Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:14150

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
96/044269-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betwisting ontvankelijkheid in alcoholzaak (tussenvonnis). Bestuurder van personenauto gedagvaard, terwijl in het kader van een bestuursrechtelijke procedure reeds het alcoholslotprogramma was opgelegd. Beroep op ne bis in idem omdat de opgelegde maatregel moet worden aangemerkt als een criminal charge.

De politierechter overweegt dat een ongeldigverklaring van het rijbewijs gedurende vijf jaar als een criminal charge is aan te merken, indien die ongeldigverklaring het gevolg is van een zwaarwegende onmogelijkheid aan het alcoholslotprogramma deel te nemen. Heropening van het onderzoek voor informatie omtrent de zwaarwegende omstandigheden.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 130
Wegenverkeerswet 1994 131
Wegenverkeerswet 1994 132
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2013/111

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Politierechter

Parketnummer 96/044269-13

Datum uitspraak: 16 oktober 2013

De politierechter in de rechtbank Den Haag heeft het navolgende tussenvonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960,

[adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 2 oktober 2013.

De verdachte, bijgestaan door haar raadsman mr P.T. Verweijen, advocaat te Den Haag, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr I. Doves heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het haar bij dagvaarding ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een geldboete van € 1300,00 subsidiair 26 dagen hechtenis, waarvan € 700,00 subsidiair 14 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 7 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 22 februari 2013 te 's-Gravenhage als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van haar adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 805 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;
( art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994 )

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging omdat aan verdachte reeds het alcoholslotprogramma is opgelegd. Naar de mening van de verdediging is dit een ‘punitive charge’ in de zin van artikel 6 van het EVRM en zou er sprake zijn van dubbele bestraffing. Daarom zou de vervolging door de officier van justitie strijd opleveren met het ne bis in idem beginsel zoals dat is neergelegd in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de officier van justitie

De ovj heeft gesteld wel ontvankelijk te zijn omdat naar vaste rechtspraak de oplegging van het alcoholslotprogramma niet wordt aangemerkt als een criminal charge, zodat er geen sprake is van dubbele bestraffing.

De beoordeling van de ontvankelijkheid

De politierechter overweegt wat betreft de feitelijke achtergrond van het verzoek het volgende. Het alcoholslotprogramma is een programma met een duur van ten minste twee jaar dat kan worden opgelegd aan bestuurders die in beginsel in aanmerking komen voor een ongeldigverklaring van het rijbewijs (voor alle categorieën waar het voor is afgegeven). De strekking van dit programma is dat de bestuurder een beperkt rijbewijs wordt aangeboden voor categorie B, welk rijbewijs hem de bevoegdheid verleent uitsluitend het voertuig categorie B te besturen waarin een specifiek voor zijn persoon bestemd alcoholslot is ingebouwd. Inbouw in een vrachtwagen of autobus is door de wetgever niet voorzien. Indien de bestuurder niet van dit aanbod gebruik kan maken of wil maken volgt een ongeldigverklaring van het rijbewijs voor tenminste vijf jaar. Voor de houder van het vrachtwagenrijbewijs brengt dit mee dat hij gedurende zijn deelname aan het alcoholslot-programma wel kan rijden in een personenauto maar niet in een vrachtwagen. De kosten voor het programma komen voor rekening van de deelnemende bestuurder en bedragen circa vier- tot vijfduizend euro. Deze kosten betreffen de inbouw van het alcoholslot, de controles daarop, de controle van de bestuurder en het volgen van de zogenoemde motivatiecursus.

Indien de bestuurder niet beschikt over een voertuig categorie B waar hij het alcoholslot kan laten inbouwen is er geen mogelijkheid om aan het alcoholslotprogramma deel te nemen. Die mogelijkheid is er ook niet indien de bestuurder in de onmogelijkheid verkeert de kosten van het programma voor zijn rekening te nemen. Voor deze bestuurders volgt derhalve de automatische ongeldigverklaring van het rijbewijs voor ten minste vijf jaar. Ervaring met het alcoholslotprogramma heeft inmiddels geleerd dat meer dan de helft van de bestuurders geen gebruik van het aanbod tot deelname kan of wil maken.

De regelgeving betreffende het alcoholslotprogramma wordt uitgevoerd door het CBR. Toetsing vindt plaats door de bestuursrechter en in hoogste instantie de Raad van State. Tot voor kort heeft de bestuursrechter als vast uitgangspunt genomen dat de oplegging van het alcoholslotprogramma niet als een criminal charge is aan te merken. De strafrechter heeft dit gevolgd, wat meebrengt dat een beroep op ne bis in idem niet slaagt.

De raadsman in zijn uitvoerige toelichting op de gestelde niet ontvankelijkheid wegens ne bis in idem, heeft gewezen op een tweetal uitspraken van de bestuursrechter waarin is geoordeeld dat onder de specifieke omstandigheden van die zaken er wel sprake was van een criminal charge. Die twee zaken betroffen de situatie waarin een beroepsvrachtwagen- chauffeur als gevolg van deelname aan het alcoholslotprogramma gedurende tenminste twee jaar weliswaar in een personenauto zou mogen rijden maar niet zijn beroep als vrachtwagenchauffeur zou kunnen uitoefenen omdat het rijbewijs voor de desbetreffende categorieën gedurende ten minste twee jaar ongeldig zou zijn. De raadsman leidt hieruit af dat de rechtspraak om is, in die zin dat in de situatie van een beroepsvrachtwagenchauffeur waar het alcoholslotprogramma leidt tot de onmogelijkheid het beroep uit te oefenen gedurende twee jaar, sprake is van een gevolg dat zo ingrijpend en zwaarwegend is dat gesproken dient te worden van een criminal charge. In het verlengde daarvan betoogt de raadsman dat in die situatie dat er sprake is van feitelijke onmogelijkheid aan het programma deel te nemen, waar een ten minste vijf jaar durende ongeldigheid van het rijbewijs op volgt, evenzeer, zo al niet nog meer, sprake is van een criminal charge. Aansluitend heeft hij gesteld dat verdachte, houdster van een rijbewijs voor categorie B is aangeboden aan het alcoholslotprogramma deel te nemen. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte in de onmogelijkheid verkeert om aan het alcoholslotprogramma deel te nemen, omdat zij niet over de noodzakelijke financiën beschikt.

Naar het oordeel van de politierechter is een ongeldigverklaring van het rijbewijs gedurende vijf jaar als een criminal charge aan te merken indien die ongeldigverklaring het gevolg is van een zwaar wegende onmogelijkheid aan het alcoholslotprogramma deel te nemen.

Heropening en schorsing van het onderzoek ter terechtzitting

Na de sluiting van het onderzoek is onder de beraadslaging gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest.

De politierechter acht zich omtrent het door CBR gedane aanbod en de modaliteiten daarvan niet voldoende ingelicht en acht het noodzakelijk dat de raadsman alsnog gedocumenteerde inlichtingen verschaft. Voorts dient een afdoende onderbouwing te worden gegeven aan de gestelde financiële onmogelijkheid om aan het programma deel te nemen. Ten slotte wil de politierechter worden geïnformeerd omtrent de feitelijke keuze die verdachte heeft gemaakt met betrekking tot de voorgestelde deelname.

Daarom zal het onderzoek worden heropend en geschorst.

De stukken zullen in handen van de officier van justitie worden gesteld.

Beslissing

De politierechter,

heropent en schorst het onderzoek en beveelt dat het onderzoek zal worden hervat op een nader te bepalen terechtzitting;

stelt de stukken in handen van de officier van justitie;

beveelt de oproeping van de verdachte tegen het tijdstip van een nader te bepalen terechtzitting, met verstrekking van een afschrift van die oproeping aan de raadsman van de verdachte.

Dit tussenvonnis is gewezen door

mr Chr.A.J.F.M. Hensen, politierechter,

in tegenwoordigheid van mr H.A.F. Tromp, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de politierechter in deze rechtbank

van 16 oktober 2013.