Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:14179

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-10-2013
Datum publicatie
19-11-2013
Zaaknummer
373079 - FA RK 10-6341
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering

Ongegrondverklaring van een bezwaar tegen een besluit van de CA om geen teruggeleidingsprocedure in gang te zetten.

Man (geen juridische vader, geen ouderlijk gezag of voogdij) stelt dat hij op grond van family life in het kader van HKOV teruggeleiding van een kind kan vragen. Moeder (met gezag) heeft het kind zonder zijn toestemming vanuit Nederland naar Brazilie gebracht. De man stelt dat hij met moeder een overeenkomst heeft gesloten waarbij zij haar gezag over de minderjarige (gedeeltelijk) heeft prijsgegeven, waardoor hij zou moeten meebeslissen over de verblijfplaats van de minderjarige. Voorts beweert de man dat hij op grond van family life zou kunnen meebeslissen over de verblijfplaats van het kind. Ten leste doet de man een beroep op het blokkaderecht van een pleegouder.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253s
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2015/16
RFR 2014/24

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 13-7263

Zaaknummer: 450843

Datum beschikking: 21 oktober 2013

Beschikking op het op 13 september 2013 ingediende verzoekschrift van:

[verzoeker],

hierna: verzoeker,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. M.L.A. van Opstal te ’s-Hertogenbosch.

Het bezwaarschrift is gericht tegen:

Het Directoraat-Generaal Jeugd en Sanctietoepassing, Directie Control, Bedrijfsvoering en Juridische Zaken, CBJ, van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, belast met de taak van Centrale Autoriteit als bedoeld in artikel 4 van de Wet van 2 mei 1990 (Stb. 202) tot uitvoering van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (Trb. 1987, 139), hierna: het Haagse Verdrag, gevestigd te Den Haag, verder te noemen: de Centrale Autoriteit.



Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder het bezwaarschrift met producties.

Op 1 oktober 2013 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoeker met zijn advocaat en de Centrale Autoriteit in de persoon van

L. Ipenburg en M.S. van Muiswinkel. Verzoeker heeft pleitnotities en een vijftal producties overgelegd.



Feiten

Uit de relatie van [de moeder] (hierna: de moeder) en [de biologische vader] is het

thans nog minderjarige kind geboren:

- [de minderjarige 1], op [geboortedatum] te [geboorteplaats], Brazilië (hierna: [de minderjarige 1]).

[de biologische vader] heeft op [datum] bij onderhandse akte opgemaakt bij het Tweede notariskantoor, arrondissement [naam], Brazilië, instemming en toestemming verleend aan de moeder, om - kort weergegeven - met de minderjarige te vertrekken naar Nederland, en zonder zijn nadrukkelijke toestemming alle rechtshandelingen te verrichten die in het belang [de minderjarige 1] zijn.

Verzoeker en de moeder hebben elkaar in 2008 in Brazilië leren kennen. Sinds januari 2009 hadden zij een affectieve relatie met elkaar. De moeder is in Brazilië zwanger geworden van verzoeker. Na enige maanden in Brazilië met elkaar en met [de minderjarige 1] te hebben samengewoond zijn verzoeker en de moeder met [de minderjarige 1] in Nederland gaan samenwonen. Er is geen sprake van een huwelijk of van een geregistreerd partnerschap van verzoeker met de moeder.

Uit de relatie van verzoeker en de moeder is op [geboortedatum] te [geboorteplaats] [de minderjarige 2] geboren. Verzoeker heeft dit kind erkend en oefent samen met de moeder het ouderlijk gezag over dit kind uit.

[de minderjarige 1] heeft de Braziliaanse nationaliteit.

Vanaf 2009, gedurende een periode van drie en een half jaar, heeft verzoeker met de moeder, [de minderjarige 2]en [de minderjarige 1] in gezinsverband samengeleefd, zulks totdat de moeder op 6 september 2012 met beide kinderen uit de gezamenlijke woning vertrok. [de minderjarige 2]is nagenoeg onmiddellijk bij verzoeker teruggebracht, [de minderjarige 1] volgde op 22 oktober 2012. Van 22 oktober 2012 tot (in ieder geval) 14 december 2012 heeft [de minderjarige 1] - nu zonder de moeder - bij verzoeker verbleven. [de minderjarige 1] verblijft vanaf 9 april 2013in Brazilië. Enkele dagen na 9 april 2013 is de moeder [de minderjarige 1] nagereisd, zodat [de minderjarige 1] thans samen met de moeder in Brazilië verblijft.

Bij vonnis van 23 november 2012 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank

’s-Hertogenbosch bepaald dat de hoofdverblijfplaats van beide kinderen voorlopig bij de moeder is. Daarbij is tevens een kinderalimentatie ten laste van verzoeker voor beide kinderen bepaald.

Bij de beoordeling van de vorderingen van verzoeker heeft de voorzieningenrechter in het vonnis onder 5.3 het volgende overwogen: “De man heeft recht op omgang met [de minderjarige 1] omdat sprake is van family life. Omdat partijen terzake afspraken hebben gemaakt, heeft de man op dit moment geen belang bij een voorziening in rechte. Omdat het gezag met betrekking tot [de minderjarige 1] niet bij de man berust, zal de voorzieningenrechter de overige vorderingen van de man voor zover die betrekking hebben op [de minderjarige 1] afwijzen.”. Onder 5.5. is vervolgens overwogen “….. Omdat partijen afspraken hebben gemaakt omtrent de omgang van de man met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]zal de vordering van de man te bepalen dat tussen de man en [de minderjarige 1] dezelfde omgangsregeling zal gelden als is vastgesteld met [de minderjarige 2]en gedurende dezelfde weken worden afgewezen.”. Onder 6.6. overweegt de voorzieningenrechter: “Omdat partijen onderling een omgangsregeling met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]zijn overeengekomen zal geen omgangsregeling worden vastgesteld. Conform de overwegingen in conventie zal bepaald worden dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]bij de vrouw is.”. De vordering van verzoeker betrof onder meer bepaling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] bij hem, hem te machtigen om voor [de minderjarige 1] een verblijfsvergunning aan te vragen en inschrijving van [de minderjarige 1] in het gba-register van zijn woonplaats.

Op 18 december 2012 is verzoeker van voormelde beslissing van de voorzieningenrechter in hoger beroep gekomen. In hoger beroep verzoekt hij vernietiging van de beslissing van

23 november 2012, zulks met uitzondering van de beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1]. Voorts heeft hij onder meer verzocht te bepalen dat een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige 1] wordt vastgesteld zulks conform de overeenkomst van hem met de moeder, te weten doordeweeks beurtelings bij de man en vervolgens in het weekend beurtelings bij de man en de vrouw waarbij [de minderjarige 1] met ieder de helft van de vakanties doorbrengt en te bepalen dat, zodra de vrouw beschikt over een eigen woning en vast werk, de omgangsregeling wordt vastgesteld zoals die ook voor [de minderjarige 2]geldt en voorts: de omgangsregeling met betrekking tot [de minderjarige 2]vast te stellen zoals tussen partijen overeengekomen, te weten de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw, waarbij [de minderjarige 2]bij ieder van haar ouders de helft van de vakanties doorbrengt. Daarnaast heeft verzoeker in hoger beroep gevorderd te bepalen dat hij niet gehouden is om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding te betalen ten behoeve van [de minderjarige 1], dan wel een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw; subsidiair te bepalen dat hij een op te leggen bijdrage in de kosten van [de minderjarige 1] niet is verschuldigd zolang de vrouw met [de minderjarige 1] niet in Nederland verblijft.

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft hierop bij arrest van 26 maart 2013 de beslissing van de voorzieningenrechter d.d. 23 november 2012 vernietigd voor wat betreft de aan verzoeker opgelegde alimentatieverplichting ten aanzien van [de minderjarige 1]. In hoger beroep is de vordering van de moeder tot betaling van een onderhoudsbijdrage ten aanzien van [de minderjarige 1] afgewezen. Onder 4.12 van het arrest overweegt het gerechtshof vervolgens als volgt: “Grief 1 houdt in de kern in dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij niet kan beoordelen of de vrees van de man dat de vrouw de kinderen naar Brazilie zal ontvoeren reëel is. Het hof overweegt dat, nu alleen de vrouw met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] is belast, het haar vrij staat om met [de minderjarige 1] naar Brazilië te gaan. In zoverre heeft de man bij deze grief geen belang….”. Daarna wordt onder 4.18 overwogen dat het hof niet is gebleken dat de tussen partijen overeengekomen omgangs-/contactregeling met [de minderjarige 1] respectievelijk [de minderjarige 2]niet wordt nagekomen, terwijl de man ook uitdrukkelijk heeft gesteld dat partijen het met elkaar eens zijn. Om die reden is het hof met de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen reden is om een omgangsregeling vast te stellen, temeer daar het het hof op dat moment bekend is dat op 7 maart 2013 tussen partijen opnieuw een kort geding dient onder meer over de omgang.

Onder 4.19.2 overweegt het gerechtshof vervolgens dat er geen sprake is van onderhoudsplicht van de man ten opzichte van [de minderjarige 1], omdat de man [de minderjarige 1] niet heeft erkend en de situatie dat partijen gezamenlijk het gezag over [de minderjarige 1] uitoefenen zich niet voordoet, zodat voor betaling van een onderhoudsbijdrage ten aanzien van [de minderjarige 1] geen wettelijke grondslag aanwezig is.

Op 12 april 2013 heeft verzoeker wederom de moeder in kort geding gedagvaard. In zijn dagvaarding vermeldt verzoeker onder punt 12 “….Op 10 april 2013 werd de vrees van de man helaas bewaarheid. De man ontving tot zijn ontzetting het bericht van de schoolleiding dat [de minderjarige 1] de dag daarvoor niet op school was gekomen. Vervolgens bleek dat de vrouw kort daarvoor [de minderjarige 1] had laten afreizen naar Brazilië. Het vliegticket was enkele reis. Uitvoering van de tussen partijen overeengekomen omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige 1] is hiermee door de vrouw totaal onmogelijk gemaakt. De man vreest dat hij [de minderjarige 1] nooit meer zal zien. In ieder geval wordt de tussen partijen overeengekomen omgangsregeling met [de minderjarige 1] niet meer nagekomen. Deze regeling is ondanks de vordering daartoe van de man niet in kort geding vastgesteld omdat de voorzieningenrechter en het gerechtshof er van uitgingen dat de regeling werd nagekomen. Nu heeft de man duidelijk belang bij vaststelling en wel zodanig dat wordt bepaald dat hij die omgang met [de minderjarige 1] ook in Brazilië kan laten plaatsvinden (de man komt vaker in Brazilië) en dat hij voor vakantieomgang ook met [de minderjarige 1] naar Nederland mag reizen zodat [de minderjarige 1] haar zus kan zien…..”. Verzoeker heeft vervolgens, voor zover thans van belang, gevorderd te bepalen dat hij omgang zal hebben met [de minderjarige 1] conform de overeengekomen omgangsregeling, zijnde gedurende doordeweekse dagen, een weekend per 2 weken en de helft van de vakanties, te bepalen dat deze regeling ook in Brazilië door hem kan worden uitgevoerd en dat hij de helft van de vakantieweken naar zijn keuze met [de minderjarige 1] ook in Nederland mag doorbrengen, zodat hem is toegestaan met [de minderjarige 1] vanuit Brazilië naar Nederland te reizen.

Bij verstekvonnis van 15 april 2013 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant beslist dat verzoeker overeenkomstig zijn vordering omgang zal hebben met [de minderjarige 1].

Verzoeker heeft (op een niet bij de rechtbank bekende datum) een verzoek bij de Centrale Autoriteit ingediend, strekkende tot teruggeleiding van [de minderjarige 1] uit Brazilië. Bij besluit van 13 augustus 2013 heeft de Centrale Autoriteit aan verzoeker meegedeeld dat zijn verzoek niet in behandeling wordt genomen. Verzoeker komt thans van dit besluit in bezwaar.

Verzoek en verweer

Het bezwaarschrift strekt tot vernietiging van het bestreden besluit en bepaling dat de Centrale Autoriteit het door verzoeker ingediende verzoek tot teruggeleiding van [de minderjarige 1] in behandeling neemt. Verzoeker stelt - kort samengevat - dat op grond van de tussen hem en de moeder op 22 oktober 2012 gesloten overeenkomst, gelet op de inhoud van artikel 3 van het Haagse Verdrag, de moeder een deel van haar gezagsrecht aan hem heeft prijsgegeven en dat hij, nu [de minderjarige 1] twaalf van de veertien dagen per twee weken door hem wordt verzorgd en opgevoed, in elk geval medebeslissingsbevoegdheid heeft ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1], zodat de moeder niet eenzijdig kon beslissen met [de minderjarige 1] naar Brazilië te vertrekken.

De Centrale Autoriteit voert verweer. Kort samengevat is er volgens de Centrale Autoriteit geen sprake van internationale kinderontvoering in de zin van het Haagse Verdrag. De Centrale Autoriteit stelt dat de moeder het eenhoofdig gezag over [de minderjarige 1] heeft en dat zij derhalve het recht heeft om over de verblijfplaats van [de minderjarige 1] te beslissen. Er is volgens de Centrale Autoriteit geen sprake van schending van een gezagsrecht van verzoeker, als bedoeld in de artikelen 3 en 5 van het Haagse Verdrag. De Nederlandse rechter is er in de door verzoeker gevoerde procedures steeds vanuit gegaan dat verzoeker op grond van family life recht heeft op omgang heeft met [de minderjarige 1], aldus de Centrale Autoriteit.

Beoordeling

Verzoeker heeft zijn bezwaar binnen een maand na ontvangst van de beschikking van de Centrale Autoriteit, derhalve tijdig, ingediend.

De rechtbank dient te beoordelen of de Centrale Autoriteit op goede gronden heeft geoordeeld dat er klaarblijkelijk geen sprake is van ongeoorloofde overbrenging of vasthouding van de minderjarige [de minderjarige 1] in de zin van artikel 3 van het Haagse Verdrag.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 3 van het Haagse Verdrag luidt als volgt:

1.

Het overbrengen of het niet doen terugkeren van een kind wordt als ongeoorloofd beschouwd, wanneer:

a. a) dit geschiedt in strijd met een gezagsrecht, dat is toegekend aan een persoon, een instelling of enig ander lichaam, alleen of gezamenlijk, ingevolge het recht van de Staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had; en

b) dit recht alleen of gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of het niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.

2.

Het onder a) bedoelde gezagsrecht kan in het bijzonder voortvloeien uit een toekenning van rechtswege, een rechterlijke of administratieve beslissing of een overeenkomst die geldig is ingevolge het recht van die Staat.

Artikel 5 van het Haagse Verdrag geeft als definitie van gezagsrecht: “het recht dat betrekking heeft op de zorg voor de persoon van het kind, en in het bijzonder het recht over zijn verblijfplaats te beslissen”.

Om te kunnen beoordelen of de overbrenging of vasthouding van de minderjarige ongeoorloofd is geschied, dient - in concreto - de volgende vraag te worden beantwoord: is de overbrenging van [de minderjarige 1] geschied in strijd met een aan verzoeker toekomend gezagsrecht in de zin van artikel 5 van het Haagse Verdrag?

Verzoeker heeft in zijn bezwaarschrift zijn stelling dat aan hem een gezagsrecht met betrekking tot [de minderjarige 1] het volgende ten grondslag gelegd:

  1. gezagsrecht op grond van een overeenkomst tussen verzoeker en de moeder;

  2. gezagsrecht gegrond op de hoofdverblijfplaats en de feitelijke verblijfplaats van de minderjarige;

  3. gezagsrecht op grond van het blokkaderecht van een pleegouder.

Ad A: het gezagsrecht op grond van overeenkomst

Verzoeker erkent dat naar Nederlands recht uitsluitend de moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1]. Verzoeker doet echter een beroep op artikel 3.1 lid 2 van het Haagse Verdrag waaruit – zo stelt hij - volgt dat gezagsrecht in de zin van het Verdrag kan ontstaan op drie wijzen: a. van rechtswege, b. door een rechterlijke beslissing, of c. door een naar Nederlands recht geldige overeenkomst. Volgens verzoeker heeft hij op grond van een tussen hem en de moeder gesloten overeenkomst, gezagsrecht verkregen, althans heeft de moeder een deel van haar gezagsrecht aan hem prijs gegeven, door hem aangeduid als ‘afgesplitst gezag’.

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 3 lid 2 van het Haagse Verdrag wordt nadere invulling gegeven aan het in artikel 3 lid 1 onder a van dat Verdrag bedoelde gezagsrecht. In artikel 3 lid 1 onder a van het Verdrag wordt gesproken over een gezagsrecht ingevolge het recht van de Staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had. Hieruit volgt dat in artikel 3 lid 2 van het Verdag geen zelfstandige grond voor het vestigen van gezagsrecht wordt geschapen. De wijze waarop gezagsrecht wordt gevestigd wordt – (ook) in het licht van het Haags Verdrag – bepaald door het recht van de Staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had, in casu Nederlands recht.

Titel 14 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) regelt het gezag over minderjarige kinderen. Titel 14 geeft een uitputtende opsomming over de wijze waarop naar Nederlands recht ouderlijk gezag wordt verkregen of gewijzigd. In Titel 14 is niet de mogelijkheid opgenomen om gezag te vestigen of wijzigen op grond van een overeenkomst.

Hieruit volgt dat er – ook in het licht van het Haagse Verdrag – geen rechtsgrond bestaat voor de stelling van verzoeker dat hij op grond van een tussen hem en de gezaghebbende ouder gesloten overeenkomst (beperkt) gezagsrecht heeft gekregen.

De rechtbank merkt daarbij nog ten overvloede op dat uit de door verzoeker overgelegde e-mailwisseling niet blijkt er daadwerkelijk sprake is (geweest) van wilsovereenstemming tussen verzoeker en de moeder in die zin dat de moeder een deel van haar gezagsrecht aan verzoeker heeft prijs gegeven. Dat de moeder [de minderjarige 1] daadwerkelijk na haar e-mailbericht van 21 oktober 2012, 23:28 uur op 22 oktober 2012 bij verzoeker heeft gebracht, maakt niet dat de moeder een deel van haar gezagsrecht aan verzoeker heeft prijsgegeven dan wel dat zij ermee heeft ingestemd dat verzoeker alleen, dan wel samen met haar, gezagsbeslissingen over [de minderjarige 1] mag nemen. Ook uit het vonnis van de voorzieningenrechter van 15 april 2013 kan niet het bestaan van een overeenkomst met de strekking zoals door verzoeker gesteld worden afgeleid. In bedoeld vonnis is immers bij verstek een omgangsregeling tussen verzoeker en [de minderjarige 1] bepaald waarbij de voorzieningenrechter de door verzoeker gestelde afspraak niet inhoudelijk heeft getoetst.

Ad B. de hoofdverblijfplaats en de feitelijke verblijfplaats van de minderjarige

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat - aangezien [de minderjarige 1] gedurende doordeweekse dagen, een weekend per twee weken en de helft van de vakanties bij hem verbleef – [de minderjarige 1] op het moment van de overbrenging naar Brazilië, weliswaar formeel hoofdverblijf had bij de moeder maar de facto feitelijk hoofdverblijf had bij hem. Onder verwijzing naar de toelichtingen bij het Haags Verdrag stelt verzoeker dat het begrip ‘verblijfplaats’ in het licht van het Verdrag een feitelijk begrip is. [de minderjarige 1] had, aldus verzoeker, onmiddellijk voorafgaand aan de overbrenging hoofdverblijf bij hem en de moeder mocht die hoofdverblijfplaats niet zonder zijn toestemming wijzigen. Hieruit volgt, zo stelt verzoeker, dat hij in die zin een gezagsrecht had.

De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor onder het kopje “gezagsrecht” is overwogen. Ook indien er, zoals verzoeker stelt, tussen hem en de moeder overeenstemming zou bestaan over een omgangsregeling, inhoudende dat [de minderjarige 1] gedurende doordeweekse dagen, een weekend per twee weken en de helft van de vakanties en dus de facto het merendeel van de tijd bij verzoeker verbleef, dan heeft verzoeker hiermee naar Nederlands recht nog geen beslissingsbevoegdheid verkregen ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige.

Ad C. het blokkaderecht van een pleegouder

Artikel 1:253s lid 1 BW luidt: “Indien het kind met instemming van zijn ouders die het gezag over hem uitoefenen gedurende ten minste een jaar door een of meer anderen als behorende tot het gezin is verzorgd en opgevoed, kunnen de ouders slechts met toestemming van degenen die de verzorging en opvoeding op zich hebben genomen, wijziging in het verblijf van het kind brengen.”. Volgens lid 2 van dit artikel kunnen ouders bij het uitblijven van bedoelde toestemming van de pleegouders, de rechtbank verzoeken om vervangende toestemming om wijziging in het verblijf van het kind te brengen.

Vast staat dat vanaf begin 2009 tot september 2012 verzoeker met [de minderjarige 1] en haar moeder in gezinsverband heeft samengeleefd en dat [de minderjarige 1] van 22 oktober 2012 tot (in ieder geval) 14 december 2012 - zonder de moeder maar met haar toestemming - in het gezin van verzoeker verbleef. Verzoeker is niet de juridische de vader van [de minderjarige 1] en hij heeft – zoals hiervoor is overwogen - geen gezagsrecht over haar.

Verzoeker stelt – zo begrijpt de rechtbank – dat hem naar analogie van artikel 1:253s BW een blokkaderecht toekomt, op grond waarvan de moeder niet zonder zijn toestemming het verblijf van [de minderjarige 1] mocht wijzigen en dat dit blokkaderecht hem dus ook beslissingsrecht over de verblijfplaats van [de minderjarige 1] en daarmee een gezagsrecht als bedoeld in het Haagse Verdrag, geeft.

Naar het oordeel van de rechtbank voorziet artikel 1:253s BW in een situatie waarin een kind (gedurende ten minste een jaar) in een ander gezin dan dat van de gezaghebbende ouder(s) wordt verzorgd en opgevoed en de gezaghebbende ouder(s) op enig moment hun kind uit dat gezin willen terughalen. Op dat moment is het voor de pleegouder(s) mogelijk op grond van artikel 1:253s een blokkade op te werpen. De gezagshebbende kunnen eerst na toestemming van de pleegouder(s) of na vervangende toestemming van de rechtbank (indien de pleegouders die toestemming niet geven), wijziging brengen in de verblijfplaats van hun kind. Wanneer de rechtbank geen vervangende toestemming geeft voor vertrek van het kind uit het pleeggezin, geldt de beslissing van de rechtbank (“de blokkade”) ingevolge het derde lid van het artikel vervolgens slechts voor een termijn van zes maanden. Na verloop van die termijn herkrijgen de gezagshebbende ouders van rechtswege de bevoegdheid om wijziging in het verblijf van hun kind te brengen. De regeling van artikel 1:253s BW betreft daarmee naar het oordeel van de rechtbank slechts een in duur beperkte ordemaatregel die tijdelijk de beslissingsbevoegdheid van de gezaghebbende ouder(s) inperkt. Daaruit volgt derhalve niet dat aan de pleegouder(s) een gezagsrecht over een minderjarige toekomt of een recht om over de verblijfplaats van een minderjarige te beslissen als bedoeld in artikel 5 van het Haagse Verdrag.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van verzoeker op het blokkaderecht faalt.

Conclusie

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de Centrale Autoriteit op goede gronden heeft geoordeeld dat er klaarblijkelijk geen sprake is van ongeoorloofde overbrenging of vasthouding van de minderjarige in de zin van artikel 3 van het Haagse Verdrag, zodat het bezwaar van verzoeker ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank beslist als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het bezwaar van verzoeker ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, H.M. Boone en A.M.A. Keulen, bijgestaan door V. van den Hoed-Koreneef als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 oktober 2013.