Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:14338

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-07-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
AWB-11_26969
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Asiel; inreisverbod 10 jaren; 1F; personal & knowing participation; Afghanistan; Taliban; ongegrond.

Eiser heeft verklaard heel vaak mensen te hebben opgehaald en afgeleverd die kwamen voor het plegen van een zelfmoordaanslag of om deel te nemen aan gevechten, in ieder geval slechte daden kwamen doen. Ook heeft hij verklaard getolkt te hebben tussen buitenlanders en de Taliban waarbij de gesprekken gingen om de locatie van de aanslagen en het geldbedrag voor de nabestaanden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van ‘knowing participation’.

Er zijn ernstige redenen om te veronderstellen dat eiser door middel van zijn werkzaamheden als tolk en chauffeur de zelfmoordaanslagen van de Taliban direct heeft gefaciliteerd en daarmee een wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Ten aanzien van eisers stelling dat hij de werkzaamheden onder dwang uitvoerde, stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat niet valt in te zien waarom eiser zich niet eerder heeft onttrokken aan zijn activiteiten voor de Taliban. Gelet op het voorgaande is sprake is van ‘personal participation’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/26969

V-nr: [V-nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag] 1955, van Iraakse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden, advocaat te Amsterdam

en

de staatssecretaris voor Veiligheid en Justitie, rechtsopvolger van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel en de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.A.M. van der Klis, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 28 mei 2009 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Eiser is bij dit besluit tevens ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 16 augustus 2011 ongegrond verklaard.

Op 18 augustus 2011 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer van deze rechtbank heeft op 18 november 2011 plaatsgevonden. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. H.D. Streef. Op 30 december 2011 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verwezen naar de meervoudige kamer.

Bij besluit van 8 november 2012 heeft verweerder het bezwaar gericht tegen de ongewenst-verklaring alsnog gegrond verklaard, de ongewenstverklaring met ingang van 1 januari 2012 opgeheven en aan eiser een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaren.

Op 9 november 2012 is het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank voortgezet. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. M.P. Schelfaut. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten en op 16 november 2012 heropend teneinde eiser in de gelegenheid te stellen de beroepsgronden naar aanleiding van het besluit van 8 november 2012 aan te vullen.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 31 mei 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig F. Said, tolk in de taal Sorani. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.

Nu eiser ter zitting heeft verklaard dat hij geen belang meer heeft bij het beroep tegen het ingetrokken besluit van 16 augustus 2011, zal de rechtbank het beroep, voor zover gericht tegen dit besluit, niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank ziet in de intrekking van het bestreden besluit echter wel aanleiding aan eiser een proceskostenveroordeling toe te kennen.

2.1

Vervolgens ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of het beroep geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 8 november 2012. Bij de beantwoording van deze vraag is van belang of dit besluit kan worden aangemerkt als een besluit tot wijziging van het besluit van 16 augustus 2011, zoals bedoeld in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.2

Op grond van artikel 6:18, eerste lid, van de Awb, brengt het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit.

2.3

Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt, indien een bestuursorgaan een besluit heeft genomen als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb, het bezwaar of beroep geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt. Op grond van het derde lid van dit artikel staat intrekking van het bestreden besluit niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.

2.4

In afwijking van de heropeningsbeslissing van 16 november 2012 overweegt de rechtbank als volgt. De Afdeling heeft onder meer in zijn uitspraken van 21 december 2012 (LJN: BY8238) en van 19 februari 2013 (LJN: BZ2060) overwogen dat een ongewenstverklaring naar doel en strekking grotendeels overeenkomt met een inreisverbod en dat die overeenkomst van dien aard is, dat een ongewenstverklaring valt onder de in artikel 3, zesde lid, van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (de Terugkeerrichtlijn) gegeven definitie van het begrip inreisverbod. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het besluit tot oplegging van een inreisverbod kan worden aangemerkt als een besluit tot wijziging van de ongewenstverklaring, waartegen het beroep oorspronkelijk gericht was, zoals bedoeld in artikel 6:18 van de Awb. Dit heeft tot gevolg dat het beroep van 18 augustus 2011 geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 8 november 2012.

3.1

Bij de beoordeling van het beroep gaat de rechtbank uit van de volgende onbetwiste feiten en omstandigheden. Eisers eerste asielaanvraag is bij besluit van 20 april 1998 afgewezen. Bij uitspraak van 21 december 2004 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zutphen, het hiertegen gerichte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Aan eiser is op 19 oktober 2001 een voorwaardelijke verblijfsvergunning verstrekt op grond van het driejarenbeleid. Bij besluit van 27 maart 2003 is deze vergunning ingetrokken op grond van artikel 19, in samenhang met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 wegens het achterhouden van informatie over zijn betrokkenheid bij de genocide op de Koerden. Aan eiser is in dat besluit artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen. Het tegen dit besluit gerichte bezwaar en beroep is ongegrond verklaard. Het hoger beroep is bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 juni 2005 eveneens ongegrond verklaard. Daarmee is de toepasselijkheid van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag in rechte vast komen te staan.

3.2

Op 28 mei 2008 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend. Tegelijk met de afwijzing van deze aanvraag is eiser bij besluit van 30 november 2009 ongewenst verklaard, hetgeen heeft geleid tot de onderhavige procedure en het op 8 november 2012 opgelegde inreisverbod.

4.1

Eiser stelt dat er individuele omstandigheden zijn op grond waarvan verweerder had moeten afzien van het inreisverbod dan wel de duur ervan had moeten verkorten. In dit kader heeft eiser een beroep gedaan op artikel 3 en 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarnaast heeft hij gewezen op zijn medische omstandigheden.

4.2

Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat aangevoerde omstandigheden in het kader van artikel 3 van het EVRM worden betrokken bij de vraag of er aanleiding is af te zien van het opleggen van het inreisverbod dan wel de duur ervan te verkorten. De rechtbank zal hier dan ook over oordelen.

5.1

Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, vaardigt verweerder een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 van de Vw 2000 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000.

Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, vaardigt verweerder een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 van de Vw 2000 niet van toepassing is en die Nederland niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende termijn heeft verlaten, in welk laatste geval het inreisverbod slechts door middel van een zelfstandige beschikking wordt uitgevaardigd dan wel een beschikking die mede strekt tot wijziging van het reeds gegeven terugkeerbesluit.

5.2

Op grond van artikel 66a, vierde lid, wordt het inreisverbod gegeven voor een bepaalde duur, die ten hoogste vijf jaren bedraagt, tenzij de vreemdeling naar het oordeel van verweerder een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. De duur wordt berekend met ingang van de datum waarop de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

5.3

Op grond van artikel 66a, achtste lid, kan verweerder in afwijking van het eerste lid om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod.

5.4

Op grond van artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 bedraagt in afwijking van het eerste tot en met vierde lid, de duur van het inreisverbod ten hoogste tien jaren, indien het betreft een vreemdeling die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Deze ernstige bedreiging kan blijken uit onder meer de omstandigheid dat hem artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen.

5.5

Op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn houden de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn rekening met: a) het belang van het kind; b) het familie- en gezinsleven; c) de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land, en eerbiedigen zij het beginsel van non-refoulement.

6.1

Eiser stelt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM . Eiser is afkomstig uit de Koerdische regio in Irak. Hij was in de jaren ’80 en ‘90 [persoon1] die werkte voor de Iraakse [partij]. In die hoedanigheid was hij betrokken bij de activiteiten van het Iraakse regime tegen de Koerdische bevolking. Later in de jaren ’90 is hij overgelopen naar de Koerdische partijen en heeft hij tegen het Iraakse regime gevochten. Ter zitting heeft eiser gesteld dat personen zoals hij tot op heden worden opgejaagd en gedood, zowel door de Koerdische bevolking als door het Iraakse regime. Hij verwijst naar het recent vermoorde hoofd van een Jash-eenheid. Ook is een vriend van eiser teruggekeerd naar Irak en daar door Baath-aanhangers gedood. Verweerder heeft de risico’s die eiser in dit kader loopt, onvoldoende onderzocht en betrokken bij het besluit, aldus eiser. Zo stelt eiser onder verwijzing naar het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2009/26 dat in gevallen van bloedwraak en vergelijkbare intertribale problemen personen weliswaar geacht worden bescherming te krijgen binnen de eigen familie, stam of clan, maar dat daarvan in het geval van eiser geen sprake is.

6.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit niet onjuist is, nu eiser pas in beroep heeft gesteld dat hij een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM loopt in verband met zijn persoonlijk relaas. In het verweerschrift van 28 mei 2013 verwijst verweerder voor wat betreft de asielgerelateerde omstandigheden naar het besluit van 30 november 2009 waarbij de tweede asielaanvraag is afgewezen en is geconcludeerd dat artikel 3 van het EVRM geen uitzettingsbelemmering vormt. Nu eiser tegen dit besluit geen rechtsmiddelen heeft aangewend, staat dit in rechte vast. De stelling dat eiser vreest voor bloedwraak en hij daartegen geen bescherming kan krijgen, acht verweerder onvoldoende geconcretiseerd.

6.3

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat eiser vanwege zijn gestelde vrees voor repercussies van de Koerdische burgerbevolking en het Iraakse regime een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, en overweegt daartoe als volgt.

6.4

De rechtbank stelt vast dat deze asielgerelateerde gronden in de eerdere procedures aan de orde zijn geweest. In die procedures is niet gebleken dat artikel 3 van het EVRM zich tegen uitzetting verzet. Voorts stelt de rechtbank vast dat in de zienswijze van 12 mei 2009 tegen het voornemen van 14 april 2009 om eisers tweede asielaanvraag af te wijzen en hem ongewenst te verklaren, geen gronden zijn aangevoerd ten aanzien van zijn persoonlijk asielrelaas. De hieropvolgende primaire beschikking van 30 november 2009 staat ten aanzien van de herhaalde asielaanvraag eveneens in rechte vast, nu eiser daartegen geen rechtsmiddel heeft aangewend.

De rechtbank is voorts van oordeel dat eiser zijn nadere stellingen ter zitting ten aanzien van onlangs vermoorde personen niet heeft onderbouwd. Evenmin heeft eiser zijn enkele – nadere – stelling dat hij, ingeval hij slachtoffer zal worden van bloedwraak of vergelijkbare intertribale problemen, daartegen geen bescherming kan krijgen als bedoeld in WBV 2009/26, verder onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden. De rechtbank gaat hier dan ook aan voorbij.

6.5

Nu eiser aldus niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op grond van zijn asielrelaas dan wel anderszins een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door eiser aangevoerde asielgerelateerde omstandigheden geen aanleiding geven om van het inreisverbod af te zien dan wel de duur ervan te verkorten.

7.1

Eiser stelt voorts dat verweerder in zijn medische omstandigheden aanleiding had moeten zien van het inreisverbod af te zien dan wel de duur ervan te verkorten.

7.2

Op 19 maart 2009, 28 mei 2010, 18 november 2010 en 31 mei 2011 heeft het Bureau Medische Advisering (BMA) advies uitgebracht aan verweerder. Door het BMA is vastgesteld dat eiser lijdt aan diabetes mellitus type 2, een ongeneeslijke aandoening. Daarnaast is bij eiser depressie en PTSS vastgesteld. Bovendien is sprake van een verlamming van de aangezichtszenuw. In de brief van het BMA van 14 september 2012 staat vermeld dat eiser niet meer onder behandeling staat en dat het BMA bij gebrek aan voldoende informatie niet tot een nieuw, zorgvuldig advies kan komen.

7.3

In de gronden van bezwaar van 18 december 2009 gericht tegen de ongewenstverklaring, waar eiser in het onderhavige beroep naar verwijst, stelt eiser dat sprake is van medische complicaties naar aanleiding van het overstappen van orale op intraveneuze toediening van insuline. Hij moet de insuline nu vier keer per dag inspuiten om zijn bloedsuikerspiegel op peil te houden. De medische situatie van eiser is daardoor verslechterd. Dit had opnieuw moeten worden beoordeeld door het BMA. Eiser krijgt geen behandeling van een arts omdat hij uit de opvang is gezet en niet verzekerd is. Dat het BMA geen aanvullend onderzoek heeft gedaan omdat er geen informatie kan worden ingewonnen bij een behandelend arts, is onzorgvuldig omdat het BMA wel op de hoogte is van de ongeneeslijke aandoening van eiser. Verder heeft eiser verwezen naar de brief van zijn behandelaar van I-psy van 14 april 2011, waarin staat vermeld dat het suïcidegevaar hoger ligt dan dat het BMA stelt. Ten onrechte acht verweerder de twee incidenten waarbij eiser dreigde uit het raam te springen niet relevant omdat ze niet objectief van aard zouden zijn, omdat de verklaring hierover afkomstig is van zijn echtgenote.

7.4

Verweerder stelt dat de medische omstandigheden van eiser geen aanleiding zijn om af te zien van het inreisverbod dan wel de duur ervan te verkorten. Verweerder verwijst naar het BMA-advies van 31 mei 2011, waaruit blijkt dat eiser onder begeleiding kan reizen. Voorts is vastgesteld dat een medische noodsituatie weliswaar niet kan worden uitgesloten na het staken van medicatie ten behoeve van de diabetes, maar dat de benodigde medicijnen en behandeling beschikbaar zijn in Noord-Irak. Verweerder heeft ter zitting benadrukt dat intraveneuze toediening van insuline een standaard wijze van toediening is. Uit de brief van het BMA van 14 september 2012 blijkt voorts dat eiser niet meer onder behandeling staat. Er is daarom geen inzicht in de huidige situatie. Bij gebrek aan voldoende informatie kan het BMA niet tot een nieuw, zorgvuldig advies komen. Er is derhalve gebruik gemaakt van de door eiser aangeboden informatie, waarin geen aanleiding is gevonden om te concluderen dat het advies van 31 mei 2011 niet meer actueel is.

7.5

De rechtbank overweegt dat eiser ter zitting heeft erkend dat zijn medische omstandigheden niet leiden tot een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM. Thans is in geding is of in de medische situatie van eiser anderszins individuele omstandigheden zijn gelegen op grond waarvan verweerder had moeten afzien van het inreisverbod dan wel de duur ervan had moeten verkorten

7.6

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 2 mei 2012, LJN: BW4886) is een advies van het BMA een deskundigenadvies, gericht aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van zijn bevoegdheden. Uit de uitspraak van 13 oktober 2010 (LJN: BO0794) volgt dat verweerder, indien hij een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan dient te vergewissen dat dit – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder in beginsel van dit advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies.

7.7

De rechtbank is, vol toetsend, van oordeel dat niet is gebleken dat het BMA advies van 31 mei 2011 niet zorgvuldig tot stand is gekomen en niet voldoende inzichtelijk en concludent is. De brief van de behandelaar van 14 april 2011 doet niet af aan de juistheid en volledigheid van het advies, nu deze bij het advies is betrokken. Daarbij acht de rechtbank relevant dat het BMA in het advies van 31 mei 2011 heeft overwogen dat eisers psychiatrische toestand onzeker is. Ten aanzien van de zelfmoordpogingen is volgens het BMA geen objectieve informatie beschikbaar, nu deze achteraf door de echtgenote zijn gemeld en is gebleken dat geen acute psychiatrische hulp is ingeroepen. Het BMA heeft verder overwogen dat de benodigd gebleken psychiatrische behandeling in Noord-Irak aanwezig is. Voor zover eiser heeft willen stellen dat uit de brief van 14 april 2011 blijkt dat het BMA advies niet inzichtelijk is, volgt de rechtbank dat gelet op het voorgaande niet.

7.8

Voorts overweegt de rechtbank dat verweerder na dit advies gepoogd heeft opnieuw advies te vragen aan het BMA, hetgeen heeft geresulteerd in de brief van 14 september 2012. Er is onvoldoende informatie overgelegd om tot een zorgvuldig medisch advies te komen, aldus het BMA. De rechtbank overweegt dat de stelling dat eisers medische situatie is verslechterd, omdat hij de insuline nu intraveneus moet toedienen, niet kan worden gevolgd nu dit gegeven tijdens de hoorzitting van 29 september 2010 al bekend was en er van mag worden uitgegaan dat het BMA dit bij het advies van 31 mei 2011 heeft betrokken. Bovendien heeft eiser op de toestemmingsverklaring van 4 augustus 2012 ten behoeve van een nieuw op te stellen advies enkel de namen van zijn psychiatrische behandelaars genoemd. Eiser heeft geen naam van een huisarts, internist of andere (voormalige) behandelaar van zijn diabetes ingevuld. Gelet op het voorgaande is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het advies van 31 mei 2011 niet meer actueel is.

7.9

Eiser heeft evenmin zijn stelling dat zijn psychische situatie sinds het advies van 31 mei 2011 is verslechterd omdat hij tegenwoordig op straat leeft, onderbouwd. Eiser stelt dat hij, nu hij niet meer onder behandeling staat, ook niet in staat is deze nadere onderbouwing te geven. Volgens eiser had het BMA, nu het bekend was met eisers voorgeschiedenis, zelfstandig onderzoek dienen te doen naar zijn huidige psychische situatie. De rechtbank kan eiser hierin niet volgen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser in het geheel niet heeft onderbouwd dat sprake is van een verslechtering van zijn situatie, ook niet door middel van informatie van de laatste behandelaar tot het moment dat de behandeling is gestaakt. Eisers beroep ter zitting op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 oktober 1999 (AB 2000/50) leidt niet tot de conclusie dat verweerder nader onderzoek had moeten doen.

8.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich kon baseren op het BMA advies van 31 mei 2011. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen concluderen dat eisers medische omstandigheden geen aanleiding vormen voor het afzien van het inreisverbod of het verkorten van de duur ervan.

9.1

Eiser stelt voorts dat artikel 8 van het EVRM door de oplegging van het inreisverbod zal worden geschonden. Tevens verwijst hij naar artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, op grond waarvan verweerder bij de oplegging van het inreisverbod rekening moet houden met eisers familie in Nederland. Een inreisverbod van tien jaren maakt het voor eiser onmogelijk om zijn vrouw en kinderen in Nederland op te zoeken. Dat zij hier geen rechtmatig verblijf hebben, is slechts beperkt relevant, want het gaat om hun feitelijke verblijfplaats. Bovendien heeft eiser geen invloed op de feitelijke verblijfplaats van zijn gezin omdat zijn vrouw een verzoek tot echtscheiding heeft ingediend.

9.2

Verweerder stelt dat het inreisverbod geen inmenging van het recht op family life als bedoeld in artikel 8 van het EVRM oplevert omdat het gezin nimmer rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Op alle gezinsleden rust een vertrekplicht. Voorts verwijst verweerder naar overwegingen uit eerdere beschikkingen betreffende eiser waarin is geconcludeerd dat de belangenafweging in het voordeel van de overheid dient uit te vallen gezien de ernst van de misdrijven waarvan eiser wordt verdacht, het gegeven dat eiser en zijn gezin de Irakese taal machtig zijn en de familie tot 2000 in Irak verbleef en dus vertrouwd is met de Irakese samenleving. Eiser en zijn vrouw hadden kunnen weten dat er geen verblijfsrecht zou worden verleend wegens de tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Het illegaal verblijf in Nederland komt dan ook voor rekening en risico van eiser. Ook heeft verweerder meegewogen dat de (meeste) kinderen van eiser inmiddels meerderjarig zijn en dat niet is gebleken dat tussen eiser en zijn kinderen sprake is van more than the normal emotional ties.

9.3

De rechtbank overweegt dat eisers gezin, gelet op het echtscheidingsverzoek van zijn echtgenote van 14 november 2012 en eisers verklaring ter zitting dat hij enkel zijn oudste zoon nog wel eens op straat ziet maar geen contact meer heeft met de anderen, uit elkaar is gevallen. Eiser woont niet meer thuis bij zijn gezin. Voorts overweegt de rechtbank dat alle kinderen van eiser ten tijde van de bestreden beschikking meerderjarig waren. Verweerder heeft dan ook naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen concluderen dat in eisers beroep op family life in de zin van artikel 8 van het EVRM geen individuele omstandigheid oplevert die aanleiding moet geven om van het inreisverbod af te zien dan wel de duur ervan te verkorten.

10.

Gelet op al het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 8 november 2012, ongegrond.

11.

Gelet op hetgeen onder 1.1 is overwogen, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser met betrekking tot het besluit van 16 augustus 2011 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van de enkelvoudige kamer, met een waarde per punt van € 472,--, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,

wat betreft het beroep tegen het besluit van 16 augustus 2011:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,-- (zegge: negenhonderd vierenveertig euro), te betalen aan eiser;

wat betreft het beroep tegen het besluit van 8 november 2012:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, voorzitter, en mrs. A.J.R.M. Vermolen en A.H. van Zutphen, rechters, in aanwezigheid van mr. C.E. van Diepen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: LvD

Coll.: MdJ

D: C

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.