenomen standpunt en daarvan geen bewijzen kan overleggen, dan zullen cliënten de werkzaamheden verder voortzetten conform plan en zal de erfafscheiding geplaatst worden binnen de kadastrale grens.”

4.22.

Op 16 augustus 2011 heeft [B] een nieuwe schutting laten plaatsen op de plaats waar volgens [B] de oude schutting stond en derhalve binnen de kadastrale grens.

4.23.

Op 23 augustus 2011 heeft [A] de nieuwe schutting van [B] afgebroken. Op diezelfde datum heeft [M] aangifte gedaan van vernieling.

4.24.

Bij de door [B] overgelegde producties bevindt zich een proces-verbaal van 23 augustus 2011 van een kandidaat-gerechtsdeurwaarder. Het bevat – kort gezegd – een verslag van het bezoek van de deurwaarder op de adressen [adres 1] en [adres 2] nadat de schutting door [A] was verwijderd.

4.25.

Op 1 september 2011 heeft in opdracht van [B] en [M] een grensonderzoek plaatsgevonden door twee medewerkers van het Kadaster, waarbij kort gezegd de erfgrens is uitgezet en de locatie van de gevels van de bebouwing aan de zijde van de erfgrens is ingemeten ten behoeve van de registratie in het Kadaster. Het proces-verbaal van 1 september 2010 bevat een verslag van de deurwaarder die bij dit onderzoek aanwezig was.

4.26.

Op 9 november 2011 hebben [B] en [M] in kort geding [A] gedagvaard en – kort samengevat – onder meer gevorderd [A] te gelasten te gehengen en te gedogen dat [B] een (tijdelijke) schutting opricht op de kadastrale grens tussen de percelen [perceel 1] en [perceel 2], althans op de plaats waar de schutting tot 23 augustus 2011 stond.

4.27.

Bij vonnis van 20 december 2011 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank als volgt beslist:

“gelast [A] om te gehengen en te gedogen dat [B] een schutting, althans erfafscheiding opricht met een hoogte van 2.0 meter, over de volledige lengte te plaatsen evenwijdig aan de nieuwe schutting die op 23 augustus 2011 is verwijderd, met dien verstande dat de thans op te richten schutting niet verder in de richting van het perceel van [A] wordt geplaatst dan waar de oude schuur en oude schutting stonden, te weten tegen de bielzen aan en overigens zoals is overwogen in rechtsoverweging 2.3;

verbiedt [A] wijzigingen te (doen) aanbrengen in het gedeelte van het perceel dat ten tijde van de aanwezigheid van de oude schuur en oude schutting feitelijk tot het perceel van [B] en [M] behoorde, met name tot het ongemoeid laten van de bestrating dan wel terreinverharding en beplanting;”

4.28.

Op 24 januari 2012 heeft mr. Van der Wende namens [B] per e-mail onder meer aan [A] bericht dat het vonnis van 20 december 2011 aan [A] is betekend, dat de beroepstermijn ongebruikt is verstreken en dat op korte termijn de schutting zal worden geplaatst.

4.29.

Na verdere correspondentie tussen partijen heeft mr. Van der Wende op 28 februari 2012 namens [B] per e-mail aan [A] bericht dat de schutting de volgende dag geplaatst zal worden.

4.30.

Op 29 februari 2012 heeft [B] twee schuttingen geplaatst.

4.31.

Bij brief van 1 maart 2012, betekend op 9 maart 2012 heeft [A] [B] onder meer bericht dat de onder 4.30 bedoelde schuttingen niet zijn geplaatst overeenkomstig de beslissing van de voorzieningenrechter van 20 december 2011 en [B] gesommeerd om deze schuttingen binnen 24 uur aan te passen aan de beslissing van de voorzieningenrechter.

4.32.

Bij e-mail van 1 april 2012 heeft [A] het volgende aan mr. Keulers bericht:

“[B] weigert lering te trekken uit het vonnis in kort geding van 20 december 2011 en gaat gewoon door met het eigenrichting handelen, zelfs nadat de dagvaarding is betekent. Middels deze email sommeer ik uw Cliënt de betwiste strook grond, te weten de strook grond tussen de kadastrale lijn van 1977 en 133 noordelijke van deze lijn, voor dinsdag 3 april 2012 te herstellen naar zoals deze was ten tijde van de betekening van de dagvaarding in deze zaak 1135144 CV EXPL 12-169 [lees: de zaak 13-73, toevoeging rechtbank].”

5 Het geschil

in de zaak 13-73

in conventie

5.1.

[A] vordert – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

(i) een verklaring voor recht dat de erfgrens tussen de percelen [adres 1] te [woonplaats] en [adres 2] te [woonplaats] over de gehele lengte wordt vastgesteld op basis van de overeenkomst/notariële akte van 12 september 1946, te weten een erfgrens op honderd drie en dertig centimeter noordelijk en evenwijdig aan de kadastrale lijn van 1977;

(ii) veroordeling van [B] de erfgrens bij notariële akte te laten vastleggen;

(iii) veroordeling van [B] de hoogte van de afwateringsgoot tussen de percelen [adres 1] en [adres 2] te herstellen tot een hoogte welke net ietwat lager is dan de hoogte van het perceel van [A] om zodoende de natuurlijke afwatering van het perceel [adres 1] in de richting van de Ringvaart te herstellen en deze werkzaamheden af te ronden binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis;

(iv) veroordeling van [B] alle werken, beplantingen en (eventuele) tijdelijke schutting aanwezig in de afwateringsgoot tussen de percelen [adres 1] en [adres 2] te verwijderen en deze werkzaamheden af te ronden binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis;

(v) veroordeling van [B] in de kosten van deze procedure en in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

5.2.

[A] legt – samengevat – aan zijn vorderingen ten grondslag dat [B] (en/of haar rechtsvoorgangers) zonder recht of titel een deel van zijn perceel in gebruik heeft genomen, namelijk door op zijn grond een heipaal te laten slaan voor een nieuwe schutting alsmede door een schutting op te richten die aansluit bij deze heipaal. Deze schutting is ten onrechte op de kadastrale grens van 1977 geplaatst. Daarnaast heeft [B] stelselmatig en zonder enige vorm van overleg de afwateringsgoot tussen de percelen [perceel 1] en [perceel 2] opgehoogd en de natuurlijke waterafloop veranderd hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 5:38,5:39 en 5:52 BW.

5.3.

[B] voert verweer.

5.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

5.5.

[B] vordert – samengevat – voor zover de kantonrechter zich bevoegd acht om van de vordering kennis te nemen:

(i) dat de erfgrens tussen de percelen [perceel 1] en [perceel 2] wordt vastgesteld conform de kadastrale grens zoals deze in 1977 is bepaald;

(ii) (naar de rechtbank begrijpt subsidiair, ingeval het beroep van [A] op verjaring zou slagen) dat de erfgrens wordt vastgesteld op grond van de grens zoals deze gedeeltelijk vanaf 1977 en gedeeltelijk vanaf 1992 feitelijk in gebruik is inclusief de dekplank en zoals is weergegeven in productie 12 variant a;

(iii) (naar de rechtbank begrijpt meer subsidiair, ingeval het beroep van [A] op verjaring zou slagen) dat de erfgrens wordt vastgesteld op grond van de grens zoals deze gedeeltelijk vanaf 1977 en gedeeltelijk vanaf 1992 feitelijk in gebruik is maar zonder de dekplank en zoals is weergegeven in productie 12 variant b;

(iv) (naar de rechtbank begrijpt nog meer subsidiair) dat de rechtbank de grens bepaalt op grond van artikel 5:47 BW met inachtneming van de standpunten van [B] en zoals de rechtbank goed dunkt;

(v) veroordeling van [A] de kosten te voldoen van het vastleggen van de erfgrens bij notariële akte;

(vi) veroordeling van [A] tot vergoeding van de schade die [B] heeft geleden als gevolg van het vernielen van de schutting door [A], welke worden begroot op een bedrag van € 4.608,--;

(vii) veroordeling van [A] tot betaling van de kosten die [B] in de periode voorafgaand aan de dagvaarding heeft moeten maken, betreffende de kosten van deurwaarders, advocaat, notaris en rechtsbijstand;

(viii) veroordeling van [A] in de kosten van deze procedure.

5.6.

[B] legt – samengevat – aan haar vorderingen ten grondslag dat in 1977 door het Kadaster een grens is ingemeten tussen de percelen [perceel 1] en [perceel 2]. Deze grens is de juiste grens omdat alle bij die grensaanwijzing betrokken partijen met deze kadastrale grensaanwijzing hebben ingestemd.

5.7.

[A] voert verweer.

5.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de zaak 13-74

5.9.

[A] vordert – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

(i) een verklaring voor recht dat [B] heeft gehandeld in strijd met de beslissing van de voorzieningenrechter d.d. 20 december 2011;

(ii) veroordeling van [B] beide schuttingen binnen een week na dit vonnis te verwijderen of aan te passen aan de beslissing van 20 december 2011 van de voorzieningenrechter en tevens de schade aan [A] perceel te herstellen;

(iii) veroordeling van [B] tot betaling van een dwangsom ad € 500,= per dag te rekenen vanaf 24 uur na de betekening van de sommatie door [A], te weten € 500,= per dag vanaf maandag 12 maart 2012 met een maximum van € 25.000,=;

(iv) veroordeling van [B] in de proceskosten en in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

5.10.

[A] legt – samengevat – aan deze vorderingen ten grondslag dat [B] in strijd heeft gehandeld met het vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 20 december 2011.

5.11.

[B] voert verweer.

5.12.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de zaak 13-75

5.13.

[A] vordert – samengevat en na vermindering van eis – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

(i) een verklaring voor recht dat [B] eigenrichting handelt en heeft gehandeld met het naar eigen dunken inrichten van het betwiste grensgebied tussen de percelen van [B] en [A] nadat de dagvaarding in de procedure in de zaak 13-73 was betekend en er nog geen vonnis in deze zaak was gewezen;

(ii) veroordeling van [B] tot betaling aan [A] van een bedrag van € 7.916,45 zodat [A] het grensgebied weer kan herstellen naar de situatie van de betekening van de dagvaarding in de zaak 13-73, althans, indien de rechtbank van mening is dat de kosten lager uitvallen dan € 25.000,-- veroordeling van [B] dit herstel op eigen kosten uit te voeren een en ander binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis;

(iii) veroordeling van [B] om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis schriftelijk bij [A] aan te geven welke van de onder II genoemde goederen [B] na het verwijderen door [A] wenst terug te ontvangen in de toestand “als-is”;

(iv) een en ander onder verbeuring van een dwangsom van € 1.000,-- per dag voor elke dag dat [B] met voormelde gelasting en verbod na betekening van het in deze te wijzen vonnis in gebreke blijft;

(v) veroordeling van [B] in de kosten van deze procedure alsmede in de nakosten, beide te vermeerderen met de wettelijke rente.

5.14.

[A] legt – samengevat – aan zijn vorderingen ten grondslag dat [B] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door het grensgebied tussen de percelen van partijen aan de [adres 1] en de [adres 2] naar eigen goeddunken in te richten.

5.15.

[B] voert verweer.

5.16.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

6 De beoordeling

in de zaak 13-73

in conventie

Het verloop van de erfgrens

6.1.

De kern van het geschil tussen partijen is de loop van de erfgrens tussen de percelen [perceel 1] en [perceel 2]. Volgens [A] loopt deze over de gehele lengte op 133 centimeter noordelijk en evenwijdig aan de kadastrale grens van 1977. [A] baseert zich in dit verband op de notariële akte uit 1946 (zie onder 4.6) waarin is bepaald: “Het strookje grond waarop de afwateringsgoot langs de noordzijde van het tot het kadastrale perceel [nr. 1 oud] behoorende erf, is en blijft eigendom van den ondergeteekende [F], met dien verstande dat het op dat strookje grond staande gedeelte van de door den ondergeteekende [B] gestichte en als werkplaats gebruikt wordende loods eigendom is en blijft van den ondergeteekende [B].

[B] stelt op haar beurt dat de erfafscheiding tussen de percelen [perceel 1] en [perceel 2] is gelegen op de kadastrale grens zoals deze in 1977 is aangewezen en door het Kadaster is vastgesteld en waarmee alle betrokken partijen hebben ingestemd. De rechtbank overweegt als volgt.

6.2.

Vast staat dat in 1977 een grensonderzoek door het Kadaster heeft plaatsgevonden in bijzijn van een gemeenteambtenaar en diverse bewoners van de [straat]. Blijkens het (door de medewerker van het Kadaster ondertekende) proces-verbaal van 6 september 1977 (zie onder 4.10) waren onder meer aanwezig de heer [G], de toenmalig eigenaar van [perceel 1] en vader van [A], en de heer [H], de toenmalig eigenaar van [perceel 2] en vader van [B]. Ter comparitie heeft de broer van de vader van [B], de heer B. [B], verklaard dat de aanleiding voor het grensonderzoek was gelegen in het feit dat het perceel gelegen naast [perceel 2] werd gesplitst en dat alle bewoners duidelijkheid wilden verkrijgen over de erfgrenzen van de betrokken percelen. Volgens B. [B] hebben partijen toen met elkaar de grenzen besproken en vastgesteld, waarna ze vervolgens door een gemeenteambtenaar aan een medewerker van het Kadaster zijn aangegeven die deze op een tekening heeft ingetekend. Deze grensaanwijzing is neergelegd in het proces-verbaal van 6 september 1977.

Weliswaar betoogt [A] dat het feit dat zijn vaders naam op het proces-verbaal staat nog niet betekend dat deze het eens was met de erfgrenzen zoals deze op de tekening zijn ingetekend, maar de rechtbank passeert dit verweer als onvoldoende onderbouwd. De vader van [A] is immers blijkens het proces-verbaal aanwezig geweest bij het grensonderzoek en niet is gesteld of gebleken dat toen of nadien door hem bezwaar is aangetekend tegen de vaststelling en registratie bij het Kadaster. Uit het voorgaande volgt dat in 1977 met instemming van (in elk geval) de vorige eigenaren van de percelen [perceel 1] en [perceel 2] de kadastrale grens tussen deze percelen is opgemeten en in het Kadaster is geregistreerd.

6.3.

[A] betoogt voorts dat de kadastrale grens niet de correcte eigendomssituatie weergeeft en dat deze op grond van het bepaalde in de notariële akte uit 1946 anders loopt, namelijk 133 centimeter noordelijker richting het [perceel 2] van [B] en evenwijdig aan de kadastrale grens. De rechtbank overweegt als volgt.

Weliswaar kan een eigenaar op grond van het bepaalde in artikel 5:47 BW te allen tijde vorderen dat de rechter de grens bepaalt indien de loop van de grens tussen beide erven onzeker is, maar de rechtbank is van oordeel dat van een onzekere grens geen sprake is. Zelfs indien het zo zou zijn dat de erfgrens feitelijk anders heeft gelegen in de periode vóór de grensaanwijzing in 1977 – bijvoorbeeld vanwege andersluidende afspraken of omdat de gebruiksgrens anders liep – dan kan daar thans geen beroep meer op worden gedaan. [A] heeft namelijk zijn recht verwerkt om nog een beroep te doen op de notariële akte uit 1946, waarbij de rechtbank in het midden laat of deze akte (die niet zonder meer duidelijk is) ook de stelling van [A] ondersteunt. Daartoe zijn de volgende feiten en omstandigheden redengevend.

6.4.

In 1977 zijn, zoals in 6.2 is overwogen, de grenzen door het Kadaster in overleg met betrokkenen aangewezen en geregistreerd. Niet is gesteld of gebleken dat door de vader van [A] na de vaststelling in 1977 enige actie is ondernomen om de erfgrens te betwisten, hoewel hij van het bestaan van de akte uit 1946 op de hoogte was. [B] heeft onweersproken betoogd dat partijen in de loop der jaren ook zelf van deze grens zijn uitgegaan bij de inrichting van hun percelen. Zo heeft [H] in 1977, na aanwijzing van de kadastrale grens, een schutting met afdeklat geplaatst die liep vanaf de garage van [A] en wel binnen die kadastrale grens. Deze schutting is in 1992 door [B] verlengd (zie onder 4.11). Op een kaart van 6 januari 2006 afkomstig van een door [A] ingeschakeld architectenbureau staan de kadastrale grenzen van onder meer de percelen [perceel 1] en [perceel 2] vermeld. Daarnaast staat op een tekening in verband met de aanvraag voor een bouwvergunning van 14 april 2010 de locatie vermeld van de nieuw door [A] te bouwen opslag/berging. Uit deze tekening blijkt dat deze opslag/berging direct tegen de erfgrens met de buren zou worden geplaatst. [B] heeft onweersproken betoogd dat [A] deze opslag precies tegen de kadastrale grens wilde bouwen. De rechtbank leidt hieruit af dat niet alleen [B] maar ook [A] de kadastrale grensaanwijzing van 1977 tot zeker 2010 – in dat jaar ontstond tussen partijen discussie over het verloop van de erfgrens – heeft beschouwd als de erfgrens tussen de percelen [perceel 1] en [perceel 2]. Aan het stilzitten van [A] sr. en diens zoon gedurende 33 jaar heeft [B] het vertrouwen mogen ontlenen dat de erfgrens zoals die in 1977 in aanwezigheid van de vader van [A] was bepaald daadwerkelijk de juiste was.

Het voorgaande leidt ertoe dat het betoog van [A] dat als erfgrens tussen de percelen [perceel 1] en [perceel 2] heeft te gelden een erfgrens die op basis van de notariële akte uit 1946 ligt op 133 centimeter noordelijk en evenwijdig aan de kadastrale grens van 1977 wordt verworpen. Dat de lijn uit 1977 nooit door een rechter of middels een akte is vastgesteld, zoals [A] betoogt, maakt zulks niet anders nu dit geen wettelijk vereiste is. De dienovereenkomstig gevorderde verklaring voor recht alsmede de veroordeling deze erfgrens bij notariële akte te laten vastleggen zullen dan ook worden afgewezen.

6.5.

[A] heeft voorts gevorderd alle werken en beplantingen en eventuele tijdelijke schutting die aanwezig zijn in de afwateringsgoot tussen de percelen [perceel 1] en [perceel 2] te verwijderen (de vordering onder iv). Naar de rechtbank begrijpt berust deze vordering op de stelling dat de afwateringsgoot niet aan [B] maar aan [A] toebehoort, gelet op het door [A] bepleite verloop van de erfgrens tussen de percelen. Nu hiervoor reeds is overwogen dat de erfgrens niet zal worden vastgesteld zoals door [A] is gevorderd, komt hiermee tevens de grondslag aan de onderhavige vordering te ontvallen, zodat deze eveneens zal worden afgewezen.

Afwateringsgoot en natuurlijke afwatering

6.6.

[A] heeft ten slotte gevorderd de hoogte van de afwateringsgoot tussen de percelen [perceel 1] en [perceel 2] te herstellen op een zodanige wijze dat de natuurlijke afwatering van het [perceel 1] in de richting van de Ringvaart wordt hersteld (de vordering onder iii). Aan deze vordering heeft [A] ten grondslag gelegd dat [B] stelselmatig en zonder overleg de afwateringsgoot tussen de percelen [perceel 1] en [perceel 2] heeft opgehoogd en de natuurlijke waterloop heeft gewijzigd. Volgens [A] loopt het water nu van het [perceel 2] naar het [perceel 1] in plaats van andersom. [B] heeft betwist dat zij de afwateringsgoot stelselmatig heeft opgehoogd. Volgens haar is daarover tussen partijen contact geweest en heeft [A] haar op 2 juli 2011 toestemming gegeven om haar perceel op te hogen tot aan de biels die voorheen tegen de schutting lag. Daarnaast heeft zij weersproken dat de natuurlijke afwatering van het [perceel 1] naar [perceel 2] zou lopen en dat sprake is van wateroverlast. De rechtbank overweegt als volgt.

6.7.

De stellingen van [A] zijn gebaseerd op het bepaalde in artikel 5:39 BW. Dit artikel bepaalt dat het de eigenaar van het erf is verboden om in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is, hinder toe te brengen aan eigenaars van andere erven onder meer door wijziging aan te brengen in de loop of de hoeveelheid van het water dat over het erf van de eigenaar stroomt of van het grondwater. Voor toewijzing van het gevorderde is derhalve vereist dat sprake is van hinder, in dit geval – althans zo begrijpt de rechtbank – van wateroverlast doordat het water van het perceel van [perceel 2] naar het [perceel 1] loopt. Ter comparitie ter plaatse heeft [A] verklaard dat hij voorzorgsmaatregelen heeft getroffen ter voorkoming van wateroverlast, omdat hij vermoedde dat hij deze zou krijgen na ophoging van de grond op het perceel van [B]. Voorts heeft hij ter comparitie verklaard dat hij toen nog geen schade had ondervonden. Noch afgezien van het feit dat de rechter ter comparitie ter plaatse niet heeft kunnen vaststellen dat sprake is van een situatie waarbij de afwatering zou lopen van [perceel 2] naar [perceel 1], blijkt uit deze verklaringen dat niet is gebleken dat sprake is van hinder voor [A] als gevolg van de gestelde wijziging van de waterafloop door [B]. Reeds hiermee komt de grondslag aan de vordering te ontvallen, zodat deze zal worden afgewezen.

Slotsom

6.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van [A] in conventie zullen worden afgewezen. [A] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

in reconventie

Vaststelling van de erfgrens

6.9.

Allereerst is aan de orde de vordering van [B] om de erfgrens tussen de percelen [perceel 1] en [perceel 2] vast te stellen conform de kadastrale grens. Gelet op hetgeen hiervoor onder 6.4 is overwogen, zal de vordering tot vaststelling van de erfgrens tussen de percelen [perceel 1] en [perceel 2] overeenkomstig de kadastrale grens uit 1977 worden toegewezen op de wijze zoals hieronder in het dictum zal worden weergegeven.

6.10.

De gevorderde veroordeling van [A] om de kosten te voldoen van het vastleggen van de erfgrens in een notariële akte zal worden afgewezen. Niet is gesteld of gebleken waarom de erfgrens bij notariële akte zou moeten worden vastgelegd, zodat deze vordering bij gebrek aan belang wordt afgewezen. Ten overvloede merkt de rechtbank in dit verband op dat rechterlijke uitspraken die de rechtstoestand van registergoederen betreffen onder de voorwaarden genoemd in artikel 3:17 sub e BW kunnen worden ingeschreven in de openbare registers.

Schadevergoeding wegens afbreken schutting?

6.11.

[B] vordert tevens vergoeding van de schade, begroot op € 4.608,--, die zij heeft geleden als gevolg van het verwijderen door [A] van de schutting die zij op 16 augustus 2011 heeft geplaatst. Naar de rechtbank begrijpt ligt aan deze vordering ten grondslag dat [A] onrechtmatig jegens [B] heeft gehandeld door deze schutting zonder toestemming van [B] af te breken. Volgens [B] heeft zij de schutting binnen de kadastrale grens geplaatst en wel op de plek waar de oude schutting heeft gestaan. [A] heeft dit weersproken en betoogd dat de schutting op de kadastrale grens is geplaatst. Volgens [A] sluit de schutting aan bij de heipaal die [B] eind mei 2011 in de grond heeft geslagen. De rechtbank overweegt als volgt.

6.12.

Voor toewijzing van de vordering van [B] moet komen vast te staan dat de schutting niet op het perceel van [A] stond maar op dat van [B]. Gelet op het hiervoor overwogene heeft als erfgrens tussen de percelen [perceel 1] en [perceel 2] te gelden de kadastrale grens zoals deze in 1977 is vastgesteld. Mitsdien moet de vraag worden beantwoord of de schutting die [B] op 16 augustus 2011 heeft gebouwd binnen de kadastrale grens is geplaatst.

Vast staat dat de oude schutting binnen de kadastrale grens was geplaatst. In rechtsoverweging 2.3 van het kort geding vonnis van 20 december 2011 heeft de voorzieningenrechter echter overwogen – samengevat – dat [B] tijdens de descente heeft erkend dat de nieuwe schutting niet op exact dezelfde plek is geplaatst als waar de oude schutting in het verlengde van de oude werkplaats heeft gestaan. De voorzieningenrechter heeft vervolgens overwogen dat de nieuwe schutting in vergelijking met de oude schutting 10 centimeter meer richting het perceel van [A] was opgericht. In zoverre bezien gaat het standpunt van [B] dat de nieuwe schutting op de plek van de oude schutting is gebouwd niet op. De rechtbank kan evenwel niet meer vaststellen of de op 16 augustus 2011 gebouwde schutting, waarvan is komen vast te staan dat deze 10 centimeter meer richting het perceel van [A] was gebouwd, desondanks nog wel binnen de kadastrale grens was gebouwd. De schutting is immers eigenhandig door [A] afgebroken. Weliswaar heeft [A] betoogd dat de schutting op 16 augustus 2011 óp de kadastrale grens is gebouwd, maar dit laat onverlet dat op het moment dat [A] de schutting eigenhandig heeft verwijderd hij dit deed omdat hij kennelijk in de veronderstelling was dat de schutting buiten de door hem voorgestane erfgrens was gebouwd. [B] betoogt dat [A] hierbij op agressieve wijze te werk is gegaan. Dit betoog vindt steun in het proces-verbaal van aangifte van vernieling van [M] alsmede in het proces-verbaal van 23 augustus 2011 van de deurwaarder. Uit het proces-verbaal van de deurwaarder van 1 september 2011 volgt tevens dat [A] de deurwaarder op onbehoorlijke wijze heeft gehinderd tijdens zijn werkzaamheden tijdens de grensreconstructie door de medewerkers van het Kadaster, zulks terwijl dit onderzoek er juist toe diende om vast te stellen of de schutting al dan niet binnen de erfgrens was geplaatst. Gelet hierop en het feit dat [A] de schutting eigenhandig heeft afgebroken terwijl op dat moment discussie bestond over het verloop van de erfgrens komt het voor rekening en risico van [A] dat thans niet meer kan worden vastgesteld of de schutting op 16 augustus 2011 al dan niet binnen de kadastrale grens is geplaatst. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat de schutting die op 16 augustus 2011 door [B] is gebouwd binnen de kadastrale grens is geplaatst. Dat betekent dat [A] ten onrechte is overgegaan tot afbraak van de schutting en dat hij de hiermee gemoeide kosten ten belope van € 4.608,--, waarvan de hoogte niet is betwist, zal moeten vergoeden.

Buitengerechtelijke kosten

6.13.

[B] vordert tevens vergoeding van de kosten die zij in de periode voorafgaand aan de dagvaarding heeft moeten maken, te weten de kosten van deurwaarders, advocaat, notaris en rechtsbijstand. De rechtbank begrijpt deze vordering aldus dat [B] heeft bedoeld te vorderen vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. Nu echter niet is gesteld of gebleken dat [B] buitengerechtelijke handelingen heeft verricht én dat deze méér omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier, zullen deze kosten worden afgewezen.

Proceskosten

6.14.

[A] zal in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Gelet op de samenhang tussen het geschil in conventie en in reconventie zullen de verrichtingen in reconventie op halve voet worden berekend.

in de zaak 13-74

6.15.

In deze zaak staat tussen partijen ter discussie of de twee schuttingen die [B] op 29 februari 2012 heeft gebouwd zijn geplaatst overeenkomstig hetgeen de voorzieningenrechter op 20 december 2011 heeft overwogen en beslist. De rechtbank overweegt als volgt.

6.16.

Op 20 december 2011 heeft de voorzieningenrechter – zeer kort gezegd – beslist dat [A] diende te gehengen en te gedogen dat [B] een schutting zou plaatsen over de volledige lengte evenwijdig aan de nieuwe schutting die op 23 augustus 2011 was verwijderd met inachtneming van de voorwaarden zoals in rechtsoverweging 2.3 van het vonnis is opgenomen. De voorzieningenrechter heeft daartoe onder meer – kort samengevat – overwogen dat in de kort geding procedure slechts een voorlopige maatregel kon worden getroffen en dat geen oordeel kon worden gegeven over de loop van de erfgrens tussen de percelen [perceel 1] en [perceel 2] (zie onder rechtsoverweging 2.2 van het vonnis). Aangezien [B] en [M] voldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij belang hadden bij het oprichten van een schutting die voorlopig als erfafscheiding zou kunnen dienen, heeft de voorzieningenrechter dan ook slechts beslist dat [B], in afwachting van een rechterlijk oordeel over het verloop van de erfgrens, een tijdelijke/ voorlopige schutting mocht plaatsen.

Inmiddels is in de zaak 13-73 een rechterlijk oordeel gegeven over de loop van de erfgrens, zodat - zonder nadere toelichting, die ontbreekt - niet valt in te zien welk belang [A] thans nog heeft bij zijn gevorderde verklaring voor recht dat [B] heeft gehandeld in strijd met de beslissing van de voorzieningenrechter en de gevorderde veroordeling om deze schuttingen aan te passen aan de beslissing van de voorzieningenrechter. De vorderingen van [A] zullen dan ook bij gebrek aan belang worden afgewezen.

6.17.

[A] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

in de zaak 13-75

6.18.

In deze procedure vordert [A] een verklaring voor recht dat [B] met eigenrichting – naar de rechtbank begrijpt: onrechtmatig - heeft gehandeld door naar eigen dunken het betwiste grensgebied tussen de percelen [perceel 1] en [perceel 2] in te richten nadat de dagvaarding in de procedure in 13-73 was betekend en nog geen vonnis in deze zaak was gewezen. Voorts vordert [A] in dat verband veroordeling van [B] tot betaling aan [A] van een bedrag van

€ 7.916,45 zodat [A] dit gebied weer kan herstellen naar de toestand zoals deze was ten tijde van de betekening van de dagvaarding in de zaak 13-73. Daarnaast vordert [A] veroordeling van [B] om aan te geven welke van de door [A] verwijderde goederen zij terug wenst te ontvangen. De rechtbank overweegt als volgt.

6.19.

Naar de kern genomen verwijt [A] [B] dat zij het gedeelte van het perceel waarover discussie tussen partijen bestaat naar eigen inzicht heeft ingericht, terwijl op dat moment de dagvaarding in de zaak 13-73 al aan [B] was betekend en nog geen vonnis in die zaak was verwezen. Nu in de procedure 13-73 vonnis zal worden gewezen, heeft de zaak 13-75 geen zelfstandige betekenis meer. Daarmee komt de grondslag aan de vorderingen te ontvallen, zodat deze zullen worden afgewezen.

6.20.

[A] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

7 De beslissing

De rechtbank

in de zaak 13-73

in conventie

7.1.

wijst de vorderingen af;

7.2.

veroordeelt [A] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [B] tot op heden begroot op € 274,-- aan griffierecht en op € 904,-- aan salaris advocaat (2 punten x tarief II, € 452,--);

7.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 7.2 bedoelde kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

7.4.

bepaalt dat de erfgrens gelegen tussen de percelen [adres 1] en [adres 2] wordt gevormd door de kadastrale lijn zoals deze is aangewezen op 6 september 1977 en neergelegd in het proces-verbaal van aanwijzing van 6 september 1977 (producties 2 en 9 van [B] in de zaak 13-73 en zoals vermeld onder 4.10) en is geregistreerd in het Kadaster;

7.5.

veroordeelt [A] tot betaling van een bedrag van € 4.608,-;

7.6.

veroordeelt [A] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [B] tot op heden begroot op € 452,-- aan salaris advocaat (2 punten x ½ x tarief II, € 452,-- );

7.7.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 7.5 en 7.6 bedoelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

7.8.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in de zaak 13-74

7.9.

wijst de vorderingen af;

7.10.

veroordeelt [A] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [B] tot op heden begroot op € 274,-- aan griffierecht en op € 904,-- aan salaris advocaat (2 punten x tarief II, € 452,--);

7.11.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 7.10 bedoelde kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de zaak 13-75

7.12.

wijst de vorderingen af;

7.13.

veroordeelt [A] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [B] tot op heden begroot op € 274,-- aan griffierecht en op € 904,-- aan salaris advocaat (2 punten x tarief II, € 452,--);

7.14.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 7.12 bedoelde kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.A.M. Ahsmann en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.1

1 type: 1882coll: