Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:14326

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-10-2013
Datum publicatie
18-11-2013
Zaaknummer
C-09-441472 - HA ZA 13-449
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burengeschil. Geschil over overbouw van dakopbouw en plaatsing dakterras in strijd met 5:50 BW binnen twee meter van de erfgrens. Gebod tot verwijdering overbouw afgewezen op grond van artikel 5:1 lid 2 BW. Terugplaatsing dakterras uitsluitend voor zover rechtstreeks uitzicht op de tuin bestaat. Rechtstreeks uitzicht op een (raamloos) plat dak van een uitbouw, levert geen schending van artikel 5:50 BW op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

`1vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/441472 / HA ZA 13-449

Vonnis (bij vervroeging) van 30 oktober 2013

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. G.H.A. Vlierhuis te Den Haag,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. A. de Groot te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden. Gedaagden zullen gezamenlijk worden aangeduid met [gedaagden c.s.]

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de inleidende dagvaarding d.d. 18 april 2013, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 17 juli 2013, waarin een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 8 oktober 2013, en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is eigenaar van de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] ([perceel 1]). [gedaagden c.s.] zijn sinds 2000 de eigenaren van de naastgelegen woning op het adres [adres 2] te [woonplaats] [perceel 2]).

2.2.

In 2005/2006, hebben [gedaagden c.s.], na daartoe de benodigde bouwvergunning te hebben verkregen, aan de achterzijde van hun woning, op de eerste verdieping een terras over de gehele breedte van het pand geplaatst (hierna: het dakterras). [eiser] heeft destijds geen bezwaar gemaakt tegen de bouwvergunning. Het dakterras grenst aan en geeft uitzicht op het perceel van [eiser].

2.3.

In 2007 hebben [gedaagden c.s.] een dakopbouw op de bovenverdieping van hun woning geplaatst, na daartoe de benodigde vrijstelling en bouwvergunning te hebben verkregen (hierna: de dakopbouw). De dakopbouw is na onderzoek door een architect en na toestemming van de welstandscommissie verwezenlijkt. De dakopbouw is onder meer aangebracht over de gehele breedte van de muur tussen de woningen van [eiser] en [gedaagden c.s.]

2.4.

[eiser] heeft zes jaar geprocedeerd tegen de vrijstelling voor de dakopbouw, maar deze is onherroepelijk geworden met de uitspraak van de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, van 19 december 2012.

2.5.

Op 11 april 2008 heeft het Kadaster op verzoek van [eiser] een grensreconstructie uitgevoerd. Op het relaas van bevindingen staat bij omschrijving van de aangewezen kadastrale grenzen “midden muur” vermeldt. Uit de tekening van de reconstructie volgt dat de dakopbouw aan de voorzijde van de woning de in het midden van de muur gelegen kadastrale erfgrens 11 cm overschrijdt en aan de achterzijde 13 cm.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat –:

- primair: [gedaagden c.s.] te veroordelen om een einde te maken aan de overbouw van de dakopbouw, dit binnen zes weken na betekening van het vonnis, op verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag dat zij in gebreke blijven aan dit vonnis te voldoen, zulks tot een maximum van € 40.000;

- subsidiair: [gedaagden c.s.] te veroordelen tot betaling van € 11.660,32, vermeerderd met wettelijke rente;

- primair en subsidiair:

• [gedaagden c.s.] te veroordelen tot aanpassing van het balkon zodat aan de verboden situatie een einde wordt gemaakt, dit binnen drie weken na betekening van het vonnis op verbeurte van een dwangsom van € 250 per dag dat zij in gebreke blijven aan dit vonnis te voldoen, zulks tot een maximum van € 20.000;

• [gedaagden c.s.] te veroordelen tot betaling van de buitengerchtelijke kosten, begroot op € 904;

• [gedaagden c.s.] te veroordelen tot betaling van de kosten van vaststelling van de schade en aansprakelijkheid van € 944,49;

• [gedaagden c.s.] te veroordelen tot betaling van de proceskosten, die van de advocaat daaronder begrepen;

• [gedaagden c.s.] te veroordelen in de nakosten, voor wat betreft salaris van de advocaat forfaitair berekend op € 131 zonder betekening en verhoogd met € 68 in geval van betekening, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de datum van het vonnis, althans van de veertiende dag na de datum van het in dezen te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

[eiser] legt aan zijn primaire vordering ten grondslag dat de dakopbouw van [gedaagden c.s.] gedeeltelijk op zijn perceel is gebouwd. De dakopbouw is onder meer aangebracht over de volle breedte van de muur tussen de beide woningen en volgens [eiser] is deze muur mandelig, zodat [gedaagden c.s.] slechts tot de middenlijn van de muur hadden mogen bouwen. Nu zij de gehele muur hebben bebouwd, is er volgens [eiser] sprake is van onrechtmatige overbouw, zodat hij vordert dat deze overbouw door [gedaagden c.s.] ongedaan wordt gemaakt. Subsidair vordert [eiser] vergoeding van de extra kosten die hij moet maken vanwege de overbouw van de dakopbouw van [gedaagden c.s.], voor het geval hij zelf een dakopbouw wil realiseren.

3.3.

Aan zijn vordering betreffende het dakterras van [gedaagden c.s.] legt [eiser] ten grondslag dat het dakterras zich bevindt binnen twee meter van de erfgrens van zijn perdeel en het perceel van [gedaagden c.s.] Er is derhalve sprake van schending van artikel 5:50 BW, zodat [gedaagden c.s.] gehouden zijn om (de balustrade van) het dakterras twee meter van de erfgrens terug te plaatsen.

3.4.

[gedaagden c.s.] voert verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen zijn buren en hebben een geschil over de dakopbouw en het dakterras dat [gedaagden c.s.] hebben gebouwd. Het geschil over de dakopbouw ziet op de vraag of een deel van dakopbouw is aangebracht op het perceel van [eiser], in welk geval sprake is van overbouw. [eiser] stelt dat van overbouw sprake is, terwijl dit door [gedaagden c.s.] wordt bestreden. Het geschil over het dakterras houdt verband met de vraag of het dakterras zich in strijd met artikel 5:50 BW binnen een afstand van twee meter van de erfgrens bevindt. Volgens [eiser] is dit het geval en dient het dakterras twee meter van de erfgrens te worden teruggeplaatst, hetgeen [gedaagden c.s.] bestrijden. Alvorens de rechtbank toekomt aan het inhoudelijke geschil, zal zij eerst het meest verstrekkende verweer van [gedaagden c.s.] behandelen.

Rechtsverwerking en afstand van recht

4.2.

Het meest verstrekkende verweer van [gedaagden c.s.] is dat [eiser] zijn recht heeft verwerkt dan wel afstand heeft gedaan van zijn recht om de onderhavige vorderingen in te stellen en deze civiele procedure te mogen voeren. [gedaagden c.s.] baseren zich ter onderbouwing van dit verweer op een brief van 23 februari 2008, die [eiser] aan [gedaagde sub 1] heeft geschreven. Die brief is geschreven in verband met een voorgenomen aangifte wegens smaad, laster, belediging en bedreiging, die [gedaagde sub 1] wilde doen tegen [eiser]. Die brief luidt, voor zover relevant:

“Hierbij tref je aan een afschrift van de brief die ik heb geschreven aan de commandant zeestrijdkrachten.

Zoals ik hem ook schreef benadruk ik dat ik me door boosheid heb laten leiden hetgeen dus blijkbaar slechte dingen in mensen losmaakt. Ik had dit niet mogen doen en merk op dat het me spijt. Misschien kun je je ook nog de tijd herinneren dat we nog een gezellige babbel met elkaar konden maken. Echter waar tegengestelde belangen in het spel zijn kom je met elkaar in een strijd terecht die eigenlijk niet goed is voor mensen en zeker niet voor buren. Dat had niet moeten gebeuren.

Tenslotte bericht ik jullie dat ik stop met procederen.”

4.3.

De rechtbank stelt voorop dat de mededeling “ik stop met procederen” door [gedaagden c.s.] zo mocht worden begrepen dat deze zowel betrekking had op de op dat moment aanhangige bestuurlijke procedures als op eventuele toekomstige (civiele) procedures, zoals de onderhavige.

4.4.

Anders dan [gedaagden c.s.] betogen, leidt de laatste zin onder de gegeven omstandigheden echter niet tot de conclusie dat [eiser] zijn recht heeft verwerkt c.q. afstand heeft gedaan van zijn recht om de onderhavige (civiele) procedure te entameren. Daartoe acht de rechtbank van belang dat [gedaagde sub 2] ter zitting heeft verklaard dat [eiser] bij het eerste contact tussen hem en [gedaagde sub 1], kort na het verzenden van de brief, direct te kennen heeft gegeven toch niet te zullen stoppen met procederen. Ook zijn de ten tijde van het verzenden van de brief lopende bestuursrechtelijke procedures niet beëindigd, terwijl [gedaagden c.s.] naar aanleiding daarvan geen beroep hebben gedaan op rechtsverwerking c.q. afstand van recht. Onder die omstandigheden mocht [eiser] er op vertrouwen dat dit beroep ook niet in het kader van een (ten tijde van het verzenden van de brief nog niet aanhangige) civiele procedure zou worden gevoerd.

4.5.

Voorts is nog van belang dat [eiser] ter zitting onbestreden heeft aangevoerd dat hij de brief heeft geschreven om een aangifte door [gedaagde sub 1] te voorkomen, terwijl [gedaagde sub 1] vervolgens op 13 maart 2008 (zie productie 2 bij conclusie van antwoord) alsnog aangifte heeft gedaan. [gedaagden c.s.] hadden in dit verband moeten begrijpen dat de toezegging om met procederen te stoppen werd gedaan onder de voorwaarde dat de aangifte achterwege zou blijven, ook al stond zulks niet met zoveel woorden in de brief. Vanaf het moment dat [gedaagde sub 1] tot het doen van aangifte tegen [eiser] was overgegaan, kon van [eiser] in redelijkheid niet langer worden verlangd dat hij zijn toezegging uit de brief van 23 maart 2008 gestand zou doen. Dat de advocaten van partijen confraterneel over de brief hebben gecorrespondeerd en dat de advocaat van [eiser] met de inhoud van de brief bekend was, leidt niet tot een ander oordeel.

4.6.

De rechtbank zal dan ook overgaan tot een inhoudelijke behandeling van de vorderingen van [eiser].

De dakopbouw

4.7.

Van de door [eiser] gestelde overbouw kan pas sprake zijn wanneer de dakopbouw van [gedaagden c.s.] zich (gedeeltelijk) op de bebouwing van het perceel van [eiser] bevindt. De rechtbank zal eerst onderzoeken of dat het geval is.

4.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat het Kadaster op 11 april 2008 op verzoek van [eiser] een grensreconstructie heeft uitgevoerd. Uit die grensreconstructie volgt, kort gezegd, dat de perceelgrens tussen de beide woningen loopt, halverwege de tussenmuur van beide woningen. Dit betekent dat sprake is van overbouw, omdat de dakopbouw van [gedaagden c.s.] over de gehele breedte van deze tussenmuur is aangebracht.

4.9.

[gedaagden c.s.] hebben in dit verband aangevoerd dat hun woning breder is dan de naastgelegen woning van [eiser], omdat hun woning twee dragende bouwmuren heeft. De woningen zijn bouwkundig en constructief gescheiden, hetgeen in het kader van de bouwvergunning door de gemeente is bevestigd. Volgens [gedaagden c.s.] is dan ook geen sprake van een mandelige of anderszins (gedeeld) eigendom van de muur. De muur behoort volledig toe aan (het perceel van) [gedaagden c.s.], zodat van overbouw geen sprake is.

4.10.

De rechtbank volgt [gedaagden c.s.] niet in hun betoog. Dat een tussenmuur vanuit constructief oogpunt deel uitmaakt van een bepaalde woning, laat onverlet dat de perceelgrens kan zijn gelegen in het midden van die tussenmuur. Nu uit de meting van het Kadaster volgt dat de perceelgrens in het midden van de tussenmuur van de woningen is gelegen, staat vast dat sprake is van een mandelige muur.

4.11.

Gezien het voorgaande neemt de rechtbank als vaststaand aan dat de oorspronkelijke grens tussen de percelen 2763 en 2764 loopt zoals door het Kadaster is uitgezet en getekend bij de grensreconstructie van 11 april 2008. [gedaagden c.s.] hebben niet betwist dat, uitgaande van deze grens, hun opbouw de perceelgrens aan de voorzijde 11 cm en aan de achterzijde 13 cm overschrijdt, zodat dit als vaststaand kan worden aangenomen. Daarmee staat vast dat [gedaagden c.s.] onrechtmatig hebben gehandeld door hun dakopbouw aan te brengen op de gehele (mandelige) tussenmuur van de woningen.

4.12.

Nu sprake is van onrechtmatige overbouw, dient te worden beoordeeld of de primaire dan wel de subsidiaire vordering van de [eiser] toewijsbaar is. Op grond van artikel 5:1 BW is het [eiser] in beginsel toegestaan om verwijdering te verlangen van de overbouw. Artikel 5:1 lid 2 BW beperkt deze bevoegdheid op grond van regels van ongeschreven recht. [gedaagden c.s.] hebben als verweer gevoerd dat de vordering tot verwijdering van de overbouw van [eiser] misbruik van bevoegdheid oplevert. De rechtbank overweegt in verband met dit verweer als volgt.

4.13.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden c.s.] terecht aanvoeren dat [eiser] zijn vorderingen met betrekking tot de dakopbouw prematuur heeft ingesteld en dat [eiser] tot op heden geen schade heeft geleden. Zoals [eiser] zelf erkent, ontstaat die schade (te weten het maken van extra kosten) immers pas op het moment dat hij tot de bouw van een dakopbouw op zijn woning overgaat. Ter zitting is duidelijk geworden dat [eiser] geen concrete plannen voor het aanbrengen van een dakopbouw heeft. Tekeningen ontbreken en van een bouwvergunning of zelfs een bouwaanvraag is geen sprake. Nu [eiser] bovendien zijn huis niet te koop heeft staan en gesteld noch gebleken is dat hij daartoe binnen afzienbare tijd zal overgaan, leidt [eiser] momenteel evenmin schade ten gevolge van de door hem gestelde waardedaling van zijn woning, omdat de bouwmogelijkheden op het dak van zijn woning beperkt zouden zijn.

4.14.

Voorts is van belang dat [gedaagden c.s.] gemotiveerd heeft bestreden dat [eiser] ten gevolge van hun dakopbouw extra kosten dient te maken wanneer hij een eigen dakopbouw op zijn woning wil aanbrengen. [gedaagden c.s.] hebben voorts onderbouwd aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met het voordeel dat [eiser] bij de eventuele aanleg van zijn dakopbouw zal ondervinden ten gevolge van de aanwezigheid van (de muur van) de dakopbouw van [gedaagden c.s.] Om die reden is volgens [gedaagden c.s.] van een waardedaling van de woning bij verkoop evenmin sprake.

4.15.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn onder de gegeven omstandigheden de vorderingen van [eiser] aangaande de dakopbouw in strijd met regels van ongeschreven recht. [eiser] lijdt momenteel immers geen schade ten gevolge van de overbouw, terwijl de financiële gevolgen voor [gedaagden c.s.] bij toewijzing van de primaire vordering niet in verhouding staan tot het voordeel dat [eiser] op dit moment heeft van verwijdering van de overbouw. Bovendien is het vooralsnog te onzeker of de subsidiair gevorderde schade daadwerkelijk (en in zijn geheel) door [eiser] zal worden geleden. Verder is nog van belang dat [eiser] momenteel geen hinder ondervindt van de bestaande overbouw en daardoor niet in zijn woongenot wordt beperkt, aangezien de overbouw zich bevindt op het dak van zijn woning, terwijl voorts gesteld noch gebleken is dat er vanuit constructief oogpunt een (reëel) risico op schade bestaat. Dit wordt pas anders wanneer [eiser] (of een eventuele opvolgend koper) daadwerkelijk overgaat tot de bouw van een eigen dakopbouw, welke situatie zich momenteel niet voordoet en evenmin binnen afzienbare termijn zal voordoen. De rechtbank zal de vorderingen daarom afwijzen.

4.16.

De enkele omstandigheid dat [eiser] op basis van de uitkomst van deze procedure wil afwegen of hij een dakopbouw zal realiseren, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dit geldt eveneens voor de door [eiser] gestelde gevolgen die de dakopbouw heeft voor de belichting in zijn tuin. [gedaagden c.s.] hebben immers onbestreden aangevoerd dat de rechtbank Den Haag bij uitspraak van 4 april 2012 (ECLI:NL:RBSGR:2012:BW113) heeft geoordeeld dat “zowel ten aanzien van de gevel als ten aanzien van de buitenruimtes (van – onder meer – [eiser]; toevoeging rechtbank) wordt voldaan aan de Haagse Bezonningsnorm en dat evenmin sprake is van afname van de bezonningsduur op de gevels en de buitenruimtes met meer dan 50%”. Daarmee staat ook in deze procedure vast dat van onrechtmatige hinder geen sprake is. Overigens is van onrechtmatige hinder evenmin sprake wanneer de rechtbank zou uitgaan van de door [eiser] in het geding gebrachte en door [gedaagden c.s.] betwiste bezonningsberekening van Flirt design & communication van 20 november 2007.

Het dakterras

4.17.

De aanblik vanaf het dak van de uitbouw van [eiser] op het dakterras van [gedaagden c.s.] blijkt uit de hieronder afgedrukte foto:

4.18.

De aanblik vanuit de tuin van [eiser] op het dakterras van [gedaagden c.s.] blijkt uit de hieronder afgedrukte foto:

4.19.

Ingevolge artikel 5:50 lid 1 BW is het, tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven, niet geoorloofd binnen twee meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven. [eiser] stelt dat het dakterras in strijd met artikel 5:50 BW (deels) binnen twee meter van de grenslijn van zijn perceel ligt. De rechtbank zal hierna beoordelen of sprake is van schending van artikel 5:50 BW.

4.20.

Ter zitting heeft [eiser] erkend dat zijn vordering ten aanzien van het dakterras niet kan slagen voor zover hij heeft gesteld dat vanaf het dakterras in zijn woning gekeken kan worden nu zijdelings uitzicht niet onder de reikwijdte van artikel 5:50 BW valt.

4.21.

Voorts blijkt uit de onder rov. 4.17. afgedrukte foto dat het overgrote deel van het dakterras rechtstreeks uitzicht geeft op het dak van de uitbouw van [eiser]. Nu onder ‘erf’ een grondstuk wordt verstaan inclusief eventuele op dat grondstuk staande opstallen, valt het platte dak in beginsel onder het begrip erf als bedoeld in artikel 5:50 lid 1 BW (Parl. Gesch. Boek 5, MvA II, p. 123). Nu artikel 5:50 BW de strekking heeft de privacy te beschermen, terwijl die privacy niet wordt aangetast door zicht op een plat dak, is sprake van een situatie die is gelijk te stellen aan de in artikel 5:50 lid 2 BW opgenomen uitzondering dat het uitzicht niet verder reikt dan tot een binnen twee meter van het werk bevindende muur. Voor zover de uitbouw van [eiser] deels inspringt heeft te gelden dat op dit gedeelte van de tuin vanaf het dakterras geen (rechtstreeks) zicht bestaat, nu dit zicht volledig wordt weggenomen door het dak van de uitbouw, dat zich uitstrekt vanaf het dakterras tot aan het inspringende gedeelte van de uitbouw van [eiser].

4.22.

Met betrekking tot het gedeelte van het dakterras dat rechtstreeks grenst aan de uitbouw van [eiser] geldt eveneens dat voor zover vanaf dit deel van het dakterras in de tuin van [eiser] kan worden gekeken (getuige de onder rov. 4.18. overgelegde foto) dit zijdelingse uitzicht niet onder het bereik van artikel 5:50 BW valt.

4.23.

Uit de onder rov. 4.17. en 4.18. overgelegde foto’s blijkt dat slechts een gering deel van het dakterras dat aan het perceel van [eiser] grenst rechtstreeks zicht geeft op de tuin van [eiser] (op grond van de foto’s ongeveer 50 cm). Hiervoor geldt dat dit in strijd is met artikel 5:50 BW, zodat de vordering van [eiser] met betrekking tot dit deel van het dakterras slaagt. Dat voor het dakterras door de gemeente een bouwvergunning is verleend, doet daar niet aan af. Hetzelfde geldt voor het verweer van [gedaagden c.s.] dat zij het dakterras zodanig hebben ingericht dat hun bank met de rug naar het perceel van [eiser] is gericht, nu deze omstandigheid niet kan worden gebracht onder de uitzonderingen die in artikel 5:50 lid 2 BW worden genoemd.

4.24.

[gedaagden c.s.] zullen dan ook worden veroordeeld om het deel van het dakterras dat, vanaf de woningen gezien, verder uitsteekt dan de uitbouw van [eiser] twee meter van de erfgrens terug te plaatsen. De kosten die met die terugplaatsing zijn gemoeid zijn, anders dan [gedaagden c.s.] betogen, niet buitenproportioneel en van de door [gedaagden c.s.] gestelde situatie dat toepassing van artikel 5:50 BW in het onderhavige geval bijzonder knellend is te noemen is geen sprake.

4.25.

In dit verband is nog van belang dat [gedaagden c.s.] ter zitting nog hebben aangevoerd dat [eiser] een kleine aanbouw heeft gerealiseerd tegen de perceelgrens. Het betreft de aanbouw met het pannendak, die op de onder rov. 4.17. en 4.18. overgelegde foto’s zichtbaar is. Volgens [gedaagden c.s.] zou de breedte van deze aanbouw in mindering moeten worden gebracht op de twee meter die de het dakterras dient te worden teruggeplaatst op grond van artikel 5:50 BW. De rechtbank is echter van oordeel dat met deze aanbouw geen rekening dient te worden gehouden omdat deze aanbouw zodanig laag is ten opzichte van het dakterras, dat deze aanbouw geen invloed heeft op het uitzicht dat [gedaagden c.s.] hebben vanaf het dakterras in de tuin van [eiser], ook niet in de situatie waarin het dakterras twee meter wordt teruggeplaatst. Zelfs dan is er vanaf het dakterras nog (rechtstreeks doch niet met artikel 5:50 BW strijdig) zicht mogelijk op een deel van de tuin van [eiser].

4.26.

De door [eiser] gevorderde termijn van drie weken na betekening van het vonnis acht de rechtbank, mede in het licht van de aankomende winterperiode, niet redelijk. Zij zal [gedaagden c.s.] dan ook veroordelen om de aanpassing vóór 1 januari 2014 te realiseren. De gevorderde dwangsom zal de rechtbank matigen tot een dwangsom € 100,00 per dag dat [gedaagden c.s.] in gebreke blijven aan het vonnis te voldoen, zulks met een maximum van € 1.000,00.

4.27.

De door [eiser] gevorderde kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid en de schade hebben uitsluitend betrekking op de dakopbouw. Nu [eiser] in zoverre in het gelijk zijn gesteld dat sprake is van overbouw, ziet de rechtbank aanleiding om de kosten van het kadaster, die in verband daarmee terecht zijn gemaakt, voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank zal [gedaagden c.s.] dan ook veroordelen tot betaling van deze kosten ad € 275,00.

4.28.

Nu [eiser] de door hem gestelde buitengerechtelijke kosten onvoldoende heeft onderbouwd zullen deze kosten worden afgewezen.

4.29.

Nu [eiser] met betrekking tot de dakopbouw in het gelijk is gesteld voor wat betreft de overbouw en [gedaagden c.s.] tevens zijn veroordeeld tot aanpassing van het dakterras, ziet de rechtbank aanleiding om [gedaagden c.s.] te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van [eiser]. Deze kosten worden tot op heden begroot worden begroot op:

- dagvaarding €  79,97

- griffierecht 274,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal €  1.257,97

4.30.

De gevorderde nakosten en de wettelijke rente daarover zullen worden toegewezen conform verzocht, nu daartegen geen verweer is gevoerd.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagden c.s.] om vóór 1 januari 2014 het dakterras twee meter van de erfgrens tussen de percelen van [eiser] en [gedaagden c.s.] terug te plaatsen voor zover het dakterras (vanuit de woningen gezien) verder uitsteekt dan de uitbouw van [eiser] (zoals zichtbaar op de onder rov. 4.18. overgelegde foto), zulks op straffe van een dwangsom € 100,00 voor iedere dag dat [gedaagden c.s.] na tijdige betekening van dit vonnis en na het verstrijken van de termijn in gebreke blijft om aan dit gebod te voldoen, tot een maximum van € 1.000,00;

5.2.

veroordeelt [gedaagden c.s.] tot betaling aan [eiser] van € 275,

5.3.

veroordeelt [gedaagden c.s.] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.257,97,

5.4.

veroordeelt [gedaagden c.s.] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het bedrag van € 131 met ingang van veertien dagen na heden tot de dag van volledige betaling, en over het bedrag van € 68 binnen veertien dagen na betekening tot aan de dag van volledige betaling,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2013.