Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:14241

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-10-2013
Datum publicatie
25-10-2013
Zaaknummer
C-09-440339 - HA ZA 13-364
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Franchiseovereenkomst. In de aanloop naar de franchiseovereenkomst door franchisegever beweerdelijk gedane mededeling omtrent het "met normale inspanning" door franchisenemer te behalen aantal nieuwe cliënten. Invloed van de toepasselijk verklaarde Europese Erecode inzake Franchising die tot terbeschikkingstelling van schriftelijke prognoses/ramingen verplicht, "indien beschikbaar".

Franchisenemer krijgt opdracht te bewijzen dat hem de gestelde mededeling is gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2014/2
RCR 2014/23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/440339 / HA ZA 13-364

Vonnis van 23 oktober 2013, bij vervroeging

in de zaak van

[A] ,

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J.H. Kolenbrander te Leiden,

tegen

[B] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. H. den Besten te Almere.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 28 maart 2013, met producties;

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, met producties;

- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

- de aanvullende producties van [B], toegezonden bij brieven van 4 en 11 september 2013;

- het tussenvonnis van 12 juni 2013;

- het proces-verbaal van comparitie van 23 september 2013.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[B] exploiteert een franchiseformule onder de naam “40PlusRelatie”. De 40PlusRelatie-franchiseketen houdt zich bezig met het tegen vergoeding bemiddelen bij het vinden van een levenspartner door 40-plussers.

2.2.

Begin juli 2011 is [A] in contact getreden met [B], waarbij [A] kenbaar heeft gemaakt geïnteresseerd te zijn in het franchisenemerschap. Er zijn vervolgens diverse gesprekken gevoerd waarbij ook is gesproken over de mogelijkheden te komen tot een rendabele exploitatie van een 40PlusRelatie-onderneming door [A] in de door hem te bedienen regio (Achterhoek en omgeving).

2.3.

Op 25 augustus 2011 zijn partijen een schriftelijke franchiseovereenkomst (verder: overeenkomst) aangegaan. Op de overeenkomst is de Europese Erecode (verder: Code) inzake Franchise van toepassing. Artikel 4.3. van de Code luidt als volgt:


“Om toekomstige individuele franchisenemers in staat te stellen met volledige kennis van zaken enige bindende overeenkomst aan te gaan, zal hen een exemplaar van deze (Code) verstrekt worden en volledige en correcte schriftelijke informatie en documentatie met betrekking tot de franchiseverhouding, binnen redelijke tijd voor het sluiten van deze bindende overeenkomst.
Deze informatie en documentatie behelzen:
(…)
financiële ramingen c.q. prognoses, indien beschikbaar.”

2.4.

Artikel 8 lid 5 van de overeenkomst die partijen hebben gesloten luidt:


“Franchisegever is nimmer schadeplichtig jegens franchisenemer, ongeacht de reden van beëindiging. (…)”.


Artikel 15 (“Slotbepalingen”) lid 4 van de overeenkomst luidt als volgt:


“Het succes dat een franchisenemer middels de franchise kan behalen, is niet gegarandeerd en is afhankelijk van vele factoren waaronder met name de zakelijke talenten van de franchisenemer.”

2.5.

In de periode van november 2011 tot en met november 2012 heeft [A] zestien nieuwe cliënten ingeschreven.

2.6.

Bij brief van 15 november 2012 heeft [B] de franchiseovereenkomst tussen partijen ontbonden. Op dat moment was [A] opeisbaar een bedrag van circa € 700,- aan [B] verschuldigd, dat hij niet ineens maar wel in maandelijkse termijnen wilde voldoen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[A] vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat de franchiseovereenkomst buitengerechtelijk door hem bij brief van 22 november 2012 is ontbonden, dan wel dat de rechtbank de franchiseovereenkomst alsnog ontbindt per 22 november 2012, dan wel (op) een in goede justitie vast te stellen datum. Verder vordert [A] te verklaren voor recht dat [B] toerekenbaar tekort is geschoten jegens [A] c.q. onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld. [A] vordert veroordeling tot betaling van een schadevergoeding van € 50.843,97 en van een vergoeding wegens buitengerechtelijke kosten van € 1.788,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Tot slot vordert [A] veroordeling van [B] in de gedingkosten.

3.2.

[B] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[B] vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat de franchiseovereenkomst op 15 november 2012 door [B] terecht is ontbonden en “de schade nader op te maken bij staat”, met veroordeling van [A] in de kosten van het geding.

3.5.

[A] voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Partijen houdt met name verdeeld de vraag of [B] [A] voorafgaand aan het aangaan van de franchiseovereenkomst juist heeft voorgelicht over de mogelijkheden om een redelijk inkomen te kunnen genereren uit de exploitatie van een 40PlusRelatie-franchiseonderneming. [A] neemt [B] kwalijk dat hem gezegd zou zijn dat hij met een “normale inspanning” in ieder geval vier inschrijvingen van nieuwe cliënten per maand zou kunnen realiseren en dat dit uit zou kunnen groeien naar acht inschrijvingen per maand. Verder zou hem gezegd zijn dat hij, na een opstartperiode, “een redelijke boterham” kon verdienen met zijn onderneming; binnen de formule zou een prijsstructuur worden gehanteerd die ertoe zou leiden dat de franchisenemer € 400,- netto per klant zou overhouden. Dat alles is niet haalbaar gebleken. Verder stelt [A] dat [B] (ook overigens) is tekortgeschoten in de nakoming van verplichtingen uit hoofde van de franchiseovereenkomst.
Daar stelt [B] tegenover dat wel gesproken is over vier inschrijvingen per maand, maar dat uitsluitend is gezegd dat met vier nieuwe cliënten per maand een redelijke boterham te verdienen zou zijn. [B] bestrijdt dat ze tekort zou zijn gekomen in de nakoming van verplichtingen die op haar rusten ingevolge de franchiseovereenkomst.


Tekortkoming - ontbinding: artikel 4 van de Code

4.2.

[A] heeft slechts tot ontbinding van de overeenkomst kunnen komen voor zover [B] is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de overeenkomst voortvloeiende, op haar rustende verplichtingen. [A] betoogt dat van een dergelijke tekortkoming sprake is en stelt daartoe in de eerste plaats dat [B] gehouden was hem een schriftelijke prognose, niet alleen een mondelinge prognose, omtrent de realiseerbare omzet en resultaten voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst ter beschikking te stellen. De basis voor deze verplichting is, aldus [A], gelegen in de Code.

4.3.

De rechtbank volgt deze redenering van [A] niet. Het navolgende is daarvoor redengevend.

4.4.

[B] heeft, door het van toepassing verklaren van de Code op de overeenkomst, met terugwerkende kracht de verplichting op zich genomen om financiële ramingen c.q. prognoses aan de aspirant franchisenemer beschikbaar te stellen. [A] ziet er echter aan voorbij dat deze bepaling tot het verstrekken van die informatie verplicht “indien beschikbaar”. Gesteld noch gebleken is dat er schriftelijke financiële ramingen of prognoses beschikbaar waren in de periode waarin partijen gesprekken hebben gevoerd over het toetreden van [A] tot de franchiseformule. Dat mondeling verstrekte inlichtingen op schrift gesteld moeten worden, bij gebreke waarvan artikel 4 van de Code geschonden zou zijn, volgt de rechtbank niet: voor die stelling biedt de Code namelijk geen aanknopingspunt.
Ook stelt [A] dat [B] haar verplichtingen uit de Code heeft geschonden doordat publiciteit voor de werving van individuele franchisenemers en wervingsadvertenties en reclamemateriaal misleidend zouden zijn geweest. Deze stelling heeft [A] op geen enkele andere wijze onderbouwd dan doordat [B] in individuele gesprekken met [A] een misleidende voorstelling van te verwachten resultaten zou hebben gegeven. Daarop zien de verplichtingen van artikel 4 van de Code echter niet.


Tekortkoming - ontbinding: overige verplichtingen van de franchisegever

4.5.

Doordat [B] heeft verzuimd hem “blijvend te adviseren en te begeleiden” zou zij tekort zijn geschoten in de nakoming, aldus [A]. Dit beroep heeft [A], naar het oordeel van de rechtbank, niet deugdelijk onderbouwd. Ter comparitie heeft [B] onweersproken uiteengezet dat [A] is geholpen met het opstarten van zijn onderneming, er aandacht is besteed aan hem als nieuwe franchisenemer/consulent op de website, er intakegesprekken met hem zijn geoefend en [A] een uitgebreide trainingsdag is aangeboden. Verder vond er tweemaandelijks een consulentenvergadering plaats waarvan met enige regelmaat workshops deel uitmaakten. Bovendien was [B], zoals zij verklaarde en [A] niet heeft weersproken, altijd telefonisch bereikbaar. De omstandigheid dat er, zoals [A] ter comparitie heeft toegelicht, geen standaardbrieven naar klanten en voor betalingsregelingen beschikbaar waren legt, zonder nadere uitleg en bij gebreke van enige concrete aanwijzing dat [B] tot verstrekking daarvan krachtens de overeenkomst gehouden was, onvoldoende gewicht in de schaal. Dat [A] eerst medio januari 2012 werd aangesloten op het “matching systeem” levert naar het oordeel van de rechtbank evenmin een tekortkoming op. De overeenkomst tussen partijen bepaalt niet het moment waarop [A] toegelaten moest worden tot het matching systeem, terwijl de verklaring van [B] dat die toelating dadelijk plaatsvond nadat [A] zijn eerste nieuwe cliënt had ingeschreven, er op wijst dat [A] aldus ten gepaste tijde toegang tot het systeem heeft verkregen. Overigens stelt de rechtbank vast dat gesteld noch gebleken is dat [A] [B] op een eerder moment heeft verzocht tot het systeem toegelaten te worden.
Kortom, ook in dit opzicht kan naar het oordeel van de rechtbank van enige tekortkoming geen sprake zijn.


Onrechtmatig handelen, schadevergoedingsplicht

4.6.

De volgende vraag is of [B] jegens [A] onrechtmatig heeft gehandeld door in het stadium voorafgaand aan het aangaan van de franchiseovereenkomst een onjuiste, misleidende prognose omtrent de haalbare omzet en de mogelijkheid een redelijk inkomen te genereren. Bij de beoordeling van de daartoe strekkende stelling van [A] volgt de rechtbank de lijn voor rechtsrelaties als deze uitgezet in HR 25 januari 2002, NJ 2003/31 Paalman/Lampenier. Op de franchisegever rust niet in het algemeen een verplichting tot het – voorafgaand aan de overeenkomst – verstrekken van een prognose omtrent redelijkerwijs te realiseren omzetten of resultaten. Als de franchisegever de aspirant-franchisenemer echter dergelijke informatie wél verstrekt dan wordt van hem verlangd dat die informatie deugdelijk is voor zover redelijkerwijs verwacht kan worden dat de aspirant-franchisenemer zich bij zijn beslissing toe te treden tot de franchiseketen (mede) door die informatie laat leiden. Van de aspirant-franchisenemer kan niet, bijzondere omstandigheden daargelaten, verwacht worden dat hij de deugdelijkheid van door de franchisegever verstrekte geconcretiseerde of onderbouwde prognoses op juistheid onderzoekt. Verstrekt de franchisegever onjuiste informatie waarop de aspirant-franchisenemer is afgegaan en mocht afgaan, dan zal de franchisegever op grond van onrechtmatig handelen jegens de franchisegever schadeplichtig kunnen zijn.

4.7.

[B] wijst er in dit verband op dat in artikel 15 van de franchiseovereenkomst is bepaald dat het succes van de franchisenemer afhankelijk is van vele factoren waaronder diens zakelijke talenten. Voor zover zij daarmee betoogt dat het verstrekken van een prognose aan [A] nimmer kan leiden tot aansprakelijkheid, volgt de rechtbank haar daarin niet. De tekst van de clausule impliceert geenszins dat [A] afstand doet van enige aanspraak wegens de schending van de zorgvuldigheidsnorm door de franchisegever in de precontractuele fase. Dat partijen iets dergelijks wel hebben bedoeld ten tijde van het aangaan van de overeenkomst, is gesteld noch gebleken.

4.8.

De stelling dat [B] onrechtmatig heeft gehandeld en zij gehouden is tot vergoeding van schade zou niet behandeld hoeven te worden als de rechtbank tot het oordeel zou komen dat [B] een beroep toekomt op het exoneratiebeding dat deel uitmaakt van de overeenkomst. Tot dat oordeel komt de rechtbank echter niet. In artikel 8 lid 5 zijn partijen overeengekomen dat franchisegever nimmer schadeplichtig is “ongeacht de reden van beëindiging”. De rechtbank leest in deze clausule niet een blokkade van de aansprakelijkstelling wegens onrechtmatig handelen van de franchisegever in de precontractuele fase. Ook hier geldt weer dat gesteld noch gebleken is dat partijen met dit beding een ruimere reikwijdte voor ogen stond, zodat daardoor ook onzorgvuldig handelen in de precontractuele fase bestreken zou worden.
Aan de beoordeling van het beroep op het onredelijk bezwarend karakter van deze clausule en op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid dat [A] heeft gedaan, komt de rechtbank daarom niet toe.

4.9.

Als de – door [B] weersproken – stelling van [A] juist is, en hem inderdaad voorafgaand aan het aangaan van de overeenkomst van de zijde van [B] is medegedeeld dat “met een normale inspanning” vier nieuwe inschrijvingen per maand reëel zouden zijn, dan moet worden aangenomen dat [B] onrechtmatig jegens [A] gehandeld. Uit het door [A] als productie 6 overgelegde overzicht en de bijbehorende toelichting van [A] (conclusie van antwoord, paragraaf 12b.) lijkt namelijk te moeten worden afgeleid dat (alle) consulenten in 2011 het aantal van 4 nieuwe inschrijvingen per maand niet haalden. Het als productie 1 door [B] overgelegde overzicht (“Presteren dhr. [A]”) lijkt dit te bevestigen, waarbij de rechtbank zich realiseert dat er – zoals [B] ter comparitie heeft toegelicht – verschillen bestonden tussen consulenten, en de één het beter deed dan de ander waar het gaan om aantallen nieuwe inschrijvingen. Uit het betoog van [B] wordt echter niet duidelijk of vier nieuwe inschrijvingen per maand in de zomer van 2011 door consulenten die een “normale inspanning” aan de dag legden wel reëel was.

4.10.

De rechtbank zal [A] in de gelegenheid stellen het bewijs te leveren van zijn stelling dat hem voor het aangaan van de overeenkomst door [B] is medegedeeld dat met een “normale inspanning” vier nieuwe inschrijvingen per maand gerealiseerd zouden kunnen worden.

4.11.

Een ander verwijt van [A] betreft de marge per nieuwe ingeschreven cliënt: hem zou gezegd zijn dat elke nieuwe cliënt een marge van € 400,- opleverde, terwijl deze marge bij lange na niet gehaald werd.
Naar [B] overtuigend heeft betoogd, is de marge per nieuwe inschrijving afhankelijk van de hoogte van de kosten van de franchisenemer, het aantal nieuwe inschrijvingen en een aantal andere factoren. Dat de marge per inschrijving stijgt naar mate meer inschrijvingen worden genoteerd, spreekt voor zich. Daarin kan een verklaring gelegen zijn voor het feit dat de marge per nieuwe inschrijving in het geval van [A] (gemiddeld) bescheiden was. Verder heeft [B] er met recht op gewezen dat de omvang van de kosten in een belangrijke mate wordt bepaald door de franchisenemer zelf en dat de kosten in het geval van [A] aanzienlijk waren.
Zelfs al zou juist zijn dat [A] is medegedeeld dat de marge per nieuwe inschrijving (gemiddeld) € 400,- zou bedragen dan ligt hierin, gelet op het voorgaande en bij gebreke van een nadere onderbouwing van zijn stelling, geen onrechtmatig handelen van [B] besloten.


Vooruitblik: schadevergoeding

4.12.

Mocht, na bewijslevering, geoordeeld worden dat sprake is van onrechtmatig handelen van [B], dan zal [A] aanspraak kunnen maken op vergoeding van schade. De rechtbank zal bij de beoordeling van de gevorderde schade een vergelijking moeten maken van de situatie waarin [A] als benadeelde als gevolg van de onrechtmatige daad verkeert, met de situatie waarin hij zonder de onrechtmatige daad zou hebben verkeerd. De rechtbank zal de verschillende schadeposten dan stuk voor stuk op gegrondheid beoordelen. Dat tot de schade behoort een (substantieel) bedrag wegens “gemiste inkomsten” acht de rechtbank voorshands onaannemelijk. Het is immers maar de vraag of [A] uit alternatieve werkzaamheden inkomsten genoten zou hebben, nu hij immers reeds een deel van zijn tijd besteedde aan andere activiteiten en hij specifiek op zoek was naar werk dat hij in of dichtbij huis zou kunnen verrichten, gelet op de zorg voor zijn (jonge) kinderen.


in reconventie

4.13.

Vast staat dat [A] in zijn betalingsverplichtingen tegenover [B] tekort is geschoten. [A] heeft in het najaar van 2012, aangesproken op de nakoming van zijn betalingsverplichting, expliciet te kennen gegeven het opeisbaar verschuldigde niet ineens maar wel in termijnen te willen betalen. Daarmee is [A] in verzuim geraakt en was [B] bevoegd over te gaan tot ontbinding van de franchiseovereenkomst, zoals zij heeft gedaan. De rechtbank zal dan ook voor recht kunnen verklaren dat de franchiseovereenkomst door [B] rechtsgeldig is ontbonden.

4.14.

[B] vordert “de schade nader op te maken bij staat”. Naar de rechtbank begrijpt en [A] heeft moeten begrijpen vordert zij daarmee dat [A] zal worden veroordeeld tot vergoeding van haar schade als gevolg van diens tekortkoming in de nakoming van zijn betalingsverplichtingen, welke schade vervolgens in een schadestaatprocedure zal worden vastgesteld. Nu [B] zelfs niet in het minst heeft gesteld schade te hebben geleden of zal lijden door de tekortkoming van [A], is reeds op die grond (een veroordeling tot betaling van schadevergoeding en) een verwijzing naar de schadestaatprocedure niet aan de orde.


In conventie en in reconventie

4.15.

De zaak zal worden verwezen naar de rol opdat [A] bekend kan maken of hij bewijs door getuigen wenst te leveren. Een tweede roldatum wordt in het dictum opgenomen voor het geval [A] (ook) bewijs door andere middelen wil leveren.
De rechtbank houdt alle overige beslissingen aan.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

laat [A] toe tot het leveren van het bewijs van de stelling dat [B] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst verklaard heeft dat vier nieuwe inschrijvende cliënten per maand in zijn geval met een “normale inspanning” op dat moment reëel zou zijn;

5.2.

verwijst de zaak naar de rol van 6 november 2013 opdat [A] bij akte kenbaar maakt of hij bewijs door getuigen wil leveren en, zo ja, het aantal getuigen dat hij wenst te doen horen, de verhinderdata van beide partijen en - bij voorkeur - tevens van de getuigen, waarna de rechtbank datum en tijd voor het getuigenverhoor zal bepalen en aan partijen kenbaar zal maken;

5.3.

verwijst de zaak vervolgens naar de rol van 20 november 2013 voor het nemen van een akte aan de zijde van [A] voor het leveren van bewijs door andere middelen;

5.4.

houdt verdere iedere beslissing aan.


Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2013.1

1 type: Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.2062 coll: